Aanpak hitte op bedrijventerreinen ondanks urgentie nog in de kinderschoenen
Bedrijventerreinen behoren tot de heetste plekken van Nederland. Grote daken, uitgestrekte parkeervlakken en weinig groen maken dat de temperatuur er in de zomer flink oploopt. Dat heeft gevolgen voor het comfort en de productiviteit van wie er werkt, en soms tot in de omliggende woonwijken. Binnen de aanpak Grote Oogst werken provincie, gemeenten en ondernemers aan koelere terreinen en bedrijven. Maar hoe pak je hittestress aan op plekken die heel veel verharding kennen? En welke rol spelen rekenregels, vergroening en de ondernemers zelf?

Links: Eric de Jong, rechts: Carl-Peter Goossen
Hittestress wordt een steeds urgenter thema in de fysieke leefomgeving. Dat merkt ook Carl-Peter Goossen, directeur van adviesbureau BouwNext en bestuurder bij KERN (kennisinstituut voor energetisch renoveren en nieuwbouw). Vanuit het passiefhuis-concept kijkt hij naar gebouwen: zo veel mogelijk bouwkundig oplossen in plaats van met installaties. Om energie te besparen en onafhankelijk te zijn. “We maken veel meer gebruik van zomernachtventilatie dan van airco’s.” Zomernachtventilatie is een vorm van passieve koeling waarbij 's nachts de ramen, roosters of zomernachtventilatieluiken open worden gezet. Hierdoor stroomt koele buitenlucht naar binnen, waardoor het gebouw afkoelt en oververhitting overdag wordt tegengegaan De vraag naar koeling neemt toe, ziet Goossen. En juist op bedrijventerreinen, met hun harde ondergrond, speelt het probleem nog sterker.
Omgeving geen factor in koellastberekening
Goossen benoemt een belangrijke uitdaging. De officiële toetsing van gebouwen laat de omgeving buiten beschouwing. Of er nu bomen, groen of verharding rond een pand liggen: in de koellastberekening telt het niet mee. “Een boom kun je ook weer kappen. Dan ben je het verkoelende element zo weer kwijt”, vat Goossen de redenering van de regelgever samen. Het gevolg is dat ontwerpers wettelijk worden gestuurd richting maatregelen aan het gebouw zelf, zoals zonwerend glas, terwijl de directe omgeving onbenut blijft.
Dat wringt, want het effect van groen op temperatuur is groot en genuanceerder dan vaak gedacht. Goossen verwijst naar onderzoek naar het hitte-eilandeffect. Overdag werkt groen meestal verkoelend, terwijl verharding veel warmte opneemt. 's Nachts hangt het af van het type groen: een dicht bladerdak kan de afkoeling beperken doordat het de uitstraling naar de hemel vermindert, terwijl verharding de overdag opgeslagen warmte geleidelijk afgeeft. In sterk versteende gebieden blijft het daardoor vaak langer warm. “Je begint ’s ochtends weer koeler op je bedrijventerrein dan op het platteland waar veel bos staat.”
De boom als airco én als zonwering
Die mix illustreert Goossen aan de hand van een boom voor zijn eigen huis. In de zomer zorgen de kleine blaadjes dat er wel licht binnenkomt, maar geen directe zon. Het verdampend vermogen van de boom koelt de omgeving. “Buiten staan eigenlijk vier airco’s te koelen vanuit het water dat verdampt uit de boom”, illustreert hij. In de winter is de boom kaal en laat hij juist veel zon binnen. Een boom doet daarmee twee dingen tegelijk: koelen in de zomer, warmte toelaten in de winter.
Precies dat onderscheid mist Goossen in de Nederlandse systematiek. Het risico is dat een ontwerper met zonwerend glas de zomerse koelvraag oplost, maar in de winter de gewenste zoninstraling juist tegenhoudt. Een volwassen boom of leilinde zou volgens hem een volwaardig alternatief voor zonwering kunnen zijn, als die maar zou meetellen in de berekening.
Niet Zuid-Frankrijk, maar de Filipijnen
Hitte raakt direct aan arbeidsproductiviteit. Boven de 25 graden loopt die hard terug, stelt Goossen, daarom mikken zijn ontwerpen op een ruime beperking van het aantal uren boven die grens. In zijn woningen en gebouwen gebeurt dat zo veel mogelijk passief: zomernachtventilatieluiken naast de deuren, dakramen bovenin, en een natuurlijke trek doordat boven en beneden steeds een temperatuurverschil bestaat. ’s Nachts spoelt de koele lucht het gebouw door, zodat het overdag onder de 25 graden blijft, zonder energieverbruik.
Toch loopt ook die aanpak tegen het klimaat aan. Waar het vroeger hoogstens een paar nachten per jaar boven de 18 graden bleef, telde Goossen er de afgelopen jaren zo’n zes. Op zulke tropische nachten valt er weinig passief te koelen en komt een airco in beeld, bij voorkeur overdag aangezet, als de zon op de zonnepanelen schijnt. Hij wijst daarbij op het belang van ontvochtiging: in Nederland is niet alleen de temperatuur het probleem, maar vooral de hoge luchtvochtigheid. “Qua vochtigheid is ons klimaat niet te vergelijken met Zuid-Frankrijk, maar eerder met de Filipijnen.” Airco’s die de lucht sterk drogen, zoals in tropische landen gangbaar zijn, zouden hier volgens hem veel logischer zijn dan de modellen die nu worden verkocht.
Gezond verstand boven rekenregels
Wat is er nodig om groen wél te laten meetellen? Volgens Goossen niet per se méér regelgeving. “Je kunt er alles wel in de regelgeving doen, maar je moet ook gewoon gezond boerenverstand gebruiken.” Wie nadenkt, kan zelf de juiste keuzes maken: bij een kantoor op een kaal bedrijventerrein plant hij bomen en een wand met klimop, juist om zon en vocht aan te pakken. En het hoeft niet groot of duur. Ook lagere beplanting helpt, mits je soorten kiest die veel vocht verdampen. Zo snijdt het mes aan twee kanten: verkoeling én .
Tegelijk pleit hij voor meer precisie in de toetsing. Een gemiddelde temperatuuroverschrijdingsberekening per gebouw zou standaard moeten zijn, vindt hij, in plaats van het hanteren van één landelijk gemiddelde. Want de klimaatverschillen binnen Nederland zijn groot: “Tussen Vlissingen en Twente kan het ’s winters wel veertien graden schelen. Toetsen op een gemiddelde kan, maar je moet er niet blind op ontwerpen, omdat je door die grote verschillen in het noordoosten andere behoeften hebt dan in het zuidwesten van het land.”
Van techniek naar terrein: de praktijk in Waalwijk
Waar Goossen vooral naar het gebouw en de rekenregels kijkt, speelt de opgave op gebiedsniveau net zo hard. Op bedrijventerrein Haven Waalwijk werkt de gemeente in samenwerking met onder meer ondernemers en de provincie binnen de aanpak Grote Oogst aan een klimaatadaptiever terrein. Eric de Jong, programmamanager duurzaamheid bij gemeente Waalwijk, zit er dicht op. Het programma omvat tientallen projecten rond energietransitie, klimaatadaptatie en circulariteit.
De klimaatstresskaarten (zie voorbeeld hieronder) laten zien waar het knelt. Vooral het oudere, vroegst ontwikkelde middengedeelte van het terrein kleurt rood. Dat is geen toeval: naarmate bedrijven groeien, breiden ze uit, verharden ze meer en duwen ze het parkeren en rangeren naar de buitenruimte. “Daar moet je een kentering in aanbrengen”, zegt De Jong. De gemeente houdt daarom vast aan parkeren en rangeren op eigen terrein en weigert groene buitenruimte op te offeren voor extra verharding.
De tekst gaat door onder de afbeelding.
Verleiden, en zo nodig dwingen
De Waalwijkse aanpak draait op een combinatie van wortel en stok. Aan de verleidende kant staan arrangementen die het ondernemers zo makkelijk mogelijk maken om te vergroenen of te verduurzamen. Een soort menukaart, met korting voor deelnemers van de Stichting Waalwijk CO₂ Vrij, een belangrijke partner van de gemeente. Deze stichting bestaat uit vrijwillige bestuursleden uit het bedrijfsleven. Een klein maar treffend voorbeeld is het bomen-in-bakkenproject: bedrijven kunnen tijdelijk een aantal verplaatsbare bomen met picknickset op hun terrein zetten. Medewerkers ervaren hoe het is om onder een boom te lunchen of te vergaderen, en vaak volgt daarna de bereidheid om structureel stenen te vervangen door groen. “Groot denken, kleine stapjes, dan kom je wel vooruit.”
Aan de andere kant staat de stok: vergunningverlening. Nieuwe ontwikkelingen moeten zelf voldoende regenwater bergen, dit geldt zelfs voor duurzame oplossingen als een solar carport op eigen terrein. Ook hier moet worden gecompenseerd. Dat leidt niet altijd tot prettige gesprekken, erkent De Jong, maar het hoort bij de besturende kant van de gemeente. Daar gaat het niet langer om verleiden, maar om dwingen.
Ondernemers als ambassadeur
Cruciaal voor de slagkracht in Haven Waalwijk was de status van ambassadeursterrein binnen het programma Werklandschap van de Toekomst, gefinancierd vanuit het Nationaal Groeifonds en de provincie. Het beschikbare budget voor klimaatadaptatie werd daarmee groter, de gemeente gebruikt het om samen met ondernemers terreinen her in te richten. Soms zelfs over de grens tussen openbaar en privaat terrein heen. Net zo belangrijk is de organisatievorm: provincie, waterschap, parkmanagement en de ontwikkelingsmaatschappij werken samen, met de bijzondere Stichting Waalwijk CO₂ Vrij als motor. In die stichting zitten de ondernemers zelf.
Juist dat vindt De Jong de grootste winst. “Het is een ondernemer die het verhaal vertelt, niet een of andere ambtenaar. De ondernemers zitten op het bedrijventerrein, ze zijn bevraagbaar, ze zijn vaak ambassadeur.” Bedrijven die zelf vergroenden of een accu plaatsten, laten op hun eigen terrein het goede voorbeeld zien. Dat de financiering voor een derde uit private bijdragen bestaat, via een jaarlijkse deelnemersfee, versterkt de betrokkenheid: wie zelf meebetaalt, wil er ook iets goeds mee doen.
Klimaatadaptatie is geen core business
Tegelijk is De Jong nuchter over de bereidheid van ondernemers. Verduurzamen is niet hun kernactiviteit; klimaat is voor hen vaak één regel op de balans, namelijk de energiekosten. Van die kosten merken de meesten nog weinig, en hitte als bedreiging voor productiviteit of werkgeluk speelt nog te weinig mee. Ook al blijkt uit onderzoek dat er wel degelijk een verband is tussen groen en werkgeluk.
Bij extreme hitte gaat dat nog een stapje verder, dan komt ook de gezondheid in het geding, geeft Guus Staats van vakbond FNV aan: “Zo’n 39 procent van de Nederlandse werknemers werkt wel eens in grote hitte. Dat gebeurt bijvoorbeeld als je buiten werkt, in een bedrijf met ovens of kassen, of in een gebouw of voertuig waar de temperatuur slecht te regelen is. Je loopt extra risico op klachten als je hartproblemen hebt, zwanger bent, overgewicht hebt, suikerziekte hebt, een longaandoening hebt of medicijnen gebruikt, bijvoorbeeld tegen hoge bloeddruk.”
Maar wanneer is het nu echt té warm om te werken? “In de Arbowet staat niet precies wanneer hitte ernstig en direct gevaarlijk is. De risico’s hangen niet alleen af van de temperatuur maar ook van dingen als de luchtvochtigheid en je werkkleding.” FNV heeft een app ontwikkeld waarmee werknemers kunnen checken of het onveilig is om te werken. Dat zal niet zo heel snel het geval zijn, denkt Staats. “Werken in extreme kou of warmte is vaak erg vervelend maar meestal niet meteen gevaarlijk. Je mag volgens de wet niet zomaar werk weigeren. Wel moeten jij en je werkgever maatregelen nemen, zodat jij veilig kunt werken.”

Rol van werkgevers
De gang van zaken bij Haven Waalwijk past in een breder beeld, werkgevers staan nog niet in de rij om hitte in en om hun gebouwen aan te pakken. Dat merkt ook David Rebergen, woordvoerder bij Transport en Logistiek Nederland (TLN). “We merken dat dit een relatief nieuw onderwerp is en dat ondernemers de laatste tijd door andere ontwikkelingen, met name de hoge dieselprijzen door de oorlog in het Midden-Oosten en diverse andere kostenstijgingen, voorzichtiger zijn in het doen van dergelijke investeringen. Het is dus nog niet ‘top-of-mind’. Maar TLN ziet hier een belangrijke kans. Samen met Branchevereniging VHG hebben wij de brochure ‘Warehouse als werklandschap’ ontwikkeld, waarin we laten zien hoe vergroening van logistiek vastgoed kan bijdragen aan een prettigere werkomgeving, betere inpassing in het landschap én het verminderen van hittestress. Dit kan bovendien de waarde van vastgoed op de langere termijn verhogen.”
Een stap in de goede richting, maar het zal een kwestie van de lange adem zijn. “In de praktijk gebeurt er al het nodige, maar vaak nog versnipperd en per bedrijf. Wij stimuleren onze leden om hier stap voor stap werk van te maken en kijken nadrukkelijk ook naar collectieve oplossingen op bedrijventerreinen. Dit is geen onderwerp dat van de ene op de andere dag verandert, maar een ontwikkeling die tijd nodig heeft en waar we samen met ondernemers en partners aan bouwen”, aldus Rebergen.
Ook bij DILAS, de brancheorganisatie voor industrieel en logistiek vastgoed, merken ze dat bedrijven nog maar mondjesmaat bezig zijn met een hitte-aanpak, hoewel programmadirecteur Leon Simons wel ziet dat vergroening en schaduwwerking op het netvlies komen te staan. Wat Simons betreft kunnen werkgevers best veel doen op dit thema, door in kaart te brengen wat risicogebieden zijn, te kijken naar eenvoudige verlichtende maatregelen en door werkprocessen en faciliteiten aan te passen. “Hittestress zorgt vaak voor een lagere productiviteit, het is dus een verliesmodel als je het niet oplost”, geeft Simons aan.
Ruimtehonger als extra uitdaging
Hoe waarschijnlijk is het dat de hittekaart van Haven Waalwijk over een paar jaar minder rood kleurt? Eric de Jong houdt het reëel: dit is een meerjarenplan, en op volgebouwde delen van het oude terrein zal vergroening simpelweg niet overal lukken. “De ruimtehonger is enorm. Rijbanen, parkeren, kabels, leidingen, riolering en groen vechten om dezelfde meters.” Toch ziet hij dat klimaatadaptatie steeds vaker een stem krijgt bij de inrichting: een kruidenrijk mengsel met meer verdampend vermogen in plaats van een glad geschoren gazon wordt bijvoorbeeld normaler, ook al heet dat in de volksmond nu nog ‘onkruid’.
Via een aanvullende subsidieregeling brengt Waalwijk in kaart waar de klimaatstress het grootst is, om daar heel gericht met ondernemers in gesprek te gaan over energieverbruik en vergroening. Waar de horizontale ruimte ontbreekt, liggen groene gevels en verticale constructies voor de hand. Een eerlijke kanttekening maakt De Jong er meteen bij: het aantonen van het effect van klimaatadaptieve maatregelen is lastig in een klimaat dat zelf verandert.
Ondanks dat er best veel gebeurt, is de uitdaging om bedrijventerreinen te verkoelen nog heel groot. De positieve kant van het verhaal is dat er een verschuiving gaande is: van denken in losse gebouwen en rekenregels naar het werklandschap als geheel, een plek waar verharding, groen, water en gebruik in samenhang worden afgewogen. De techniek om bedrijventerreinen koeler te maken is er grotendeels. De grotere opgave zit in de regels die de omgeving negeren, in het meekrijgen van ondernemers voor wie klimaat geen kernzaak is, en in het geduld om effect zichtbaar te maken in een klimaat dat ondertussen zelf opschuift. De heetste terreinen van Nederland zijn precies de plekken waar die opgave het meest urgent is.
- Meer informatie over klimaatadaptatie op bedrijventerreinen vind je op
Contact
Heb je vragen? Neem dan per e-mail contact met ons op.