Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingVerordening water Noord-Brabant
CiteertitelVerordening water Noord-Brabant
Vastgesteld doorprovinciale staten
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerpwater, waterkeringen

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Op grond van artikel 9.4 van deze verordening hebben Gedeputeerde Staten bij besluit van 14 december 2009 de nummering van de artikelen van deze verordening opnieuw vastgesteld en de in deze verordening voorkomende aanhalingen van de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming gebracht. Daarbij hebben Gedeputeerde Staten tevens de in deze verordening voorkomende aanhalingen van de artikelen van de Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling met de nieuwe nummering van de Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling in overeenstemming gebracht.

Bij besluit van 10 december 2009 (Stb. 2009, nr. 549) is de datum van inwerkingtreding van de Waterwet vastgesteld op 22 december 2009.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Waterwet
  2. Provinciewet, art. 145 en 146
  3. Scheepvaartverkeerswet, art. 2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Regeling wijzigen begrenzingen Verordening water Noord-Brabant

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

27-03-201315-10-2015Art. 3.11, 3.12, 3.13, 3.14, 3.15

22-03-2013

Provinciaal Blad, 2013, 56

Statenvoorstel 10/13
24-12-200922-12-200927-03-2013nieuwe regeling

20-11-2009

Provinciaal Blad, 2009, 230

Statenvoorstel 49/09

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Provinciale Staten van Noord-Brabant;

Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten d.d. 8 september 2009 en de Memorie van Antwoord/Nota van Wijziging van Gedeputeerde Staten d.d. 3 november 2009;

Gelet op de Waterwet;

Gelet op artikel 145 en 146 van de Provinciewet;

Gelet op artikel 2 van de Scheepvaartverkeerswet;  

Gezien het advies van de Provinciale Omgevingscommissie van Noord-Brabant van 1 oktober 2009;  

Gezien het advies van de Commissie voor Ruimte en Milieu van 16 oktober 2009;  

Overwegende, dat het in verband met de nieuwe Waterwet noodzakelijk is om de regelgeving met betrekking tot het waterbeheer te herzien; 

Overwegende, dat het wenselijk is om in navolging van de opzet van de Waterwet een nieuwe integrale Verordening water Noord-Brabant vast te stellen; 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Verordening water Noord-Brabant

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen bestuur: algemeen bestuur van het waterschap;

  • b.

    dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van het waterschap;

  • c.

    minister: Minister van Verkeer en Waterstaat;

  • d.

    beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de wet;

  • e.

    compartimenteringskering: regionale waterkering die als zodanig geen directe waterkerende functie heeft, tenzij in geval van doorbraak of overstroming van de primaire waterkering;

  • f.

    legger: legger als bedoeld in artikel 5.1 van de wet;

  • g.

    peilbesluit: besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de wet;

  • h.

    projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de wet;

  • i.

    profiel van vrije ruimte: ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering;

  • j.

    regionale waterkering: waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening;

  • k.

    regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de wet;

  • l.

    scheepvaartklasse: internationale scheepvaartklassen volgens de indeling van de Conférence Européenne des Ministres des Transports (CEMT1992) voor vaarwegen ten westen van de Elbe;

  • m.

    vaarwegbeheer: overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken;

  • n.

    waterschap: waterschap Aa en Maas, waterschap De Dommel, waterschap Brabantse Delta, waterschap Rivierenland of waterschap Zeeuwse Eilanden;

  • o.

    waterlopen: lijnvormige oppervlaktewateren;

  • p.

    wet: Waterwet.

Artikel 1.2 Reikwijdte

  • 1 Deze verordening is van toepassing op de provincie Noord-Brabant.

  • 2 In afwijking van het in het eerste lid gestelde is deze verordening, met uitzondering van hoofdstuk 3, paragraaf 3, en hoofdstuk 4, paragraaf 1, niet van toepassing op het gebied van waterschap Rivierenland, zoals begrensd bij of krachtens artikel 2 van het Reglement voor het waterschap Rivierenland.

  • 3 Op het gebied, bedoeld in het tweede lid, is de Waterverordening waterschap Rivierenland van toepassing. 

Hoofdstuk 2 Normen

Paragraaf 1 Regionale waterkeringen

Artikel 2.1 Aanwijzen regionale waterkeringen

Deze paragraaf is van toepassing op de regionale waterkeringen die als zodanig zijn aangewezen op de als bijlage I bij deze verordening behorende kaart.

Artikel 2.2 Veiligheidsnorm
  • 1 Op de als bijlage I bij deze verordening behorende kaart is voor elke regionale waterkering, niet zijnde een compartimenteringskering, of voor elk deel daarvan, de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand die deze regionale waterkering veilig moet kunnen keren.

  • 2 Voor regionale waterkeringen als bedoeld in het eerste lid stellen Gedeputeerde Staten voor daarbij aan te geven plaatsen vast, welke relatie tussen waterstanden en overschrijdingskansen daarvan uitgangspunt is bij de bepaling van het waterkerend vermogen.

  • 3 De vaststelling, bedoeld in het tweede lid, geschiedt voor de eerste maal een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, en wordt daarna elke zes jaar herhaald.

  • 4 De beheerder handhaaft voor compartimenteringskeringen het feitelijke profiel van de betreffende waterkering op de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

  • 5 De beheerder legt uiterlijk twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening de te handhaven profielen, bedoeld in het vierde lid, vast in de legger.

  • 6 De regionale keringen voldoen op 31 december 2015 aan de normen, bedoeld in het eerste lid.

  • 7 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van het dagelijks bestuur een tijdstip vaststellen dat afwijkt van het genoemde in het zesde lid. 

Paragraaf 2 Waterkwantiteit

 Artikel 2.3 Normen wateroverlast
  • 1 Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20 a van de Wegenverkeerswet 1994,  als norm een overstromingskans van:

    • a.

      1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen;

    • b.

      1/10 per jaar voor overige gebieden.

  • 2 Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt buiten de bebouwde kom van een gemeente , zoals bedoeld in artikel 20 a van de Wegenverkeerswet 1994,als norm een overstromingskans van:

    • a.

      1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen;

    • b.

      1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw;

    • c.

      1/25 per jaar voor akkerbouw;

    • d.

      1/10 per jaar voor grasland.

  • 3 Voor bebouwing die is gelegen buiten de bebouwde kom geldt de norm van het omringende landgebruik, genoemd in het tweede lid, onder b, c of d, of de afwijkende norm op grond van het vierde lid.

  • 4 In afwijking van het tweede lid geldt voor de gebieden buiten de bebouwde kom, zoals bedoeld in artikel 20 a van de Wegenverkeerswet 1994,  aangegeven op bijlage II bij deze verordening geen norm, dan wel een hogere of een lagere norm.

  • 5 Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen aangaande de toepassing van de voorgaande leden.

  • 6 Gedeputeerde Staten kunnen een technische leidraad vaststellen voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren. Deze strekt tot aanbeveling voor de beheerder.

  • 7 Gedeputeerde Staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur het tijdstip vast waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren voldoet aan de in het eerste tot en met vierde lid opgenomen normen.  

Paragraaf 3 Meten en beoordelen

Artikel 2.4  Verslag toetsing watersysteem
  • 1 Het dagelijks bestuur brengt, in het bijzonder vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.

  • 2 Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid, waarbij onder meer de veiligheidsnorm, de hydraulische randvoorwaarden bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, en de legger betrokken.

  • 3 Het dagelijks bestuur brengt, in het bijzonder vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de normen voor wateroverlast bedoeld in artikel 2.3, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.

  • 4 Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Bij die beoordeling worden onder meer de normen, bedoeld in artikel 2.3, en de legger betrokken.

  • 5 Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

  • 6 Gedeputeerde Staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, vast voor welk tijdstip de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, voor de eerste maal wordt uitgebracht en met welke frequentie het verslag daarna wordt uitgebracht. 

Artikel 2.5 Nadere voorschriften

Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen, bedoeld in artikel 2.4.

Hoofdstuk 3 Organisatie en samenhang waterbeheer

Paragraaf 1 Toedeling beheer

Artikel 3.1 Toedeling watersysteembeheer

Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem, gelet op de taakomschrijving in artikel 2 van het reglement van het betreffende waterschap op grond van de Waterschapswet.

Artikel 3.2 Beheer provinciale vaarwegen door waterschap Brabantse Delta
  • 1 Het vaarwegbeheer over de Mark en Dintel, de Roode Vaart, Roosendaalsche en Steenbergsche Vliet (inclusief de Steenbergse en Heensche haven), en het Mark-Vlietkanaal berust bij de provincie Noord?Brabant.

  • 2 Waterschap Brabantse Delta is belast met de uitvoering van het beheer over de in het eerste lid genoemde vaarwegen

  • 3 Het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta is belast met het nautisch beheer over de in het eerste lid genoemde vaarwegen volgens de bepalingen bij of krachtens de Scheepvaartverkeerswet.

Paragraaf 2 Beheer provinciale vaarwegen

Artikel 3.3 Beheersdoelstellingen provinciale vaarwegen 
  • 1 Gedeputeerde Staten stellen vast welke scheepvaartklassen bepalend zijn voor het beheer van de provinciale vaarwegen bedoeld in artikel 3.2.

  • 2 Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, waarbij het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta wordt gehoord.

  • 3 Het waterschap legt de hoedanigheid van de wateren als vaarweg, de scheepvaartklasse en het profiel vast in de legger.

Artikel 3.4 Opdracht tot regeling en bestuur  
  • 1 Het algemeen bestuur van waterschap Brabantse Delta stelt bij verordening regels in het belang van de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van de provinciale vaarwegen, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, evenals de daartoe behorende werken.

  • 2 Bij het vaststellen van de verordening, bedoeld in het eerste lid, neemt het bestuur de doelstellingen, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, in acht.  

  • 3 Toepassing van het eerste lid geschiedt mede in het belang van het watersysteembeheer of de bescherming van de landschappelijke, ecologische of andere natuurwetenschappelijke waarden van het gebied waarin een vaarweg is gelegen.

  • 4 Een verordening als bedoeld in het eerste lid wordt voorbereid met toepassing van de inspraakverordening van het waterschap.

  • 5 Gedeputeerde Staten worden gehoord over het ontwerp van een verordening als bedoeld in het eerste lid. 

Artikel 3.5 Bedieningstijden van bruggen en sluizen
  • 1 Het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta stelt de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, behorende bij de provinciale vaarwegen.

  • 2 Op de voorbereiding of wijziging van het besluit, bedoeld in het eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 

Paragraaf 3 Regels voor een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer

Artikel 3.8 Begrenzing beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden en natte natuurparels

De begrenzing van de beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden en de natte natuurparels wordt aangegeven op de als bijlage III bij deze verordening behorende kaarten.  

Artikel 3.9 Wijzigingsbevoegheid

Door Gedeputeerde Staten worden bij nader besluit de begrenzingen bedoeld in artikel 3.8 gewijzigd, indien en voor zover dat noodzakelijk is om deze in overeenstemming te brengen met de begrenzingen van deze gebieden zoals die bij of krachtens de verordening bedoeld in artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening in het kader van provinciale ruimtelijke besluitvorming zijn vast­gesteld.

Artikel 3.10 Doorwerking gebiedsbegrenzing

Bij het vaststellen van een verordening als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet, houdende regels met betrekking tot handelingen in een watersysteem of beschermingszones, strekt de begrenzing van de gebieden in bijlage III of een nadien vastgesteld nader besluit als bedoeld in artikel 3.9 het algemeen bestuur tot aanbeveling.

Paragraaf 4 Informatieverstrekking ten behoeve van het toezicht op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer

Artikel 3.11 Voortgangsrapportage
  • 1 Het dagelijks bestuur rapporteert jaarlijks aan Gedeputeerde Staten over de uitvoering van het regionale waterbeheer.

  • 2 De rapportage, bedoeld in het eerste lid, bevat informatie over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.

Artikel 3.12 Nadere regels

Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de inhoud van de rapportage, bedoeld in artikel 3.11.

Artikel 3.13 Informatie veiligheid
  • 1 Het dagelijks bestuur informeert Gedeputeerde Staten jaarlijks voor 1 oktober over de bekende actuele tekortkomingen in het stelsel van primaire en regionale keringen en de te nemen maatregelen ter voorbereiding op een doeltreffend optreden bij gevaar als bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 5 van de wet.

  • 2 In de informatie, bedoeld in het eerste lid, geeft het dagelijks bestuur aan of er tijdelijke of bijzondere maatregelen aan de orde zijn totdat de verbeteringswerken voor de desbetreffende keringen zijn afgerond.

Artikel 3.14 Toezending calamiteitenplan

De beheerder zendt Gedeputeerde Staten een afschrift van het vastgestelde calamiteitenplan, bedoeld in artikel 5.29 van de Waterwet.

Artikel 3.15 Toezending ontwerp-besluiten
  • 1 In aanvulling op artikel 80, eerste lid, van de Waterschapswet, zend het dagelijks bestuur het ontwerp van een besluit tot vaststelling of wijziging van een keur tegelijk met de terinzagelegging daarvan toe aan Gedeputeerde Staten.

  • 2 Het dagelijks bestuur informeert Gedeputeerde Staten over de voorbereiding van waterschapsbeleid betreffende:

    • a.

      door Gedeputeerde Staten vastgestelde speerpunten in de notitie ‘Toezicht op de waterschappen in Noord-Brabant’;

    • b.

      de bescherming van gebieden die aangewezen zijn als Natura 2000-gebieden als bedoeld in artikel 1, onder n, van de Natuurbeschermingswet of begrensd zijn als natte natuurparel in bijlage III van deze verordening.

Hoofdstuk 4 Plannen

Paragraaf 1 Regionale waterplannen

Artikel 4.1 Inhoud
  • 1 Onverminderd artikel 4.4. van de wet, bevat een regionaal waterplan één of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarop de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht.

  • 2 De ruimtelijke aspecten bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet worden in het regionaal waterplan aangeduid. 

Artikel 4.2 Voorbereiding
  • 1 Gedeputeerde Staten voeren, ter voorbereiding van het regionaal waterplan, ten minste overleg met het dagelijks bestuur van de waterschappen, de hoofd-ingenieur directeur van Rijkswaterstaat en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.

  • 2 Gedeputeerde Staten raadplegen ter voorbereiding van het regionaal waterplan de Minister van Verkeer en Waterstaat en Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies en de beheerder van de grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen.

  • 3 Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 4 Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze op het regionaal waterplan schriftelijk of mondeling in te brengen.

Artikel 4.3 Uitwerking
  • 1 In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionaal waterplan gegeven regels.

  • 2 Het besluit van Gedeputeerde Staten tot uitwerking van het regionaal waterplan maakt deel uit van het regionaal waterplan.

  • 3 Artikel 4.2 is van overeenkomstige toepassing op het uitwerkingsbesluit.

  • 4 Binnen vier weken na vaststelling van de uitwerking informeren Gedeputeerde Staten de in artikel 4.2 genoemde bestuursorganen.

Paragraaf 2 Beheerplannen voor regionale wateren

Artikel 4.4 Inhoud
  • 1 Onverminderd artikel 4.6 van de wet, bevat het beheerplan ten minste:

    • a.

      de beschrijving van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt;

    • b.

      het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen;

    • c.

      de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren; 

    • d.

      een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode;

    • e.

      het gewenste grond? en oppervlaktewaterregime voor de aan het oppervlaktewater en het freatisch grondwater toegekende functies.

  • 2 Het beheerplan is voorzien van een toelichting, waarin ten minste is opgenomen:

    • a.

      de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken;

    • b.

      een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste lid onder c genoemde maatregelen.

 Artikel 4.5 Voorbereiding
  • 1 Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 2 Het dagelijks bestuur raadpleegt bij het opstellen van het beheerplan ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende waterbeheerders, de colleges van burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten van de binnen het plangebied liggende gemeenten en provincies, alsmede de ten aanzien van grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen bevoegde Belgische autoriteiten.

  • 3 De stukken worden ter inzage gelegd in ten minste het kantoor van het waterschap en in de gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het gebied waarop het beheerplan betrekking heeft.

  • 4 Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het beheerplan schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.

  • 5 Het dagelijks bestuur kan besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast bij het actualiseren van het maatregelenprogramma als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid onder c, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.

  • 6 Een vastgesteld beheerplan wordt toegezonden aan de instanties, bedoeld in het tweede lid, en aan de Minister van Verkeer en Waterstaat.

 Artikel 4.6  Uitwerking
  • 1 In het beheerplan kan worden bepaald dat het dagelijks bestuur het beheerplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens de in het beheersplan gegeven regels.

  • 2 Het besluit van het dagelijks bestuur tot uitwerking van het beheerplan maakt deel uit van het beheerplan.

  • 3 Artikel 4.5 uitgezonderd het tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het uitwerkingsbesluit.

  • 4 Binnen vier weken na vaststelling van de uitwerking informeert het dagelijks bestuur de in artikel 4.5, tweede lid genoemde bestuursorganen. 

Artikel 4.7 Goedkeuring
  • 1 Het dagelijks bestuur stuurt het beheerplan binnen vier weken na vaststelling ter goedkeuring naar Gedeputeerde Staten.

  • 2 Als bijlagen bij het beheerplan voegt het dagelijks bestuur toe

    • a.

      het verslag van de raadpleging bij de voorbereiding van het besluit;

    • b.

      de ingediende zienswijzen;

    • c.

      de beschouwingen van het bestuur over de zienswijzen.

Hoofdstuk 5 Aanleg en beheer van waterstaatswerken

Paragraaf 1 Legger

 Artikel 5.1 Legger waterstaatswerken
  • 1 De legger bevat naast het bepaalde in artikel 5.1, eerste lid van de wet in ieder geval:

    • a.

      het lengteprofiel en dwarsprofielen van de primaire- en regionale waterkeringen;

    • b.

      het dwarsprofiel van de oppervlaktewaterlichamen onder beheer van het waterschap.

  • 2 Op de overzichtskaart, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid van de wet, is ten aanzien van de primaire waterkeringen het profiel van vrije ruimte aangeven. 

Artikel 5.2 Vrijstelling leggerplicht voor waterlopen
  • 1 Waterlopen met een maatgevende afvoer van minder dan 30 liter per seconde zijn vrijgesteld van de in artikel 5.1 van de wet bedoelde verplichtingen met betrekking tot omschrijving van de vorm, afmeting en constructie van de waterloop en het dwarsprofiel, bedoeld in artikel 5.1. eerste lid onder b.

  • 2 Vrij meanderende wateren zijn vrijgesteld van de in artikel 5.1 van de wet bedoelde verplichtingen met betrekking tot omschrijving van de vorm en afmeting van de betreffende waterloop. De ondersteunende kunstwerken, die deel uitmaken van vrij meanderende waterlopen met een maatgevende afvoer van 30 liter per seconde of meer, worden wel omschreven.

  • 3 De ondersteunende kunstwerken, die deel uitmaken van vrij meanderende waterlopen met een maatgevende afvoer van 30 liter per seconde of meer, worden wel omschreven.

  • 4 De ligging van de in het eerste lid bedoelde waterlopen waarvoor vrijstelling is verleend, wordt aangegeven als lijnelement op een overzichtskaart met een schaal van maximaal 1:10.000.

  • 5 Voor de vrij meanderende wateren, bedoeld in het tweede lid, wordt de ligging aangegeven op een overzichtskaart met een schaal van maximaal 1:10.000, door middel van een zone waarbinnen de waterloop zich feitelijk kan bevinden.

  • 6 Voor waterlopen met een maatgevende afvoer van minder dan 10 liter per seconde, die slechts dienstig zijn aan één belanghebbende, wordt eveneens vrijstelling verleend van de verplichting om de waterloop op te nemen op de overzichtskaart, bedoeld in het vierde lid. 

Artikel 5.3 Tijdelijke vrijstelling leggerplicht voor regionale keringen

Gedeputeerde Staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur de termijn vast, gedurende welke artikel 5.1, eerste lid van de wet niet van toepassing is op de regionale waterkeringen die zijn aangewezen op grond van artikel 2.1, onverminderd artikel 2.2, vijfde lid.

 Paragraaf 2 Peilbesluiten

 Artikel 5.4 Aanwijzing gebieden voor peilbesluiten

Het algemeen bestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlakte­waterlichamen in de gebieden die zijn aangegeven op de kaart in bijlage IV bij deze verordening.

Artikel 5.5 Inhoud peilbesluit
  • 1 Onverminderd artikel 5.2. tweede lid, van de wet bevalt het peilbesluit een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.

  • 2 Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting, waarin tenminste zijn opgenomen:

    • a.

      de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken;

    • b.

      een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van een geldend peilbesluit, dan wel de bestaande situatie in het geval dat er nog geen peilbesluit geldt;

    • c.

      een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen.

Artikel 5.6 Openbare voorbereiding

Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 5.7 Herziening
  • 1 Een peilbesluit wordt ten minste eens in de tien jaren herzien.

  • 2 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van het algemeen bestuur eenmalig vrijstelling verlenen van de verplichting genoemd in het eerste lid, voor ten hoogste vijf jaar.

Paragraaf 3 Projectprocedure voor waterstaatswerken

Artikel 5.8 Projectprocedure 
  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van het dagelijks bestuur hoofdstuk 5, paragraaf 2 van de wet, van toepassing verklaren op:

    • a.

      projectplannen voor de aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen;

    • b.

      projectplannen voor de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen;

    • c.

      projectplannen voor de aanleg en wijziging van waterstaatswerken in verband met beekherstel en verdrogingsbestrijding.

  • 2 In een verzoek als bedoeld in het eerste lid geeft het dagelijks bestuur aan:

    • a.

      wat de bovenlokale betekenis is van het project, en waarom het met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht;

    • b.

      welke besluiten nodig zijn ter uitvoering van het projectplan als bedoeld in artikel 5.8 van de wet.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, kunnen door Gedeputeerde Staten nadere regels worden vastgesteld, waarin wordt bepaald dat hoofdstuk 5, paragraaf 2 van de wet van toepassing is op bepaalde categorieën of nader genoemde projectplannen.

  • 4 Het besluit, bedoeld in het derde lid, wordt vastgesteld na overleg met het dagelijks bestuur van de waterschappen.

  • 5 Het besluit, bedoeld in het derde lid, wordt bekend gemaakt in het Provinciaal Blad en medegedeeld in een of meer regionale dagbladen. 

Artikel 5.9 Toezending projectplan voor primaire waterkeringen

Een aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring toegezonden projectplan, bedoeld in artikel 5.5 van de wet, dat betrekking heeft op een primaire waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijkring die tevens is gelegen op het grondgebied van een andere provincie, wordt door het dagelijks bestuur van het waterschap tevens toegezonden aan Gedeputeerde Staten van die andere provincie. 

Paragraaf 4 Waterakkoord

Artikel 5.10 Voorbereiding

Bij de voorbereiding van een waterakkoord als bedoeld in artikel 3.7 van de wet, raadpleegt het dagelijks bestuur het college van Burgemeester en Wethouders of ander openbaar gezag, voorzover het akkoord betrekking heeft op onderdelen van het watersysteem ten aanzien waarvan de gemeente of dat gezag belast is met het vaarweg- of havenbeheer.

Hoofdstuk 6 Handelingen in watersystemen

Artikel 6.1 Grondwaterregister

  • 1 Gedeputeerde Staten houden een register bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water als bedoeld in artikel 6.4 van de wet worden ingeschreven, met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verstrekt.

  • 2 In het register, bedoeld in het eerste lid, worden ook de op grond van artikel 6.4 van de wet verleende vergunningen vermeld, krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt. 

Artikel 6.2 Melden, meten en registreren

  • 1 Ten aanzien van grondwateronttrekkingen en infiltraties als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, van de wet kunnen Gedeputeerde Staten nadere voorschriften vaststellen met betrekking tot de wijze waarop opgave wordt gedaan over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater, geïnfiltreerd water en de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.

  • 2 Degene die onder het toepassingsbereik van artikel 6.4, eerste lid, van de wet grondwater onttrekt of water infiltreert, neemt daarbij de door Gedeputeerde Staten vastgestelde nadere voorschriften als bedoeld in het eerste lid in acht.

  • 3 De in artikel 6.11, eerste, tweede en vierde lid, van het Waterbesluit genoemde verplichtingen met betrekking tot het melden, meten en registreren van een grondwateronttrekking zijn niet vereist ten aanzien van onttrekkingsinrichtingen ten behoeve van bodemenergiesystemen waarvan de pompcapaciteit niet meer bedraagt dan 10 m³ per uur, voorzover deze inrichtingen zijn gelegen buiten de beschermde gebieden waterhuishouding als bedoeld in artikel 3.8 van deze verordening en de onttrekkingsput niet dieper is dan 30 meter minus maaiveld.

  • 4 De in artikel 6.11, vierde lid van het Waterbesluit genoemde verplichting met betrekking tot de opgave van de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater is niet van toepassing ten aanzien van een onttrekking ten behoeve van een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de wet, indien de gemeten hoeveelheden in overeenstemming zijn met de watervergunning.

Artikel 6.3 Ambtshalve inschrijving grondwaterregister

  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water als bedoeld in artikel 6.4 van de wet ambtshalve inschrijven in het register, bedoeld in artikel 6.1, indien de inrichting:

    • a.

      niet overeenkomstig artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is gemeld; of

    • b.

      overeenkomstig artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit dient te worden gemeld aan een ander bestuursorgaan dan Gedeputeerde Staten.

  • 2 Als datum van inschrijving wordt aangehouden 1 januari van het jaar waarin de ambtshalve inschrijving plaatsvindt. 

Artikel 6.4 Algemene voorschriften grondwateronttrekkingen

  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen, na overleg met het dagelijks bestuur, algemene voorschriften vaststellen met betrekking tot grondwateronttrekkingen als bedoeld in artikel 6.4 van de wet.

  • 2 Degene die onder het toepassingsbereik van artikel 6.4 van de wet grondwater onttrekt, neemt daarbij de door Gedeputeerde Staten vastgestelde algemene voorschriften voor grondwateronttrekkingen in acht.

Artikel 6.5 Uitzondering vergunningplicht

Een vergunning tot het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de wet, is niet vereist ten aanzien van inrichtingen waarvan de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 10 m³ per uur, voorzover deze inrichtingen gelegen zijn buiten de beschermde gebieden waterhuishouding als bedoeld in artikel 3.8 van deze verordening en de onttrekkingsput niet dieper is dan 30 meter minus maaiveld.

Hoofdstuk 7 Schadevergoeding grondwater

Artikel 7.1  Verzoek tot instellen onderzoek

Een verzoek om vergoeding van kosten of schade of een onderzoek als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de wet omvat ten minste:

  • a.

    de bepalingen door toepassing waarvan de aanvrager zich voor kosten gesteld ziet of schade lijdt;

  • b.

    de aard en de omvang van kosten of schade;

  • c.

    het bedrag dat naar het oordeel van de aanvrager voor vergoeding in aanmerking komt of de wijze waarop naar het oordeel van de aanvrager kosten of schade anderszins moeten worden vergoed. 

Artikel 7.2  Instelling commissie

Gedeputeerde Staten stellen een commissie van deskundigen in die is belast met het adviseren inzake verzoeken als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de wet.

Artikel 7.3  Procedure advies

  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen een verzoek als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de wet in handen van de commissie, bedoeld in artikel 7.2, stellen.

  • 2 Indien Gedeputeerde Staten een verzoek voorleggen aan de commissie zenden zij daarvan een afschrift aan de vergunninghouder of vergunninghouders die zij daarbij betrokken achten, doen zij daarvan mededeling aan de verzoeker en, in geval het verzoek verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur.

  • 3 De commissie brengt zo spoedig mogelijk advies uit over de ondervanging of vergoeding van schade dan wel over de overneming van de onroerende zaak.

  • 4 De commissie zendt het ontwerp van haar advies toe aan degene op wiens verzoek Gedeputeerde Staten een onderzoek heeft laten instellen, aan de betrokken vergunninghouder of vergunninghouders, en aan het bestuur van het waterschap. 

Artikel 7.4  Indienen zienswijzen

  • 1 Gedurende zes weken na de verzending van het ontwerpadvies kunnen de betrokkenen, bedoeld in artikel 7.3, vierde lid, schriftelijk hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen bij de commissie van deskundigen.

  • 2 De commissie stelt degenen die een zienswijze hebben ingediend in de gelegenheid hun zienswijze in persoon of bij gemachtigde op een daartoe door haar te beleggen zitting voor één of meer van haar leden mondeling toe te lichten, daarbij desgewenst bijgestaan door deskundigen.

  • 3 Van hetgeen op de zitting, bedoeld in het tweede lid, naar voren wordt gebracht wordt een verslag gemaakt.

  • 4 Indien zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies al dan niet gewijzigd vast en zendt dat gelijktijdig met het verslag van de hoorzitting en haar beschouwingen omtrent de zienswijzen toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 7.3, vierde lid.

  • 5 Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, vast en zendt dat toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 7.3, vierde lid.

  • 6 De in het vierde en vijfde lid genoemde stukken worden tevens toegezonden aan Gedeputeerde Staten en, in geval het verzoek, bedoeld in 7.19, eerste lid, van de wet, verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur. 

Hoofdstuk 8 Toezicht

Artikel 8.1 Toezicht vaarwegbeheer

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens artikel 3.4 zijn belast de bij besluit van het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta aan te wijzen personen. 

Hoofdstuk 9 Overgangs- en slotbepalingen

 Artikel 9.1 Intrekken verordeningen

  • 1 De Verordening waterhuishouding Noord-Brabant 2005 wordt ingetrokken.

  • 2 De Verordening op de waterkering Noord-Brabant 1997 worden ingetrokken. 

Artikel 9.2  Overgangsrecht algemene voorschriften grondwateronttrekkingen

Voor zover op grond van artikel 6.4 geen algemene voorschriften zijn vastgesteld, gelden de voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening vigerende Algemene voorschriften grondwateronttrekkingen voor degene die onder het toepassingsbereik van artikel 6.4 van de Wet grondwater onttrekken.  

 Artikel 9.3  Overgangsrecht provinciale vaarwegen

  • 1 Tot de inwerkingtreding van het besluit als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, gelden als beheersdoelstellingen voor de provinciale vaarwegen de scheepvaartklassen die op grond van artikel 8 Scheepvaartverkeerswet zijn aangegeven in het besluit van het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap West-Brabant van 19 juli 1993 nummer 9694, gewijzigd bij besluit van het voorlopig dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta van 12 januari 2004, nummer 04I000099.

  • 2 Tot de inwerkingtreding van het besluit als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid blijft het Besluit bedieningstijden sluizen en bruggen in beheer van waterschap Brabantse Delta van 19 december 2006 zijn gelding behouden. 

Artikel 9.4  Aanbrengen doorlopende nummering, aanpassing aanhalingen

  • 1 Voor de plaatsing in het Provinciaal Blad wordt door Gedeputeerde Staten de nummering van de artikelen van deze verordening opnieuw vastgesteld en worden de in deze verordening voorkomende aanhalingen van de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming gebracht.

  • 2 Voor de plaatsing in het Provinciaal Blad wordt door Gedeputeerde Staten de in deze verordening voorkomende aanhalingen van de artikelen van de wet, het Waterbesluit en de Waterregeling met de nieuwe nummering van de wet, het Waterbesluit en de Waterregeling in overeenstemming gebracht.

Artikel 9.5 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 29 januari 2009, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet), in werking treedt.

Artikel 9.6 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Verordening water Noord-Brabant.

Ondertekening

 ’s-Hertogenbosch, 20 november 2009

Provinciale Staten voornoemd,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

  de griffier mw. drs. E.M.W.J. Wöltgens