Nederlandse droogbonen als bouwsteen voor de eiwittransitie


Een gezonde bodem en een toekomstbestendig voedselsysteem staan centraal in het Brabantse landbouwbeleid. Met Brabants Bodem werkt de provincie samen met boeren en kennisinstellingen aan praktische oplossingen voor duurzame teelt. Tegelijk stimuleert de provincie de eiwittransitie: meer plantaardige eiwitten van eigen bodem, passend bij een duurzamer en gezonder voedingspatroon.

In dit interview vertelt Ivar van Dorst (Ekoto) over zijn onderzoeksproject binnen Brabants Bodem, waarin hij zich richtte op de teelt en verwerking van Nederlandse droogbonen. Wat kunnen deze ‘gewone’ bonen betekenen voor de eiwittransitie en welke lessen levert dat op voor de Brabantse praktijk?

De afgelopen jaren deed Ivar van Dorst met zijn bedrijf Ekoto intensief onderzoek naar biologische strokenteelt en de duurzame teelt van Nederlandse droogbonen. In samenwerking met Brabants Bodem onderzocht hij niet alleen de optimale productiemethode, maar ook de marktpositie van bijzondere, lokaal geteelde bonen. Daarnaast werkte hij samen met studenten van HAS en WUR aan onder meer een life cycle analysis en productverwerking. Nu het onderzoeksproject is afgerond en Ivar zelf een nieuwe fase is ingegaan, inclusief deelname aan het internationale Nuffield Scholarship-programma, blikken we met hem terug én vooruit.

Van 2022 tot 2025 liep het project met Brabants Bodem. Wat heeft die periode je gebracht?

“Het heeft een enorme hoeveelheid kennis en inzichten opgeleverd. We hebben het onderzoek echt van meerdere kanten ingestoken: teelt-technisch, economisch én ecologisch. Zo hebben we samen met de HAS een life cycle analysis uitgevoerd rondom stikstof- en koolstofstromen. Daarmee konden we inzichtelijk maken wat de impact van deze teelten daadwerkelijk is. Tegelijkertijd hebben studenten van de WUR onderzocht hoe we bonen kunnen verwerken met behoud van hun unieke kleurpatronen. Sommige oude rassen verliezen die namelijk tijdens het koken, terwijl juist dát een onderscheidend kenmerk is. We hebben dus niet alleen gekeken naar hoe je een boon goed teelt, maar ook hoe je hem aantrekkelijk en herkenbaar op het bord krijgt.”

Tijdens het onderzoek droeg je het bedrijf over aan je ouders. Wat speelde daar?

“Dat was geen gemakkelijke beslissing. Tijdens het onderzoek kreeg ik te maken met een sportongeval en later ook met een burn-out. Daardoor lag ik langere tijd uit de running en is het project uiteindelijk met een jaar verlengd. In die periode moest ik eerlijk naar mezelf zijn: kon en wilde ik dit bedrijf op deze manier blijven dragen? Mijn ouders vonden het zonde om alles wat was opgebouwd los te laten. Mijn vader had al langer de droom om na zijn pensioen een groentetuin met straatverkoop te runnen. Voor hen was het daarom een logische stap om de boerderijwinkel en groenteabonnementen over te nemen. Ik ben vooral trots dat we het onderzoek, ondanks alles, succesvol hebben kunnen afronden. Dat is echt te danken aan het team.”

Je hield je intensief bezig met de eiwittransitie. Hoe kijk je daar nu naar?

“De afgelopen jaren lag de focus sterk op veldbonen, soja en lupine. Maar soja is bijvoorbeeld lastig in te passen in het Nederlandse groeiseizoen, en bovendien zijn deze gewassen voor veel consumenten niet herkenbaar op het bord. Er zijn weinig mensen die een blik veldbonen of lupine opentrekken voor het avondeten. Vanuit dat perspectief wilde ik onderzoeken of we gewassen kunnen telen die mensen al kennen: kikkererwten, linzen en de ‘gewone’ boon (Phaseolus vulgaris). Linzen bleken in ons natte klimaat snel uitdagend. Kikkererwten verdragen vooral in juni geen regen. Maar de gewone boon bleek verrassend robuust. Dat is logisch: veel oude rassen hebben een Nederlandse geschiedenis, zoals de Wieringerboon, Drentse kievitsboon, Friese woudboon en Groninger strogele. Als we richting een plantaardiger voedingspatroon willen, kunnen we ons ook afvragen of we minder bewerking willen in plaats van meer. Een onbewerkte droogboon past daar perfect in. Misschien moeten we de eiwittransitie niet alleen zoeken in nieuwe technologie, maar ook in herwaardering van wat we al hadden.”

Je bent inmiddels Nuffield Scholar. Wat is dat precies en hoe ben je daarin gerold?

“Nuffield is in Nederland nog relatief onbekend, maar internationaal heeft het een sterke reputatie. Tijdens mijn studie kwam ik al verslagen van Nuffield Scholars tegen. Die analyses waren altijd opvallend diepgaand.
Toen een oud-klasgenoot van de HAS zelf Scholar werd, ben ik bij haar langsgegaan om haar ervaringen te horen. Dat gesprek overtuigde me. Ik heb me aangemeld, mezelf verdedigd voor een vijfkoppige jury en werd geselecteerd. Eind 2024 kreeg ik het officiële bericht. In maart 2025 is het programma gestart en het loopt tot de najaarsconferentie in 2026.”

Hoe ziet het programma eruit?

“Het programma bestaat uit drie fasen, van breed naar diep. Het begint met een internationale conferentie van één tot twee weken. Daar ontmoet je zo’n negentig mede-scholars uit de hele wereld, plus alumni en bestuurders. Dat netwerk alleen al is enorm waardevol. Daarna volgt een groepsreis van vijf weken met ongeveer tien tot twaalf collega’s uit de sector. We bezochten zes landen en dagelijks drie bedrijven. Dat varieerde van een theetuin in Californië tot een modern slachthuis in Zuid-Australië, een eendenhouder in de Filipijnen die zich voorbereidt op een tyfoon en gesprekken met een Deense Europarlementariër over agroforestry. Je krijgt daardoor een ongelooflijk breed beeld van de mondiale landbouw. Bovendien reis je met ondernemers uit totaal verschillende sectoren en culturen. Dat dwingt je om buiten je eigen referentiekader te denken. De derde fase is individueel: je reist zelfstandig om je eigen onderzoeksvraag te verdiepen. Dat traject loopt voor mij nog het komende half jaar.”

Wat heeft het je tot nu toe persoonlijk gebracht?

“Het heeft mijn denken opengebroken. Door de sector op wereldschaal te zien, begrijp ik lokale en regionale vraagstukken veel beter. Ik kijk nu systemischer: niet alleen naar een gewas of bedrijf, maar naar het hele ecosysteem eromheen. Het internationale netwerk helpt ook om niet binnen nationale kaders te blijven denken. Je ziet andere beleidsmodellen, andere marktstructuren, andere manieren van organiseren. Het leert me groter te denken – geografisch, maar ook maatschappelijk. Ik raak meer betrokken bij onderwijs, overheden en onderzoeksinstellingen. Dat systeemdenken neem ik mee in alles wat ik doe.”

Hoe wil je dit inzetten na afronding van het programma?

“Ik ga zeker niet stilzitten. Ik wil blijven bijdragen aan de vooruitgang van onze sector. Dat kan door mee te denken met organisaties, door kennis te delen, maar ook door opnieuw te ondernemen. Het verschil is dat ik dat nu doe met een bredere blik en meer internationale inzichten. Ik wil oplossingen ontwikkelen die niet alleen lokaal kloppen, maar ook passen binnen het grotere landbouwsysteem. En wie weet begint dat weer gewoon bij een boon.”