Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingBeleidsregel van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant houdende regels ter bescherming van de natuur (Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant)
CiteertitelBeleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

23-06-201801-01-201806-09-2018artikel 4.5, 4.6

11-06-2018

prb-2018-4528

C2227515/4364123
29-12-201723-06-2018artikel 7.1, 7.2, 7.3, 7.4, 7.5, 8.1, 8.2, 8.3, paragraaf 7, 8, bijlage 4

19-12-2017

prb-2017-6139

C2216997/4287444
17-10-201701-09-201729-12-2017artikel 1.1, 1.3

25-09-2017

prb-2017-4585

C2203211/4174082
26-04-201717-10-2017paragraaf 6, 7, artikel 6.1, 6.2, 6.3, 6.4, 6.5, 6.6, 6.7, 6.8, 6.9, 6.10, 6.11, 6.12, bijlage 1, 2, 3

18-04-2017

prb-2017-1855

C2203211/4174082
01-01-201701-01-2017nieuwe regeling

20-12-2016

prb-2016-6946

4124133
01-01-201726-04-2017aanhef

20-12-2016

prb-2016-7021

4124133

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant houdende regels ter bescherming van de natuur (Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

 

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op 7 december 2010 de Beleidsregel stikstof en beschermde natuurmonumenten Noord-Brabant, op 1 juli 2014 de Beleidsregel Natuurbeschermingswet 1998 beregenen uit grondwater en op 8 juni 2015 de Beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte PAS segment 2 Noord-Brabant hebben vastgesteld;

 

Overwegende dat die beleidsregels de uitwerking vormden van de beleidsvrijheid die aan Gedeputeerde Staten was toegekend in de Natuurbeschermingswet 1998 en de daarop gebaseerde regelingen;

 

Overwegende dat op 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming, het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming in werking treden en daarmee de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet worden ingetrokken en de daarop gebaseerde regelingen van rechtswege komen te vervallen;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op grond van de artikelen 1.3 van de Wet natuurbescherming, 2.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming en 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, juncto artikel 6.10a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, bevoegd zijn voor het verlenen van toestemmingsbesluiten, instemmingsbesluiten en het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen met betrekking tot Natura 2000-gebieden;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, bevoegd zijn om vergunningen te verlenen met betrekking tot Natura 2000-gebieden;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op grond van de artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid en 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, bevoegd zijn ontheffingen te verlenen met betrekking tot de bescherming van soorten;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op grond van artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming bevoegd zijn tegemoetkomingen in faunaschade te verlenen;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op grond van artikel 4.2, derde lid, van de Wet natuurbescherming en de artikelen 8.4 en 8.6, onder a, van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant, bevoegd zijn een verbod op te leggen, ontheffingen te verlenen of verplichtingen op te leggen met betrekking tot houtopstanden;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten het wenselijk achten vast te leggen op welke wijze zij aan die bevoegdheden uitvoering geven, zodat alle betrokkenen daar in hun beleid, besluitvorming en bij hun initiatieven rekening mee kunnen houden;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten daarbij het bestaande uitvoeringsbeleid met betrekking tot natuur wensen voort te zetten;

 

Besluiten vast te stellen de volgende beleidsregel:

 

§ 1 Toedeling ontwikkelingsruimte PAS segment 2

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    grenswaarde: grenswaarde stikstofdepositie als bedoeld in artikel 2.12 Besluit natuurbescherming;

  • b.

    kritische depositie waarde: grenswaarde voor stikstofbelasting waarboven kans bestaat op negatieve effecten op de natuur;

  • c.

    naderende overbelasting: belasting waarbij de totale stikstofdepositie van maximaal 70 mol per hectare per jaar onder de kritische depositiewaarde wordt genaderd;

  • d.

    nieuwe stal: stal als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant;

  • e.

    ontwikkelingsruimte: ontwikkelingsruimte als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit natuurbescherming;

  • f.

    PAS-programmaperiode: de periode waarvoor het Programma Aanpak Stikstof geldt;

  • g.

    segment 2: ontwikkelingsruimte die resteert na aftrek van ontwikkelingsruimte die is gereserveerd voor toestemmingsbesluiten die betrekking hebben op in de Regeling natuurbescherming afzonderlijk of per categorie genoemde of beschreven projecten of andere handelingen als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming;

  • h.

    toestemmingsbesluit; besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming;

  • i.

    veehouderij: agrarische bedrijfsvoering met als hoofdactiviteit het houden van vee, pluimvee of pelsdieren voor zover gehouden voor gebruiks- of winstdoeleinden;

  • j.

    weg: openbare weg als bedoeld in artikel 1 van de Wegenwet, waarvoor het Rijk, een provincie, een waterschap of een gemeente de belangen ingevolge artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 beschermt en waartoe in ieder geval behoren rijbanen, fiets- en voetpaden, parkeer-, carpool-, bus-, en halteplaatsen, vlucht- en andere stroken, bermen, glooiingen, grondkeringen, bermsloten, alsmede de tot de weg behorende verkeersvoorzieningen;

  • k.

    wet: Wet natuurbescherming.

Artikel 1.2 Reikwijdte

  • 1.

    Gedeputeerde Staten nemen deze paragraaf in acht bij toestemmingsbesluiten met betrekking tot projecten en andere handelingen, waarvoor een beroep wordt gedaan op segment 2.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten handelen overeenkomstig deze paragraaf bij verzoeken om instemming als bedoeld in artikel 1.3 van de wet en verzoeken tot afgifte van een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, juncto artikel 6.10a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht.

Artikel 1.3 Uitgangspunten toedeling

  • 1.

    Gedeputeerde Staten delen bij een toestemmingsbesluit aan een project of andere handeling niet meer dan 3,00 mol stikstof per hectare per jaar aan ontwikkelingsruimte toe uit segment 2 per PAS-programmaperiode.

  • 2.

    Ingeval het project of de andere handeling, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer geldt de waarde van 3,00 mol stikstof per hectare per jaar per PAS-programmaperiode in cumulatie met andere projecten of handelingen met betrekking tot dezelfde inrichting, met inbegrip van projecten en handelingen in de PAS-programmaperiode waarop het verbod van artikel 2.7, tweede lid, van de wet, ingevolge artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming, niet van toepassing is.

  • 3.

    De 3,00 mol, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, heeft enkel betrekking op de belasting van de hectares waarbinnen een voor stikstof gevoelig natuurlijke habitat of stikstof gevoelige habitat van een soort voorkomt en waarbij sprake is van een overbelasting van stikstofdepositie of naderende overbelasting.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten delen uit segment 2 per periode van één jaar, beginnend vanaf 1 juli 2015, maximaal 16% van de ontwikkelingsruimte, die beschikbaar is per Natura 2000-gebied voor de gehele PAS-programmaperiode van 6 jaar toe aan toestemmingsbesluiten, indien:

    • a.

      het een ontvankelijke aanvraag betreft die voor 1 januari 2017 is ingediend; en

    • b.

      waarbij op het moment van de ontvankelijke aanvraag de grenswaarde van het Natura 2000-gebied wordt overschreden.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten delen uit segment 2 per periode van één jaar, beginnend vanaf 1 juli 2015, maximaal 16% van de ontwikkelingsruimte, die beschikbaar is per Natura 2000-gebied voor de gehele PAS-programmaperiode van 6 jaar toe aan toestemmingsbesluiten, indien het een ontvankelijke aanvraag betreft die vanaf 1 januari 2017 is ingediend.

Artikel 1.4 Uitzonderingsgevallen 0,05 mol

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.3, eerste lid, delen Gedeputeerde Staten bij een toestemmingsbesluit per PAS-programmaperiode niet meer dan 0,05 mol stikstof per hectare per jaar aan ontwikkelingsruimte toe uit segment 2 bij ontvankelijke aanvragen:

    • a.

      die voor 1 januari 2017 zijn ingediend;

    • b.

      die betrekking hebben op een project of andere handeling, waarvan de stikstofdepositie betrekking heeft op een Natura 2000-gebied waarin een van de volgende habitattypen is aangewezen:

      • 1°.

        H7110A - actieve hoogvenen (hoogveenlandschap);

      • 2°.

        H7120ah/ZGH7120ah - herstellende hoogvenen (actief hoogveen);

      • 3°.

        H3110 - zeer zwakgebufferde vennen; en

    • c.

      waarbij op het moment van de ontvankelijke aanvraag de grenswaarde van het Natura 2000-gebied wordt overschreden.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.3, eerste lid, delen Gedeputeerde Staten bij een toestemmingsbesluit per PAS-programmaperiode niet meer dan 0,05 mol stikstof per hectare per jaar aan ontwikkelingsruimte toe uit segment 2 bij ontvankelijke aanvragen:

    • a.

      die vanaf 1 januari 2017 zijn ingediend; en

    • b.

      die betrekking hebben op een project of andere handeling, waarvan de stikstofdepositie betrekking heeft op een Natura 2000-gebied waarin een van de volgende habitattypen is aangewezen:

      • 1°.

        H7110A - actieve hoogvenen (hoogveenlandschap);

      • 2°.

        H7120ah/ZGH7120ah - herstellende hoogvenen (actief hoogveen);

      • 3°.

        H3110 - zeer zwakgebufferde vennen.

  • 3.

    Op de uitzonderingen, genoemd in het eerste en tweede lid, is artikel 1.3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op aanvragen ingediend voor 1 januari 2016, voor een toestemmingsbesluit met betrekking tot een project of andere handeling waarvoor Gedeputeerde Staten al ingestemd hebben met een verzoek om saldering op grond van:

    • a.

      de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant;

    • b.

      de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013.

Artikel 1.5 Uitzonderingsgevallen 16% ontwikkelingsruimte

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.3, derde en vierde lid, delen Gedeputeerde Staten, ook na het bereiken van de jaarlijkse grens van 16%, ontwikkelingsruimte toe aan projecten of andere handelingen voor zover het betreft:

    • a.

      een veehouderij, die op het moment van indienen van de volledige en ontvankelijke aanvraag voor een toestemmingsbesluit als geheel gemiddeld voldoet aan de vereisten als opgenomen in bijlage 2 behorende bij de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant zoals deze luidt op moment van de aanvraag voor een toestemmingsbesluit;

    • b.

      een project of andere handeling, gericht op het gebruik, uitvoeren, oprichten, hebben, instandhouden, onderhouden, wijzigen of verwijderen van de weg;

    • c.

      overige inrichtingen, waarbinnen extra maatregelen zijn genomen om de uitworp van stikstofverbindingen te reduceren;

    • d.

      aanvragen voor een toestemmingsbesluit met betrekking tot een project of andere handeling waarvoor Gedeputeerde Staten al ingestemd hebben met een verzoek om saldering op grond van:

      • 1°.

        de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant;

      • 2°.

        de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013.

  • 3.

    Bij het bepalen of voldaan is aan het eerste lid, onder a, worden nieuwe stallen, waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 1.4, eerste lid, onder a, b en c, van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant, dan wel een melding of salderingsverzoek als bedoeld in artikel 9.4 van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant, is ingediend op of na 21 oktober 2010, doch voor 1 juli 2015, niet meegerekend mits:

    • a.

      deze stallen feitelijk voldoen aan bijlage 1 van de Verordening Stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant, zoals deze bijlage luidde ten tijde van het indienen van die melding of dat salderingsverzoek, dan wel;

    • b.

      deze stallen feitelijk voldoen aan bijlage 2 van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013, zoals deze bijlage luidde ten tijde van het indienen van die aanvraag.

  • 4.

    Aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onder c, is voldaan, indien binnen de gehele inrichting in ieder geval alle energiebesparende maatregelen zijn genomen die een terugverdientijd hebben van 6 jaar of korter.

Artikel 1.6 Reikwijdte uitzonderingsgevallen

Het bepaalde in de artikelen 1.4 en 1.5 is van toepassing op projecten en andere handelingen in de provincie Noord-Brabant.

Artikel 1.7 Intrekken of wijzigen toestemmingsbesluit

Gedeputeerde Staten kunnen, indien het project of de andere handeling waarvoor ontwikkelingsruimte uit segment 2 is toegedeeld niet is gerealiseerd, onderscheidenlijk is verricht binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van het toestemmingsbesluit waarbij de ontwikkelingsruimte is toegedeeld, het door hen hiervoor vastgestelde toestemmingsbesluit, al dan niet gedeeltelijk, intrekken of wijzigen, of, indien het om een omgevingsvergunning gaat, burgemeester en wethouders verzoeken het toestemmingsbesluit, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, juncto artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht, al dan niet gedeeltelijk, in te trekken of wijzigen.

Artikel 1.8 Volgorde afhandeling toedeling

  • 1.

    Gedeputeerde Staten delen de ontwikkelingsruimte uit segment 2 toe op volgorde van ontvangst van de volledige en ontvankelijke aanvraag voor een toestemmingsbesluit.

  • 2.

    Bij binnenkomst via de post geldt het tijdstip van 12.00 uur.

Artikel 1.9 Hardheidsclausule

Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen deze paragraaf buiten toepassing laten of daarvan afwijken, wanneer onverkorte toepassing ervan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met deze paragraaf te dienen doelen.

 

§ 2 Gebiedsbescherming

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

  • a.

    gebied van communautair belang: gebied als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn;

  • b.

    Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 1.1,eerste lid van de wet;

  • c.

    PAS: programmatische aanpak stikstof

  • d.

    Habitatrichtlijn: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992, inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;

  • e.

    Vogelrichtlijn: Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009, inzake het behoud van de vogelstand;

  • f.

    wet: Wet natuurbescherming.

Artikel 2.2 Toepassing Europese referentiedata

Bij de beoordeling van een aanvraag voor een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, hanteren Gedeputeerde Staten referentiedata, indien het betreft:

  • a.

    niet stikstof gerelateerde onderdelen; of

  • b.

    stikstofeffecten op voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, die niet zijn opgenomen in de PAS.

Artikel 2.3 Referentiedata

Gedeputeerde Staten toetsen de gevallen, bedoeld in artikel 2.2, aan de volgende referentiedata:

  • a.

    voor gebieden ter uitvoering van de Habitatrichtlijn:

    • 1°.

      7 december 2004; of

    • 2°.

      de datum waarop het desbetreffende gebied door de Europese Commissie tot een gebied van communautair belang is verklaard, voor zover die verklaring heeft plaatsgevonden na 7 december 2004;

  • b.

    voor gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn:

    • 1°.

      10 juni 1994; of

    • 2°.

      de datum waarop het desbetreffende gebied is aangewezen, voor zover die aanwijzing heeft plaatsgevonden na 10 juni 1994.

       

§ 3 Ontheffing Tijdelijke Natuur

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    beschermde soorten: soorten als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5, 3.6 en 3.10 van de wet;

  • b.

    Tijdelijke Natuur: natuur die voor een beperkt aantal jaren ontwikkeld wordt op gronden die wachten op realisatie van bestemmingen zoals bedrijvigheid of wonen;

  • c.

    Wet: Wet natuurbescherming.

Artikel 3.2 Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op aanvragen om ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid en 3.10, tweede lid, van de wet, voor Tijdelijke Natuur.

Artikel 3.3 Voorwaarden Tijdelijke Natuur

Gedeputeerde Staten hanteren bij de beoordeling of er sprake is van Tijdelijke Natuur de volgende voorwaarden:

  • a.

    de uiteindelijke bestemming van het terrein ligt vast, dan wel de bestemming ervan is duidelijk;

  • b.

    die bestemming is nog niet gerealiseerd;

  • c.

    die bestemming is in de regel niet natuur;

  • d.

    er spontane, of op beperkte schaal geleide, natuurontwikkeling plaatsvindt tussen het moment dat vooraf ontheffing is verleend voor het ruimen van de beschermde soorten die zich mogelijk in het gebied zullen vestigen en het moment van daadwerkelijke realisatie van de uiteindelijke bestemming;

  • e.

    de natuur minimaal één jaar de tijd krijgt om zich te ontwikkelen; en

  • f.

    aan noodzakelijke compensatievoorwaarden is voldaan of juridisch afdoende is vastgelegd hoe dat zal gebeuren.

Artikel 3.4 Aanvrager

Gedeputeerde Staten passen deze paragraaf toe op aanvragen voor een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2 ingediend door:

  • a.

    een individuele grondeigenaar;

  • b.

    een groep van grondeigenaren.

Artikel 3.5 Beoordelingskader

Gedeputeerde Staten toetsen een aanvraag als bedoeld in artikel 3.2 in ieder geval aan de volgende vereisten:

  • a.

    een deugdelijke inventarisatie van de reeds in het gebied voorkomende beschermde soorten;

  • b.

    een garantie, dat aanvrager aan alle wettelijke verplichtingen betreffende die reeds aanwezige beschermde soorten zal voldoen, alsmede de concrete invulling hiervan inzichtelijk maakt.

Artikel 3.6 Looptijd

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verlenen de ontheffing, bedoeld in artikel 3.2, voor een looptijd van maximaal 10 jaar.

  • 2.

    De looptijd, bedoeld in het eerste lid, kan worden verlengd met maximaal 10 jaar.

Artikel 3.7 Voorwaarden verlenging

  • 1.

    Gedeputeerde Staten nemen een aanvraag voor verlenging van de looptijd, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, in behandeling indien deze uiterlijk 20 weken voor het aflopen van de looptijd is ingediend.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten beoordelen de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, op basis van een inventarisatie en monitoringsverslag van aanwezige soorten, die gedurende het jaar voorafgaand aan deze aanvraag, is uitgevoerd.

Artikel 3.8 Ontheffingsvoorschriften

Gedeputeerde Staten verbinden aan de ontheffing Tijdelijke Natuur in ieder geval de volgende voorschriften:

  • a.

    de realisatie van de uiteindelijke bestemming van het terrein en het ongedaan maken van de Tijdelijke Natuur, waarvoor een ontheffing is verleend, dient op zorgvuldige wijze plaats te vinden, zodanig dat schade aan planten en dieren redelijkerwijs zoveel mogelijk wordt voorkomen of tot een minimum wordt beperkt;

  • b.

    het ongedaan maken van de Tijdelijke Natuur vindt plaats onder begeleiding van een deskundig ecoloog op gebied van de soorten die zijn aangetroffen;

  • c.

    recreatie is toegestaan in het gebied waar de ontheffing betrekking op heeft, maar dit gebruik mag de biodiversiteit, en de ontwikkeling daarvan, niet in de weg staan.

 

§ 4 Tegemoetkoming faunaschade

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    aanvrager: de grondgebruiker die een aanvraag om tegemoetkoming indient;

  • b.

    bijproduct: producten die afkomstig zijn van het hoofdproduct;

  • c.

    hoofdproduct: alle gewassen die geen bijproduct zijn van het hoofdproduct;

  • d.

    kapitaalintensieve teelten: teelten van kwetsbare gewassen die meerdere jaren op een plek staan of hoge financiële opbrengsten per hectare opleveren;

  • e.

    kwetsbaar gewas: de onder ‘landbouw’ en ‘vollegrondsgroenteteelt’ beschreven teelten, met uitzondering van weide-, hooi- of graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is en granen en graszaad in de periode waarin het gewas afrijpt;

  • f.

    landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - en elke andere vorm van bodemcultuur hier te lande;

  • g.

    meldingsjaar: het jaar waarin een aanvrager een aanvraag om tegemoetkoming indient;

  • h.

    taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12;

  • i.

    vollegrondsgroenteteelt: de teelt in open grond van groentegewassen;

  • j.

    wet: Wet natuurbescherming.

Artikel 4.2 Taxatie van de schade

  • 1.

    De hoogte van de door één of meer natuurlijk in het wild levende, beschermde diersoorten aangerichte schade en de schadeveroorzakende diersoort wordt, zodra daaromtrent een definitief oordeel kan worden gegeven, door de taxateur vastgesteld.

  • 2.

    De taxateur stelt, met inachtneming van de door of namens Gedeputeerde Staten vastgestelde taxatierichtlijnen, van zijn bevindingen een rapport samen en ondertekent dat. De eindverantwoordelijke persoon van het bureau waarvoor de taxateur werkzaam is, parafeert het taxatierapport voor interne controle en zendt het taxatierapport aan Gedeputeerde Staten. Bij de eindtaxatie overhandigt de taxateur het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ aan de aanvrager of deponeert het bedoelde formulier in de brievenbus van de aanvrager of zendt dit per e-mail aan de aanvrager.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen de taxateur vragen de reactie van de aanvrager van commentaar te voorzien. In dat geval zendt de taxateur dat commentaar zo spoedig mogelijk naar Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten zenden een afschrift van dat commentaar aan de aanvrager.

Artikel 4.3 Beoordeling van de aanvraag om een tegemoetkoming

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verlenen uitsluitend een tegemoetkoming voor schade veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de wet, welke door vraat, graven, wroeten of vegen aan bedrijfsmatige landbouw is veroorzaakt.

  • 2.

    Uitsluitend aanvragers die hun hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van hun bestaan vinden of plegen te vinden in de landbouw, kunnen voor een tegemoetkoming in aanmerking komen. Wanneer een aanvrager verplicht is bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland een gecombineerde opgave te doen, is dat een aanwijzing dat hij zijn hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van zijn bestaan in de landbouw vindt of pleegt te vinden.

  • 3.

    De percelen waarop schade is aangericht, dient de aanvrager op titel van eigendom, (erf)pacht dan wel een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst in gebruik te hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en derde lid, komt schade aangericht door de wolf aan hobbymatig gehouden schapen en geiten ook in aanmerking voor een tegemoetkoming.

  • 5.

    Het tweede lid is niet van toepassing als het gaat om schade aangericht door de wolf mits de aanvrager een particulier is die geen onderneming drijft.

Artikel 4.4 Voorkomen en beperken van schade en tegemoetkoming

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verlenen slechts een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de wet indien en voor zover naar hun oordeel de aanvrager de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

  • 2.

    Maatregelen of inspanningen ter voorkoming of beperking van schade, waarvan Gedeputeerde Staten menen dat deze naar eisen van redelijkheid en billijkheid door de aanvrager kunnen worden genomen, zijn:

    • a.

      voor kwetsbare gewassen de inzet van zowel visuele als akoestische middelen in voldoende aantallen;

    • b.

      voor kapitaalintensieve teelten de inzet van een deugdelijk raster;

    • c.

      voor overige gewassen verjaging door menselijke aanwezigheid;

    • d.

      alternatieve middelen waarvan het gebruik vooraf schriftelijk aan Gedeputeerde Staten is voorgelegd en daarmee hebben ingestemd.

  • 3.

    Een tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de wet, veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende, beschermde diersoorten en waarvoor ingevolge de artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.17, eerste lid, van de wet een ontheffing kan worden verleend, wordt slechts toegekend indien:

    • a.

      de ontheffing tijdig op deugdelijke wijze is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door Gedeputeerde Staten is geweigerd;

    • b.

      de ontheffing of toestemming tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op de dag van schadeconstatering, is aangevraagd en nadat deze is verleend daarvan op adequate wijze gebruik is gemaakt, en desondanks, bedrijfsmatige schade aan gewassen, teelten of overige producten is opgetreden.

  • 4.

    Ter ondersteuning van de maatregelen, genoemd in het tweede lid, dient een ontheffing als bedoeld in het derde lid te worden aangevraagd.

Artikel 4.5 Hoogte tegemoetkoming

  • 1.

    De hoogte van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de wet wordt door Gedeputeerde Staten vastgesteld na kennisneming van het door de aanvrager ingezonden aanvraagformulier met bijlagen, het door de taxateur opgestelde taxatierapport eventueel voorzien van opmerkingen van de aanvrager en eventueel overige op de aanvraag betrekking hebbende stukken.

  • 2.

    Op de door de taxateur vastgestelde schade wordt een eigen risico ingehouden van 5%, met een minimum van € 250,00 per bedrijf per meldingsjaar.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid:

    • a.

      bedraagt het eigen risico 40% als het gaat om schade die is aangericht door vogels aan zacht fruit en pit- en steenvruchten;

    • b.

      wordt geen eigen risico ingehouden in de volgende gevallen:

      • 1°.

        de schade is aangericht in een ganzenrust- en foerageergebied in de periode dat de schadeveroorzakende diersoort niet mag worden verontrust en gedood;

      • 2°.

        de schade is aangericht door de wolf.

  • 5.

    In bijzondere gevallen kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat geen eigen risico wordt ingehouden.

  • 6.

    Voor gewassen, teelten, overige producten, of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, welke door de plaats, het moment of de wijze van telen of houden, bijzonder kwetsbaar zijn voor schade veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende, beschermde vogels of dieren, kunnen Gedeputeerde Staten een verhoogd eigen risico instellen.

  • 7.

    Tegemoetkomingen lager dan € 50,00 worden niet uitgekeerd.

Artikel 4.6 Gevallen waarin geen tegemoetkoming wordt verleend

  • Gedeputeerde Staten verlenen geen tegemoetkoming in de schade in de volgende gevallen:

    • a.

      de schade is aangericht door een natuurlijk in het wild levende, beschermde diersoort welke krachtens artikel 3.15, eerste lid van de wet bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen als soort welke in het gehele land schade veroorzaakt en voor het verontrusten en doden van de schadeveroorzakende diersoort een vrijstelling geldt;

    • b.

      de schade is aangericht door een in het wild levende, beschermde diersoort die krachtens de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant, op grond van artikel 3.15, derde lid, van de wet, is aangewezen als soort die schade veroorzaakt en voor het bestrijden van die soort een vrijstelling geldt, tenzij aan deze vrijstelling voorwaarden, beperkingen of clausules zijn verbonden waardoor de vrijstelling feitelijk gelijk gesteld moet worden aan een ontheffing verleend op basis van artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.17, eerste lid, van de wet;

    • c.

      de schade is aangericht door een natuurlijk in het wild levende, beschermde diersoort waarvoor Gedeputeerde Staten krachtens artikel 3.18 van de wet opdracht hebben gegeven om de omvang van de populatie van soorten te beperken;

    • d.

      de schade is aangericht door de huisspitsmuis, de mol, de bosmuis of de veldmuis en voor het verontrusten en doden van de schadeveroorzakende diersoort een vrijstelling geldt in verband met de bestrijding van schade aan landbouwgewassen;

    • e.

      de schade is veroorzaakt door diersoorten, genoemd in artikel 3.20, tweede lid, van de wet, waarop de jacht kan worden geopend, met uitzondering van de wilde eend buiten de periode waarop de jacht op deze diersoort is geopend;

    • f.

      de schade is veroorzaakt door een in het wild levende, beschermde diersoort waarvoor een ontheffing krachtens de artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid, of 3.17, eerste lid, van de wet is verleend, waarbij in de verleende ontheffing geen bepalingen zijn opgenomen die de schadebestrijding in de weg staan;

    • g.

      de schade is veroorzaakt door vogels aan bessen- en kleinfruitteelt, kersen, druiven of wijnbouw;

    • h.

      de schade is geleden op gronden welke zijn gelegen binnen de bebouwde kom;

    • i.

      de schade is geleden op gronden welke zijn gelegen binnen een straal van 500 meter van een vuilstortplaats, tenzij de schade is aangericht op gronden die zijn aangewezen als ganzenrustgebied door aangewezen soorten die in de periode dat de schade is veroorzaakt niet mochten worden verontrust en gedood;

    • j.

      de schade die is aangericht aan materialen, die worden aangewend voor het al dan niet tijdelijk afdekken van gewassen;

    • k.

      het risico van schade door een in het wild levende, beschermde diersoort verzekerbaar is bij ten minste twee in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen;

    • l.

      de schade is aangericht aan gewassen op gronden:

      • 1°.

        waarvoor met een publiekrechtelijke rechtspersoon of een bij koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie een pachtovereenkomst ingevolge artikel 7:388 BW tot verpachting binnen reservaten is afgesloten;

      • 2°.

        waarvoor een erfpachtovereenkomst of pachtovereenkomst is gesloten en aan deze gronden beperkingen in het landbouwkundig gebruik zijn verbonden of beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schadeveroorzakende diersoorten;

      • 3°.

        die feitelijk niet voor landbouwkundige doeleinden worden aangewend; of,

      • 4°.

        die een functie hebben als waterkering;

    • m.

      de schade is aangericht aan blijvend grasland in de maand oktober;

    • n.

      de schade is aangericht aan blijvend grasland in de periode 1 oktober tot en met 31 januari daaropvolgend en het grasgewas bestemd is voor beweiding met schapen;

    • o.

      de schade is aangericht aan knol-, bol- en wortelgewassen, die na 1 december van het teeltseizoen worden geoogst, met uitzondering van onderdekkersteelten en van bloembollen;

    • p.

      de schade is aangericht aan bijproducten van gewassen;

    • q.

      de schade is aangericht door een in het wild levende, beschermde diersoort aan bedrijfsmatig geteelde gewassen in een kas of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren in een stal;

    • r.

      de schade is aangericht aan gebouwen, installaties, bouwwerken, geoogste gewassen, opgeslagen voedergewassen of verpakte voedergewassen;

    • s.

      de schade is aangericht aan voertuigen, (lucht)vaartuigen of overige vervoermiddelen;

    • t.

      de schade niet meer door de taxateur kan worden getaxeerd, door handelingen of het nalaten daarvan door de aanvrager;

    • u.

      de aanvrager het beschadigde gewas niet meer zal oogsten;

    • v.

      de aanvrager het betreffende perceel niet meer in gebruik zal nemen;

    • w.

      de schade is veroorzaakt door een ziekte;

    • x.

      in andere gevallen als genoemd onder a tot en met w, indien Gedeputeerde Staten oordelen dat de schade redelijkerwijs ten laste van de grondgebruiker behoort te blijven.

§ 5 Houtopstanden

Artikel 5.1 Omrekenfactor herbeplanting

Gedeputeerde Staten hanteren bij de beoordeling van herbeplanting als bedoeld in artikel 8.6, onder a, van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant, als omrekenfactor van vlakbeplanting naar lijnbeplanting en omgekeerd, de norm dat 1 boom 64 m2 is.

Artikel 5.2 Ontheffing vellingstermijn

Gedeputeerde Staten verlenen ontheffing van de termijn, bedoeld in artikel 8.4 van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant, indien:

  • a.

    sprake is van omstandigheden die gelet op veiligheid of gezondheid een spoedige velling van een houtopstand noodzakelijk maken;

  • b.

    door natuurlijke omstandigheden, de velling niet binnen de vellingstermijn kon plaats vinden.

Artikel 5.3 Opleggen velverbod

Gedeputeerde Staten leggen een velverbod als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de Wet natuurbescherming, in ieder geval op indien:

  • a.

    de velling een bijzonder grote, aaneengesloten oppervlakte heeft;

  • b.

    het een velling betreft van zeer oude bomen;

  • c.

    door de velling de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de Wet natuurbescherming, voor dat gebied negatief beïnvloed kunnen worden.

 

§ 6 Faunabeheer

Artikel 6.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    FBE: faunabeheereenheid als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet;

  • b.

    faunabeheerplan: faunabeheerplan als bedoeld in artikel 1.1, van de wet;

  • c.

    oppervlaktewater: oppervlaktewateren die een minimale oppervlakte hebben van 5 hectare;

  • d.

    wet: Wet natuurbescherming;

  • e.

    wildbeheereenheden: wildbeheereenheden als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet.

Artikel 6.2 Ontheffing overlast- of schadeveroorzakende soorten Vogelrichtlijn

Gedeputeerde Staten verlenen, met het oog op de bestrijding van overlast- of schadeveroorzakende vogels, een ontheffing van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid en 3.4, eerste lid, van de wet, mits wordt voldaan aan de afwegingskaders en voorwaarden voor de soorten opgenomen in bijlage 1.

Artikel 6.3 Ontheffing overlast- of schadeveroorzakende soorten Habitatrichtlijn

Gedeputeerde Staten verlenen, met het oog op de bestrijding van overlast- of schadeveroorzakende strikt beschermde soorten, een ontheffing van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5, 3.6, tweede lid, en 3.9, eerste lid, van de wet, mits wordt voldaan aan de afwegingskaders en voorwaarden voor de soorten opgenomen in bijlage 2.

Artikel 6.4 Ontheffing overlast- of schadeveroorzakende andere soorten

Gedeputeerde Staten verlenen, met het oog op de bestrijding van overlast- of schadeveroorzakende nationaal beschermde soorten, een ontheffing van het verbod, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, mits wordt voldaan aan de afwegingskaders en voorwaarden voor de soorten opgenomen in bijlage 3.

Artikel 6.5 Ontheffing en opdracht voor populatiebeheer

Gedeputeerde Staten verlenen een ontheffing van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.4, eerste lid, 3.5, 3.6, tweede lid, 3.9, eerste lid, en 3.10, eerste lid, of geven een opdracht om, in afwijking van de artikelen 3.1, 3.4, eerste lid, 3.5, 3.9, eerste lid en 3.10, eerste lid, van de wet, de populatie van vogels of dieren te beperken, mits wordt voldaan aan de afwegingskaders en voorwaarden voor de soorten opgenomen in bijlagen 1,2 en 3.

 

Artikel 6.6 Loketfunctie faunabeheereenheid

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verlenen een ontheffing als bedoeld in de artikelen 6.2 tot en met 6.5, in principe aan de faunabeheereenheid.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten achten de noodzaak voor de tussenkomst van de faunabeheereenheid, bedoeld in het eerste lid, voor het verrichten van handelingen in ieder geval niet aanwezig in de volgende gevallen:

    • a.

      voor schade- of overlastbestrijding binnen de bebouwde kom of binnen gebouwen;

    • b.

      voor de bestrijding van overige schade, niet zijnde schade aan gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren;

    • c.

      voor onderzoek en onderwijs;

    • d.

      voor de opvang van inheemse dieren.

Artikel 6.7 Beslistermijnen

Gedeputeerde Staten nemen bij het beslissen op een aanvraag om ontheffing als bedoeld in de artikelen 6.2 tot en met 6.5, in afwijking van artikel 5.1 van de wet, de volgende termijnen in acht:

  • a.

    bij een ontheffing op voorhand geldt een termijn van acht weken;

  • b.

    bij een incidentele ontheffing geldt een beslistermijn van twintig werkdagen.

Artikel 6.8 Voorschrift ontheffing ivm sluiting jacht

Gedeputeerde Staten verbinden aan de te verlenen ontheffing het voorschrift dat bij sluiting van de jacht tegelijk de ontheffing kan worden opgeschort voor die soorten waarvan zij van mening zijn dat de instandhouding in gevaar is als gevolg van de bijzondere weersomstandigheden.

Artikel 6.9 Goedkeuring faunabeheerplan

Gedeputeerde Staten verlenen goedkeuring aan het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, van de wet, mits het plan voldoet aan:

  • a.

    de Wet natuurbescherming;

  • b.

    de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant;

  • c.

    de voorwaarden en uitgangspunten zoals deze zijn vastgelegd in de Nota faunabeheer Noord-Brabant.

Artikel 6.10 Sluiting van de jacht bij winterse omstandigheden

  • 1.

    Gedeputeerde Staten besluiten tot sluiting van de jacht op:

    • a.

      alle wildsoorten indien sprake is van:

      • 1°.

        sneeuwbedekking voor meer dan 90%, langer dan eenentwintig dagen;

      • 2°.

        bevroren sneeuw voor meer dan 90%, langer dan zeven dagen;

      • 3°.

        ijzel op sneeuw voor meer dan 90%, langer dan zeven dagen;

    • b.

      de wilde eend indien sprake is van ijsbedekking op open water, rivieren, sloten en kanalen, voor meer dan 50% en langer dan zeven dagen.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, kunnen Gedeputeerde Staten ook andere omstandigheden, zoals de aanwezigheid en bereikbaarheid van voedsel bij haar besluit betrekken.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten sluiten de jacht, bedoeld in het eerste lid, voor de gehele provincie of een deel daarvan en sluiten daarbij zoveel mogelijk aan bij de grenzen van de wildbeheereenheden.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten nemen in het besluit, bedoeld in het eerste lid, op of er nog gebruik kan worden gemaakt van de provinciale vrijstelling en verleende ontheffingen.

  • 5.

    Voordat Gedeputeerde Staten een besluit als bedoeld in het eerste lid nemen, wordt advies gevraagd aan de FBE en eventueel andere, onafhankelijke, instanties.

Artikel 6.11 Sluiting van de jacht bij langdurige warmte

  • 1.

    Gedeputeerde Staten besluiten tot sluiting van de jacht indien de luchttemperatuur voor ten minste meer dan zeven achtereenvolgende dagen elke dag 25 graden of hoger is.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten sluiten de jacht, bedoeld in het eerste lid, alleen in delen van de provincie waar het risico op optreden of verspreiden van botulisme hoog is vanwege hoge temperaturen van het oppervlaktewater van 20° Celsius of warmer.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten nemen in het besluit, bedoeld in het eerste lid, op of er nog gebruik kan worden gemaakt van de provinciale vrijstelling en verleende ontheffingen.

  • 4.

    Voordat Gedeputeerde Staten een besluit als bedoeld in het eerste lid nemen, wordt advies gevraagd aan de FBE en eventueel andere, onafhankelijke, instanties.

Artikel 6.12 Intrekking beluit sluiting jacht

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen het besluit tot sluiting van de jacht intrekken.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten vragen voordat zij een besluit als bedoeld in het eerste lid nemen, advies aan de FBE en eventueel andere, onafhankelijke, instanties.

§ 7 Opvang van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten

Artikel 7.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    opvangcentrum: een rechtspersoon waartoe één of meer opvanginrichtingen behoren;

  • b.

    opvanginrichting: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes, bestemd voor het ten behoeve van opvang houden van gewonde, zieke, gevonden of afgestane beschermde diersoorten die van nature in Nederland voorkomen;

  • c.

    van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort: diersoort als bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, van de wet;

  • d.

    wet: Wet natuurbescherming.

Artikel 7.2 Toepassingsbereik

Deze beleidsregel geldt voor het verlenen van een ontheffing aan opvangcentra van de artikelen 3.1, eerste lid, 3.2, zesde lid, 3.4, eerste lid, 3.5, eerste lid, 3.6, tweede lid en 3.10, eerste lid, onder a, van de wet.

Artikel 7.3  

Een ontheffing als bedoeld in artikel 7.2 wordt slechts verleend indien:

  • a.

    het opvangcentrum van een vereniging of stichting is;

  • b.

    de doelstelling in de statuten van de stichting of de vereniging waarvan het opvangcentrum is, overeenkomt met de doelstelling, opgenomen in artikel 2 van bijlage 4 behorende bij deze beleidsregel;

  • c.

    het opvangcentrum beschikt over een vakbekwaam dierverzorger;

  • d.

    het opvangcentrum een register voert overeenkomstig artikel 4.9 van het Besluit houders van dieren.

Artikel 7.4  

Aan een ontheffing als bedoeld in artikel 7.2 wordt het handelen overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in bijlage 4 behorende bij deze beleidsregel, als voorschrift verbonden.

Artikel 7.5  

  • 1.

    Aan opvangcentra voor de opvang van dieren verleende ontheffingen voor bepaalde tijd, op grond van de Flora- en faunawet en de Wet Dieren, blijven van toepassing voor de periode waarvoor de ontheffing geldt.

  • 2.

    Aan opvangcentra voor de opvang van dieren verleende ontheffingen voor onbepaalde tijd, op grond van de Flora- en faunawet en de Wet Dieren, blijven van toepassing tot 1 januari 2019.

§ 8 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 8.1 Intrekking

De volgende beleidsregels worden ingetrokken:

  • a.

    Beleidsregel Natuurbeschermingswet 1998 beregenen uit grondwater;

  • b.

    Beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte PAS segment 2 Noord-Brabant;

  • c.

    Beleidsregel stikstof en beschermde natuurmonumenten Noord-Brabant.

Artikel 8.2 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2017.

Artikel 8.3 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant.

 

’s-Hertogenbosch, 20 december 2016

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris

mw. ir. A.M. Burger

Bijlage 1 behorende bij Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant

Afwegingskaders en voorwaarden beheer soorten Vogelrichtlijn

Bijlage 2 behorende bij de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant

Afwegingskaders en voorwaarden beheer soorten Habitatrichtlijn

Bijlage 3 behorende bij de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant

Afwegingskaders en voorwaarden beheer andere soorten

Bijlage 4 behorende bij Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant

Protocol opvang van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten

 

Paragraaf 1. Algemeen

 

Artikel 1. Definities

In deze bijlage wordt verstaan onder:

 

Artikel 2. Doelstellingen

  • 1.

    Het opvangcentrum heeft in ieder geval als doel:

    • a.

      dieren behorend tot een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort, die door ziekte, verwonding, verwezing, of door direct of indirect menselijk handelen of nalaten tijdelijk niet zelfstandig in de vrije natuur kunnen overleven, tijdelijk op te vangen, te verzorgen en te revalideren; en,

    • b.

      dieren zo spoedig mogelijk naar de natuur te laten terugkeren.

  • 2.

    De opvang is zodanig dat een dier zoveel mogelijk zijn soorteigen gedrag kan blijven vertonen.

  • 3.

    Het opvangcentrum heeft mede als doel om, waar mogelijk voorlichting te geven over de wilde flora en fauna en draagt actief uit, in het bijzonder aan personen die een dier ter opvang aanbieden, dat de wilde inheemse flora en fauna en de natuurlijke processen die daarbij horen, niet verstoord mogen worden en dat het houden van de desbetreffende diersoort op een verantwoorde wijze dient te gebeuren dan wel wordt ontmoedigd.

 

Artikel 3. Beperking activiteiten

  • 1.

    Het opvangcentrum beperkt zich in zijn activiteiten tot datgene wat nodig is voor het bereiken van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2.

  • 2.

    Met de opgevangen dieren vinden in het opvangcentrum geen commerciële activiteiten plaats, waaronder zijn begrepen het tentoonstellen van opgevangen dieren voor zover dit in tegenspraak is met de doelstellingen, bedoeld in artikel 2, het verkopen, verhuren, verhandelen of uitlenen van opgevangen dieren.

  • 3.

    Het opvangcentrum rondt het opvangproces af van de aan zijn zorgen toevertrouwde dieren met inachtneming van de, voor elke soortgroep apart vastgestelde, maximale duur in het opvangcentrum.

  • 4.

    Indien in het opvangcentrum andere dieren dan uit de vrije natuur afkomstige dieren van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten aanwezig zijn, wordt de huisvesting van de eerstgenoemde dieren strikt gescheiden gehouden van de andere dieren in de faciliteiten van het opvangcentrum.

 

Artikel 4. Handelwijze

  • 1.

    Het bestuur legt schriftelijk het beleid of de handelwijze ten aanzien van de volgende onderwerpen vast:

    • a.

      opvang, specialisatie van het opvangcentrum in een diersoort of diersoorten of soortgroepen, opname en acceptatie;

    • b.

      huisvesting en verzorging;

    • c.

      ontsnapping van dieren;

    • d.

      voeding;

    • e.

      hygiëne;

    • f.

      zoönosen;

    • g.

      maatregelen ter voorkoming van ongewenste zwangerschappen van opgevangen dieren;

    • h.

      veterinaire zorg;

    • i.

      structurele oplossingen voor opgevangen dieren, in voorkomend geval met bijbehorende contracten en hoe hiermee gewerkt wordt;

    • j.

      terugzetten van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten in de natuur;

    • k.

      doden van opgevangen dieren;

    • l.

      kwalificaties van medewerkers;

    • m.

      veiligheid van medewerkers en dieren en openbare veiligheid;

    • n.

      organisatorische continuïteit;

    • o.

      bezoekers; en,

    • p.

      register als bedoeld in artikel 36.

  • 2.

    Het bestuur, de beheerder en de medewerkers van het opvangcentrum handelen conform de vastgestelde handelwijze, bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    In geval van opheffing van het opvangcentrum draagt de vereffenaar of de curator het eigendom van op grond van artikel 28 bij particulieren geplaatste dieren over aan een ander opvangcentrum.

     

Artikel 5. Bereikbaarheid

  • 1.

    Het opvangcentrum streeft naar een permanente telefonische bereikbaarheid.

  • 2.

    Het opvangcentrum zorgt er ten minste voor dat:

    • a.

      het permanent telefonisch bereikbaar is voor andere opvangcentra, dierenambulances, politie, brandweer, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Landelijke Inspectiedienst en andere bevoegde opsporingsinstanties;

    • b.

      het publiek permanent informatie kan verkrijgen, inclusief over de handelwijze ten opzichte van op te vangen dieren buiten openingstijden van het opvangcentrum.

 

Artikel 6. Samenwerking andere opvangcentra

  • 1.

    Het opvangcentrum werkt constructief samen met andere opvangcentra samen ten einde kennis en kunde te vergroten en de best denkbare structurele oplossing voor het opgevangen dier te bewerkstelligen. Het opvangcentrum doet dit door gevraagd en ongevraagd informatie, kennis en kunde te delen met andere opvangcentra.

  • 2.

    Het opvangcentrum helpt andere opvangcentra in het kader van het bepaalde in artikel 7, tweede lid en artikel 8, tweede lid.

 

Paragraaf 2. Opvang, specialisatie van het opvangcentrum in een diersoort of diersoorten of soortgroepen, opname en acceptatie

 

Artikel 7. Opvangbeleid

  • 1.

    Als onderdeel van het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, stelt het bestuur van het opvangcentrum vast welke diersoort, diersoorten of soortgroepen opgevangen worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de aantoonbare expertise van de medewerkers en de mogelijkheden die de middelen en de locatie van het opvangcentrum met zich brengen.

  • 2.

    Het opvangcentrum verwijst dieren behorend tot soorten of soortgroepen die krachtens het beleid ten aanzien van opvang, bedoeld in het eerste lid, niet worden opgevangen door naar een opvangcentrum dat over de noodzakelijke ontheffingen beschikt.

 

Artikel 8. Opname en acceptatie

  • 1.

    Een ter opvang aangeboden dier wordt geweigerd, indien:

    • a.

      het opvangcentrum het dier niet de minimaal benodigde zorg kan bieden;

    • b.

      het opvangcentrum een gebrek aan ruimte, personele capaciteit of financiële middelen heeft;

    • c.

      het dier een risico oplevert voor de aanwezige dieren;

    • d.

      de aanwezige dieren een risico vormen voor het nieuwe dier; of,

    • e.

      het dier een risico oplevert voor de medewerkers in het opvangcentrum.

  • 2.

    Indien een ter opvang aangeboden dier wordt geweigerd, onderzoekt het opvangcentrum of het dier elders kan en mag worden geplaatst.

  • 3.

    Indien niet ingevolge het eerste of tweede lid kan worden geplaatst, wordt het dier gedood, overeenkomstig het bepaalde in artikel 30.

 

Paragraaf 3. Huisvesting en verzorging

 

Artikel 9. Opvanginrichting

  • 1.

    Indien een opvangcentrum over meerdere opvanginrichtingen beschikt, wordt per opvanginrichting een apart register, bedoeld in artikel 36, bijgehouden.

  • 2.

    Een opvanginrichting voldoet aan de artikelen 10 en 11.

  • 3.

    Een opvanginrichting beschikt over een noodplan met betrekking tot de ontsnapping van dieren.

 

Artikel 10. Verblijven

  • 1.

    Artikel 3.12, eerste lid, van het Besluit houders van dieren is van toepassing, met dien verstande dat ‘gezelschapsdier’ wordt vervangen door ‘dier behorend tot een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort’.

  • 2.

    De beschrijving, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bevat een op de soort toegespitste omschrijving van hetgeen als een geschikt verblijf wordt gezien, waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met:

    • a.

      het soorteigen gedrag van de diersoorten;

    • b.

      de bewegingsvrijheid van de dieren;

    • c.

      de (sociale) levenswijze van de dieren, rekening houdend met de mogelijkheden van het individuele dier;

    • d.

      de behoefte van het individuele dier in de verschillende fasen van het proces tot herstel wanneer het gaat om een lichamelijk of psychisch ziek of gewond dier.

 

Artikel 11. Aanwezige ruimten

  • 1.

    Artikel 3.13 van het Besluit houders van dieren is van toepassing, met dien verstande dat ‘gezelschapsdier’ wordt vervangen door ‘dier behorend tot een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort’.

  • 2.

    Diergeneesmiddelen worden bewaard in een speciaal daarvoor bestemde en afsluitbare bewaarmogelijkheid.

 

Artikel 12. Huisvesting

De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bevat een op de soort toegepaste omschrijving van hetgeen als passende huisvesting en verzorging wordt gezien, waarbij rekening wordt gehouden met:

  • a.

    de eis dat opgevangen dieren die een roofdier-prooi relatie hebben, elkaar niet kunnen waarnemen; en,

  • b.

    in afwijking van a geldt dat voor vogels met een roofdier-prooidier relatie uitsluiten van visueel contact voldoende is.

 

Artikel 13. Voeding

  • 1.

    De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel d, bevat een op de soort toegespitste omschrijving van hetgeen als passende voeding wordt gezien, waarbij rekening wordt gehouden met:

    • a.

      de natuurlijke voedingsbehoefte van de diersoorten en hoe deze zich verhoudt tot de aangeboden voedingstoffen;

    • b.

      afstemming van de wijze van frequentie van voedselaanbieding aan het natuurlijke gedrag van de diersoorten en die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier;

    • c.

      afstemming van de wijze van het aanbieden van water aan het natuurlijke gedrag van de diersoort; en,

    • d.

      het gebruik van levend voer, indien dit voor de verzorging van de betreffende diersoort noodzakelijk is.

  • 2.

    Opgevangen dieren worden niet als voer voor andere dieren gebruikt.

  • 3.

    De voedingsmiddelen die nodig zijn voor de bereiding van het dieet van de opgevangen dieren, zijn kwalitatief goed en worden onder hygiënische omstandigheden opgeslagen.

 

Artikel 14. Hygiëne

  • 1.

    De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel e, bevat instructies over het schoonmaken van de verblijven van de dieren.

  • 2.

    In de handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel e, komt in ieder geval het volgende aan de orde:

    • a.

      hoe gehandeld wordt als een verblijf leeg komt;

    • b.

      hoe omgegaan wordt met het voorkomen van verspreiding van smetstoffen tussen de afzonderlijke ruimten;

    • c.

      hoe gehandeld wordt als een besmettelijke ziekte is geconstateerd bij een ziek of overleden dier;

    • d.

      hoe om te gaan met de bestrijding van ongedierte;

    • e.

      hoe de medewerkers of bezoekers van een opvangcentrum zich aan hygiëne bepalingen houden.

 

Artikel 15. Zoönosen

  • 1.

    In de handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel f, staat beschreven welke zoönosen kunnen voorkomen bij de diersoort vermeld in artikel 7, eerste lid, in het opvangcentrum.

  • 2.

    Hierbij dient ten minste opgenomen te zijn:

    • a.

      een beschrijving van de zoönosen;

    • b.

      hoe deze herkend, vastgesteld of uitgesloten kunnen worden;

    • c.

      welke maatregelen getroffen worden als een zoönose geconstateerd wordt;

    • d.

      welke maatregelen een medewerker kan nemen om zich te beschermen tegen zoönosen.

 

Artikel 16. Voorkomen voortplanting

  • 1.

    Het opvangcentrum past het in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel g, beschreven beleid toe om zwangerschappen te voorkomen.

  • 2.

    Het onder het eerste lid gestelde gebod is niet van toepassing indien het dier ingezet wordt voor het onder artikel 22, tweede lid, onderdeel c, genoemd internationaal fokprogramma.

  • 3.

    Het opvangcentrum houdt een administratie in het register, bedoeld in artikel 36, bij van geboortes die ondanks de genomen maatregelen toch hebben plaatsgevonden.

 

Artikel 17. Veterinaire zorg

  • 1.

    In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel h, wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende onderwerpen:

    • a.

      op welke wijze de toegang tot veterinaire zorg is verzekerd;

    • b.

      hoe het onderzoek, bedoeld in artikel 18, van binnengebrachte dieren plaatsvindt.

    • c.

      Het opvangcentrum streeft ernaar de veterinaire zorg van de opgevangen dieren zoveel mogelijk bij één vaste dierenarts te laten berusten.

 

Artikel 18. Beoordeling binnengebracht dier

  • 1.

    Een daarvoor aangewezen vakbekwaam persoon beoordeelt ieder binnengebracht dier en stelt vast of onderzoek door een dierenarts noodzakelijk is.

  • 2.

    Indien het in het eerste lid genoemde dier verwond, getraumatiseerd of verweesd is, wordt contact opgenomen met een dierenarts en indien noodzakelijk met een op de soort toegespitste gedragsdeskundige.

  • 3.

    De beoordeling vindt onmiddellijk plaats aan de hand van het afwegingskader, genoemd in artikel 29, waarbij inzicht wordt gegeven in de structurele oplossing voor het dier.

  • 4.

    Van het genoemde in het eerste, tweede en derde lid, wordt door een medewerker schriftelijk verslag gedaan in het register en het logboek, bedoeld in de artikelen 36 en 37.

 

Artikel 19. Controle

  • 1.

    De gezondheid, algehele conditie, voedselopname en ontlasting van alle dieren worden dagelijks gecontroleerd door een van de vaste medewerkers van het opvangcentrum.

  • 2.

    De bevindingen worden door hen vastgelegd in een logboek als bedoeld in artikel 37 en, in het geval dat een medische behandeling wordt gestart, ook in de administratie, bedoeld in artikel 36.

  • 3.

    Dieren waarbij tijdens de dagelijkse inspectie, bedoeld in het eerste lid, afwijkingen worden geconstateerd, worden door de medewerkers van het opvangcentrum gemeld bij de beheerder, bedoeld in artikel 32, eerste lid.

  • 4.

    Indien noodzakelijk, schakelt de beheerder een dierenarts in.

 

Artikel 20. Verdenking aangifteplichtige dierziekten

  • 1.

    Het opvangcentrum let op verschijnselen die kunnen wijzen op een besmetting met een aangifteplichtige dierziekte.

  • 2.

    Het opvangcentrum geeft bij de verschijnselen, bedoeld in het eerste lid, terstond kennis aan een ambtenaar als bedoeld in 114, tweede lid, Gezondheids- en welzijnswet voor dieren conform artikel 19 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

 

Paragraaf 4. Structurele oplossingen

 

Artikel 21. Duur verblijf per soort

  • 1.

    De in artikel 3, derde lid, bedoelde maximale duur is voor:

    • a.

      vogels en overige zoogdieren: twaalf maanden;

    • b.

      marterachtigen en vossen: negen maanden;

    • c.

      hoefdieren, wilde zwijnen en herpetofauna: zes maanden.

  • 2.

    Indien een dier langer dan maximale duur in het opvangcentrum verblijft, wordt een met argumenten onderbouwd behandelplan opgenomen in het register, bedoeld in artikel 36, inclusief een verwachte datum van loslaten, indien van toepassing.

 

Artikel 22. Structurele oplossingen

  • 1.

    Het opvangcentrum vindt zo spoedig mogelijk een structurele oplossing voor het opgevangen dier.

  • 2.

    Onder een structurele oplossing worden de volgende oplossingen verstaan:

    • a.

      het dier in vrijheid stellen in het land van oorsprong, indien sprake is van een uit de vrije natuur gehaalde niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort;

    • b.

      het dier in vrijheid stellen in Nederland, indien sprake is van opvang van een uit de vrije natuur afkomstig van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort;

    • c.

      het dier inzetten voor een internationaal fokprogramma;

    • d.

      het dier inzetten in een instelling voor educatieve doeleinden;

    • e.

      het dier inzetten voor wetenschap bij een erkende instelling;

    • f.

      het dier inzetten voor het herstel van opgevangen soortgenoten;

    • g.

      het dier levenslang onder de juiste omstandigheden in opvang houden; en,

    • h.

      het doden van het dier.

  • 3.

    Indien de structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, onderdelen a en b, niet kan worden toegepast, wordt gekozen voor de structurele oplossingen, genoemd in het tweede lid, onderdelen c tot en met f. Indien de oplossingen, genoemd in het tweede lid, onderdelen a tot en met f, niet kunnen worden toegepast, wordt gekozen voor een structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, onderdeel g en h.

  • 4.

    Het in het tweede lid, onderdeel h, bedoelde doden wordt uitgevoerd volgens de bepalingen genoemd in artikel 30.

  • 5.

    Voor iedere structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, dient het welzijn van het desbetreffende dier van doorslaggevende betekenis te zijn.

 

Artikel 23. In vrijheid stellen van dieren behorende tot uit de natuur afkomstige vannature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten

  • 1.

    Indien mogelijk wordt een dier van een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort op de plaats waar het is aangetroffen behandeld en direct losgelaten.

  • 2.

    Het in vrijheid stellen van dieren gebeurt alleen op een plek waar de soort al van nature voorkomt.

  • 3.

    Het in vrijheid stellen vindt plaats op de vindplaats, of, indien dit niet mogelijk is, in een geschikt natuurlijk habitat nabij de vindplaats.

  • 4.

    In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel j, komen ten minste de volgende onderwerpen aan de orde:

    • a.

      criteria op basis waarvan besloten wordt of een dier voldoende hersteld is om in vrijheid gesteld te worden;

    • b.

      criteria op basis waarvan bepaald wordt waar een dier in vrijheid wordt gesteld;

    • c.

      criteria op basis waarvan bepaald wordt wanneer een dier in vrijheid wordt gesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met een voor de diersoort geschikte tijd, bijvoorbeeld in verband met winterslaap, rui, of vogeltrek, territoriaal gedrag; en,

    • d.

      criteria op basis waarvan besloten kan worden dat het dier kan overleven in de vrije natuur.

  • 5.

    De beheerder, bedoeld in artikel 32, is bevoegd te besluiten over het al dan niet in vrijheid stellen van dieren.

 

Artikel 24. Uitwenverblijf voor uit de vrije natuur afkomstige dieren van van nature inNederland voorkomende beschermde diersoorten

  • 1.

    Als onderdeel van het in vrijheid stellen van herstelde dieren kan het opvangcentrum gebruik maken van één of enkele uitwenverblijven die buiten de opvanginrichting of opvanginrichtingen liggen.

  • 2.

    Het opvangcentrum zorgt ervoor dat:

    • a.

      het uitwenverblijf zich bevindt in de natuurlijke habitat van het dier; en,

    • b.

      het uitwenverblijf voldoet aan de bepalingen van artikel 10.

  • 3.

    Alleen dieren waar de verzorging bestaat uit het aanbieden van voedsel en water worden in uitwenverblijven geplaatst.

  • 4.

    De verzorging in het uitwenverblijf wordt gegeven door medewerkers van het opvangcentrum.

  • 5.

    De periode dat een dier in een gesloten uitwenverblijf is gehuisvest, valt binnen de maximale duur van de opvang, genoemd in artikel 21, tweede lid.

  • 6.

    De criteria en procedures voor de locatie, constructie en inrichting van het gebruik van het uitwenverblijf en de criteria op basis waarvan bepaald wordt of een dier in een uitwenverblijf geplaatst wordt, maken onderdeel uit van het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel j.

  • 7.

    In het register, bedoeld in artikel 36, wordt bijgehouden welke dieren in welk uitwenverblijf gehuisvest zijn.

 

Artikel 25. Internationaal fokprogramma

  • 1.

    Een dier kan ingezet worden voor een internationaal fokprogramma als:

    • a.

      de diersoort bedreigd is; en,

    • b.

      de leeftijd en gezondheid van het dier dit toestaat.

  • 2.

    Indien een dier gebruikt wordt voor een internationaal fokprogramma, kan het dier overgedragen worden of onder het opvangcentrum blijven.

  • 3.

    Indien verplaatsing noodzakelijk is wordt dit opgenomen in het register, bedoeld in artikel 36.

 

Artikel 26. Educatieve of wetenschappelijke doeleinden

  • 1.

    Een dier kan ingezet worden voor educatieve of wetenschappelijke doeleinden bij andere hiertoe erkende organisaties.

  • 2.

    Het opvangcentrum stelt in een geval als bedoeld in het eerste lid een contract met de erkende organisatie op, waarin in ieder geval staat beschreven wie de houder van het dier wordt en welke verantwoordelijkheden elke partij heeft.

 

Artikel 27. Dier inzetten voor herstel van soortgenoten

  • 1.

    Het opgevangen dier kan in het opvangcentrum blijven indien dit dier een belangrijke rol vervult in een of meer concrete gevallen van het herstel van opgevangen soortgenoten, die anders geen redelijke kans op succesvol herstel hebben.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde opvang voor het herstel van soortgenoten, kan alleen worden uitgevoerd zolang in redelijkheid mag worden aangenomen dat het dier in gevangenschap niet lijdt.

 

Artikel 28. Onderbrengen bij particulieren

  • 1.

    Een dier mag bij een particulier ondergebracht worden indien:

    • a.

      de particulier beschikt over de noodzakelijke ontheffingen;

    • b.

      het dier tot een diersoort behoort die geschikt is om in een particuliere situatie te houden;

    • c.

      het welzijn van het dier dit toelaat;

    • d.

      de particuliere houder een geschikt verblijf en expertise heeft om dit dier te houden;

    • e.

      het dier in principe gedurende zijn hele leven bij de particuliere houder kan blijven; en,

    • f.

      het verblijf waar het dier wordt ondergebracht voldoet aan de in artikel 10, tweede lid, gestelde voorwaarden.

  • 2.

    Gedurende het hele leven van het dier blijft het opvangcentrum de eigenaar van het dier.

  • 3.

    Indien de particuliere houder niet meer voor het dier kan zorgen, wordt het dier teruggebracht naar de eigenaar.

  • 4.

    Het dier mag niet door de particulier worden verkocht, verhuurd, tentoongesteld, al dan niet tijdelijk uitgeleend of gebruikt bij evenementen.

  • 5.

    Het opvangcentrum stelt een contract op waarin wordt opgenomen dat:

    • a.

      het genoemde in het eerste tot en met het vierde lid deel uitmaakt van het contract;

    • b.

      het niet is toegestaan met het dier te fokken; en,

    • c.

      bij overlijden van het dier de particulier dit meldt aan het opvangcentrum.

  • 6.

    Het onderbrengen bij particulieren is niet toegestaan indien het een dier betreft behorende tot een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort afkomstig uit de vrije natuur.

 

Artikel 29. Afwegingskader met betrekking tot de keuze voor een structurele oplossing

Ieder opvangcentrum stelt een afwegingskader vast met betrekking tot de keuze voor een structurele oplossing voor een dier. In het afwegingskader dient bij de keuze rekening te worden gehouden met de artikelen 25 tot en met 30. Dit kader wordt vastgelegd in het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel i.

 

Paragraaf 5. Doden

 

Artikel 30. Doden

  • 1.

    Een dier wordt gedood overeenkomstig paragraaf 1.3 van het Besluit houders van dieren, indien voor het dier geen andere structurele oplossing kan worden gevonden.

  • 2.

    Het dier wordt na verdoving door een bekwaam en daartoe bevoegd persoon gedood.

  • 3.

    De beheerder, bedoeld in artikel 32, eerste lid, en de dierenarts stellen een handelwijze vast als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel k, voor het doden van opgevangen dieren.

  • 4.

    Een besluit om een dier te doden is altijd gebaseerd op het door het bestuur vastgestelde beleid en wordt in overleg met de dierenarts of de persoon, bedoeld in artikel 33, eerste lid, genomen.

 

Artikel 31. Overleden dier

  • 1.

    Indien een dier komt te overlijden, wordt de vermoedelijke doodsoorzaak door een vakbekwaam dierverzorger ingeschat of, als daar naar zijn of haar oordeel aanleiding toe bestaat, door een dierenarts vastgesteld.

  • 2.

    Een in het opvangcentrum gedood of gestorven dier dat geen productiedier is wordt vernietigd, of ter beschikking gesteld aan:

    • a.

      een door of namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan te wijzen wetenschappelijk instituut; of,

    • b.

      een museum, educatieve instelling, bezoekerscentrum of schoolbiologische dienst die over een daartoe strekkende ontheffing beschikt.

  • 3.

    Een overleden dier als bedoeld in het eerste lid waar de doodsoorzaak niet van bekend is, en waar de bepaling van de oorzaak van belang kan zijn voor het opsporen van vergiftigingen, of een dier dat is gestorven aan een onnatuurlijke doodsoorzaak, wordt uitsluitend aangeboden aan opsporingsambtenaren van de politie, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of andere bevoegde instanties.

 

Paragraaf 6. Medewerkers

 

Artikel 32. Beheerder

  • 1.

    Het bestuur van het opvangcentrum benoemt een of meer natuurlijk personen tot beheerder van een opvanginrichting. Een beheerder is belast met de dagelijkse leiding van de opvanginrichting.

  • 2.

    De taken en bevoegdheden van de beheerder worden vastgesteld in het beleid betreffende het personeel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel l.

 

Artikel 33. Medewerkers

  • 1.

    Het opvangcentrum beschikt ten minste over één vaste, al dan niet vrijwillige, vakbekwame dierverzorger.

  • 2.

    De persoon, bedoeld in het eerste lid, kan tevens de beheerder, bedoeld in artikel 32, eerste lid, zijn.

  • 3.

    De persoon, bedoeld in het eerste lid, is in ieder geval vakbekwaam als hij voldoet aan de in artikel 3.11 van het Besluit houders van dieren gestelde eisen, met dien verstande dat indien geen deelkwalificatie beschikbaar is voor de betreffende soort, volstaan kan worden met de deelkwalificaties die wel van toepassing kunnen zijn op de op te vangen soort.

  • 4.

    De persoon, bedoeld in het eerste lid, is vakbekwaam met betrekking tot niet als gezelschapsdier gehouden dieren van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten als hij kan aantonen dat hij ten minste de afgelopen drie jaar ervaring heeft opgedaan in het huisvesten en verzorgen van de specifieke categorie van dieren waarvoor de aanvrager ontheffing aanvraagt, en hij daartoe minimaal twee positieve referenties van deskundig te achten personen kan overleggen.

  • 5.

    In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel l, wordt ingegaan op:

    • a.

      het aantal verzorgende medewerkers in relatie tot het aantal te verzorgen dieren;

    • b.

      de vereiste intensiteit, de aanwezigheid van ondersteunende medewerkers en overleg tussen medewerkers; en,

    • c.

      de taken, tijdsbesteding, verantwoordelijkheden en bevoegdheden, positie, eventuele vergoedingen en opleidingsmogelijkheden voor vrijwillige en betaalde medewerkers.

 

Artikel 34. Operationele continuïteit

In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel n, wordt vastgelegd hoe de operationele continuïteit wordt gewaarborgd. Daartoe behoren ten minste voorzieningen in geval dat essentiële medewerkers, zoals de beheerder, niet beschikbaar zijn.

 

Paragraaf 7. Bezoekers

 

Artikel 35. Bezoekers

  • 1.

    Het opvangcentrum kan bezoekers toelaten, mits de bezoekers het herstel van zieke en gewonden dieren en de structurele oplossingen voor de opgevangen dieren niet belemmeren of vertragen, zodat voldaan wordt aan de doelstelling, bedoeld in artikel 2.

  • 2.

    Het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel o, beschrijft maatregelen die het gestelde in het eerste lid waarborgen, waarbij ten minste wordt ingegaan op de volgende punten:

    • a.

      de ruimte waar bezoekers niet mogen komen;

    • b.

      fysiek contact tussen bezoekers en opgevangen dieren;

    • c.

      de mogelijkheid van afzondering van dieren buiten het zicht van de bezoekers;

    • d.

      de veiligheid van bezoekers.

 

Paragraaf 8. Register en logboek

 

Artikel 36. Register

  • 1.

    Artikel 4.9 Besluit houders van dieren is van overeenkomstige toepassing op een opvangcentrum van dieren.

  • 2.

    Indien dieren als één groep van dezelfde soort en van vergelijkbare leeftijd aangeboden worden, kunnen deze als groep onder vermelding van het aantal, worden opgenomen.

  • 3.

    In het register worden voor elk opgevangen dier de volgende gegevens opgenomen, voor zover relevant:

    • a.

      indien bekend de vindplaats van het dier en persoonsgegevens van de vinder of de gegevens van de eigenaar dat afstand doet van zijn dier;

    • b.

      datum van binnenkomst;

    • c.

      reden van aanbieden;

    • d.

      eerste beoordeling als bedoeld in artikel 18;

    • e.

      veterinaire verslaglegging, inclusief data van behandelingen;

    • f.

      de verwachte behandelingsduur in geval van zieke of gewonde dieren;

    • g.

      indien de verwachte behandelingsduur wordt overschreden, de reden van overschrijding; en,

    • h.

      de definitief gekozen structurele oplossing voor het dier.

  • 4.

    In de veterinaire verslaglegging, bedoeld in het derde lid, onderdeel e, worden de volgende gegevens genoteerd:

    • a.

      behandelend dierenarts;

    • b.

      gegevens van het lichamelijk onderzoek en de diagnose;

    • c.

      verkregen medicatie met behandelingsfrequentie en dosering;

    • d.

      datum en beschrijving van vaccinaties en andere handelingen die uitgevoerd zijn ter vaststelling, behandeling of preventie van bepaalde ziekten met een (eventuele) datum waarop de handeling herhaald moet worden; en,

    • e.

      eventueel datum, uitvoerder en resultaten van een post-mortem onderzoek.

  • 5.

    De administratie en hoe deze ingevuld en gebruikt wordt, wordt beschreven in het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel p.

  • 6.

    De administratie is altijd door alle aanwezige medewerkers in te zien.

 

Artikel 37. Logboek

  • 1.

    Het opvangcentrum houdt een logboek bij waarin dagelijks de gezondheidscontrole van alle dieren en eventuele andere bevindingen worden vastgelegd.

  • 2.

    Het logboek, bedoeld in het eerste lid, kan als aanvulling worden opgenomen in het register, bedoeld in artikel 36.

 

Paragraaf 9. Slotbepaling

 

Artikel 38. Afwijkingsmogelijkheid

Indien het opvangcentrum te maken krijgt met een onvoorziene situatie waardoor het zich gedwongen ziet van de voorschriften van dit protocol af te wijken, stelt het onverwijld Gedeputeerde Staten op de hoogte.

Toelichting behorende bij de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant

 

Algemeen

 

§ 1 Toedeling ontwikkelingsruimte PAS segment 2

Juridisch kader

Gedeputeerde Staten hebben op 8 juni 2015 de Beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte PAS segment 2 Noord-Brabant vastgesteld in verband met de aan haar op grond van de Natuurbeschermingswet1998 toegekende bevoegdheden.

Gedeputeerde Staten wensen dit beleid, bij de uitoefening van de aan haar op grond van de Wet natuurbescherming toegekende bevoegdheden, voort te zetten en hebben dat vastgelegd in deze paragraaf.

 

Achtergrond

De programmatische aanpak stikstof richt zich op een goede bescherming en ontwikkeling van Natura 2000-gebieden terwijl tegelijk economische ontwikkelingen mogelijk blijven. De stikstofbelasting neemt de komende 20 jaar af door al ingezette maatregelen, zoals: schonere auto’s en het in de PAS opgenomen aanvullende pakket van emissiebeperkende maatregelen. Een deel van deze afname komt ten goede aan de natuur (ecologie); een ander deel wordt ingezet voor economische ontwikkelingen. Daarbij is door het rijk met de agrarische sector afgesproken dat de helft van de emissiebeperking door aanvullende maatregelen in het kader van de PAS, weer als ontwikkelingsruimte voor die sector beschikbaar komt.

Aerius heeft per Natura 2000-gebied berekend wat de beschikbare depositieruimte is voor dat gebied. Een deel van de beschikbare ruimte wordt apart gezet voor activiteiten waarvoor geen toestemmingsbesluit hoeft te worden genomen, zoals autonome ontwikkelingen en vergunningsvrije projecten en andere handelingen onder de grenswaarden. Daarnaast is een deel van de depositieruimte beschikbaar als ontwikkelingsruimte voor toestemmingsplichtige activiteiten. Hierbij worden twee segmenten onderscheiden. Segment 1 bevat ontwikkelingsruimte voor prioritaire projecten van Rijk en provincies. De ontwikkelingsruimte, die na aftrek van segment 1 nog beschikbaar is opgenomen in segment 2 en is vrij beschikbaar. Deze beleidsregel heeft betrekking op de toedeling van ontwikkelingsruimte uit segment 2.

 

Beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte provincies

Gedeputeerde Staten kunnen bevoegd gezag zijn voor toestemmingsbesluiten waarbij ontwikkelingsruimte wordt toegedeeld. Ook verlenen zij daarvoor instemming en geven zij een verklaring van geen bedenkingen af.

Voor de uitoefening van deze bevoegdheden kunnen Gedeputeerde Staten provinciale beleidsregels vaststellen. De provincies hechten grote waarden aan uniformiteit van regels hierbij en hebben daarom gezamenlijk een set van beleidsregels vastgesteld voor de verdeling van de ontwikkelingsruimte uit segment 2. Doel hiervan is de toedeling van ontwikkelingsruimte eenvoudig en eerlijk uit te voeren en om te voorkomen dat enkele aanvragers in één keer de beschikbare ontwikkelingsruimte verbruiken. Door hiervoor gezamenlijke afspraken te maken ontstaat er geen ongelijkheid tussen provincies.

Wanneer een aanvraag om toestemming niet voldoet aan de provinciale beleidsregels, kan dat voor Gedeputeerde Staten reden zijn de gevraagde ontwikkelingsruimte te weigeren. Toebedeelde ontwikkelingsruimte is gekoppeld aan een toestemmingsbesluit en is niet verhandelbaar.

 

Brabantse aanvullingen

In het landelijk opgestelde model voor de beleidsregels is ruimte gelaten voor nuancering en maatwerk per provincie. De provincie Noord-Brabant heeft twee beleidsregels toegevoegd, nl

  • a.

    per periode van een jaar wordt een maximale deel van de totale ontwikkelingsruimte toebedeeld;

  • b.

    indien de stikstofdepositie betrekking heeft op zeer kwetsbare habitattypen die overbelast zijn, wordt maximaal 0,05 mol stikstof/ha/jaar aan ontwikkelingsruimte toebedeeld;

  • c.

    bij de behandeling van aanvragen wordt voorrang verleend aan aanvragen, die betrekking hebben op projecten waarvoor Gedeputeerde Staten al ingestemd hebben met een verzoek om saldering op grond van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant.

 

ad a. Jaarlijks beschikbare ontwikkelingsruimte

Gedeputeerde Staten willen de toedeling van beschikbare ontwikkelingsruimte voor een Natura 2000-gebied gelijk verspreiden over de gehele programmaperiode van het PAS. Hiermee wordt voorkomen dat, indien in de beginperiode van de PAS te veel aanvragen binnenkomen, de ontwikkelingsruimte snel op is. Bedrijven die later ontwikkelen kunnen daardoor niet meer een aanvraag indienen en dienen te wachten tot de volgende programmaperiode. Om dit te voorkomen wordt per periode van één jaar maximaal 16% van de beschikbare ontwikkelingsruimte per Natura 2000-gebied toebedeeld aan projecten of andere handelingen.

 

ad b. beperkte ontwikkelruimte bij kwetsbare habitattypen

De Natura 2000-gebieden in Noord-Brabant zijn zeer gevoelig voor stikstof en fors overbelast. Het ambitieniveau van de PAS is beperkt. Voor de eerste zes jaar ligt de ambitie bij het voorkómen van verdere verslechtering. Voor veel Natura 2000-gebieden is echter in de gebiedsanalyses een verbeterdoelstelling vastgelegd. Er is dus nog een lange weg te gaan om de belasting tot een aanvaardbaar niveau terug te dringen.

Voor een aantal Natura 2000-gebieden is het van belang om stikstof versneld terug te dringen, aangezien hier zeer stikstofgevoelige habitattypen (KDW ≤ 500) voorkomen die overbelast zijn (> 300 %). Het betreft Natura 2000-gebieden waarin de volgende habitattypen zijn aangewezen:

  • a.

    H7110A - actieve hoogvenen (hoogveenlandschap);

  • b.

    H7120ah/ZGH7120ah - herstellende hoogvenen (actief hoogveen); of

  • c.

    H3110 - zeer zwakgebufferde vennen.

Ook vanuit ander perspectief, zoals de overlast richting omwonenden en in urgentiegebieden, ligt er rondom deze gebieden een grote uitdaging. Met het beperken van de ontwikkelingsruimte voor initiatieven rondom deze Natura 2000-gebieden wordt de emissie van stikstofdepositie versneld teruggebracht. Gedeputeerde Staten geven daarmee een duidelijk signaal af dat het de provincie ernst is met het terugdringen van de overlast en stikstofemissies rondom deze gebieden en dat ontwikkelingsruimte niet (meer) vanzelfsprekend is.

 

ad c. Projecten waarvoor al salderingsbesluit is afgegeven

De provincie Noord-Brabant heeft in 2010 de Verordening stikstof en Natura 2000 vastgesteld. Bedrijven konden toen bij uitbreidingen, die leiden tot een toename van de uitstoot van ammoniak, een verzoek doen tot een saldering via de depositiebank. Bij voldoende saldo werd de saldering uitgevoerd en ontving de aanvrager een salderingsbesluit. Vervolgens kon op basis van dit salderingsbesluit een Nbwet-vergunning worden verleend.

Als gevolg van een uitspraak van de Raad van State dd. 13 november 2013, waarbij aanvullende eisen aan de depositiebank werden gesteld, was het niet meer mogelijk om salderingsbesluiten af te geven. Lopende aanvragen voor salderingsverzoeken werden geweigerd, omdat bij besluit van 17 december 2013 het saldo van de depositiebank op 0 is gezet. Uitbreiding was sindsdien nog alleen mogelijk via externe saldering.

Op dat moment had een groot aantal veehouders reeds een salderingsbesluit in het kader van de Verordening stikstof ontvangen, maar beschikte nog niet over een (onherroepelijke) Nbwet-vergunning. Vóór de uitspraak van de Raad van State was dit nog slechts een formaliteit en konden deze veehouders er in redelijkheid van uitgaan dat een Nbwet-vergunning zou worden verleend. Omdat een Nbwet-vergunning niet meer kan worden gebaseerd op een salderingsbesluit, kan deze verwachting niet worden ingevuld. Voor een oplossing voor deze situatie is toen naar de PAS verwezen. Met het opnemen van een specifieke beleidsregel hiervoor wordt daaraan voldaan.

 

§ 2 Gebiedsbescherming

In deze paragraaf wordt aangegeven dat, naast de referentiedatum genoemd in artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de wet, ook de “Europese referentiedata” worden gehanteerd. Dit zijn de data waarop de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Gedeputeerde Staten hanteren bij de beoordeling van een aanvraag voor een project deze referentiedata voor de overige effecten en voor stikstofeffecten op voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, die niet zijn opgenomen in de PAS.

 

§ 3 Tijdelijke Natuur

Juridisch kader

Met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming wordt de provincie bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen voor beschermde soorten.

Daarvoor was deze bevoegdheid, op grond van de Flora- en faunawet, toegekend aan de minister. Het Rijk had specifiek beleid vastgesteld voor ontheffingen in het kader van Tijdelijke Natuur. Dit was vastgelegd in de Beleidslijn Tijdelijke Natuur, vastgesteld op 10 september 2015.

Gedeputeerde Staten wensen dit beleid, bij de uitoefening van de aan haar op grond van de Wet natuurbescherming toegekende bevoegdheden, voort te zetten en hebben dit beleid vastgelegd in deze paragraaf.

 

Introductie

Het verwijderen van natuur toestaan om de ontwikkeling van natuur mogelijk te maken. Dat is de schijnbare paradox van het concept Tijdelijke Natuur. Deze nieuwe manier van kijken naar natuur en natuurbescherming biedt kansen voor zowel natuur als bedrijfsleven.

 

Kansen

Het probleem is overzichtelijk: veel grondeigenaren met ontwikkelplannen proberen de vestiging van beschermde plant- en diersoorten op hun toekomstige bouwterreinen te voorkomen om conflicten met natuurwetgeving vermijden. De innovatieve oplossing is ook eenvoudig: als terreineigenaren de zekerheid kan worden verschaft dat ze nieuw te vestigen beschermde soorten probleemloos mogen verwijderen op het moment dat de schop de grond in moet, kunnen ze stoppen met hun ‘natuurwerend’ beheer en profiteren zowel de natuur als die grondeigenaren. Dit levert voor natuur de kans op dat er landelijk meer dan 40.000 hectare aan Tijdelijke Natuur bijkomt. En hoewel elk van die tijdelijke natuurterreinen een tijdelijk karakter heeft, is de winst voor de natuur permanent. Omdat zaden en jonge dieren zich vanuit een tijdelijk natuurgebied naar de omgeving verspreiden helpt dat de instandhouding van populaties. Voor grondeigenaren biedt de aanpak winst omdat ze geen ‘natuurwerend’ beheer meer hoeven te voeren. Ook lopen ze niet langer het risico om, juist op het moment dat de schop de grond in moet, geconfronteerd te worden met nader onderzoek en eisen voor compensatie.

 

Terreinen geschikt voor Tijdelijke Natuur

Tijdelijke Natuur krijgt een kans op terreinen die tijdelijk niet conform de bestemming worden gebruikt. Denk daarbij aan terreinen die:

  • a.

    volgens het bestemmingsplan een andere bestemming hebben, maar waarvan de bestemming voorlopig niet gerealiseerd wordt: en,

  • b.

    terreinen waarvan nu al bekend is dat de bestemming zal gaan veranderen (er is een bestemmingswijziging aanstaande).

De eigenaar is bereid om in afwachting van de realisatie van de nieuwe bestemming het terrein braak te laten liggen, zodat spontane natuurontwikkeling kan plaatsvinden. Wel is voorwaarde dat het terrein minimaal één voortplantingsseizoen (maart tot en met september) beschikbaar is voor tijdelijke natuur. Het kan gaan om opgespoten haventerreinen, toekomstige industriegebieden, woningbouwlocaties. Incidenteel kan het ook gaan om vervallen industrieterreinen of andere terreinen die langdurig niet gebruikt worden voor de bestemming.

 

Het belang van Tijdelijke Natuur

De provincie heeft een zorgplicht om zeldzame of beschermde flora en fauna op haar grondgebied, in een ‘gunstige staat van instandhouding’ te houden of te brengen (artikel 1.12, eerste lid van de wet). Tijdelijke natuur kan hieraan een bijdrage leveren want tijdelijke natuur biedt planten en dieren, waar onder zeldzame en beschermde, een tijdelijk leef- en voortplantingsgebied. Die tijdelijkheid lijkt misschien een bezwaar, maar voor veel soorten, zoals sterns, rugstreeppadden en diverse orchideeën is het dat niet. Integendeel, zij gedijen juist in gebieden met sterk wisselende omstandigheden. Zeker voor dit soort ‘specialisten van de dynamiek’ vormen terreinen met tijdelijke natuur een welkome aanvulling op (permanente) natuurgebieden waarin het beheer meestal is gericht op stabiliteit en het tegengaan van plotselinge veranderingen. Tijdelijke Natuur biedt een vestigings-, reproductie-, foerageer-, overnachtings- of overwinteringsplek voor pioniersoorten, soorten van vroege en latere successiestadia, doortrekkers en overwinteraars. Het terrein kan ook fungeren als stepping stone c.q. ecologische verbinding, zodat andere tijdelijke en permanente natuurgebieden beter bereikt kunnen worden. In principe is Tijdelijke Natuur toegankelijk voor mensen. Voor de betreding van het terrein kan wel toestemming van de eigenaar nodig zijn. In sommige gevallen, bijvoorbeeld te midden van gevaarlijke installaties of als er sprake is van drijfzand, kan het noodzakelijk zijn het terrein af te sluiten.

 

Het effect van Tijdelijke Natuur

Het effect van Tijdelijke Natuur hangt samen met de schaal waarop wordt gekeken. In het terrein zelf zullen planten en dieren zich eerst vestigen en in aantal toenemen en weer verdwijnen op het moment dat het daar geplande project start. Op die plek is het effect dus tijdelijk. Op een groter schaalniveau is het effect echter permanent, omdat jonge dieren of plantenzaden zich vanuit dit tijdelijke habitat verspreiden naar de omgeving. Dit vindt niet alleen plaats op het moment dat het projectgebied wordt opgeruimd, maar ook al daarvoor. Het functioneren als kolonisatiekern betekent dat Tijdelijke Natuur een permanent effect heeft op de populaties van planten en dieren in de wijde omgeving. Het risico dat sommige soorten door de ontwikkeling van tijdelijke Natuur uiteindelijk achteruitgaan is verwaarloosbaar klein. Dit is alleen zeer lokaal en op zeer beperkte schaal mogelijk, als de leefomgeving van die soort buiten het terrein eigenlijk al niet meer geschikt is voor die soort. In dat geval is niet de ontwikkeling van een tijdelijk natuurterrein de boosdoener, maar de slechte staat van instandhouding of negatieve ontwikkelingen in het ‘permanente’ leefgebied.

 

§ 4 Tegemoetkoming faunaschade

 

Juridisch kader

Op grond van de Flora- en faunawet had het Faunafonds tot taak tegemoetkomingen te verlenen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten. In dat kader heeft het Faunafonds destijds de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade vastgesteld.

In de Wet natuurbescherming is de bevoegdheid tot het verlenen van tegemoetkomingen toegekend aan Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten wensen het door het Faunafonds gevoerde beleid voort te zetten en hebben dit beleid opgenomen in deze paragraaf.

 

Achtergrond

In artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming is bepaald dat Gedeputeerde Staten in voorkomende gevallen aan belanghebbenden tegemoetkoming verlenen in geleden schade door natuurlijk in het wild levende:

  • a.

    vogels van vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of

  • b.

    dieren die worden genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of de bijlage, onderdeel a, bij deze wet.

 

Grondgebruikers die schade van beschermde dieren ondervinden, kunnen onder omstandigheden een tegemoetkoming in deze schade krijgen. Uitgangspunt is dat de schade die de grondgebruiker of zijn jachthouder had kunnen voorkomen of beperken niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt.

Aanknopingspunt voor het beleid is dat een belanghebbende alles in het werk moet stellen om schade te voorkomen of te beperken. Het moet voorts gaan om schade die niet tot het normale bedrijfsrisico en het normale maatschappelijke risico van de betrokkene behoort. Een zekere mate van schade door in het wild levende beschermde dieren dient een ieder voor lief te nemen. De bescherming van have en goed tegen schade door dieren is primair de verantwoordelijkheid van de grondgebruiker zelf. Daarbij is het nemen van maatregelen gericht op het voorkomen van schade een eerste aandachtspunt. Pas als dergelijke maatregelen tekort schieten, is schadebestrijding aan de orde. Indien, ondanks een deugdelijke en tijdige inspanning van de grondgebruiker om schade te voorkomen en beperken, schade ontstaat, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten een tegemoetkoming toe te kennen.

 

In IPO-verband hebben de gezamenlijke provincies ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan BIJ12, de uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging het Interprovinciaal Overleg. Uit het oogpunt van efficiëntie is een landelijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis te prefereren. Daarnaast wordt uniformiteit in de uitvoering en rechtsgelijkheid over heel Nederland nagestreefd. Daar waar in deze paragraaf of in deze toelichting sprake is van Gedeputeerde Staten moet in veel gevallen dan ook ‘BIJ12’ worden gelezen. In een afzonderlijk besluit worden de bevoegdheden met betrekking tot het verlenen van tegemoetkomingen gemandateerd aan BIJ12.

 

§ 5 Houtopstanden

Reeds vanaf 1996 is de provincie belast met het toezicht en handhaving op de bepalingen uit de Boswet. Een van de belangrijkste beleidsdocumenten betreft de Nota Open Bos, die tot de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb) werd gebruikt als basis voor ontheffing verlening.

De voor Noord-Brabant van toepassing zijnde bepalingen uit die Nota Open Bos zijn overgenomen in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant.

Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 4.5, derde lid, van de Wnb ontheffing verlenen van de meldingsplicht- en herplantplicht. Voor de uitoefening van deze bevoegdheden hebben Gedeputeerde Staten deze beleidsregels vastgesteld die ook op de Nota Open Bos zijn gebaseerd.

Nieuw hierbij is de mogelijkheid een melding te verlengen, dit om administratieve lasten te verminderen. Daarnaast is een koppeling gemaakt met de instandhoudingsdoelstelling voor Natura 2000. Hierdoor kan worden voorkomen dat vellingen plaatsvinden die strijdig zijn met de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden.

 

Artikelsgewijs

 

§ 1 Toedeling ontwikkelingsruimte PAS segment 2

Artikel 1.2 Reikwijdte

Toestemmingsbesluiten op grond van artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming kunnen door verschillende bevoegde gezagen worden verleend. Dit kan het college van Burgemeester en Wethouders zijn van een gemeente of Gedeputeerde Staten van de eigen provincie. Artikel 1.2 is zodanig geformuleerd dat deze beleidsregel van toepassing is op alle besluitvorming door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant met betrekking tot projecten en andere handelingen waarvoor een beroep wordt gedaan op segment 2.

Omdat een verklaring van geen bedenkingen noodzakelijk is om de omgevingsvergunning voor projecten en andere handelingen te verlenen en afgegeven wordt door Gedeputeerde Staten, is in tweede lid volledigheidshalve de beleidsregel hierop van overeenkomstige toepassing verklaard.

 

Artikel 1.3 Uitgangspunten toedeling

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant zien dat ontwikkelingsruimte in het kader van de PAS een schaars goed is. Gedeputeerde Staten willen de beschikbare ruimte inzetten om de normale bedrijfsontwikkeling mogelijk te maken en willen voorkomen dat een nieuwe activiteit op een slecht gekozen locatie of uitbreiding een onevenredig groot deel van de beschikbare ontwikkelingsruimte gebruikt, waardoor er voor overige ondernemingen onvoldoende ruimte overblijft. Daarnaast is het ongewenst dat ontwikkelingsruimte wordt toebedeeld die vervolgens niet wordt gebruikt, terwijl voor andere ontwikkelingen dan onvoldoende ruimte beschikbaar is. Gedeputeerde Staten hebben daarom een aantal uitgangspunten geformuleerd om te bewaken dat de schaarse ontwikkelingsruimte goed gebruikt wordt.

 

Eerste lid:

Met dit lid wordt de hoeveelheid ontwikkelingsruimte die aan een project of handeling kan worden toegedeeld, aan een maximum verbonden. Het doel is het ontmoedigen van aanvragen om toestemming voor projecten of andere handelingen waarvoor een onevenredige hoeveelheid ontwikkelingsruimte nodig is. Hiertoe is een maximum hoeveelheid aan ontwikkelingsruimte opgenomen van 3,00 mol N/ha/jaar over de gehele programmaperiode. Voor projecten of andere handelingen, waarvan de stikstofdepositie neerslaat op specifieke Natura 2000-gebieden is in artikel 1.4 een afwijkende regel opgenomen.

Voor de volledigheid wordt aangegeven dat het rekenmodel AERIUS de stikstofbelasting bepaalt per hexagoon van 1 ha.

 

Tweede lid:

Dit lid is een verdere invulling van hoe de maximale hoeveelheid ontwikkelings-ruimte van 3,00 mol wordt berekend. Voor een bestaande inrichting, als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, kan meerdere keren beperkte hoeveelheden ontwikkelingsruimte worden aangevraagd. Om te voorkomen dat daarmee een groter project wordt opgeknipt in kleinere projecten bepaalt dit lid dat bij een uitbreiding van een bestaande inrichting de stikstofdepositie opgeteld moet worden bij de stikstofdepositie van de daaraan voorafgaande uitbreidingen ten aanzien van dezelfde inrichting in dezelfde PAS-programmaperiode.

Hierbij dienen ook de uitbreidingen te worden meegeteld die onder de uitzondering van de vergunningplicht vallen (artikel 2.12, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming). Gemelde ruimte weegt dus mee voor het maximum dat bij segment 2 wordt gehanteerd.

 

Derde en vierde lid

De totale beschikbare ontwikkelingsruimte is verdeeld over zes perioden van één jaar, te beginnen per 1 juli 2015. In iedere periode is 16% van de totale ontwikkelingsruimte beschikbaar. Vanaf 1 juli 2016 is voor de periode van één jaar wederom 16% van de totaal beschikbare ontwikkelingsruimte per Natura 2000-gebied beschikbaar. Is deze hoeveelheid volledig toebedeeld, dan wordt een ontvangen aanvraag geweigerd. In de volgende periode kan opnieuw een aanvraag worden ingediend.

 

Artikel 1.4 Uitzonderingsgevallen 0,05 mol

Indien de stikstofdepositie neerslaat op een Natura 2000-gebied waarin de habitattypen “H7110A - actieve hoogvenen (hoogveenlandschap)”, “H7120ah/ZGH7120ah - herstellende hoogvenen (actief hoogveen)” of “H3110 - zeer zwakgebufferde vennen” zijn aangewezen, delen Gedeputeerde Staten nog maar beperkt ontwikkelingsruimte toe. In afwijking van het landelijk vastgestelde maximum van 3,00 mol stikstof/ha/jr geldt in deze gevallen dat Gedeputeerde Staten slechts 0,05 mol stikstof/ha/jr toedelen. Bedrijven zullen hun verdere bedrijfsontwikkelingen vooral moeten realiseren door investeringen in emissiearme technieken. Artikel 1.3, tweede lid blijft van overeenkomstige toepassing, zodat bedrijven niet steeds opnieuw 0,05 mol stikstof/ha/jr aan ontwikkelingsruimte kunnen aanvragen.

 

Vierde lid

Voor aanvragen die voor 1 januari 2016 zijn ingediend met betrekking tot een project of andere handeling waarvoor Gedeputeerde Staten al ingestemd hebben met een verzoek om saldering, als bedoeld in artikel 1.4, eerste en tweede lid, geldt het in die leden genoemde maximum van 0,05 mol stikstof per hectare per jaar niet. Het salderingsbesluit zal immers veelal betrekking op een grotere depositie.

 

Artikel 1.5 Uitzonderingsgevallen 16% ontwikkelingsruimte

In het eerste tot en met derde lid is aangegeven in welke situaties Gedeputeerde Staten afwijken van de 16%-regel uit artikel 1.3, derde en vierde lid. In deze situaties kunnen Gedeputeerde Staten aan een ontvankelijke aanvraag ontwikkelingsruimte toedelen, ook indien op dat moment in de betreffende jaarperiode al de beschikbare ontwikkelingsruimte is uitgegeven. De maximale beschikbare ontwikkelingsruimte wordt in deze gevallen dan bepaald door de landelijke afspraak dat van de ontwikkelingsruimte voor segment 2, 60% beschikbaar is voor toedeling in de eerste helft van het tijdvak van het programma en 40% voor toedeling in de tweede helft van het tijdvak van het programma.

Bij het toedelen van de ontwikkelingsruimte dienen de overige bepalingen uit deze paragraaf in acht te worden genomen.

 

Eerste lid

Om voor een uitzondering in aanmerking te komen, dient het te gaan om duurzame ontwikkelingen. In het eerste lid worden 4 situaties onderscheiden:

  • a.

    Voor de veehouderij is daarbij aangesloten bij de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013. Deze verordening vereist dat alle veehouderijen uiterlijk 2028 aan bijlage 2 van de Verordening Stikstof voldoen. Deze paragraaf is in lijn met deze eis en stimuleert veehouderijen om de stallen eerder aan te passen. Wanneer traditionele stallen worden aangepast door emissiereducerende maatregelen te nemen, wordt ruimte gecreëerd en is minder ontwikkelingsruimte nodig.

  • b.

    Voor wegen en bijbehorende voorzieningen zijn geen duurzame maatregelen mogelijk, zodat voor deze categorie een algemene uitzondering is opgenomen.

  • c.

    Overige inrichtingen, waarbinnen extra maatregelen zijn genomen om de uitworp van stikstofverbindingen te reduceren.

  • d.

    Dit onderdeel geldt voor veehouderijen, die reeds een salderingsbesluit in het kader van de Verordening stikstof hebben ontvangen. Op basis van het salderingsbesluit konden deze bedrijven al verwachten dat zij een Nbwet-vergunning zouden krijgen. Voor deze bedrijven is een afzonderlijke uitzondering opgenomen om te voorkomen dat deze bedrijven na lange tijd met aanvullende eisen geconfronteerd zouden worden.

 

Tweede lid

De provincie heeft in 2010 de Verordening stikstof in gevoerd. De stallen die sindsdien zijn gebouwd moeten voldoen aan de geldende emissie eisen uit die verordening. Deze veehouderijen hebben op dat moment al moeten investeren in BBT++ technieken. Bijlage 2 van de Verordening stikstof wordt regelmatig aangepast aan de nieuwste technische ontwikkelingen, waardoor het kan voorkomen dat recente aangepaste stallen niet voldoen aan de vigerende emissie-eisen op het moment dat ontwikkelingsruimte wordt aangevraagd.

Gedeputeerde Staten vinden het ongewenst dat recent gerealiseerde stallen van een veehouderij, waarvoor eerder al een Nb-vergunning was aangevraagd, opnieuw aangepast moeten worden op het moment dat voor een verdere ontwikkeling van deze veehouderij ontwikkelingsruimte wordt aangevraagd. Het tweede lid bepaalt dat deze stallen niet meegenomen behoeven te worden bij het bepalen of wordt voldaan aan de voorwaarden van het eerste lid, onder a. Deze stallen moeten dan uiteraard wel voldoen aan de bepalingen uit de Verordening stikstof, zoals die luidden op het moment dat de eerdere aanvraag was ingediend.

 

Derde lid

Dit lid geeft aan wanneer voor de overige inrichtingen wordt voldaan aan de opgelegde voorwaarden in het eerste lid, onder c. Daarvoor is aangesloten bij de eis uit het Activiteitenbesluit, waarin is bepaald dat degene, die een inrichting drijft alle energiebesparende maatregelen neemt met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. De terugverdientijd wordt mede bepaald door de energieprijs. Ten gevolge van de dalende energieprijs vallen minder maatregelen binnen het oude criterium van 5 jaar. Voor zover er concrete maatregelen zijn vastgesteld, die moeten worden uitgevoerd op basis van de oude energieprijzen, blijven Gedeputeerde Staten vasthouden aan deze concrete maatregelen, en verwerken zij de gedaalde energieprijzen dus niet in een vermindering van verplichte maatregelen. Voor maatwerk regelingen gaan zij wel uit van de actuele energieprijs, en dan van alle maatregelen die zich binnen zes jaar terugverdienen.

 

Artikel 1.7 Intrekken of wijzigen van toestemmingsbesluit

Doel is het voorkomen van onnodige toedeling van ontwikkelingsruimte door aan het verlenen van toestemming als voorwaarde een termijn te stellen waarbinnen het project of de andere handeling is gerealiseerd onderscheidenlijk is verricht. Op grond van artikel 2.7, vierde lid, van het Besluit natuurbescherming kan het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een toestemmingsbesluit, dit besluit intrekken of wijzigen indien het project of de andere handeling waarop dit besluit betrekking heeft, nadat het besluit onherroepelijk is geworden, niet is gerealiseerd, onderscheidenlijk is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn.

In deze paragraaf is een termijn van 2 jaar opgenomen. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat het toestemmingsbesluit onherroepelijk is. Indien er sprake is van een omgevingsvergunning waarvoor Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bedenkingen hebben afgegeven, kunnen Gedeputeerde Staten de betreffende gemeente verzoeken het toestemmingsbesluit al dan niet gedeeltelijk in te trekken.

 

Artikel 1.8 Volgorde afhandeling toedeling

In het PAS-programma staat dat als Gedeputeerde Staten geen nadere beleidsregels hebben vastgesteld, de toedeling van ontwikkelingsruimte door Gedeputeerde Staten voor activiteiten binnen segment 2 de volgorde van ontvangst van de aanvraag van een toestemmingsbesluit bepalend is. Dat kan betekenen dat een aanvraag die niet volledig is, bij toedeling van ontwikkelingsruimte voorrang heeft op een aanvraag die wel volledig is. Dit vinden Gedeputeerde Staten een onwenselijke situatie. Voor de toedeling van ontwikkelingsruimte is het van belang dat de aanvraag ontvankelijk is, dat houdt in dat de juiste gegevens zijn overgelegd en dat ook de inhoud van de aanvraag op orde is. Het is dus in het belang van de initiatiefnemer dat de ingediende aanvraag zowel formeel als inhoudelijk op orde is. Is dat niet het geval dan wordt de initiatiefnemer in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen binnen een bepaalde periode. Pas als de benodigde gegevens op tijd zijn ingediend, wordt de status van de aanvraag omgezet in een ontvankelijke aanvraag en is de datum van ontvankelijkheid bepalend voor de volgorde van toekenning van ontwikkelingsruimte.

 

Artikel 1.9 Hardheidsclausule

In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zit een inherente afwijkingsbevoegdheid. Jurisprudentie wijst uit dat daarvan alleen gebruik kan worden gemaakt in gevallen die niet konden worden voorzien. Door in de beleidsregel zelf een grondslag op te nemen voor afwijking, creëren Gedeputeerde Staten meer ruimte om af te wijken van de in de Awb opgenomen inherente afwijkingsbevoegdheid.

 

§ 3 Tijdelijke Natuur

 

Artikel 3.2 Reikwijdte

Een belangrijk kenmerk van Tijdelijke Natuur is dat de flora en fauna die zich gedurende een bepaalde tijd ontwikkelt, na verloop van tijd weer actief wordt verwijderd, omdat de grondeigenaar of initiatiefnemer de eindbestemming gaat realiseren. Op het moment dat de schop de grond in gaat, kan de initiatiefnemer in aanraking komen met natuurwetgeving indien er zich beschermde soorten op het terrein hebben gevestigd. Om beschermde soorten te mogen verwijderen, is toestemming nodig van het bevoegde gezag in het kader van de Wet natuurbescherming. Voor Tijdelijke Natuur zijn de volgende beschermingsregimes relevant: in alle gevallen soortenbescherming ingevolge hoofdstuk 3 van de wet en mogelijk ook gebiedsbescherming ingevolge hoofdstuk 2 van de wet.

 

Soortenbescherming

Het onderdeel soortenbescherming is altijd aan de orde, omdat het uitgangspunt van Tijdelijke Natuur is dat zich planten- en diersoorten vestigen op terreinen, waarbij de kans bestaat dat zich daaronder beschermde soorten bevinden. Zodra beschermde soorten worden verwijderd of negatief worden beïnvloed, zijn de verbodsbepalingen van de wet aan de orde. Daarnaast is de algemene zorgplicht, opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, van toepassing bij tijdelijke natuur. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Voor Tijdelijke Natuur betekent dit bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld het verplaatsen naar een ander gebied.

 

Toetsing soortenbescherming en Tijdelijke Natuur

De Wet natuurbescherming is onder andere bedoeld om kwetsbare soorten te beschermen, zodat het voortbestaan van deze soorten in Nederland niet in gevaar komt. De wettelijke soortenbescherming is vormgegeven aan de hand van verbodsbepalingen, zoals het verbod op het opzettelijk doden of opzettelijk verstoren van beschermde dieren of het verbod om opzettelijk beschermde planten te plukken of te vernielen. Op deze verbodsbepalingen zijn een aantal uitzonderingsmogelijkheden mogelijk. Zo kan er ontheffing worden verleend, indien voldaan wordt aan de volgende drie criteria:

  • a.

    Er bestaat geen andere bevredigende oplossing:

    In terreinen waar Tijdelijke Natuur de ruimte gegeven wordt, kunnen zich (hoogdynamische) biotopen ontwikkelen waar een breed spectrum aan flora en fauna profijt van kan hebben. Dit geldt in het bijzonder voor pionierssoorten, omdat terreinen waar de hiervoor omschreven dynamiek plaats kan vinden, nauwelijks nog voorkomen in Nederland. Ook het inrichten van permanente natuurgebieden biedt hiervoor geen goede oplossing, omdat ook daar successie plaats zal vinden. Derhalve kan vastgesteld worden dat er voor het toepassen van tijdelijke natuur geen andere bevredigende oplossing voorhanden is.

  • b.

    Belang van de ingreep:

    Tijdelijke Natuur draagt bij aan de duurzame instandhouding van de inheemse flora en fauna; het biedt mogelijkheden om de verspreiding van soorten te bevorderen. Met name pionierssoorten en vroege soorten die afhankelijk zijn van dynamiek in het landschap, zullen profiteren. In een volgend stadium van natuurlijke successie zullen deze soorten vanzelf verdwijnen, en biedt zo ruimte aan andere beschermde soorten. Tijdelijke Natuur kan daarom een permanente winst zijn. Soorten kunnen zich in het tijdelijke gebied versterken en van daaruit nieuwe terreinen bezetten. Daarom kan vastgesteld worden dat Tijdelijke Natuur dient ter bescherming van flora en fauna, waarmee er een wettelijk belang is op grond waarvan ontheffing kan verleend worden. Een belang dat bovendien volgt uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.

  • c.

    Gunstige staat van instandhouding:

    Tijdelijke Natuur heeft een positief effect op de flora en fauna in Noord-Brabant. Tijdelijke Natuur heeft dan ook geen negatieve invloed op de gunstige staat van instandhouding van de in Nederland voorkomende beschermde soorten. Op deze wijze kan, mits er wordt voldaan aan de overige criteria van Tijdelijke Natuur, zoals opgenomen in deze paragraaf,

    ontheffing worden verleend. Ook is het mogelijk om gebruik te maken van de gedragscode Tijdelijke Natuur, bedoeld in artikel 3.31 van de Wet natuurbescherming, wanneer deze door de staatssecretaris van economische zaken goedgekeurd is.

 

Gebiedsbescherming

Tijdelijke natuurontwikkeling op een terrein dat in, of in de nabijheid van, een Natura 2000-gebied ligt, kan effect hebben op de natuurwaarden in dat beschermde natuurgebied, externe werking genoemd. Indien dit effect negatief kan zijn, is een vergunning in het kader van de gebiedsbescherming nodig.

 

Artikel 3.3 Voorwaarden Tijdelijke Natuur

Onder a

Het is niet noodzakelijk dat de bestemming vastligt in een bestemmingsplan. De bestemming van een terrein kan in voorkomende gevallen zijn vastgelegd in een planologisch besluit (omgevingsvergunning, bestemmingsplan, inpassingsplan).

 

Onder b

Natuurwaarden die zich ontwikkelen in een bestaande woonwijk of in een bestaand agrarisch gebied al dan niet als gevolg van agrarisch natuurbeheer worden niet aangemerkt als Tijdelijke Natuur. Agrarisch natuurbeheer vergt een geheel eigen benaderingswijze. Ook terreinen waarvan de toekomstige bestemming nog ter discussie staat, worden vanwege de onzekere factoren en actoren die dan nog spelen, niet aangemerkt als Tijdelijke Natuur.

 

Onder c

Een uitzondering wordt gemaakt voor terreinen die wel de uiteindelijke bestemming natuur hebben, maar die om enigerlei reden nog niet definitief als zodanig kunnen worden ingericht. De aanleg van tijdelijke parken, speelgelegenheden met groenvoorzieningen, plantsoenen en andere groenvoorzieningen vallen niet onder de definitie.

 

Onder e

De termijn kan langer zijn omdat niet in elk jaargetijde tijdelijke natuur opgeruimd kan worden.

 

Onder f

Compensatievoorwaarden hebben betrekking op compensatie van reeds op het terrein aanwezige beschermde flora en fauna.

 

Artikel 3.4 Aanvrager

Indien er meer grondeigenaren betrokken zijn bij de realisatie van Tijdelijke Natuur, hoeft niet elke grondeigenaar afzonderlijk voor zijn of haar percelen een ontheffing aan te vragen. In die situatie kan er een gezamenlijke aanvraag worden ingediend door de eigenaren voor één gebied. Op deze wijze wordt overbodige bureaucratie met extra werk voor de aanvragers als voor de provincie voorkomen.

 

Artikel 3.5 Beoordelingskader

Onder b

De essentie van Tijdelijke Natuur is dat vooraf, voordat de Tijdelijke Natuur zich ontwikkelt, ontheffing wordt verleend voor het weer ruimen van die Tijdelijke Natuur. Reeds in het betreffende terrein aanwezige natuur valt daar niet onder. Dat is immers reeds bestaande natuur. Er dient om die reden een deugdelijke inventarisatie van de reeds in het gebied voorkomende beschermde soorten te hebben plaatsgevonden, de resultaten daarvan dienen te zijn vastgelegd en er dient door de aanvrager van de ontheffing voor Tijdelijke Natuur gegarandeerd te worden dat aan alle wettelijke verplichtingen betreffende die reeds aanwezige beschermde soorten zal worden voldaan, alvorens ontheffing in het kader van het concept Tijdelijke Natuur kan worden verleend.

 

Artikel 3.6 Looptijd

Eerste lid

De ontheffing voor het terrein heeft in beginsel een looptijd van maximaal 10 jaar. Dit komt overeen met de maximale wettelijke tijdspanne dat een bestemming op een terrein kan liggen zonder dat deze is gerealiseerd.

 

Tweede lid

Elke 10 jaar wordt een bestemmingsplan hernieuwd. Als de niet gerealiseerde bestemming opnieuw wordt vastgelegd kan ook de geldigheidsduur van de ontheffing tijdelijke natuur voor 10 jaar worden verlengd.

 

Artikel 3.7 Voorwaarden verlenging

Tweede lid

Een jaar voor het aflopen van de ontheffing of voor het opruimen van het tijdelijke natuurterrein moet het terrein gemonitord of geïnventariseerd worden om te bepalen welke soorten aanwezig zijn. Dit om de juiste zorgplichtmaatregen te kunnen treffen. Deze monitoring hoeft enkel overlegd te worden bij het bevoegd gezag als het een verlengingsaanvraag voor Tijdelijke Natuur betreft.

 

Artikel 3.8 Ontheffingsvoorschriften

Onder b

Bij de ingebruikname van het terrein zal de Tijdelijke Natuur worden opgeruimd. Opruimen beïnvloedt de aanwezige planten en dieren. Dat er op enig moment wordt opgeruimd, maakt onlosmakelijk deel uit van het principe van Tijdelijke Natuur. Aangezien de positieve effecten van tijdelijke natuur opwegen tegen de negatieve effecten van het opruimen – zoals eerder betoogd is er geen negatieve invloed op soortniveau – wordt door Gedeputeerde Staten ontheffing verleend voor Tijdelijke Natuur. Dit ontslaat de initiatiefnemer er echter niet van de wettelijke zorgplicht om tijdens het opruimen op zorgvuldige wijze te werk te gaan en schade aan planten en dieren redelijkerwijs zoveel mogelijk te voorkomen of tot een minimum te beperken. Deze voorwaarden worden dan ook bij een ontheffing voor Tijdelijke Natuur gesteld. In de praktijk hoeft dit geen groot probleem te zijn. Als Tijdelijke Natuur verdwijnt en de werkzaamheden voor de definitieve inrichting gaan van start, dan is dit vaak van te voren bekend. Starten met de werkzaamheden buiten het broedseizoen lost problemen met bijvoorbeeld broedende vogels en negatieve publiciteit op, maar ook als een start daarbinnen voorzien is, is dit mogelijk. Het gebied kan namelijk al voor het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden.

Voor de inrichting, het gebruik en het beheer worden in de ontheffing doorgaans geen voorschriften opgenomen, omdat Tijdelijke Natuur geen specifieke inrichting, gebruik of beheer vergt. Uiteraard mag het gebied wel aantrekkelijk worden gemaakt voor dieren, planten en recreanten. Aanvullende maatregelen zijn facultatief. Wel is het de bedoeling dat hierbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de natuurlijke potentie van het gebied en zijn omgeving. Het is niet de bedoeling om ingrijpende maatregelen te treffen om een tijdelijk natuurgebied in te richten of te beheren. Hierbij kan de volgende richtlijn worden gebruikt:

  • a.

    Het aanplanten van grassen, gewassen, houtopstanden en dergelijke is landbouw en geen tijdelijke natuur. Ook grote ingrepen om er een tuin- of parkachtig landschap van te maken is geen Tijdelijke Natuur.

  • b.

    Intensieve beweiding, maaien tijdens het groeiseizoen, vaker dan eens per jaar maaien, maaien en klepelen en bestrijding van onkruiden die geen schade aanrichten aan de omgeving zijn ook niet toegestaan.

  • c.

    Minimale ingrepen om biodiversiteit te stimuleren zijn wel mogelijk zoals bijvoorbeeld: het inzaaien van inheemse bloemmengsels, extensief beheren ,als het de biodiversiteit ten goede komt, zoals 1 x per jaar maaien of extensief begrazen ook kunnen evenals ingrepen om pioniers-soorten te lokken zoals het afgraven van de bovenlaag, het aanbrengen van een zandlichaam, het graven van een poel of het aanleggen van een stijlwand. Ook de aanleg van een onverhard wandelpad is mogelijk. Materieel kan op maximaal 5% van het terrein worden opgeslagen.

  • d.

    Opschietende bomen mogen gerooid worden en onkruiden die schadelijk zijn voor de omgeving mogen bestreden worden, bijvoorbeeld distels, jacobskruiskruid en exoten.

 

Onder c

Tijdelijke Natuur is in principe ook gebruiksnatuur. Voor betreding van het terrein kan wel toestemming van de eigenaar nodig zijn. In sommige gevallen, bijvoorbeeld als er sprake is van gevaarlijke situaties, kan afsluiten van het terrein, of een deel daarvan, noodzakelijk zijn. Recreatie mag biodiversiteit, en de ontwikkeling daarvan, niet in de weg staan. Intensief gebruik past niet binnen het concept tijdelijke natuur. Denk hierbij aan het organiseren van evenementen en festivals of het gebruik als tijdelijke parkeerterrein.

 

§ 4 Tegemoetkoming faunaschade

 

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

In artikel 4.1 wordt aangegeven wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Onder kapitaalintensieve teelten worden in ieder geval verstaan de teelt van: bloemen, bloembollen, bomen, graszoden, fruit en hoog salderende groentes. Het gaat bij kapitaalintensieve teelten om teelten die meerdere jaren op een plek staan en/of teelten die per hectare hoge financiële opbrengsten opleveren (hoog salderen). Dit zijn gewassen waar in redelijkheid een grotere inspanning van de grondgebruiker mag worden verlangd om deze gewassen te beschermen. Onder hoofdproduct wordt in ieder geval verstaan een product dat in de Kwantitatieve Informatie Akkerbouw en Vollegrondsgroenteteelt (KWIN) als hoofdproduct wordt genoemd.

 

Artikel 4.2 Taxatie van de schade

Dit artikel regelt in samenhang met de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant de wijze waarop de schade wordt vastgesteld. De uitvoeringsorganisatie BIJ12 heeft een raamovereenkomst met taxatiebureaus die schade veroorzaakt door in het wild levende beschermde dieren taxeren. Voor het uitvoeren van taxaties gelden taxatierichtlijnen die worden gevolgd door de taxateurs.

De taxateur zal zijn bevindingen direct na de eindtaxatie bij de grondgebruiker achter laten of deze zo spoedig mogelijk toesturen. Voorts is voorzien in de mogelijkheid dat de aanvrager zijn opmerkingen over de taxatie kan vermelden, dat de taxateur die opmerkingen van commentaar voorziet en dat de aanvrager kennis kan nemen van het commentaar van de taxateur.

 

Artikel 4.3 Beoordeling van de aanvraag om een tegemoetkoming

In dit artikel is vastgelegd hoe de aanvraag om een tegemoetkoming wordt beoordeeld. Daarbij hebben Gedeputeerde Staten ter invulling van artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming bepaald welke schade in aanmerking wordt genomen. Het gaat hierbij om vraat-, graaf-, wroet- of veegschade. Geen tegemoetkoming wordt bijvoorbeeld verleend voor structuurschade aan gronden doordat natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten die gronden hebben betreden. Verder komen uitsluitend personen die hun hoofdberoep in de landbouw hebben voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Daartoe is besloten op grond van de overweging dat door het hoge beschermingsniveau van de wet bepaalde individuen in de samenleving schade lijden doordat bij de wet natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten schade toebrengen aan gewassen of bepaalde teelten. Als die personen voor wat betreft hun inkomen (mede) afhankelijk zijn van de opbrengsten van die gewassen of die teelten dan achten Gedeputeerde Staten het redelijk dat die personen (gedeeltelijk) voor die schade worden gecompenseerd. Hierbij geldt dat de aanvrager het perceel waarop schade is aangericht op titel van eigendom, erfpacht of (teelt)pachtovereenkomst in gebruik dient te hebben.

 

Vierde en vijfde lid

De wolf heeft een strikt beschermde status waardoor bestrijding verboden is. Om acceptatie van de komst van de wolf in Nederland te bevorderen wordt geen eigen risico gehanteerd. Omdat er tot nu toe sprake is van een enkele zwervende wolf in Nederland wordt schade door de wolf als onvoorzienbaar aangemerkt. Daarom wordt om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen van grondgebruikers niet verlangd dat zij preventieve middelen inzetten om het risico op wolvenschade te verkleinen.

 

Grondgebruikers kunnen een tegemoetkoming aanvragen voor schade aangericht door een zwervende wolf aan zowel landbouwhuisdieren als hobbymatig gehouden schapen en geiten. Zodra er sprake is van een territoriaal wolvenpaar in Nederland vervalt deze aanspraak op een tegemoetkoming met betrekking tot schade aan hobbymatig gehouden schapen en geiten en worden deze leden ingetrokken.

Indien een gehouden schaap of geit verwond is door een wolf en is behandeld door een dierenarts, kan een tegemoetkoming van maximaal 80% van de kosten worden aangevraagd met een maximum van de marktwaarde van het prooidier. Wanneer het prooidier na behandeling door een dierenarts overlijdt, bedraagt de hoogte van de tegemoetkoming maximaal twee keer de marktwaarde: de tegemoetkoming in dierenartskosten en de marktwaarde van het dier.

 

Artikel 4.4 Beperking schade en tegemoetkoming

Eerste lid

Het is van belang dat de grondgebruiker zelf al het mogelijke dat in redelijkheid van hem kan worden verwacht, heeft ondernomen om schade zoveel mogelijk te voorkomen of beperken. BIJ12 heeft daartoe de Handreiking Faunaschade en de Faunaschade Preventie Kit opgesteld en op haar website geplaatst. Daarin worden voor de verschillende schadeveroorzakende diersoorten per gewas maatregelen opgesomd die de grondgebruiker, en soms zijn jachthouder, kan treffen om schade zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Gedeputeerde Staten verlangen niet dat de grondgebruiker alle in de Handreiking en de Faunaschade Preventie Kit opgesomde maatregelen treft, alvorens voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Wel kan in redelijkheid van de grondgebruiker worden gevergd dat hij een aantal van de in de Handreiking voor het betreffende gewas of teelt opgesomde maatregelen heeft getroffen of dat hij andere maatregelen om schade te voorkomen of te beperken heeft getroffen, waarvan de effectiviteit naar het oordeel van Gedeputeerde Staten afdoende wordt onderbouwd. Ter voorkoming van gewenning bij vogels en dieren, dienen de maatregelen gevarieerd te worden aangewend. De taxateur zal bij zijn taxatie de door de grondgebruiker aangewende maatregelen ter voorkoming of beperking van schade in zijn taxatierapport vermelden.

Teneinde innovatieve verjaagmaatregelen te stimuleren bestaat de mogelijkheid ook niet in de Handreiking vermelde verjaagmethoden toe te passen. Wel is het daarbij noodzakelijk dat de grondgebruiker, voordat hij het nieuwe middel gaat uittesten, de verwachte werking schriftelijk motiveert aan de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Eventueel kan de consulent faunazaken van BIJ12 ter plaatse nader onderzoek instellen. Indien BIJ12 de grondgebruiker toestemming verleent het door hem voorgestelde middel te testen, zal de faunabeheereenheid in wiens werkgebied het schadeperceel is gelegen van die toestemming in kennis worden gesteld.

 

Derde lid

Blijkens de wetsgeschiedenis is de grondgebruiker degene die verantwoordelijk is voor het voorkomen en beperken van door in het wild levende beschermde dieren aangerichte schade, met uitzondering van schade veroorzaakt door de vijf bejaagbare soorten. Voor die bejaagbare soorten draagt de jachthouder mede een verantwoordelijkheid. Voor schadeveroorzakende diersoorten dient de grondgebruiker tijdig een ontheffing of toestemming krachtens de artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid, of 3.17, derde lid, van de wet aan te vragen ten behoeve van zijn jachthouder om die diersoorten te doden. Indien Gedeputeerde Staten op voorhand al een ontheffing hebben verleend aan de faunabeheereenheid, kan de grondgebruiker volstaan met het aanvragen van een toestemming bij deze faunabeheereenheid.

Gedeputeerde Staten menen dat het tijdig aanvragen van een ontheffing of toestemming krachtens de artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid, of 3.17, derde lid, van de wet één van de mogelijkheden is om (dreigende) belangrijke landbouwschade te voorkomen of te beperken. Als de grondgebruiker een dergelijke ontheffing of toestemming niet of niet tijdig heeft aangevraagd dan zal in beginsel geen tegemoetkoming worden verleend. Tijdig aanvragen van een ontheffing of toestemming houdt in dat deze uiterlijk op de dag dat de schade van enige omvang is geconstateerd, wordt aangevraagd. Op dat moment wordt immers van de grondgebruiker verwacht dat hij direct actie onderneemt.

Gedeputeerde Staten zullen bezien in welke gevallen het aanvragen van een ontheffing of toestemming krachtens de artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.17, derde lid, van de wet achterwege kan blijven, bijvoorbeeld indien kan worden aangetoond dat afschot van schadeveroorzakende diersoorten nauwelijks of geen effect sorteert op het voorkomen of beperken van de schade door die diersoort of omdat een ontheffing gezien de duurzame instandhouding van de soort ongewenst is.

Wordt een ontheffing verleend dan zal ook de schade die gedurende de behandelingsperiode van de ontheffingsaanvraag, welke ondanks de inspanningen van de grondgebruiker nog is ontstaan, bij de taxatie van de omvang van de schade worden betrokken. Als een ontheffing op inhoudelijke gronden wordt geweigerd, achten Gedeputeerde Staten een tegemoetkoming in de schade op zijn plaats.

Van een verleende ontheffing moet adequaat gebruik worden gemaakt. Dit houdt in dat minimaal twee keer per week verjaging met ondersteunend afschot, of pogingen tot afschot, dient plaats te vinden. Om te kunnen toetsen of er sprake is van adequaat gebruik wordt een aanvrager gevraagd een rapportage van de jachthouder ten aanzien van het gebruik van de ontheffing te overleggen.

 

Artikel 4.5 Hoogte tegemoetkoming

Tweede lid

Het eigen risico is gesteld op 5% van de getaxeerde schade met een minimum van € 250,00 per bedrijf per meldingsjaar. Dit betekent dat een eigen risico van € 250,00 berekend wordt over het totale aantal aanvragen van een grondgebruiker per jaar, tot een bedrag van € 5.000,00 is getaxeerd. Boven dit bedrag zal 5% van de getaxeerde schade als eigen risico berekend worden.

 

Vierde lid

Voor diersoorten welke op geen enkele wijze mogen worden ver- of bejaagd kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de schade volledig te vergoeden.

 

Vijfde lid

Gedeputeerde Staten kunnen ook een verhoogd eigen risico hanteren. Bij het opleggen van een verhoogd eigen risico gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Een verhoogd eigen risico als bedoeld in artikel 4.5, vijfde lid, kan worden opgelegd in de volgende gevallen:

    • a.

      indien door handelingen of keuzes van de grondgebruiker de kans op schade voorzienbaar was;

    • b.

      in overige gevallen waarvan op basis van de feiten en omstandigheden het redelijk is om een verhoogd eigen risico toe te passen.

  • 2.

    Het verhoogde eigen risico kan worden vastgesteld op 25%, 50%, 75% of 100% van de schade en wordt vooraf kenbaar gemaakt.

Het toepassen van een verhoogd eigen risico zal in het algemeen alleen gebeuren bij kapitaalintensieve teelten. In de afweging of aan een individuele grondgebruiker wordt medegedeeld dat in de toekomst een verhoogd eigen risico kan worden opgelegd speelt, onder andere, mee of de schade (telkens) is veroorzaakt op percelen die tijdelijk (één teeltseizoen) in gebruik zijn of op percelen in eigendom of op basis van langjarige contracten in gebruik zijn. In de eerste situatie is ondernemer in staat om zelf een afweging te maken welke voordelen maar ook risico's hij heeft om op een bepaalde plaats percelen te huren en een (schadegevoelig en/of kapitaalintensief) gewas te telen. Dit moet voor de grondgebruiker een aanleiding vormen om een risico inschatting (rendement versus kans op schade) te maken. Het risico op schade kan hij dan niet vervolgens (onbeperkt) afschuiven op de provincie, omdat hij dit risico zelf willens en wetens heeft genomen.

 

Zesde lid

Om de administratieve lasten te beperken worden tegemoetkomingen die lager zijn dan € 50,00 niet uitgekeerd.

 

Artikel 4.6 Gevallen waarin geen tegemoetkoming wordt verleend

Eerste lid

Artikel 6.1 van de wet bevat het uitgangspunt dat een tegemoetkoming slechts wordt verleend voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van een belanghebbende behoort te blijven. In dit artikel is een aantal gevallen vastgesteld waarvoor Gedeputeerde Staten geen tegemoetkoming verlenen. Deze gevallen sluiten aan bij de voorzieningen die de wet en de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant bieden om schade te voorkomen of te beperken.

Voor schade aangericht door diersoorten waarvoor het gehele jaar voor zowel grondgebruiker als jachthouder voldoende mogelijkheden bestaan om schade aan de landbouw door die diersoorten te voorkomen dan wel te beperken, wordt geen tegemoetkoming verleend. Er kan sprake zijn van provinciale vrijstellingen waarin voorwaarden, beperkingen of clausules zijn opgenomen met betrekking tot schadebestrijding. Van dergelijke vrijstellingen kan gezegd worden dat zij in de praktijk hetzelfde werken als een ontheffing gebaseerd op de artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid, of 3.17, eerste lid van de wet. Gedeputeerde Staten behandelen dergelijke vrijstellingen in het kader van beleidsregels daarom als ware het ontheffingen.

Geen tegemoetkoming wordt verleend indien er sprake is van een ontheffing, op basis van de artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid, of 3.17, eerste lid van de wet, zonder voorwaarden, beperkingen of clausules ten aanzien van de schadebestrijding. Een dergelijke ontheffing is qua werking in de praktijk vergelijkbaar en daarom beleidsmatig gelijk te stellen aan een vrijstelling.

Schade veroorzaakt door diersoorten op gronden die zijn gelegen binnen de bebouwde kom of binnen een straal van 500 meter afstand van een vuilstortplaats, komt evenmin voor een tegemoetkoming in aanmerking. Binnen de bebouwde kom kan de grondgebruiker voorzien dat bepaalde maatregelen om schade te voorkomen of te beperken niet mogen worden aangewend. In geval van een vuilstortplaats is de aanwezigheid van schadeveroorzakende dieren voorzienbaar.

Evenmin wordt schade vergoed aan materialen welke worden gebruikt om gewassen af te dekken om daarmee een vroegere en naar verwachting hogere opbrengst te krijgen. Het risico van die schade dient voor rekening van de grondgebruiker te blijven. Eventuele schade dient gecompenseerd te worden geacht door een hogere opbrengst voor het betreffende gewas. Wordt die hogere opbrengst niet gerealiseerd, dan is dat ondernemersrisico.

Schade welke in redelijkheid verzekerbaar is bij minimaal twee in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Schade aangericht op gronden die verpacht zijn in een reservaat dient niet voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Dit geldt ook voor schade op gronden waarvoor een (erf)pachtovereenkomst met een natuurterreinbeherende instantie is afgesloten, al ligt dit anders als er geen beperkingen aan het landbouwkundig gebruik van de gronden zijn verbonden. Bij landbouwkundige beperkingen gaat het bijvoorbeeld om de situatie waarin het agrarisch gebruik van de gronden ondergeschikt is aan het natuurbeheer. Hetzelfde dient te gelden voor die gronden waarvoor met anderen dan een natuurterreinbeherende instantie een (erf)pachtovereenkomst is afgesloten en indien uit deze overeenkomst beperkingen ten aanzien van het landbouwkundig gebruik of beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schade volgen. Dit kan blijken uit de (erf)pachtovereenkomst of uit de bestemming die op de percelen berust.

Het gaat in die zin in artikel 4.6, onder l, om die gevallen waarbij schade of is te verwachten, of niet (of minder) is te beperken, of waar het landbouwkundig gebruik ondergeschikt is gemaakt aan natuurdoelstellingen en dit consequenties zijn van een bedrijfskeuze door het aangaan van een dergelijke (erf)pachtovereenkomst.

Schade op gronden waarvan het feitelijk gebruik niet agrarisch is of op gronden die een functie als waterkering hebben, komt evenmin in aanmerking voor een tegemoetkoming. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om schade aan sport- en golfvelden of op zeedijken die door schapen worden begraasd. Reden hiervoor is dat op die gronden geen sprake is van normale agrarische productie en dat de kans op schade door natuurlijk in het wilde levende beschermde diersoorten op die gronden voorzienbaar is, dan wel dat de grondgebruiker zelf zich bij overeenkomst heeft verbonden bepaalde schadebestrijdingsmaatregelen niet toe te passen. Gedeputeerde Staten achten het redelijk dat de schade in dergelijke gevallen tot het ondernemersrisico behoort en dat de grondgebruiker daarvoor niet wordt gecompenseerd.

Geen tegemoetkoming wordt verleend als op de betreffende gronden beperkingen rusten ten aanzien van het landbouwkundig gebruik of ten aanzien van de schadebestrijding. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een braakliggend terrein dat een grondgebruiker tijdelijk om niet gebruikt.

Geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de schade aan blijvend grasland in de maand oktober. Evenmin wordt een tegemoetkoming verstrekt voor de schade aan blijvend grasland in de herfst- en winterperiode bestemd voor de voederwinning van schapen.

Indien de schade is aangericht aan knol-, bol- en wortelgewassen, die langer dan gebruikelijk op het land hebben gestaan en daarom ook later dan gebruikelijk worden geoogst, komt deze niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. Als de aanvrager het risico neemt om de gewassen langer dan gebruikelijk op het land te laten staan, stijgt de kans dat dieren schade aan de gewassen toebrengen. De mogelijkheden om te foerageren nemen elders immers af. Tevens wordt het kwaliteitsverlies bij deze gewassen later in het seizoen door nattigheid en vorst steeds groter. De verhoogde kans op schade die dit oplevert, dient voor rekening van de grondgebruiker te blijven. Dit is anders bij bloembollen en bij onderdekkersteelten, waarbij de gewassen juist in de wintermaanden worden geteeld en waarbij de gewassen met bijvoorbeeld stro of plastic worden afgedekt. Verder wordt geen tegemoetkoming verstrekt voor schade aangericht aan bijproducten. Voorbeelden van bijproducten zijn stro (bij het hoofdproduct granen en peulvruchten) en hooi (bij het hoofdproduct graszaad).

Schade aan gebouwen, installaties en voertuigen etc. wordt niet vergoed. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om schade ten gevolge van aanrijdingen of aanvaringen met beschermde vogels en dieren.

Schade door beschermde vogels en dieren aan dieren in een stal komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Alvorens een schadeveroorzakende diersoort de stal of het gebouw bereikt, kunnen er voldoende barrières opgeworpen worden om de schade te voorkomen. Bovendien zijn stallen en andere bouwwerken af te sluiten en is het voor rekening van een grondgebruiker indien dit niet goed gebeurt.

Daarnaast is bepaald dat indien de aanvrager handelingen verricht of nalaat handelingen te verrichten waardoor de taxateur niet (meer) in staat is de omvang van de schade te taxeren, de aanvrager zijn aanspraak op een tegemoetkoming verliest.

Een tegemoetkoming wordt ook niet verleend in de gevallen dat de grondgebruiker het gewas niet meer oogst of dat het beschadigde perceel niet meer in gebruik wordt genomen en dit (mede) het gevolg is van andere omstandigheden dan schade door beschermde vogels en dieren. Voorbeelden zijn het niet oogsten maar onderploegen van gewassen of het niet meer beweiden van grasland met vee vanwege natte omstandigheden.

Schade veroorzaakt door ziektekiemen valt niet onder de reikwijdte van artikel 6.1 van de wet. Vaak zal het causale verband tussen een ziekte en de aanwezigheid van een beschermde diersoort niet aanwezig zijn of (achteraf) te bepalen zijn. Voor de duidelijkheid is besloten om in de beleidsregels de uitsluiting van ziekte voor tegemoetkomingen op te nemen.

Dit artikel bevat geen limitatieve opsomming van situaties waarin geen tegemoetkoming wordt verleend. In dit verband geldt dat in deze paragraaf niet op voorhand alle (toekomstige) situaties kunnen worden benoemd waarin de schade voor rekening van de aanvrager behoort te blijven. Uit artikel 6.1 van de wet vloeit voort dat een tegemoetkoming alleen wordt verstrekt als de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de aanvrager behoort te blijven. Het is dan ook niet met de wet te verenigen dat Gedeputeerde Staten een tegemoetkoming zouden verstrekken voor schade die ten laste van de aanvrager behoort te blijven. In deze paragraaf is dit uitgangspunt expliciet vastgelegd.

Ten slotte geldt dat Gedeputeerde Staten zijn gehouden aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedeputeerde Staten handelen overeenkomstig deze beleidsregel, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze paragraaf te dienen doelen.

 

Tweede lid

Sinds 31 juli 2014 hanteerde het Faunafonds op verzoek van de provincies een afbouwregeling ten aanzien van tegemoetkomingen in vogelschade aan zacht fruit en pit- en steenvruchten. Deze voorzag in een tegemoetkoming van 30% van de getaxeerde schade in 2016. Omdat deze paragraaf van kracht is op de op het moment van inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming lopende aanvragen en bezwaarprocedures, is in dit lid de regeling voor 2016 opgenomen in het kader van een beleidsneutrale overgang. De vanaf 1 januari 2017 veroorzaakte schade door vogels aan fruit komt niet meer voor een tegemoetkoming in aanmerking. Het hoge risico op deze schade is algemeen bekend bij ondernemers. Desondanks zijn de arealen van zeer schadegevoelige fruitsoorten uitgebreid, waarmee bewust risico op schade is genomen. Het is de keuze van de ondernemer en niet de beperkingen van de overheid die tot de schade leiden.

 

§ 5 Houtopstanden

 

Artikel 5.2 Ontheffing vellingstermijn

Dit artikel is niet bedoeld om niet goed geplande werkzaamheden toch uit te kunnen voeren. Initiatiefnemers worden geacht planmatig beheer uit te voeren en vellingswerkzaamheden goed te plannen.

 

Onder a

Hierbij valt te denken aan noodvellingen na storm of ijzel of vellingen om boomziekten tegen te gaan (fytosanitaire maatregelen).

 

Onder b

Hierbij kan gedacht worden aan zeer natte omstandigheden, waarbij slechts bij droogte of zware vorst een terrein te betreden is.

 

Artikel 5.3 Opleggen velverbod

Nadrukkelijk wordt gesteld dat het velverbod géén instrument is om uitvoering van andere ruimtelijke besluiten te beïnvloeden.

 

Onder a

Hierbij wordt een richtlijn gehanteerd van een oppervlakte van 5 hectare of indien het meer dan 40% van de totale oppervlakte van de houtopstand of boskern betreft.

 

Onder b

Een harde leeftijdsgrens is hierbij niet te geven want dat varieert per soort, een populier kan bij 80 jaar al oud zijn, een inlandse eik kan veel ouder worden.

 

 

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

de voorzitter

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris

mw. ir. A.M. Burger

Vragen over regelingen?

Contacten (2)

Open Links Sluit Links