Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingRegeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent de transitie van veehouderijen (Subsidieregeling transitie veehouderijen Noord-Brabant)
CiteertitelSubsidieregeling transitie veehouderijen Noord-Brabant
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpfinancieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Artikelen C en E treden op 1 maart 2019 in werking en werken terug tot en met 16 december 2018.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Noord-Brabant/CVDR275924/CVDR275924_3.html

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-02-2019paragraaf 4, artikel 1.9, 2.9, bijlage 1, 5

15-01-2019

prb-2019-630

C 2237140/4454110
16-12-201801-02-2019artikel 4.1, 4.2, 4.3, 4.4, 4.5, 4.6, 4.7, 4.8, 4.9, 4.10, 4.11, 4.12, 4.13, 4.14, 4.15, 4.16, 5.1, 5.2, paragraaf 4, 5, bijlage 4, 5

20-11-2018

prb-2018-8960

C2235053/4439325
02-11-201816-12-2018paragraaf 3, 4, artikel 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.5, 3.6, 3.7, 3.8, 3.9, 3.10, 3.11, 3.12, 3.13, 3.14, 4.1, 4.1, bijlage 2, 3

23-10-2018

prb-2018-8035

C2233365/4420602
03-07-201802-11-2018paragraaf 2, artikel 1.5, 1.6, 1.9, 1.13, 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8, 2.9, 2.10, 2.11, 2.12, 2.13, 2.14, 2.15, 2.16, bijlage 1

25-06-2018

prb-2018-4788

C2226186/4373886
29-03-201803-07-2018nieuwe regeling

20-03-2018

prb-2018-2288

C2222716/ 4322778

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent de transitie van veehouderijen (Subsidieregeling transitie veehouderijen Noord-Brabant)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op 10 oktober 2017 het Uitvoeringsprogramma ondersteunende maatregelen transitie Veehouderij hebben vastgesteld; dat dit programma is gericht op een verdere ontwikkeling van de veehouderij naar een duurzame en rendabele sector;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten bij de uitvoering van dit programma streven naar een financieel gezonde en vitale sector die op rechtmatige wijze het hoofd weet te bieden aan de uitdagingen die er liggen op het terrein van milieu, volksgezondheid en dierenwelzijn;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten daartoe een nieuwe aanbouwregeling veehouderijen wensen vast te stellen, waarin diverse paragrafen met stimuleringsmogelijkheden zullen worden opgenomen om bovenstaand doel te bereiken;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten met de paragraaf Validatiemeting innovatieve stalsystemen willen bereiken dat stalsystemen die op integrale wijze en via aanpak bij de bron bijdragen aan de doelstellingen van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant, op versnelde wijze in gebruik kunnen worden genomen;

 

Overwegende dat de kosten van validatiemetingen van stalsystemen een zeer hoge investering vergen en Gedeputeerde Staten zich derhalve willen richten op het gedeeltelijk vergoeden van die kosten;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op deze paragraaf, hoofdstuk 1 en artikel 49 van Verordening 651/2014 van de Europese Commissie (PBEU 2014 L187/1) van toepassing willen verklaren.

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

 

§ 1 Validatiemeting innovatieve stalsystemen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    aanpak aan de bron: techniek waarbij emissiereductie aan de bron wordt gerealiseerd en voorkomen wordt dat emissies in de stallucht terecht komen;

  • b.

    algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening 651/2014 van de Europese Commissie van 17 juni 2014 (PBEU 2014 L187/1)

  • c.

    Asv: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

  • d.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • e.

    innovatieve stalsystemen: stalsystemen die emissie van ammoniak, en afhankelijk van de diercategorie tevens die van geur, en fijnstof integraal en aan de bron reduceren en daarmee voldoen aan de normen in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant;

  • f.

    kleine en middelgrote ondernemingen: ondernemingen die aan de criteria voldoen van de Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro ondernemingen (PB EU 2003 L124);

  • g.

    meetprotocol: protocol voor meting van ammoniakemissies uit huisvestingssystemen in de veehouderij 2013a;

  • h.

    RVO: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;

  • i.

    toegelaten emissiefactor: emissie die voor een bepaald stalsysteem van overheidswege is vastgesteld en die is neergelegd in de Regeling ammoniak en veehouderij, de Emissiefactoren fijnstof voor veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij;

  • j.

    validatiemeting: emissiemeting benodigd om een emissiefactor te verkrijgen als bedoeld in de Regeling ammoniak en veehouderij, de Fijnstofregeling innovatieve stal of techniek en de Regeling geurhinder en veehouderij;

  • k.

    veraprotocol: test protocol for livestock housing and management systems.

Artikel 1.2 Doelgroep

  • 1.

    Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

    • a.

      rechtspersonen;

    • b.

      natuurlijke personen;

    • c.

      een samenwerkingsverband van:

      • 1°.

        rechtspersonen;

      • 2°.

        natuurlijke personen;

      • 3°.

        rechtspersonen en natuurlijke personen.

  • 2.

    Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband;

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 1.3 Subsidievorm

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2.

    Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie wordt verstrekt voor het uitvoeren van validatiemetingen ten behoeve van het verkrijgen van definitieve emissiefactoren voor innovatieve stalsystemen voor de volgende diercategorieën:

  • a.

    melkrundvee;

  • b.

    vleesrunderen;

  • c.

    varkens;

  • d.

    geiten;

  • e.

    pluimvee.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

  • 1.

    Subsidie wordt geweigerd indien:

    • a.

      reeds voor indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project, waardoor het stimulerend effect als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening ontbreekt;

    • b.

      de totale projectkosten minder bedragen dan € 5.000;

    • c.

      voor hetzelfde project reeds subsidie is verstrekt op grond van deze of een andere provinciale subsidieregeling;

    • d.

      ten aanzien van aanvrager een bevel tot terugvordering als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, uitstaat;

    • e.

      de aanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is;

  • 2.

    Subsidie kan worden geweigerd indien de aanvrager in de afgelopen vijf jaar strafrechtelijk is veroordeeld, een strafbeschikking heeft gekregen, met het Openbaar Ministerie een schikking is aangegaan, strafrechtelijk, bestuurlijk of fiscaalrechtelijk is beboet, dan wel in het kader van een bestuursrechtelijk handhavingstraject een last onder dwangsom of bestuursdwang opgelegd heeft gekregen, wegens het overtreden van bij of krachtens natuur- en milieuregelgeving vastgestelde voorschriften, waaronder die op grond van de Waterwet, de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming en de Wet natuurbescherming, indien aard, ernst of duur van de overtreding en het tijdsverloop sinds die overtreding daartoe aanleiding geven.

  • 3.

    Onder aanvrager wordt in dit artikel mede verstaan: een deelnemer aan het samenwerkingsverband dat de subsidie aanvraagt.

Artikel 1.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de validatiemetingen worden uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

  • b.

    het project heeft betrekking op een of meer van de volgende diercategorieën:

    • 1°.

      melkrundvee;

    • 2°.

      vleesrunderen;

    • 3°.

      varkens;

    • 4°.

      geiten; of

    • 5°.

      pluimvee;

  • c.

    het project heeft betrekking op een stalsysteem:

    • 1°.

      waaraan een voorlopige emissiefactor of bijzondere emissiefactor is toegekend; of

    • 2°.

      waaraan een definitieve emissiefactor voor ammoniak is toegekend;

  • d.

    het project omvat de volgende metingen:

    • 1°.

      voor projecten als bedoeld in onderdeel c, onder 1°: validatiemetingen van fijnstof, geur en ammoniak die resulteren in een meetrapport dat geschikt is om een aanvraag voor een definitieve emissiefactor mee in te dienen, waarbij in de diercategorie melkrundvee volstaan kan worden met metingen van ammoniak;

    • 2°.

      voor projecten als bedoeld in onderdeel c, onder 2°: validatiemetingen van fijnstof en geur;

  • e.

    de voorlopige of bijzondere emissiefactor voldoet de maximale emissiefactoren uit bijlage 2 bij de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant;

  • f.

    de beoogde emissiereductie wordt naar verwachting voor minimaal 75 % gerealiseerd aan de bron;

  • g.

    het innovatieve stalsysteem brengt ten opzichte van de huidige stalsystemen een kwaliteitsverbetering met zich mee op minimaal twee van de volgende aspecten:

    • 1°.

      in geval van projecten waar zowel metingen van ammoniak als metingen van geur en fijnstof zullen plaatsvinden: gezondheid mens en dier, dierenwelzijn, geluid, emissies methaan en endotoxines, energieverbruik, anticipatie op mestbewerking, hergebruik materialen, efficiënte bedrijfsvoering;

    • 2°.

      in geval van projecten waar uitsluitend ammoniakmetingen zullen plaatsvinden: naast de aspecten genoemd onder 1°, de emissie van geur en fijnstof;

  • h.

    het project wordt uitgevoerd conform het meetprotocol of een gelijkwaardige meetmethode die voldoet aan het vera-protocol;

  • i.

    het meetplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan RVO voordat de metingen starten;

  • j.

    aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1°.

      op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

      meetgegevens of andere onderzoeksgegevens op basis waarvan de verwachting gerechtvaardigd is dat aan de vereisten onder f en g zal worden voldaan;

    • 3°.

      een sluitende en realistische begroting.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen uitsluitend kosten derden voor het uitvoeren van en rapporteren over validatiemetingen, voor subsidie in aanmerking.

Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten gemaakt voor het indienen van de aanvraag;

  • b.

    kosten voor projectleiding van de subsidieaanvrager;

  • c.

    legeskosten.

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 1 februari 2019 tot en met 31 januari 2020.

Artikel 1.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode genoemd in artikel 1.9, voor subsidies als bedoeld in:

  • a.

    artikel 1.4, onder a, vast op € 150.000;

  • b.

    artikel 1.4, onder b, vast op € 150.000;

  • c.

    artikel 1.4, onder c, vast op € 150.000;

  • d.

    artikel 1.4, onder d, vast op € 150.000;

  • e.

    artikel 1.4, onder e, vast op € 150.000.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, bedraagt:

  • a.

    maximaal 50% van de subsidiabele kosten, voor grote ondernemingen tot en met een maximum van €124.999;

  • b.

    maximaal 60% van de subsidiabele kosten, voor middelgrote ondernemingen tot en met een maximum van €124.999;

  • c.

    maximaal 70% van de subsidiabele kosten, voor kleine ondernemingen tot en met een maximum van €124.999.

Artikel 1.12 Verdeelcriteria

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2.

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 4.

    De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen worden gerangschikt in volgorde van trekking.

  • 5.

    In geval loting plaatsvindt, wordt de beschikbare subsidie verdeeld in de volgorde van trekking zoals door loting is bepaald.

  • 6.

    Subsidie wordt verdeeld over aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 1.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

      het project start binnen 6 maanden na verlening van de subsidie;

    • b.

      het project wordt binnen twee jaar na verlening van de subsidie afgerond door middel van de oplevering van een meetrapport, met een eenmalige verlengingsmogelijkheid van maximaal zes maanden;

    • c.

      de subsidieontvanger verstrekt binnen drie maanden na afronding van het project een digitale versie van het meetrapport aan Gedeputeerde Staten, die dit kunnen publiceren op hun website;

    • d.

      de subsidieontvanger maakt de bevindingen en resultaten van het project binnen zes maanden na afronding van het project toegankelijk voor derden;

    • e.

      de veehouderijlocaties waar de metingen verricht zullen worden, beschikken bij aanvang van de werkzaamheden over de uit hoofde van de Meststoffenwet benodigde dierrechten en fosfaatrechten en de benodigde omgevings- en natuurbeschermingsvergunningen en zijn conform deze rechten en vergunningen in bedrijf;

    • f.

      de subsidieontvanger zal zich, teneinde open innovatie mogelijk te maken, niet beroepen op intellectuele eigendomsrechten die rusten op het innovatieve stalsysteem dan wel zal tegen redelijke condities aan derden licenties ter beschikking stellen.

  • 2.

    Een verzoek tot verlenging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan door de subsidieontvanger gemotiveerd worden ingediend bij Gedeputeerde Staten uiterlijk voor de datum van het verstrijken van de termijn.

Artikel 1.14 Prestatieverantwoording

  • 1.

    Overeenkomstig artikel 21, zevende lid, van de Asv, overlegt de subsidieontvanger een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten als bedoeld in artikel 21, zesde lid, van de Asv, met gebruikmaking van de daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde modelverklaring.

  • 2.

    De subsidieontvanger toont aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een financieel verslag, als bedoeld in artikel 22, zesde lid, onderdeel a, onder 1, van de Asv.

Artikel 1.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1.

    Bij subsidies tot € 25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag overeenkomstig artikel 23, tweede lid van de Algemene subsidieverordening.

  • 2.

    Bij subsidies van € 25.000 en hoger verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 80 % van het verleende subsidiebedrag.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten betalen het voorschot, bedoeld in de voorgaande leden, in een keer, overeenkomstig artikel 23, derde en vierde lid van de Algemene subsidieverordening.

Artikel 1.18 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2020 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze regeling in de praktijk.

§ 2 Stalsystemen first movers en jonge veehouders

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    aanpak aan de bron: techniek waarbij voorkomen wordt dat emissies ontstaan dan wel in de stallucht terecht komen;

  • b.

    Asv: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

  • c.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • d.

    daadwerkelijke en voortdurende zeggenschap: blokkerende zeggenschap voor ondernemersbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000, blijkend uit de statuten of een schriftelijke overeenkomst;

  • e.

    emissiereductie: vermindering van uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof, berekend ten opzichte van de uitstoot bij de traditionele huisvesting;

  • f.

    jonge veehouder: veehouder waarvan het bedrijfshoofd op de datum van indiening van de aanvraag niet ouder is dan 40 jaar, beschikt over adequate vakbekwaamheid en deskundigheid, blijkend uit een landbouwkundige of gelijkwaardige opleiding dan wel uit drie jaar werkervaring op een veehouderij en daadwerkelijke en voortdurende zeggenschap heeft ten aanzien van beheer, winst en financiële risico’s;

  • g.

    landbouwgroepsvrijstellingsverordening: Verordening 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014 (PBEU 2014 L193/1);

  • h.

    MKB-bedrijf: kleine, middelgrote of micro-onderneming zoals bedoeld in bijlage I bij de landbouwgroepsvrijstellingsverordening;

  • i.

    toekomstbestendig stalsysteem: stalsysteem dat de emissie van ammoniak, geur en fijnstof integraal en aan de bron reduceert en voldoet aan de normen van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant;

  • j.

    veehouder: agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van landbouwhuisdieren.

Artikel 2.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

    een veehouder;

  • b.

    een jonge veehouder.

 

Artikel 2.3 Subsidievorm

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2.

    Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

 

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor investeringen in een toekomstbestendig stalsysteem, voor de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens;

  • b.

    melkrundvee inclusief jongvee;

  • c.

    pluimvee;

  • d.

    vleesrunderen, geiten en overige diercategorieën, uitgezonderd pelsdieren.

 

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

  • 1.

    Subsidie wordt geweigerd indien:

    • a.

      de totale projectkosten minder bedragen dan € 5.000;

    • b.

      reeds eerder een provinciale subsidie is verleend voor hetzelfde stalsysteem;

    • c.

      aanvrager geen MKB-bedrijf is;

    • d.

      reeds voor indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project;

    • e.

      ten aanzien van aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening;

    • f.

      aanvrager een onderneming in moeilijkheden is, als bedoeld in artikel 2, onder 14, van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening;

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie, aangevraagd door veehouders als bedoeld in artikel 2.2, onder a, geweigerd indien:

    • a.

      het project betrekking heeft op een stalsysteem waarvoor op grond van deze paragraaf voor dezelfde diercategorie reeds vijf subsidieverleningen hebben plaatsgevonden;

    • b.

      het project betrekking heeft op een stalsysteem waarvoor reeds vijf omgevingsvergunningen zijn verstrekt.

  • 3.

    Subsidie kan worden geweigerd indien de aanvrager in de afgelopen vijf jaar strafrechtelijk is veroordeeld, een strafbeschikking heeft gekregen, met het Openbaar Ministerie een schikking is aangegaan, strafrechtelijk, bestuurlijk of fiscaalrechtelijk is beboet, dan wel in het kader van een bestuursrechtelijk handhavingstraject een last onder dwangsom of bestuursdwang opgelegd heeft gekregen, wegens het overtreden van bij of krachtens natuur- en milieuregelgeving vastgestelde voorschriften, waaronder die op grond van de Waterwet, de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming en de Wet natuurbescherming, indien aard, ernst of duur van de overtreding en het tijdsverloop sinds die overtreding daartoe aanleiding geven.

  • 4.

    Onder aanvrager wordt in dit artikel mede verstaan: een deelnemer aan het samenwerkingsverband dat de subsidie aanvraagt.

Artikel 2.6 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      het project heeft betrekking op een van de volgende diercategorieën:

      • 1°.

        varkens;

      • 2°.

        melkrundvee, inclusief jongvee;

      • 3°.

        pluimvee;

      • 4°.

        vleesrunderen, geiten en overige diercategorieën, uitgezonderd pelsdieren;

    • c.

      het project heeft betrekking op een stalsysteem waaraan een voorlopige of definitieve emissiefactor is toegekend, blijkend uit bijlage 1 bij de Regeling Ammoniak veehouderij;

    • d.

      de voorlopige of definitieve emissiefactor voldoet aan de maximale emissiefactoren uit bijlage 2, bij de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant;

    • e.

      het stalsysteem zorgt voor een emissiereductie,

      • 1°.

        voor de diercategorie melkrundvee: in elk geval voor ammoniak en

      • 2°.

        voor de overige diercategorieën: voor zowel ammoniak, fijnstof als geur;

    • f.

      de emissiereductie als bedoeld onder e, wordt voor minimaal 75 % gerealiseerd aan de bron;

    • g.

      het stalsysteem brengt ten opzichte van de huidige stalsystemen een kwaliteitsverbetering met zich mee op minimaal twee van de volgende aspecten: gezondheid mens en dier, dierenwelzijn, geluid, emissies methaan en endotoxines, energieverbruik, anticipatie op mestbewerking, hergebruik materialen, efficiënte bedrijfsvoering;

    • h.

      aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

        op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

        een sluitende en realistische begroting.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, wordt aangenomen dat stalsystemen die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling, voldoen aan de subsidievereisten als bedoeld in het eerste lid, onder c tot en met g.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten derden;

  • b.

    materiaalkosten voor aanleg van het stalsysteem;

  • c.

    materiaalkosten voor aanpassing van het stalsysteem;

  • d.

    materiaalkosten voor aanpassing van stallen voor zover noodzakelijk om het stalsysteem te laten functioneren.

Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 2.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten gemaakt voor het indienen van de aanvraag;

  • b.

    legeskosten;

  • c.

    kosten voor afschrijving en onderhoud van stallen en stalsystemen;

  • d.

    vervangingsinvesteringen;

Artikel 2.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 1 februari 2019 tot en met 31 januari 2020.

Artikel 2.10 Subsidieplafond

  • 1.

    Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode genoemd in artikel 2.9, voor veehouders als bedoeld in artikel 2.2, onder a, vast op:

    • a.

      € 500.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, onder a;

    • b.

      € 350.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, onder b;

    • c.

      € 200.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, onder c;

    • d.

      € 200.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, onder d;

  • 2.

    Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode genoemd in artikel 2.9, voor jonge veehouders als bedoeld in artikel 2.2, onder b, vast op:

    • a.

      € 300.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, onder a;

    • b.

      € 210.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, onder b;

    • c.

      € 120.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, onder c;

    • d.

      € 120.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, onder d;

Artikel 2.11 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, bedraagt:

    • a.

      voor veehouders als bedoeld in artikel 2.2, onder a: 40% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 25.000.

    • b.

      voor jonge veehouders als bedoeld in artikel 2.2, onder b: 40% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 30.000.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat de in de landbouwgroepsvrijstelling toegestane maximale steunintenstiteit niet wordt overschreden.

Artikel 2.12 Verdeelcriteria

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2.

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking als bedoeld in het eerste lid, de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 4.

    De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen worden gerangschikt in volgorde van trekking.

  • 5.

    De subsidie wordt verdeeld in de volgorde van trekking zoals door loting is bepaald.

  • 6.

    Subsidie wordt verdeeld over aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 2.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

      het project wordt binnen twee jaar na verlening van de subsidie afgerond door middel van de oplevering van het project met een eenmalige verlengingsmogelijkheid van maximaal zes maanden;

    • b.

      de subsidieontvanger beschikt bij aanvang van de werkzaamheden over de op grond van de Meststoffenwet benodigde dierrechten en fosfaatrechten en over de benodigde omgevings- en natuurbeschermingsvergunningen en is conform deze rechten en vergunningen in bedrijf;

    • c.

      onverminderd artikel 16, onder a, Asv houdt subsidieontvanger het innovatieve stalsysteem gedurende vijf jaar na realisering in werking conform de subsidieaanvraag, tenzij hij gebruik maakt van een ander stalsysteem dat een grotere emissiereductie teweeg brengt.

  • 2.

    Een verzoek tot verlenging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan door de subsidieontvanger gemotiveerd worden ingediend bij Gedeputeerde Staten uiterlijk voor de datum van het verstrijken van de termijn.

Artikel 2.14 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

  • a.

    een activiteitenverslag;

  • b.

    een financieel verslag, als bedoeld in artikel 22, zesde lid, onderdeel a, onder 1, van de Asv.

Artikel 2.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag overeenkomstig artikel 23, tweede en vierde lid van de Asv.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten betalen het voorschot, bedoeld in het voorgaande lid, in een keer, overeenkomstig artikel 23, derde en vierde lid van de Asv.

Artikel 2.16 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2020 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze regeling in de praktijk.

 

§ 3 Omschakeling naar natuurinclusieve landbouw

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    Asv: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

  • b.

    businessplan: plan dat voldoet aan de eisen van bijlage 3;

  • c.

    de-minimis landbouwsteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 (PBEU 2013 L352/9);

  • d.

    functionele agrobiodiversiteit: benutting van de natuurlijke soortenrijkdom voor de onderdrukking van ziekten en plagen;

  • e.

    natuurinclusieve landbouw: economisch rendabel en grondgebonden landbouwsysteem dat voedsel en gewassen produceert, in balans is met de natuurlijke omgeving, natuurlijke hulpbronnen integreert in de bedrijfsvoering en zorg draagt voor de biodiversiteit op en rond het bedrijf;

  • f.

    Natuurnetwerk Brabant: netwerk als bedoeld in artikel 1 van de Verordening ruimte Noord-Brabant;

  • g.

    veehouder: agrarisch bedrijf hoofdzakelijk gericht op het fokken, mesten en houden van landbouwhuisdieren.

Artikel 3.2 Doelgroep

  • 1.

    Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

    • a.

      een veehouder; of

    • b.

      een samenwerkingsverband van agrarische bedrijven waarvan minimaal één veehouder is.

  • 2.

    Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, onder b geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid; en

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

  • 3.

    Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, onder b, geen rechtspersoonlijkheid bezit en uitsluitend bestaat uit natuurlijke personen:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband; en

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 3.3 Subsidievorm

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2.

    Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 3.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor het opstellen van een businessplan met betrekking tot omschakeling naar natuurinclusieve landbouw, dat voldoet aan de vereisten van bijlage 3.

Artikel 3.5 Weigeringsgronden

  • 1.

    Subsidie wordt geweigerd indien:

    • a.

      reeds eerder subsidie is verleend op grond van deze of een andere provinciale subsidieregeling voor dezelfde activiteit;

    • b.

      reeds voor indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project;

    • c.

      reeds omgeschakeld is naar natuurinclusieve landbouw;

    • d.

      het bedrijf van de veehouder of de bedrijven van het samenwerkings-verband voor meer dan 50% van het grondoppervlak gelegen is of zijn binnen het Natuurnetwerk Brabant;

  • 2.

    Subsidie kan worden geweigerd indien de aanvrager in de afgelopen vijf jaar strafrechtelijk is veroordeeld, een strafbeschikking heeft gekregen, met het Openbaar Ministerie een schikking is aangegaan, strafrechtelijk, bestuurlijk of fiscaalrechtelijk is beboet, dan wel in het kader van een bestuursrechtelijk handhavingstraject een last onder dwangsom of bestuursdwang opgelegd heeft gekregen, wegens het overtreden van bij of krachtens natuur- en milieuregelgeving vastgestelde voorschriften, waaronder die op grond van de Waterwet, de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming en de Wet natuurbescherming, indien aard, ernst of duur van de overtreding en het tijdsverloop sinds die overtreding daartoe aanleiding geven.

  • 3.

    Onder aanvrager wordt in dit artikel mede verstaan: een deelnemer aan het samenwerkingsverband dat de subsidie aanvraagt.

Artikel 3.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

  • b.

    bij de uitvoering wordt gebruik gemaakt van professionele bedrijfsadviseurs die ervaring hebben met het opstellen van businessplannen binnen de agrarische sector;

  • c.

    aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1°.

      een omschakelplan dat voldoet aan de vereisten uit bijlage 2;

    • 2°.

      een sluitende en realistische projectbegroting voor het maken van een businessplan.

Artikel 3.7 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 15 november 2018 tot en met 31 oktober 2020.

Artikel 3.8 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode genoemd in artikel 3.7 vast op € 500.000.

Artikel 3.9 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.4, bedraagt € 10.000.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, wordt maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat over een periode van drie belastingjaren het plafond voor de-minimis landbouwsteun niet wordt overschreden.

Artikel 3.10 Verdeelcriteria

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2.

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking als bedoeld in het eerste lid, de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 4.

    De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen worden gerangschikt in volgorde van trekking.

  • 5.

    De subsidie wordt verdeeld in de volgorde van trekking zoals door loting is bepaald.

Artikel 3.11 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het project wordt binnen 8 maanden na verlening van de subsidie afgerond;

  • b.

    de subsidieontvanger zendt na afronding van het project een exemplaar van het businessplan dat voldoet aan de vereisten van bijlage 3, ter informatie aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 3.12 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een activiteitenverslag.

Artikel 3.13 Bevoorschotting en betaling

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag overeenkomstig artikel 23, tweede lid van de Asv.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten betalen het voorschot, bedoeld in het voorgaande lid, in een keer, overeenkomstig artikel 23, derde lid van de Asv.

Artikel 3.14 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2020 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze regeling in de praktijk.

§ 4 Investeren in dierenwelzijn

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    Asv: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

  • b.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • c.

    certificaat: schriftelijke verklaring afgegeven door een geaccrediteerde certificerende instelling, dat een product volgens bepaalde normen is geproduceerd;

  • d.

    dierenverblijf: gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen;

  • e.

    dierenwelzijnskeurmerk: gecertificeerd kwaliteitsoordeel van een keurmerkverlenende instantie op het gebied van dierenwelzijn;;

  • f.

    extra staloppervlak: extra vierkante meters staloppervlak die nodig zijn om te kunnen voldoen aan het vereiste staloppervlak per aanwezig dier van een dierenwelzijnskeurmerk;

  • g.

    landbouwvrijstellingsverordening: Verordening 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014 (PBEU 2014 L193/1);

  • h.

    mkb-onderneming: kleine, middelgrote of micro-onderneming die aan de criteria van bijlage I van de landbouwvrijstellingsverordening voldoet;

  • i.

    staloppervlak: gedeelte van een dierenverblijf ten behoeve van de ligruimte, de eetruimte en de mestruimte van de dieren;

  • j.

    veehouderij: agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van pelsdieren.

Artikel 4.2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door veehouderijen gelegen in het gebied als aangeduid in bijlage 4.

Artikel 4.3 Subsidievorm

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf een projectsubsidie.

  • 2.

    Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 4.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor het realiseren van het extra staloppervlak van een dierenverblijf ten behoeve van een dierenwelzijnskeurmerk:

  • a.

    zonder uitbreiding van het aantal landbouwhuisdieren;

  • b.

    met uitbreiding van het aantal landbouwhuisdieren.

Artikel 4.5 Weigeringsgronden

  • 1.

    Subsidie wordt geweigerd indien:

    • a.

      de subsidieaanvrager reeds voor indiening van de aanvraag is begonnen met de uitvoering van het project;

    • b.

      het extra staloppervlak gerealiseerd kan worden op grond van een omgevingsvergunning die is verleend in overeenstemming met Verordening ruimte 2014 dan wel een eerder vastgestelde Verordening ruimte;

    • c.

      de subsidieaanvrager geen mkb-onderneming is;

    • d.

      ten aanzien van subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, onder a, van de landbouwvrijstellingsverordening, uitstaat;

    • e.

      de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 1, zesde lid, van de landbouwvrijstellingsverordening, is.

  • 2.

    Subsidie kan worden geweigerd indien de aanvrager in de afgelopen vijf jaar strafrechtelijk is veroordeeld, een strafbeschikking heeft gekregen, met het Openbaar Ministerie een schikking is aangegaan, strafrechtelijk, bestuurlijk of fiscaalrechtelijk is beboet, dan wel in het kader van een bestuursrechtelijk handhavingstraject een last onder dwangsom of bestuursdwang opgelegd heeft gekregen, wegens het overtreden van bij of  krachtens natuur- en milieuregelgeving vastgestelde voorschriften,  waaronder die op grond van de Waterwet, de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming en de Wet natuurbescherming, indien aard, ernst of duur van de overtreding en het tijdsverloop sinds die overtreding daartoe aanleiding geven.

Artikel 4.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project wordt uitgevoerd in het gebied dat in bijlage 4 is aangeduid als gebied met een hoge concentratie landbouwhuisdieren;

  • b.

    het project is gericht op het realiseren van extra staloppervlak;

  • c.

    het te realiseren extra staloppervlak voldoet aan het minimale aantal vierkante meters staloppervlak per dier voor het betreffende dierenwelzijnskeurmerk, zoals berekend op grond van bijlage 5;

  • d.

    het extra staloppervlak wordt aangewend voor productie conform een dierenwelzijnskeurmerk als genoemd in bijlage 5;

  • e.

    het dierenwelzijnskeurmerk is verstrekt of aangevraagd voor de locatie waar het project wordt uitgevoerd;

  • f.

    een omgevingsvergunning is verstrekt of een volledige en ontvankelijke vergunningsaanvraag is ingediend teneinde productie conform het dierenwelzijnsconcept mogelijk te maken;

  • g.

    het extra staloppervlak bedoeld onder d, is tenminste 10% meer dan het staloppervlak benodigd voor de gangbare productie, zoals berekend op grond van bijlage 5;

  • h.

    aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1°.

      op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

      een sluitende en realistische begroting.

Artikel 4.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    bouwkosten;

  • b.

    leges.

Artikel 4.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 4.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten gemaakt vóór het indienen van de subsidieaanvraag;

  • b.

    kosten waarvoor de subsidieaanvrager uit anderen hoofde reeds een bijdrage heeft ontvangen;

  • c.

    interne loonkosten van de subsidieaanvrager;

  • d.

    kosten voor de aankoop van onroerende zaken.

Artikel 4.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 17 december 2018 tot en met 31 december 2019.

Artikel 4.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4.4, voor de periode, genoemd in artikel 4.9, vast op € 1.000.000.

Artikel 4.11 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 4.4 bedraagt 25% van de subsidiabele kosten van het extra staloppervlak,

    • a.

      tot een maximum per vierkante meter van:

      • 1°.

        € 30 voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.4, onder a;

      • 2°.

        € 20 voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.4, onder b;

    • b.

      tot een maximum van € 100.000 in totaal;

    • c.

      tot een maximum van een zodanig bedrag dat de in de landbouwvrijstellingsverordening toegestane steunbedragen en steunintensiteiten niet worden overschreden.

  • 2.

    Indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan € 5.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 4.12 Verdeelcriteria

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2.

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is, als datum van binnenkomst.

  • 3.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 4.

    De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen worden gerangschikt in volgorde van trekking.

  • 5.

    In geval loting plaatsvindt, wordt de beschikbare subsidie verdeeld in de volgorde van trekking zoals door loting is bepaald.

  • 6.

    Subsidie wordt verdeeld over aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 4.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

      het project wordt binnen drie jaar na verlening van de subsidie afgerond, met een verlengingsmogelijkheid van maximaal een jaar.

    • b.

      onverminderd artikel 16, onder a, van de Asv, voldoet het project gedurende tenminste vijftien jaar na realisering, minimaal aan de eisen van het dierenwelzijnskeurmerk met betrekking tot het extra staloppervlak zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening.

    • c.

      in geval van gehele of gedeeltelijke vervreemding respectievelijk verhuur, pacht, pachtkoop of ingebruikgeving onder welke titel dan ook van het dierenverblijf waar de subsidie betrekking op heeft, draagt subsidieontvanger er zorg voor dat de verplichting als bedoeld onder b, wordt nagekomen door de nieuwe eigenaar en daaropvolgende eigenaren respectievelijk door de nieuwe gebruiker.

  • 2.

    Een verzoek tot verlenging van de termijn van drie jaar als bedoeld in het eerste lid, onder a, kan door de subsidieontvanger gemotiveerd worden ingediend bij Gedeputeerde Staten uiterlijk voor het verstrijken van die termijn.

Artikel 4.14 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

  • a.

    een activiteitenverslag;

  • b.

    fotomateriaal of videomateriaal van de situatie voor en na het project;

  • c.

    een rapport van oplevering;

  • d.

    facturen van de kosten als bedoeld in artikel 4.7;

  • e.

    een kopie van het certificaat met betrekking tot het dierenwelzijnskeurmerk;

  • f.

    een kopie van de verstrekte omgevingsvergunning;

Artikel 4.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1.

    Bij subsidies tot € 25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten, overeenkomstig artikel 23, tweede lid, van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2.

    Bij subsidies van € 25.000 en hoger verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten betalen het voorschot bedoeld in het eerste lid, in een keer, overeenkomstig artikel 23, derde lid van de Asv.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten betalen het voorschot bedoeld in het tweede lid, in twee gelijke gedeelten gedurende de looptijd van het project.

Artikel 4.16 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2020 aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze paragraaf in de praktijk.

§ 5 Slotbepalingen

Artikel 5.1 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 5.2 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling transitie veehouderijen Noord-Brabant.

 

’s-Hertogenbosch, 20 maart 2018

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter de

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

secretaris

drs. M.J.A. van Bijnen MBA

Bijlage 1, behorende bij artikel 2.6, derde lid, van de Subsidieregeling transitie veehouderij

 

Rav-code   

Huisvestingsysteem   

Emissie  

Diercategorie   

Voldoet  t/m   

A1.21

ligboxenstal met vlakke vloerplaten met tegelprofiel, hellende sleuven en regelmatige mestafstorten voorzien van afdichtflappen of -kleppen en mestschuif  

7 kg  

melkvee   

31-12-23*   

 

A1.23

ligboxenstal met geprofileerde vloerplaten met sterk hellende langssleuven  

met urineafvoergat en hellende  

dwarsgroeven, aaneengesloten gelegd of gescheiden door mestafstorten voorzien van emissiereductiekleppen, met mestschuif  

6 kg  

melkvee   

Tot na 1-1-2028*  

31-12-23**

A1.28 

ligboxenstal met roostervloer, voorzien van rubber matten en composiet nokken met een hellend profiel, kunststofcassettes met kleppen in de roosterspleten en met mestschuif

6 kg

melkvee

Tot na 1-1-2028*  

31-12-23**

A 1.33

ligboxenstal met vlakke vloer, voorzien van rubberen sleufvloer met 3% hellende langssleuven en geprofileerd rubber (hellende V-vorm) met groeven en nopjes tussen de langssleuven, met mestschuif

7,1

melkvee

31-12-23*   

 

D 1.2.20  

Mestpan met mestkanaal met koelsysteem en waterkanaal onder het kraamhok  

1.3 kg  

varkens  

Tot na

1-1-28  

* Beweiden

** Permanent opstallen in open stal

Bijlage 2 bij Subsidieregeling transitie veehouderij

Inhoudelijke vereisten Omschakelplan

Het omschakelplan moet in ieder geval aandacht besteden aan: de ondernemer, de biodiversiteit, de bodem, het landschap en de bedrijfseconomische betekenis van de omschakeling naar natuurinclusieve landbouw. Onderstaande eisen zijn indicatief en te beschouwen als aandachtspunten. Voor het businessplan (zie bijlage 3) is het verplicht aandacht te besteden aan alle genoemde vereisten..

 

De ‘natuurlijke’ ondernemer(s)

Het omschakelplan geeft een eerste beeld van de kennis en ervaring van de betrokken ondernemer(s) of de wijze waarop die kennis en ervaring zal worden verkregen op het gebied van enerzijds biodiversiteit, vitale bodem, landschap en kwalitatief en kwantitatief waterbeheer en anderzijds het ondernemerschap. De volgende onderdelen kunnen deel uitmaken van het omschakelplan:

  • De motivatie voor het indienen van het plan (wat is in het kort het idee, de bedoeling/ambitie?) en een kort CV (persoonlijke gegevens, opleiding, werkervaring).

  • De mate van kennis van, ervaring met en visie op ondernemerschap en natuurontwikkeling (opleiding / ervaring et cetera).

  • De wijze waarop die kennis/ervaring wordt vergroot bijv. via aansluiting bij een lerend netwerk en samenwerking met andere partijen op het gebied van natuurinclusief ondernemen.

  • De mate van natuurinclusiviteit van de huidige bedrijfsvoering (zie hierna onder ‘natuurlijke waarden’).

  • De verwachte belemmeringen en behoefte aan ondersteuning, zoals de beschikbaarheid van aanvullend areaal aan landbouwgrond.

 

Natuurlijke waarden: biodiversiteit, bodem en landschap

Het omschakelplan geeft een eerste beeld van de manier waarop de biodiversiteit en de kwaliteit van bodem, water en landschap een impuls krijgen en worden geïntegreerd in de bedrijfsvoering. De volgende onderdelen kunnen deel uitmaken van het omschakelplan:

  • De manier waarop de bodem en het bodemleven worden verzorgd in het bedrijfssysteem.

  • De maatregelen om kringlopen van nutriënten te sluiten en de invloed van het bedrijf op de omgeving via de lucht en het water (grond-/oppervlaktewater) te beperken.

  • De maatregelen voor biodiversiteit en hoe deze aansluiten bij de omgeving (aanwezige biodiversiteit en leefgebieden).

  • De manier waarop het bedrijf zal bijdragen aan de gebiedseigen landschappelijke kwaliteit.

  • De manier waarop de natuurlijke soortenrijkdom voor de onderdrukking van ziekten en plagen op het bedrijf (‘functionele agrobiodiversiteit’) wordt benut.

  • De manier waarop bovenliggende punten in het huidige bedrijf vormgegeven zijn en welke stappen nodig zijn voor de omschakeling.

  • De verwachte belemmeringen en behoefte aan ondersteuning.

 

Tabel met voorbeelden van te treffen natuurinclusieve maatregelen

Het omschakelplan moet aangeven welke maatregelen de aanvrager beoogd te nemen voor de thema’s biodiversiteit, landschap en bodem&water.

Voor elk van deze thema’s worden ten minste twee maatregelen getroffen die verder worden uitgewerkt in het businessplan. Het is mogelijk dat maatregelen voor biodiversiteit ook bijdragen aan landschap. In dat geval kan worden volstaan met minimaal twee maatregelen voor deze beide thema’s.

 

Landgebruik

Maatregel

Doel/functie

Grasland en bouwland

Mestkwaliteit en -diversiteit aanpassen (ruige mest, beperken kunstmest, mestkwaliteit)

Organische stofopbouw, beperken emissies, stimuleren bodemleven, voedsel en nestgelegenheid voor specifieke soorten

Bouwland

Niet-kerende grondbewerking

Gewasresten in bovengrond houden, minder organische stof afbraak en meer voedsel en minder verstoring bodemleven

Bouwplan verruimen akkers

Organische stofopbouw, verbetering bodemstructuur en verhoging ziekteweerbaarheid

Groenbemesters, vanggewassen, akkers jaarrond groen

Nutriënten vastleggen, stimuleren bodemleven, verbeteren bodemstructuur en organische stof productie

Reductie gewas-beschermingsmiddelen

Minder verstoring voedselweb voor specifieke soorten; productkwaliteit

Bloeiende akkerranden

Bufferfuncties, gewasbescherming, gewasbestuiving, natuurbescherming (inclusief specifieke soorten als akkervogels) en landschapsbeleving

Grasland

Kruidenrijk grasland

Grasland positief voor bodemkwaliteit (organische stof en bodemleven), emissies, en gewasbeschermings-middelen naar oppervlakte water en bovengrondse biodiversiteit

Weidegang

Dierenwelzijn en - gezondheid, sluiten kringlopen, beperken ammoniak

Aanleg plas-drassystemen

Stimulering weidevogels

Volledig grasgevoerd bedrijf

Grasland positief voor bodemkwaliteit (organische stof en bodemleven), emissies nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater en bovengrondse biodiversiteit.

Natte landbouw en andere runderrassen in vernatte veenweidegebieden

Beperken CO2 emissies veenweide, schoner water, waterberging, biodiversiteit, vogels, landschap.

Landschaps-elementen

Aanleg/beheer grazige, droge elementen of opgaande begroeiing

Voedselweb functionele biodiversiteit, natuurwaarde (soorten) en landschap

bron: Maatregelen Natuurinclusieve landbouw, Louis Bolk instituut/WUR 2017

 

Bedrijfseconomische kwaliteit

Het omschakelplan moet op hoofdlijnen duidelijk maken hoe het plan bedrijfseconomisch in elkaar zit. Daarbij komen onder andere de volgende onderdelen aan bod:

 

  • De aard en omvang van het huidige bedrijf inclusief SWOT-analyse

  • De beoogde vermarkting van de meerwaarde van de natuurinclusieve landbouw (producten / diensten, markten, doelgroepen, promotie, ketenpartners, verdienmodel).

  • Een eerste begroting van de kosten voor de omschakeling.

  • Juridische haalbaarheid van het initiatief (o.a. bestemmingsplan).

  • De verwachte kansen en belemmeringen en behoefte aan ondersteuning.

 

Maatschappelijke meerwaarde

Aanvullend is er aandacht voor de maatschappelijke meerwaarde van de betreffende onderneming, bijvoorbeeld op het gebied van zorg, educatie et cetera. Dit is geen primair doel van natuurinclusieve landbouw, maar wordt wel als een ‘plus’ beschouwd bij een eventuele latere beoordeling van businessplannen.

Het omschakelplan bestaat uit maximaal 5 pagina’s (A4, tekst/afbeeldingen exclusief inhoudsopgave en voor- en achterblad). Het omschakelplan bevat maximaal 5 pagina’s bijlagen (A4). Het aantal woorden per pagina is 500.

Bijlage 3, behorende bij artikel 3.11, onder b, van de Subsidieregeling transitie veehouderij

Vereisten businessplan

Het businessplan ligt inhoudelijk in het verlengde van het omschakelplan. In het businessplan worden de onderdelen uit het omschakelplan concreet uitgewerkt en wordt in het bijzonder een zo gedetailleerd mogelijke financiële onderbouwing opgenomen.

Concreet betekent dat het volgende:

  • In het businessplan worden álle aspecten genoemd in bijlage 2 uitgewerkt.

  • In het businessplan wordt aangegeven welke maatregelen voor de thema’s natuur, landschap en bodem&water door het bedrijf worden getroffen. Per thema worden ten minste twee maatregelen uitgevoerd. In geval een maatregel positief uitpakt voor zowel natuur als voor landschap, dan mag deze voor beide thema’s worden opgevoerd.

  • In het businessplan moeten álle maatregelen worden vertaald in een reële en zo mogelijk sluitende begroting voor de exploitatie, investeringen, financiering en liquiditeit.

Bijlage 4, behorende bij § 4 van de Subsidieregeling transitie veehouderij Noord-Brabant

 

 

Bijlage 5 behorende bij § 4 van de Subsidieregeling transitie veehouderij Noord-Brabant

 

In deze bijlage is aangegeven welk staloppervlak per diercategorie nodig is om te kunnen produceren volgens bepaalde dierenwelzijnsconcepten. De kolom ‘Subsidiabel percentage extra staloppervlak’ geeft voor elk welzijnsconcept aan welk extra staloppervlak gesubsidieerd kan worden.

Per bedrijfscategorie is gekeken naar de gecertificeerde welzijnsconcepten per diercategorie.

Per welzijnsconcept is gekeken naar het aantal dieren dat per m2 gehouden mag worden. Hierbij is gekeken naar het benodigde staloppervlakte en eventueel verplichte overdekte uitloop. De benodigde staloppervlakte is omgezet naar een oppervlakte in m2 per dier. Waarbij het verschil in extra benodigd benodigde staloppervlakte tussen gangbaar en het dierwelzijnsconcept zichtbaar wordt. Dit is aangeduid in een percentage.

 

Bedrijfscategorie

Welzijnsconcept

Diercategorie

Dieren per m2 staloppervlakte

Oppervlak in m2 / aanwezig dier

Subsidiabel

% extra staloppervlak

A. Vleeskuikens

 

 

 

 

 

 

Gangbaar

Vleeskuikens

18

0,056

 

Goed Nest Kip

Vleeskuikens

16

0,063

13

Nieuwe Standaard Kip

Vleeskuikens

13,5

0,074

33

BLK 1*

Vleeskuikens

10,2

0,098

76

BLK 2*

Vleeskuikens

11,05

0,090

63

BLK 3* niet biologisch

Vleeskuikens

9,35

0,107

93

BLK 3* biologisch

Vleeskuikens

8,5

0,118

112

B. Leghennen

 

 

 

Gangbaar scharrelei

Leghennen

9

0,11

 

BLK 1*

Leghennen

9

0,11

0 of 20(1)

BLK 2*

Leghennen

9

0,11

0 of 50(1)

BLK 3* (niet biologisch)

Leghennen

6,7

0,15

34 of 100(1)

BLK 3* (biologisch)

Leghennen

6

0,17

50 of 100(1)

C. Kalkoenen

 

 

 

Gangbaar

Kalkoenen

58 kg/m2

0,19 (2)

 

BLK 1*

Kalkoenen

max 40 (36) kg/m2 voor de hanen (hennen) en max 3 (4) dieren per m2 voor de hanen (hennen)

0,29

53

BLK 2*

Kalkoenen

Max 35 kg/m2 en max 6,25 dieren/m2

0,16 (3)

0 (5)

BLK 3*

Kalkoenen

Max 21 kg/m2 en  max 10 dieren/m2

0,10 (4)

0 (5)

D1. Vleeskonijn (< 5 dieren)

 

Wettelijk minimum

Vleeskonijn

14,30

0,07

 

BLK 1*

Vleeskonijn

11,10

0,09

29

D2. Vleeskonijn (> 5 dieren)

 

Wettelijk minimum

Vleeskonijn

16,70

0,06

 

BLK 1*

Vleeskonijn

11,10

0,09

50

E. Zeugen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gangbaar

Zeugen

0,44

2,25

 

BLK 1*

Zeugen

0,44

2,25

13 of 0 (6)

BLK 2*

Zeugen

0,40

2,50

50 of 11(6)

BLK 3* niet biologisch

Zeugen

0,40

2,50

69 of 11(6)

BLK 3* biologisch

Zeugen

0,40

2,50

69 of 11(6)

Gangbaar

Zeugen in kraamhok

0,29

3,50

 

BLK 1*

Zeugen in kraamhok

0,26

3,80

13 of 9 (6)

BLK 2*

Zeugen in kraamhok

0,15

6,50

50 of 86 (6)

BLK 3* niet biologisch

Zeugen in kraamhok

0,13

7,50

69 of 114 (6)

BLK 3* biologisch

Zeugen in kraamhok

0,13

7,50

69 of 114 (6)

Gangbaar

Biggen opfok

3,33

0,30

 

BLK 1*

Biggen opfok

2,50

0,40

13 of 33(6)

BLK 2*

Biggen opfok

2,00

0,50

50 of 67(6)

BLK 3* niet biologisch

Biggen opfok

1,67

0,60

69 of 100(6)

BLK 3* biologisch

Biggen opfok

1,67

0,60

69 of 100(6)

F. Vleesvarkens

 

 

 

 

Gangbaar

Vleesvarkens

1,25

0,80

 

BLK 1*

Vleesvarkens

1,00

1,00

25

BLK 2*

Vleesvarkens

0,91

1,10

38

BLK 3* niet biologisch

Vleesvarkens

0,77

1,30

63

BLK 3* biologisch

Vleesvarkens

0,77

1,30

63

G. Vleeskalveren

 

 

 

Gangbaar

Vleeskalveren

0,56

1,80

 

BLK 1*

Vleeskalveren

0,50

2,00

11

BLK 2*

Vleeskalveren

0,50

2,00

11

BLK 3* biologisch

Vleeskalveren

0,29

3,5 (7) 

94

H. Vleesrunderen

 

 

 

Gangbaar

Vleesrunderen

0,25

4,00 (8)

 

BLK 1*

Vleesrunderen

0,19

5,40

35

BLK 2*

Vleesrunderen

0,15

6,60

65

BLK 3* biologisch

Vleesrunderen

0,12

8,50

113

I. Melkrundvee

 

 

 

Gangbaar

Melkrundvee

0,125 ligboxen

8,00 ligboxen (9)

 

Gangbaar

Melkrundvee

0,10 vrijloopstal

10,00 vrijloopstal (9)

 

BLK3*

 

0,17

6,00 (10)

0

J. Schapen

 

 

 

 

 

gangbaar

Schapen

0,50

2,00

 

skal

schapen

0,67

1,50

0

gangbaar

Lam (0-120 dagen)

2,33

0,43 (11)

 

skal

Lam (0-120 dagen)

2,86

0,35

0

gangbaar

Lam (121-360 dagen)

1,16

0,86

 

skal

Lam (121-360 dagen)

1,18

0,85

0

K. Geiten

 

 

 

 

 

Gangbaar

Melkgeiten

0,77

1,30

 

Skal

Melkgeiten

0,67

1,50

15

Gangbaar

Lam (0 - 2 maanden)

4,00

0,25

 

Skal

Lam (0-120 dagen)

2,86

0,35

40

Gangbaar

Lam (2-12 maanden)

1,00

1,00

 

Skal

Lam (121-360 dagen)

1,18

0,85

0

 

A. Vleeskuikens

Bij de diercategorie vleeskuikens is gekeken naar de welzijnsconcepten van Beter Leven Keurmerk (BLK), Goed Nest Kip en Nieuwe Standaard Kip.

Meer informatie over de welzijnsconcepten is te vinden op:

 

 

B. Leghennen

Bij de diercategorie leghennen is gekeken naar het welzijnsconcept van Beter Leven Keurmerk (BLK). Meer informatie over het welzijnsconcept is te vinden op:

(1) De verplichte overdekte uitloop voor leghennen geldt alleen als extra staloppervlak mits het aantal dieren, berekend over de gangbaar aanwezige staloppervlak (dus exclusief de verplichte overdekte uitloop) niet hoger is dan 9 dieren per m2 staloppervlak. Ingeval er meerdere verdiepingen worden gebouwd komt alleen de grondprojectie van de uitbreiding voor subsidiëring in aanmerking.

 

C. Kalkoenen

Bij de diercategorie kalkoenen is gekeken naar het welzijnsconcept van Beter Leven Keurmerk (BLK). Meer informatie over het welzijnsconcept is te vinden op:

 

(2) Het oppervlak m2 per dier in de gangbare situatie is berekend, op basis van de gewichtseisen voor dieren in de gangbare en niet gangbare situatie, en uitgaand van een gelijke getalsverhouding tussen hanen en hennen.

 

(3 en 4) Het benodigde oppervlakte aan stalruimte bij 2* en 3* BKL neemt af. Dit komt omdat minder binnenruimte nodig, maar gelijktijdig relatief veel buitenuitloop. De kosten voor de buitenloop wordt niet meegenomen.

 

(5) De investeringskosten nemen af vanwege de afname van de benodigde oppervlakte aan stalruimte. Het benodigde % extra staloppervlak wordt hierdoor negatief, dit is afgerond op 0%.

  

D. Konijnen

Bij de diercategorie konijnen is gekeken naar het welzijnsconcept van Beter Leven Keurmerk (BLK). Meer informatie over het welzijnsconcept is te vinden op:

 

E, Zeugen

Bij de diercategorie zeugen is gekeken naar het welzijnsconcept van Beter Leven Keurmerk (BLK). Meer informatie over het welzijnsconcept is te vinden op:

 

(6) In de praktijk worden in een fokzeugenbedrijf guste zeugen, draagzeugen, kraamzeugen en biggen gehouden. Gemiddeld zijn de investeringskosten van het extra oppervlak op het fokzeugenbedrijf van gangbaar naar BLK 1* 13%, van gangbaar naar BLK2* 50% en van gangbaar naar BLK3* 69%.

Mocht er sprake zijn van een bedrijf waarin slechts één van deze diersoorten wordt gehouden hebben we ook per diersoort de investeringskosten van het extra oppervlakte berekend. Voor gangbaar naar BLK1* geldt dan voor zeugen 0%, voor kraamzeugen 9% en voor biggen 33%. Voor gangbaar naar BLK2* geldt dan voor zeugen 11%, voor kraamzeugen 86% en voor biggen 67%. Voor gangbaar naar BLK3* geldt dan voor zeugen 11%, voor kraamzeugen 114% en voor biggen 100%.

 

F. Vleesvarkens

Bij de diercategorie vleesvarkens is gekeken naar het welzijnsconcept van Beter Leven Keurmerk (BLK). Meer informatie over het welzijnsconcept is te vinden op:

  

G. Vleeskalveren

Bij de diercategorie vleeskalveren is gekeken naar het welzijnsconcept van Beter Leven Keurmerk (BLK). Meer informatie over het welzijnsconcept is te vinden op:

 

(7) Het oppervlak in m2 per dier tot 14 weken is minimaal 2,5 m2 daarna is het leefoppervlakte minimaal 4 m2. Gemiddeld is dit 3,5 m2.

 

H. Vleesrunderen

Bij de diercategorie vleesrunderen is gekeken naar het welzijnsconcept van Beter Leven Keurmerk (BLK). Meer informatie over het welzijnsconcept is te vinden op:

 

(8) De stichting Beter Leven Keurmerk heeft geen oppervlakte eisen opgenomen voor vleesrunderen in de gangbare situatie. Er zijn ook geen landelijke wettelijke eisen of Europese richtlijnen. Uitgegaan wordt daarom van de eisen in de Maatlat Duurzame Veehouderij voor de situatie dat geen punten worden toegekend. Dat is bij 4 m2 per dier. (http://www.maatlatduurzameveehouderij.nl/Public/MDV_schemas/2018/27criteriaVleesveeMDVA9-1MDV12.pdf).

 

I. Melkrundvee

Er bestaat op dit moment alleen BLK- zuivel met 3 sterren.

 

(9) De Stichting BLK heeft geen oppervlakte eisen opgenomen voor melkrundvee in de gangbare situatie. Er zijn ook geen landelijke wettelijke eisen of Europese richtlijnen. Uitgegaan wordt daarom van de eisen in de Maatlat Duurzame Veehouderij van de Stichting Milieukeur. Voor melkrundvee zijn er twee certificeringsschema’s melkveestallen A en melkveestallen B. In certificeringsschema B is opgenomen dat de loopruimte binnen de stal minimaal 5m2 dient te zijn. Er is geen ruimte voor de ligplaats opgenomen. In certificeringsschema A is de leefruimte per aanwezig dier bepaald op 8m2 bij een ligboxenstal en 10m2 bij een vrijloopstal. Alle melkkoeien (lacterend of droogstaand) beschikken in de stal over de minimaal vereiste aantal m2 permanent toegankelijke leefruimte, bestaande uit ligplaats en de loopruimte. Dit is exclusief alle bijruimten. Er wordt daarom aangesloten bij de leefruimten van certificeringsschema A.

 

https://www.smk.nl/Public/MDV_schemas/2018/23criteriaMelkveeMDVA9-1MDV12-niveauA.pdf

https://www.smk.nl/Public/MDV_schemas/2018/23criteriaMelkveeMDVA9-1MDV12.pdf

 

(10) Op de website van de Stichting BLK wordt voor de eisen terugverwezen naar een Bio-gecertificeerd bedrijf met een contract met Stichting BLK. Voor de oppervlakte eisen wordt gekeken naar de huisvestingseisen van de Stichting Skal. Hier is aangegeven dat de minimum oppervlaktes van de stallen voor rundvee voor een melkkoe 6 m2 is. De 6 m2 zijn de ruimten waarin de dieren direct toegang hebben. Dit is dus exclusief alle bijruimten.

 

https://www.skal.nl/veehouderij/rundvee/huisvesting-weidegang/

 

J. Schapen

Voor schapen is er geen BLK-dierwelzijnsconcept. Voor de bepaling van de oppervlakte-eisen voor gangbaar is de Maatlat duurzame veehouderij voor melkgeiten en melkschapen gehanteerd, waarbij de situatie dat een punt wordt toegekend als gangbaar wordt beschouwd.

 

(11) In de MDV wordt gerekend met 0,86 m2 voor 2 lammeren bij de ooi. Per lam is het dan 0,43 m2 https://www.smk.nl/Public/MDV_schemas/2018/26criteriaMelkgeitenenMelkschapenMDVA9-1MDV12.pdf

 

Biologische schapen worden onder het Skal-keurmerk gehouden. https://www.skal.nl/veehouderij/schapen-geiten/huisvesting/

   

K. Geiten

Voor geiten is er geen BLK-dierwelzijnsconcept. Voor de bepaling van de oppervlakte-eisen voor gangbaar is de Maatlat duurzame veehouderij voor melkgeiten en melkschapen gehanteerd, waarbij de situatie dat een punt wordt toegekend als gangbaar wordt beschouwd..

https://www.smk.nl/Public/MDV_schemas/2018/26criteriaMelkgeitenenMelkschapenMDVA9-1MDV12.pdf

 Biologische geiten worden onder het Skal-keurmerk gehouden. https://www.skal.nl/veehouderij/schapen-geiten/huisvesting/

 

Vragen over regelingen?

Contacten (2)

Open Links Sluit Links