Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingRegeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende subsidieregels omtrent verdienmodellen nationale parken (Subsidieregeling verdienmodellen nationale parken Noord-Brabant 2015)
CiteertitelSubsidieregeling verdienmodellen nationale parken Noord-Brabant 2015
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerpnatuur en landschap, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/noord-brabant/275924/275924_2.html

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

30-03-201701-01-2015artikel 12

21-03-2017

prb-2017-1346

C2205033/4159235
01-01-201530-03-2017nieuwe regeling

25-11-2014

Provinciaal Blad, 2014, 149

S0289415

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende subsidieregels omtrent verdienmodellen nationale parken (Subsidieregeling verdienmodellen nationale parken Noord-Brabant 2015)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten met bijdragen die zij van het Rijk ontving een aantal nationale parken in Noord-Brabant financieel ondersteunden;

Overwegende dat het Rijk sinds 2011 geen financiële middelen meer beschikbaar stelt aan provincies ten behoeve van de nationale parken;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten in verband met de afbouw van financiële middelen door het Rijk de nationale parken vanaf 2011 tijdelijk zelf hebben ondersteund met subsidie;

Overwegende dat de nationale parken dientengevolge een onderzoek hebben laten uitvoeren naar nieuwe verdienmodellen om in de toekomst op andere wijze de benodigde middelen te verwerven;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op 25 februari 2014 de Subsidieregeling verdienmodellen nationale parken Noord-Brabant hebben vastgesteld om de nationale parken te faciliteren in hun weg naar zelfstandigheid door een subsidie te verstrekken voor de realisatie van de onderzochte verdienmodellen;

Overwegende dat in de eerste tender van die subsidieregeling slechts een beperkt aantal verdienmodellen is gehonoreerd, waarmee er budget resteert voor de openstelling van een tweede tender.

Overwegende dat Gedeputeerde Staten enkele marginale wijzigingen bij de openstelling van de tweede tender wensen, hetgeen vanwege de aard van de wijzigingen noodzaakt tot vaststelling van een geheel nieuwe regeling.

Overwegende dat Gedeputeerde Staten hierbij gebruik willen maken van de Verordening (EU) nr. 360/2012 van de commissie van 24 april 2012 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PBEU 2012, L 114/8).

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

     deelnemer: partij die op enigerlei wijze betrokken is bij een nationaal park;

  • b.

     nationaal park: nationaal park De Biesbosch, nationaal park De Groote Peel of nationaal park De Loonse en Drunense Duinen als bedoeld in artikel 2 van de Regeling aanwijzing nationale parken, alsmede het grensoverschrijdend lichaam grenspark De Zoom-Kalmthoutse Heide;

  • c.

     verdienmodel: manier waarop geld verdiend kan worden met een bepaalde activiteit.

Artikel 2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door nationale parken die rechtspersoonlijkheid bezitten.

Artikel 3 Subsidievorm

  • 1

     Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies.

  • 2

     Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de realisatie van verdienmodellen voor nationale parken.

Artikel 5 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

     het project is gericht op de realisatie van een of meerdere verdienmodellen voor het nationaal park;

  • b.

     de verdienmodellen, bedoeld onder b, zijn:

    • 1°.

       duurzaam;

    • 2°.

       realistisch;

    • 3°.

       gericht op renderendheid binnen een periode van zeven jaar na de datum van subsidieverlening;

  • c.

     indien van toepassing, heeft het desbetreffende bevoegde gezag een intentieverklaring afgegeven, dat het medewerking zal verlenen aan de realisatie van de verdienmodellen;

  • d.

     indien van toepassing, zijn over de verdeling van de door de verdienmodellen nieuw te genereren inkomsten per verdienmodel principe-afspraken gemaakt met de rechthebbenden;

  • e.

     het project is er op gericht dat de opbrengsten van het project op termijn worden ingezet ten behoeve van de recreatieve of educatieve taken van het nationaal park;

  • f.

     het project is gericht op het bereiken van financiële zelfstandigheid van het nationaal park binnen zeven jaar na de datum van subsidieverlening;

  • g.

     aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1°.

       de wijze waarop aan de vereisten in deze regeling wordt voldaan;

    • 2°.

       een zevenjarige financieringsstrategie voor het totale project;

    • 3°.

       een bestuurlijke, juridische en financiële risico-analyse per verdienmodel met een onderbouwing hoe de risico’s zullen worden beheerst;

    • 4°.

       een sluitende begroting per verdienmodel.

Artikel 6 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle projectkosten voor subsidie in aanmerking.

Artikel 7 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 6 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten van inzet van eigen personeel van de deelnemers;

  • b.

     kosten van ureninzet van vrijwilligers;

  • c.

     kosten gemaakt voor de datum van subsidieverlening.

Artikel 8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 5 januari 2015 tot en met 2 maart 2015.

Artikel 9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4, voor de tenderperiode van 5 januari 2015 tot en met 2 maart 2015 vast op € 450.000.

Artikel 10 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 4, bedraagt 50 % van de subsidiabele kosten per verdienmodel, tot een maximum van € 450.000 voor het totale project.

Artikel 11 Verdeelcriteria

  • 1

     Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 9 te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

       de mate waarin het project verdienpotentieel heeft in zeven jaar, te waarderen met maximaal 20 punten;

    • b.

       de verhouding tussen de totale geraamde opbrengsten binnen zeven jaar van alle verdienmodellen en de totale projectkosten, te waarderen met maximaal 20 punten;

    • c.

       zijn er ondernemers als trekker bij een verdienmodel betrokken, eenmalig te waarderen met 5 punten;

    • d.

       zijn er ondernemers als financier bij een verdienmodel, niet zijnde het verdienmodel, bedoeld onder c, betrokken, eenmalig te waarderen met 5 punten.

  • 2

     Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     bij subsidies van € 125.000 en hoger:

    • 1°.

       overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

    • 2°.

       houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

  • b.

     het project is afgerond binnen vijf jaar na verlening van de subsidie.

Artikel 13 Prestatieverantwoording

  • 1

     Bij subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • 1°.

       per verdienmodel: beeldmateriaal, geluidmateriaal of een hyperlink naar een website;

    • 2°.

       een financieel overzicht waaruit de ontwikkeling van de verdienmodellen en de financiële positie van het park blijkt.

  • 2

     Bij subsidies van € 25.000 tot € 125.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • 1°.

       per verdienmodel: beeldmateriaal, geluidmateriaal of een hyperlink naar een website;

    • 2°.

       een financieel overzicht waaruit de ontwikkeling van de verdienmodellen en de financiële positie van het park blijkt.

  • 3

     Bij subsidies van € 125.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een financieel overzicht waaruit de ontwikkeling van de verdienmodellen en de financiële positie van het park blijkt.

Artikel 14 Bevoorschotting en betaling

  • 1

     Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 100 % van het verleende subsidiebedrag.

  • 2

     Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt in een keer betaald.

Artikel 15 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2016 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.

Artikel 16 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Artikel 17 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling verdienmodellen nationale parken Noord-Brabant 2015.

’s-Hertogenbosch, 25 november 2014

Gedeputeerde Staten voornoemd,

De voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

De Secretaris mw. ir. A.M. Burger

Toelichting behorende bij de Subsidieregeling verdienmodellen nationale parken Noord-Brabant 2015

Algemeen

Aanleiding subsidieregelingDe provincie Noord-Brabant voert sinds 2007 de Rijkstaak uit ten aanzien van de onder¬steuning van drie van de vier nationale parken in Noord-Brabant. Ook het grenspark maakte hier deel van uit. De financiering verliep via het budget Inrichting Landelijk Gebied (ILG) dat door het Rijk aan ons werd verstrekt. In 2011 heeft het Rijk deze taak laten vervallen. De provincie Noord-Brabant heeft deze taak niet overgenomen. Om de parken te helpen in hun zoektocht naar een toekomstperspectief, hebben alle vier de parken op kosten van de provincie een onderzoek uitgevoerd naar alternatieve financieringsmogelijkheden. De beste verdienmodellen willen Gedeputeerde Staten financieel ondersteunen. Met deze subsidieregeling wordt beoogd een bijdrage te geven in de onrendabele kosten van een aantal investeringen die noodzakelijk zijn voor de toekomst van de nationale parken en op termijn rechtstreeks ten goede zullen komen aan de recreatieve en educatieve natuurtaken van de parken. De provincie wil daarbij gebruik van de de-minimisregeling voor diensten van algemeen economisch belang (DAEB).

Juridisch kader Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in deze subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten en algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.

Artikelsgewijs

Artikel 5 Subsidievereisten

Onder a Realisatie een of meer verdienmodellen Met verdienmodellen worden alle activiteiten bedoeld die inkomsten kunnen genereren voor het nationaal park. Alle verdienmodellen gezamenlijk vormen het subsidieproject.

Onder b Verdienmodellen Onderdeel een Duurzaam Een verdienmodel wordt als duurzaam gezien als aannemelijk is gemaakt dat deze inkomsten geen tijdelijk karakter hebben. Het spreekt voor zich dat de hoogte van de inkomsten per jaar kunnen variëren. Onderdeel twee Realistisch De subsidieaanvrager moet aantonen en onderbouwen dat ieder afzonderlijk verdienmodel realistisch is. Onderdeel drie Renderend binnen 7 jaar De subsidieaanvrager moet aannemelijk maken dat ieder afzonderlijk verdienmodel binnen 7 jaren rendeert. Hiervoor is dus een prognose nodig van de inkomsten van het verdienmodel. Inkomsten die moeten worden afgedragen aan rechthebbenden dient de subsidieaanvrager daarbij te beschouwen als kosten, die moeten worden afgetrokken van de opbrengsten. Hetzelfde geldt voor alle overige kosten die gemaakt worden. Hierbij kan in ieder geval gedacht worden aan investeringskosten die moeten worden terugbetaald, de rente van leningen of de kosten voor jaarlijks onderhoud van de voorzieningen. Ook personeelskosten en andere exploitatiekosten die nodig zijn om het verdienmodel operationeel te houden, worden op de winst in mindering gebracht.

Onder c Intentieverklaring desbetreffende bevoegde gezag Sommige verdienmodellen vereisen aanpassingen in het bestemmingsplan, of zijn vergunningplichtig. Het zal vaak niet mogelijk zijn om al deze vergunningen op korte termijn te regelen. Volgens dit onderdeel is ten minste een intentieverklaring van het desbetreffende bevoegde gezag vereist dat men wil meewerken aan het verkrijgen van de benodigde vergunningen en dergelijke. Daarbij is het van belang dat de subsidieaanvrager per verdienmodel aangeeft welke bevoegde gezagen betrokken zijn en welke vergunningen benodigd zijn of kopieën overlegt van de aangevraagde vergunningen.

Onder d Principe-afspraken rechthebbenden Wanneer een verdienmodel alleen kan worden gerealiseerd met de instemming van derden, zoals van grondeigenaren, dan spreken we van rechthebbenden. De nationale parken bezitten bijvoorbeeld geen eigen grond. Die verdienmodellen die op andermans grond worden uitgevoerd, kunnen alleen doorgang vinden als de grondeigenaar hier mee instemt. Bij één verdienmodel kan sprake zijn van meerdere rechthebbenden. Afspraken met rechthebbenden zijn essentieel voor de uitvoering van een verdienmodel en vaak ook voor de bepaling van de te genereren opbrengsten. Sommige rechthebbenden zullen alleen instemmen met het uitvoeren van het verdienmodel indien zij hier voor een vergoeding krijgen of mogen delen in de winst. Het kan om een vast bedrag gaan of om een percentage van de winst. Voor de subsidieaanvrager zijn deze te betalen vergoedingen extra kosten, die van de winst van het verdienmodel moeten worden afgetrokken. Er dienen vooraf afspraken gemaakt en vastgelegd te worden met rechthebbenden over de benodigde instemming en eventuele vergoedingen. Indien het de subsidieaanvrager niet lukt om voor het indienen van de subsidieaanvraag reeds bindende overeenkomsten met alle rechthebbenden te sluiten, is op grond van dit onderdeel ten minste vereist dat de subsidieaanvrager een document overlegt waaruit de gemaakte principe-afspraken met rechthebbenden blijken. Dit kan een intentieverklaring tussen partijen zijn of een andersoortig document. Het is daarbij van belang dat de subsidieaanvrager per verdienmodel aangeeft welke rechthebbenden betrokken zijn. Indien bij het verdienmodel geen rechthebbenden zijn betrokken is een dergelijk document niet vereist.

Onder e Opbrengsten voor recreatieve en educatieve takenDeze subsidieregeling is primair gericht op het financieel ondersteunen van de uitvoering van nieuwe verdienmodellen ten behoeve van de nationale parken. De provincie wil de parken helpen bij hun transitie naar financiële onafhankelijkheid in de toekomst. De nationale parken voeren taken uit op het gebied van recreatie en educatie. Hier kent de provincie een hoog maatschappelijk belang aan toe. Zodra de subsidieaanvragers financieel zelfstandig zijn moeten de baten dan ook ten goede komen aan deze beide functies. Tijdens de transitie kan het echter verstandiger zijn om de nieuwe inkomsten te herinvesteren in andere, nog op te starten, verdienmodellen.

Onder f Financiële zelfstandigheid binnen 7 jaar Op grond van dit vereiste dient de subsidieaanvrager in het projectplan te onderbouwen dat de verdienmodellen gericht zijn op financiële onafhankelijkheid van het nationaal park binnen 7 jaar.

Onder g Projectplan Tweede onderdeel Zevenjarige financieringsstrategie De financieringsstrategie sluit aan op de onderdelen e en f van dit artikel. Het is van belang dat de subsidieaanvragers een financieringsstrategie uitwerken voor het totale project voor de komende jaren. De financieringsstrategie dient aannemelijk te maken en te onderbouwen dat de subsidie deel uit maakt van een meer omvattende aanpak van het nationaal park. Deze aanpak dient uiteindelijk te leiden tot een financiële onafhankelijkheid in zeven jaar. Derde onderdeel Bestuurlijke, juridische en financiële risico-analyse Investeren brengt bestuurlijke, juridische en financiële risico’s met zich mee. Deze risico’s dienen vooraf in beeld te worden gebracht per verdienmodel, met een inschatting van de kans dat het risico optreedt. Indien mogelijk dienen maatregelen te worden aangegeven die de risico’s wegnemen of verkleinen.Vierde onderdeel Sluitende begroting Ieder afzonderlijk verdienmodel dient een sluitende begroting te hebben. Vergoedingen die de subsidieaanvrager moet afdragen aan grondeigenaren of andere rechthebbend dienen als kosten te worden opgenomen in de begroting.

Artikel 6 Subsidiabele kosten Subsidiabel zijn alle kosten die gemaakt worden voor de realisatie van de verschillende verdienmodellen.

Artikel 7 Niet subsidiabele kosten

Onderdeel a Kosten eigen personeel Op grond van dit onderdeel zijn kosten van personeel van deelnemers aan het nationaal park niet subsidiabel. Hetzelfde geldt voor kosten van personeel dat in dienst is van het nationaal park. Hierbij valt te denken aan:

  • a. alle werknemers van de organisaties die vertegenwoordigd zijn in de Bijzondere commissie Grenspark "De Zoom-Kalmthoutse Heide", alsmede alle particuliere natuur eigenaren binnen het Grenspark, alsmede alle medewerkers die in loondienst zijn voor het Grenspark;

  • b. alle werknemers van de organisaties die deelnemen aan het Parkschap Nationaal Park De Biesbosch, alsmede alle werknemers die in loondienst zijn voor het Parkschap;

  • c. alle werknemers van de organisaties die vertegenwoordigd zijn in het Overlegorgaan Nationaal Park De Groote Peel;

  • d. alle werknemers van de organisaties die in 2013 vertegenwoordigd waren in het Overlegorgaan Nationaal Park De Loonse en Drunense Duinen.

Onderdeel b Kosten vrijwilligers Ook urenvergoedingen voor de inzet van vrijwilligers zijn niet subsidiabel. Dit geldt niet voor een eenmalige vrijwilligersvergoeding die als tegemoetkoming in de (reis)kosten wordt verstrekt.

Artikel 11 Verdeelcriteria

Onder a Verdienpotentieel in 7 jaar Bij dit verdeelcriterium geldt dat hoe hoger het verdienpotentieel hoe meer punten de subsidieaanvrager op dit onderdeel kan scoren met een maximum van 20. Het moet daarbij wel gaan om reële verwachtingen. Verdienpotentieel dat Gedeputeerde Staten als irreëel of onzeker inschatten, zullen zij niet meenemen in deze scoring. Bij de bepaling van het verdienpotentieeel dienen afdracht van inkomsten aan grondeigenaren of andere rechthebbenden in mindering te worden gebracht. De kosten van eenmalige investeringen ten behoeve van de implementatie van een verdienmodel hoeven niet in mindering te worden gebracht van het verdienpotentieel. (Jaarlijks) terugkerende kosten die nodig zijn om een verdienmodel operationeel te houden gaan wel ten koste van het verdienpotentieel. Eenmalige investeringen moeten wel worden meegenomen in de begroting om te kunnen bepalen of die begroting sluitend is.

Onder b Verhouding opbrengsten en projectkosten Met verdeelcriterium b bedoelen Gedeputeerde Staten de verhouding tussen de geraamde opbrengsten binnen 7 jaar van alle verdienprojecten samen in relatie tot de totale investeringskosten. Hoe hoger de geraamde opbrengsten zijn in relatie tot de investeringskosten, hoe meer punten kunnen worden gescoord tot een maximum van 20 punten.

Onder c en d Ondernemers trekker of financie r Gedeputeerde Staten vinden het van belang dat de nationale parken ook aansluiting zoeken bij het bedrijfsleven. Indien een ondernemer de trekker of financier is van een verdienmodel, dan kan de subsidieaanvrager eenmalig extra punten scoren. Wanneer in een verdienmodel een ondernemer zowel trekker als financier is, worden 5 punten toegekend. Wanneer dezelfde ondernemer in twee verdienmodellen participeert, in de ene situatie als financier en in de andere als trekker, worden 2 x 5 punten toegekend. Wanneer er in meer dan twee verdienmodellen ondernemers als trekker of financier betrokken zijn, zullen daar geen extra punten voor worden toegevoegd.

Artikel 12 Verplichtingen van de subsidieontvanger Deze subsidieregeling beperkt zich tot die verdien¬modellen die binnen 3 jaar zijn uitgevoerd. Dit laat onverlet dat de subsidieontvanger zelf gelijktijdig andere verdienmodellen realiseert die een langere looptijd hebben.

’s-Hertogenbosch, 25 november 2014

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

de voorzitter 

de secretaris

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

mw. ir. A.M. Burger