De zes pijlers van de Brabantse norm
De Brabantse norm vormt het fundament voor een weerbare overheid. Het hierin opgenomen basisniveau maakt inzichtelijk wat overheidsorganisaties minimaal op orde moeten hebben om weerbaar te zijn. De norm introduceert geen nieuwe kaders, maar bundelt bestaande wet- en regelgeving, afspraken, richtlijnen en ambities die gemeenten en provincie ook nu al hanteren en toepassen in hun dagelijkse praktijk. Het fundament krijgt vorm in zes samenhangende pijlers.
1. Bewustwording en organisatie
Een weerbare overheidsorganisatie is toegankelijk, transparant en levert betrouwbare dienstverlening. Van medewerkers tot college en raad, iedereen is zich bewust van de risico’s van ondermijning. De organisatie is zo ingericht dat signalen van ondermijning effectief worden herkend en gemeld. Weerbaarheid en het voorkomen van ondermijning staan centraal en worden structureel onder de aandacht gebracht, waarbij ze een vast onderdeel vormen van beleidsontwikkeling en uitvoering.
2. Integriteit
Integer handelen is een onvoorwaardelijke verplichting voor iedereen die voor de overheid werkt. Van ambtenaar tot politieke ambtsdrager wordt verwacht dat zij onafhankelijk, eerlijk en betrouwbaar optreden in het algemeen belang van de samenleving. De eed of belofte bij aanstelling benadrukt deze verantwoordelijkheid en de voorbeeldfunctie die zij vervullen. De organisatie zorgt ervoor dat medewerkers en politieke ambtsdragers zijn toegerust om integer te handelen en dat zij worden beschermd tegen ongepaste druk, beïnvloeding of bedreiging. Preventieve maatregelen verkleinen de kans op integriteitsschendingen. Heldere kaders en protocollen waarborgen dat signalen en incidenten tijdig, zorgvuldig en consequent worden opgepakt. Alleen in een organisatie waar integriteit leidend is, kan het vertrouwen in de overheid worden behouden en versterkt.
3. Veilige publieke taak
Het waarborgen van een veilige publieke taak is essentieel voor een weerbare overheid. Ambtenaren, bestuurders en volksvertegenwoordigers moeten hun taken kunnen uitoefenen zonder intimidatie, agressie of andere vormen van ongewenste beïnvloeding. Dit vraagt om preventieve beveiliging, zoals goede fysieke en digitale bescherming, maar ook om een snelle en effectieve aanpak van incidenten. Op deze manier zorgt de overheid voor een veilige omgeving waarin publieke taken met vertrouwen en gezag worden uitgevoerd.

4. Informatiepositie en informatiebeveiliging
Overheidsorganisaties beschikken over grote hoeveelheden informatie die zij verkrijgen bij de uitvoering van hun wettelijke taken. Het waarborgen van een sterke informatiepositie en informatiebeveiliging is cruciaal voor het betrouwbaar en transparant uitvoeren van deze taken. Daarnaast stelt een goed beheer van informatie de overheid in staat om patronen van ondermijning en mogelijke risicofactoren vroegtijdig te signaleren. Hierdoor kunnen overheden hun capaciteit zo effectief mogelijk inzetten om ondermijning te voorkomen en tegen te gaan.
5. Beleid, toezicht en handhaving
Het hebben van actueel en goed doordacht beleid, én het consequent uitvoeren daarvan, is essentieel voor de betrouwbaarheid van de overheid. Om weerbaarheid te versterken, is het van groot belang dat de 'gereedschapskist' van bestuurlijke instrumenten goed gevuld is. Dit stelt overheden in staat om snel en effectief op te treden tegen ondermijning en deze zowel preventief als repressief aan te pakken.
6. Communicatie
Een weerbare overheidsorganisatie communiceert actief over hoe zij ondermijning voorkomt en bestrijdt. Bijvoorbeeld door het publiek te informeren over genomen maatregelen en behaalde resultaten, of door campagnes te voeren die signalen van ondermijning herkenbaar maken en meldingen stimuleren. Dergelijke open communicatie versterkt het bewustzijn rondom ondermijning en benadrukt het belang van weerbaarheid binnen de organisatie en in de samenleving. Bovendien kan communicatie zelf een effectieve interventiestrategie zijn om ondermijning te verstoren.
Deze web-versie van het Handelingskader is in de hoofdstukken 1 tot en met 6 aangevuld met beschrijvingen van of verwijzingen naar praktische kaders en handvatten.