Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingRegeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent subsidie ter behoud van cultureel erfgoed (Subsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant 2016)
CiteertitelSubsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant 2016
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpcultuur, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/Noord-Brabant/275924/CVDR275924_3.html

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

09-07-2019aanhef, artikel 1.1, 1.5, 1.6, 1.9, 1.10, 1.11, 1.12, 1.13, 1.14, 1.16, 2.5, 3.5, 3.8, 3.9, 3.11, 3.13, 3.14

18-06-2019

prb-2019-4866

C2247837/4544863
27-02-201909-07-2019paragraaf 5, 6, artikel 2.6, 2.8, 2.9, 5.1, 5.2, 5.3, 5.4, 5.5, 5.6, 5.7, 5.8, 5.9, 5.10, 5.11, 5.12, 5.13, 5.14, 5.15, 5.16, 6.1, 6.2, 6.3, 6.4

19-02-2019

prb-2019-1385

C2239736/ 4479686
08-11-201827-02-2019paragraaf 4, 5, artikel 4.1, 4.2, 4.3, 4.4, 4.5, 4.6, 4.7, 4.8, 4.9, 4.10, 4.11, 4.12, 4.13, 4.14, 5.1, 5.2, 5.3, 5.4

30-10-2018

prb-2018-8266

C2233601/4429720
01-06-201808-11-2018artikel 1.5, 1.6, 1.8, 1.9, 1.10, 1.12, 1.13, 2.2, 2.5, 2.8, 2.9, 3.1, 3.4, 3.6, 3.7, 3.8, 3.9, 3.10

22-05-2018

prb-2018-3982

C2226255/4356813
01-02-201823-06-201701-06-2018artikel 1.10

23-01-2018

prb-2018-819

4304459
23-06-201701-02-2018artikel 1.6, 1.9, 1.10, 1.12, 1.13, 2.8, 2.9, 3.6, 3.8

13-06-2017

prb-2017-2738

C2209216/4194709
21-07-201623-06-2017nieuwe regeling

19-07-2016

Provinciaal blad 2016, 113

4006891

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent subsidie ter behoud van cultureel erfgoed (Subsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant 2016)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op 7 april 2009 de Subsidieregeling Cultureel Erfgoed hebben vastgesteld om het Brabants erfgoed voor de toekomst te bewaren en voor het publiek beleefbaar en bereikbaar te maken.

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op 13 november 2015 het “Beleidskader erfgoed 2016 -2020, De (verbeeldings)kracht van Erfgoed”, hebben vastgesteld;

 

Overwegende dat dat nieuwe beleidskader leidt tot diverse wijzigingen en Gedeputeerde Staten derhalve een nieuwe aanbouwregeling voor cultureel erfgoed wensen vast te stellen;

 

Overwegende dat paragraaf 1 in die aanbouwregeling is gericht op een sobere en doelmatige restauratie van religieus erfgoed, militair erfgoed, industrieel erfgoed en landgoederen en kastelen;

 

Overwegende dat paragraaf 2 zich richt op het behoud van eco-archeologische waarden, omdat het behoud van eco-archeologische waarden en het behoud van informatie van en uit eco-archeologische waarden die zich buiten het archeologische bodemarchief bevinden in de provincie Noord-Brabant een bijdrage leveren aan de kennis over het klimaat, de flora en fauna en het menselijk handelen in het verleden in Noordwest Europa in het algemeen en in Brabant in het bijzonder en dat deze bron van kennis en daarmee deze kennis zonder financiële bijdrage ongezien vernietigd zou worden door ruimtelijke ontwikkelingen;

 

Overwegende dat paragraaf 3 ziet op de instandhouding van monumentale molens in Noord-Brabant, aangezien molens bijdragen aan een hoogwaardige leefomgeving, waar het aantrekkelijk wonen is en bedrijven zich graag willen vestigen;

 

Overwegende dat paragraaf 4 stimulering van onderzoek naar de herbestemming van monumenten betreft;

 

Overwegende dat paragraaf 5 zich richt op musea in de zin van het structureel vernieuwen van de manier van het tonen van de collectie, het realiseren van een toekomstbestendige publieksactiviteit en samenwerking tussen musea en andere instellingen;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten in de paragrafen 1 Restauratie van rijksmonumenten en 5 Musea, in het kader van rechtvaardiging van staatssteun, artikel 1, juncto artikel 53, van de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014 (Algemene groepsvrijstellingsverordening) van toepassing verklaren;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten van oordeel zijn dat de activiteiten in paragraaf 2 Eco-archeologisch onderzoek geen economische activiteiten betreffen en staatssteun derhalve niet aan de orde is;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten in de paragrafen 3 Instandhouding molens en 4 Vouchers onderzoek herbestemming monumenten, in het kader van rechtvaardiging van staatssteun, Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (De-minimisverordening) van toepassing verklaren;

 

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§1 Restauratie van rijksmonumenten

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    AGVV: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;

  • b.

    Asv: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

  • c.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • d.

    erfgoed: zaken die mensen waarderen, zich mee identificeren en willen bewaren voor toekomstige generaties;

  • e.

    industrieel erfgoed: erfgoed ten behoeve van de dagelijkse arbeid in de vorm van fabrieksgebouwen, bruggen, sluizen of molens en alle andere materiële sporen van de industriële maatschappij;

  • f.

    kasteel: erfgoed in de vorm van een zelfstandig versterkt bouwwerk, dat in oorsprong zowel bewoonbaar als verdedigbaar was;

  • g.

    landgoed: erfgoed in de vorm van een gebied van meerdere hectares, met landerijen en tuinen, waar een buitenplaats, landhuis of kasteel op voorkomt;

  • h.

    militair erfgoed: erfgoed in de vorm van forten, kazematten, bunkers, beveiligde onderkomens uit de Koude Oorlog, inundatievoorzieningen;

  • i.

    ontwikkel- en investeringsprogramma de Erfgoedfabriek: programma waarmee de provincie Noord-Brabant iconische erfgoedcomplexen nieuw leven in blaast;

  • j.

    religieus erfgoed: erfgoed in de vorm van monumentale kerken, synagogen, kloosters, kapellen, abdijen, devotiekapellen en andere gebouwde uitingen van het religieuze leven of hun interieur;

  • k.

    restauratie: handeling die nodig is om het onroerend erfgoed duurzaam, sober en doelmatig in stand te houden ten behoeve van een stabiele, maatschappelijk verantwoorde of duurzame functie;

  • l.

    rijksmonument: onroerend monument dat op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 als beschermd monument is aangewezen;

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

     rechtspersonen;

  • b.

     natuurlijke personen.

Artikel 1.3 Subsidievorm

  • 1

     Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidie.

  • 2

     Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de restauratie van:

  • a.

     religieus erfgoed;

  • b.

     militair erfgoed;

  • c.

     industrieel erfgoed;

  • d.

     kastelen en landgoederen.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    in de periode genoemd in artikel 1.9 door de subsidieaanvrager reeds subsidie is aangevraagd op grond van deze subsidieregeling;

  • b.

    voor het project reeds subsidie is verstrekt op grond van een andere provinciale subsidieregeling, tenzij subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling buurtfonds Noord-Brabant;

  • c.

    de subsidieaanvrager reeds is begonnen met de uitvoering van het project;

  • d.

    de subsidieaanvrager voor het project reeds financiering heeft of zal ontvangen op grond van het ontwikkel- en investeringsprogramma de Erfgoedfabriek;

  • e.

    voor het project reeds subsidie is ontvangen op grond van de Subsidieregeling instandhouding monumenten;

  • f.

    de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan €150.000;

  • g.

    de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert als bedoeld in artikel 2, onder punt 18, van de AGVV;

  • h.

    ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de AGVV.

Artikel 1.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project is gericht op een rijksmonument;

  • b.

    het project is gericht op de restauratie van:

    • 1°.

      religieus erfgoed;

    • 2°.

      militair erfgoed;

    • 3°.

      industrieel erfgoed; of,

    • 4°.

      kastelen of landgoederen;

  • c.

    het rijksmonument is gelegen in de provincie Noord-Brabant;

  • d.

    de aanvrager heeft het recht van eigendom van het rijksmonument;

  • e.

    voor het rijksmonument is reeds aantoonbaar:

    • 1°.

      een realistische en duurzame bestemming vastgesteld; of,

    • 2°.

      een realistisch plan opgesteld om het duurzaam te bestemmen;

  • f.

    de subsidieaanvrager overlegt een restauratieplan met betrekking tot het rijksmonument, met daarin opgenomen:

    • 1°.

      een overzicht van de te verrichten werkzaamheden;

    • 2°.

      de huidige toestand, inclusief de gebreken;

    • 3°.

      een bestek;

  • g.

    uit het restauratieplan, bedoeld onder f, blijkt tevens dat de restauratie er op is gericht:

    • 1°.

      de omvang van de ingreep zo veel mogelijk te beperken;

    • 2°.

      de oorzaak van de ontstane schade weg te nemen;

    • 3°.

      eerdere uitgevoerde restauraties met respect te behandelen;

  • h.

    het bestek, bedoeld in onderdeel f, onder 3, is opgesteld conform een algemeen erkende berekeningssystematiek;

  • i.

    de staat van het rijksmonument is niet langer dan 2 jaar geleden geïnspecteerd door de Monumentenwacht Noord-Brabant, blijkend uit een inspectierapport;

  • j.

    het project omvat activiteiten die niet zijn vrijgesteld van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.5 a jo artikel 3a, eerste lid, van bijlage II Besluit omgevingsrecht, blijkend uit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • k.

    het project is erop gericht dat het rijksmonument binnen een jaar na afronding van het project in gebruik wordt genomen, volgens de bestemming, opgenomen in het projectplan;

  • l.

    de subsidieaanvrager communiceert over het project, blijkend uit een communicatieplan;

  • m.

    aan het project ligt een projectplan ten grondslag, waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1°.

      op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

      een sluitende begroting.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie in aanmerking de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die als subsidiabel zijn aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten 2013, die als bijlage is opgenomen bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten van het Rijk.

Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.7 komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die als niet subsidiabel zijn aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten 2013, die als bijlage is opgenomen bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten van het Rijk.

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend in de tenderperiode van 1 oktober 2019 tot en met 12 december 2019.

Artikel 1.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode genoemd in artikel 1.9, vast op € 4.000.000.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

  • 1

     De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, bedraagt 70% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van €400.000.

  • 2

     Indien toepassing van het 1e lid tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan €150.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 1.12 Verdeelcriteria

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2.

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is geldt, voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

  • 4.

    De loting vindt plaats middels trekking in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 5.

    De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris.

  • 6.

    De eerst getrokken aanvraag wordt als hoogste gerangschikt.

  • 7.

    De hoogst gerangschikte aanvraag komt het eerst in aanmerking voor subsidie.

  • 8.

    Subsidie wordt verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden

Artikel 1.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    de subsidieontvanger neemt contact op met de Stichting Behoud Monumenten Brabant met de vraag of het project in aanmerking komt voor deelname aan het Restauratie opleidingsplan Zuid;

  • b.

    de subsidieontvanger nodigt de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed uit aanwezig te zijn bij de eerste bouwvergadering ten behoeve van de restauratie;

  • c.

    het project wordt afgerond voor 1 juli 2021;

  • d.

    het rijksmonument wordt binnen een jaar na afronding van het project in gebruik genomen volgens de bestemming, opgenomen in het projectplan;

  • e.

    de subsidieontvanger documenteert de verrichte werkzaamheden;

  • f.

    de subsidieaanvrager verzorgt ten minste een publicatie in een regionaal beschikbaar medium over de uitvoering van het project;

  • g.

    de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • h.

    de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 1.14 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

  • a.

    een activiteitenverslag;

  • b.

    een financieel verslag als bedoeld in artikel 22, zesde lid, onderdeel a, onder 1, van de Asv;

  • c.

    een controleverklaring als bedoeld in artikel 22, zesde lid, onderdeel a, onder 2, van de Asv.

Artikel 1.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1

     Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2

     Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt in een keer betaald.

Artikel 1.16 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2023 aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze paragraaf in de praktijk.

 

§ 2 Eco-archeologisch onderzoek

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     C14-dateringsonderzoek: radiometrische datering waarmee de ouderdom van organisch materiaal wordt bepaald met behulp van koolstof-14 isotopen;

  • b.

     conservering: combinatie van maatregelen en handelingen, die nodig is voor de consolidatie van een archeologisch object en het tegengaan van geconstateerd verval of het verhinderen van te verwachten verval van een archeologisch object;

  • c.

     eco-archeologische waarden: archeologische waarden van flora en fauna die goed bewaard zijn gebleven en kwetsbaar zijn;

  • d.

     OSL: Optically Stimulated Luminescence;

  • e.

     OSL-dateringsonderzoek: methode van onderzoek waarmee bepaald wordt hoe lang het geleden is dat een object verdwenen is onder de grond;

  • f.

     programma van eisen: document waarin onderzoekseisen worden opgelegd aan een initiatiefnemer van een ruimtelijk project die voldoen aan de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie zoals uitgegeven door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer te Gouda;

  • g.

     ruimtelijk project; natuurproject, waterproject of een ander ruimtelijk project;

  • h.

     specialistisch eco-archeologisch onderzoek: onderzoek van plantaardige en dierlijke overblijfselen en van textiel uit archeologische context, dendrochronologie, C14-dateringsonderzoek, isotopenonderzoek en OSL-dateringsonderzoek.

Artikel 2.2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

     waterschappen;

  • b.

     gemeenten;

  • c.

    Staatsbosbeheer, stichting Ons Brabants Landschap en Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland;

  • d.

     universiteiten;

  • e.

     erkende wetenschappelijke instituten;

  • f.

     organisaties die specialistisch eco-archeologisch onderzoek uitvoeren.

Artikel 2.3 Subsidievorm

  • 1

     Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2

     Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

     het uitvoeren van specialistische eco-archeologisch onderzoek;

  • b.

     het conserveren van eco-archeologische waarden.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het project menselijke skeletonderdelen betreft;

  • b.

    de uitvoering van het project of een onderdeel ervan door het bevoegd gezag verplicht is gesteld aan de initiatiefnemer van een ruimtelijk project;

  • c.

    het bevoegd gezag het project redelijkerwijze had kunnen voorzien en dit had moeten opnemen in een programma van eisen van het archeologisch onderzoek, dat is uitgevoerd in verband met een ruimtelijk project, van na 31 augustus 2007;

Artikel 2.6 Subsidievereisten

  • 1

     Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project is gericht op:

      • 1°.

         eco-archeologische waarden gevonden in de provincie Noord-Brabant; en,

      • 2°.

         het behoud van eco-archeologische waarden; of

      • 3°.

         het behoud van informatie van of uit eco-archeologische waarden en draagt aantoonbaar bij aan de kennis over het klimaat, de flora en fauna, en het menselijk handelen in het verleden;

    • b.

       het project wordt uitgevoerd in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

    • c.

       het project komt voort uit een ruimtelijk project;

    • d.

       aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

         een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

         een sluitende begroting, in kalenderjaren uitgesplitst.

  • 2

     Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       de opdrachtgever of initiatiefnemer van het ruimtelijk project is:

      • 1°.

         een waterschap;

      • 2°.

         een gemeente; of

      • 3°.

         een terreinbeherende instantie;

    • b.

       het specialistische eco-archeologische onderzoek wordt uitgevoerd door een afgestudeerd academicus;

    • c.

       de academicus, bedoeld onder b, is verbonden aan:

      • 1°.

         een universiteit;

      • 2°.

         een erkend wetenschappelijk instituut; of

      • 3°.

         een organisatie die specialistisch eco-archeologisch onderzoek uitvoert;

    • d.

       aan het project ligt een onderzoeksplan ten grondslag.

  • 3

     Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het conserveren van eco-archeologische waarden wordt uitgevoerd door een persoon die verbonden is aan een organisatie gespecialiseerd in de conservering van organische materialen;

    • b.

       aan het project ligt een conserveringsplan ten grondslag.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten voor het project voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen kunnen van 28 februari 2019 tot en met 30 oktober 2019 worden ingediend.

Artikel 2.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, voor de periode genoemd in artikel 2.8, vast op € 33.628.

Artikel 2.10 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, bedraagt ten hoogste € 24.500.

Artikel 2.11 Verdeelcriteria

  • 1

     Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2

     Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3

     Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van de percentuele hoogte van de eigen bijdrage en die van derden, waarbij een hoger percentage voorgaat op een lager percentage.

  • 4

     Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald op basis van de hoogste eigen bijdrage in absolute zin, waarbij een hogere bijdrage voorgaat op een lagere bijdrage.

  • 5

     Indien toepassing van het vierde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 2.12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de verplichting dat het project uiterlijk twee jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening is gerealiseerd.

Artikel 2.13 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

  • a.

     een activiteitenverslag;

  • b.

     beeld- of geluidsmateriaal.

§ 3 Instandhouding molens

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    Sim: Subsidieregeling instandhouding monumenten;

  • b.

     inspectierapport: rapport met overzichts- en detailfoto’s, waaruit de technische staat van de molen nauwkeurig blijkt en waarmee de noodzaak van de ingrepen voldoende wordt onderbouwd;

  • c.

     instandhouding: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde;

  • d.

     molen: al dan niet meer voor de oorspronkelijke functie in bedrijf zijnde wind- of watermolen of molenrestant.

Artikel 3.2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

     natuurlijke personen;

  • b.

     rechtspersonen.

Artikel 3.3 Subsidievorm

  • 1

     Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2

     Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 3.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de instandhouding van molens.

Artikel 3.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien aan de subsidieaanvrager door Gedeputeerde Staten reeds eerder subsidie is verstrekt voor de instandhouding van de molen voor een of meerdere kalenderjaren van het instandhoudingsplan.

Artikel 3.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de molen is gelegen binnen het grondgebied van de provincie Noord-Brabant;

  • b.

    de molen is aangewezen als een rijksmonument;

  • c.

    de subsidieaanvrager beschikt over de beschikking van het Rijk, strekkende tot subsidieverlening op grond van de Sim voor de betreffende molen, inclusief bijlagen inzake het vaststellen van de subsidiabele kosten;

  • d.

    aan het project ligt een door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geaccordeerd instandhoudingsplan ten grondslag, dat betrekking heeft op de periode 2018-2023 en waarin in ieder geval zijn opgenomen:

    • 1°.

      een specificatie van de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden;

    • 2°.

      een omschrijving van de hiermee beoogde resultaten;

    • 3°.

      een actueel inspectierapport dat uiterlijk is opgesteld twee jaar voorafgaand aan de periode van het instandhoudingsplan;

    • 4°.

      een sluitende meerjarenbegroting waarin wordt aangegeven in welk jaar de onderscheiden werkzaamheden worden verricht.

Artikel 3.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4, de door het Rijk bij beschikking strekkende tot subsidieverlening op grond van de Sim voor de betreffende molen vastgestelde totale subsidiabele kosten, voor subsidie in aanmerking.

Artikel 3.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 9 juli tot en met 12 december 2019.

Artikel 3.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 3.4, voor de periode genoemd in artikel 3.8 vast op €380.000.

Artikel 3.10 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.4, bedraagt 20% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 10.000.

Artikel 3.11 Verdeelcriteria

  • 1

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is geldt, voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

  • 4.

    De loting vindt plaats middels trekking in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers

  • 5.

    De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris

  • 6.

    De eerst getrokken aanvraag, wordt als hoogste gerangschikt

  • 7.

    De hoogst gerangschikte aanvraag komt het eerst in aanmerking voor subsidie

  • 8.

    Subsidie wordt verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden

Artikel 3.12 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van een activiteitenverslag.

Artikel 3.13 Bevoorschotting en betaling

  • 1.

    Bij subsidies tot €25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag overeenkomstig artikel 23, tweede lid van de Asv.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten betalen het voorschot, bedoeld in het eerste lid, in een keer, overeenkomstig artikel 23, derde lid van de Asv.

Artikel 3.14 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2023 aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze paragraaf in de praktijk.

§ 4 Vouchers onderzoek herbestemming monumenten

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    Asv: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

  • b.

    businesscase: vierde fase in het onderzoek naar herbestemming, als omschreven in bijlage 1;

  • c.

    concept: derde fase in het onderzoek naar herbestemming, als omschreven in bijlage 1;

  • d.

    de-minimis steun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de de-minimis verordening;

  • e.

    de-minimis verordening: Verordening 1407/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 (PBEU 2013 L352/1);

  • f.

    gemeentelijk monument: gebouw of complex van gebouwen dat als monument is aangewezen bij gemeentelijke verordening;

  • g.

    haalbaarheidsonderzoek: tweede fase in het onderzoek naar herbestemming, als omschreven in bijlage 1;

  • h.

    herbestemming: de bestaande bestemming van een monument wijzigen dan wel een nieuwe bestemming geven of toevoegen aan de bestaande bestemming;

  • i.

    initiatiefnemer: publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon;

  • j.

    onderzoek: het laten uitvoeren van een gefaseerd onderzoek naar de mogelijkheden tot herbestemming van een rijksmonument of gemeentelijk monument;

  • k.

    plan van aanpak: eerste fase in het onderzoek naar herbestemming, als omschreven in bijlage 1;

  • l.

    rijksmonument: gebouw of complex van gebouwen dat als monument is ingeschreven in het rijksmonumentenregister, als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet;

  • m.

    woonhuis: monument dat in oorsprong is vervaardigd voor bewoning of dat voor meer dan de helft van de oppervlakte voor bewoning in gebruik is, tenzij het deel uitmaakt van een geregistreerd museum, kerkgebouw, kasteel, paleis, hoofdhuis van een buitenplaats, landhuis, gebouw van liefdadigheid, molen, gemaal, agrarisch gebouw of watertoren.

Artikel 4.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

    een eigenaar van een rijksmonument of een gemeentelijk monument;

  • b.

    een rechtspersoon.

Artikel 4.3 Subsidievorm

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2.

    Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 4.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor het laten uitvoeren van onderzoek naar een herbestemming van een rijksmonument of gemeentelijk monument niet zijnde een woonhuis, welk onderzoek bestaat uit een van de volgende fases:

  • a.

    het ontwikkelen van een plan van aanpak;

  • b.

    het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek;

  • c.

    het ontwikkelen van een concept;

  • d.

    het opstellen van een businesscase.

Artikel 4.5 Weigeringsgronden

  • 1.

    Subsidie wordt geweigerd indien:

    • a.

      reeds voor indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project;

    • b.

      reeds eerder subsidie is verleend op grond van deze of een andere provinciale subsidieregeling voor hetzelfde project met betrekking tot hetzelfde monument;

    • c.

      aanvrager reeds € 15.000 aan subsidie heeft ontvangen op grond van deze paragraaf voor activiteiten genoemd in artikel 4.4;

    • d.

      het project niet de instemming heeft van de eigenaar van het monument waarop het onderzoek betrekking heeft;

    • e.

      het monument een woonhuis is.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, wordt een subsidie voor het laten uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek als bedoeld in artikel 4.4, onder b, geweigerd indien in de afgelopen vijf jaar op grond van een rijkssubsidieregeling reeds subsidie is verleend voor het laten uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek voor hetzelfde monument.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid, onder c, wordt indien het monument waarop de aanvraag betrekking heeft, bestaat uit een complex van monumentale gebouwen, subsidie geweigerd indien reeds € 45.000 aan steun is verleend op grond van deze regeling voor activiteiten genoemd in artikel 4.4.

Artikel 4.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project richt zich op een van de volgende fases van onderzoek naar een herbestemming:

    • 1°.

       het ontwikkelen van een plan van aanpak;

    • 2°.

       het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek

    • 3°.

       het ontwikkelen van een concept;

    • 4°.

       het opstellen van een businesscase.

  • b.

    het project heeft betrekking op een rijksmonument of een gemeentelijk monument;

  • c.

    het monument is gelegen in de provincie Noord-Brabant;

  • d.

    de subsidieaanvrager is:

    • 1°.

      eigenaar van het monument; of

    • 2°.

      een initiatiefnemer die zich ten doel heeft gesteld herbestemming van het monument mogelijk te maken;

  • e.

    het project wordt uitgevoerd door een daartoe deskundige derde;

  • f.

    aan het project ligt een projectbeschrijving ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1°.

      de resultaten van het onderzoek van de voorafgaande fases, als bedoeld onder e en in bijlage 1;

    • 2°.

      een offerte voor de uitvoering van het project van de door de aanvrager geselecteerde deskundige;

    • 3°.

      een sluitende en realistische projectbegroting.

Artikel 4.7 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 6 november 2018 tot en met 31 januari 2020.

Artikel 4.8 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode genoemd in artikel 4.7 vast op € 300.000.

Artikel 4.9 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 4.4, bedraagt € 5.000.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, wordt maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat over een periode van drie belastingjaren het plafond voor de-minimis steun niet wordt overschreden.

Artikel 4.10 Verdeelcriteria

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2.

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking als bedoeld in het eerste lid, de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 4.

    De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen worden gerangschikt in volgorde van trekking.

  • 5.

    De subsidie wordt verdeeld in de volgorde van trekking zoals door loting is bepaald.

Artikel 4.11 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het project wordt binnen zes maanden na verlening van de subsidie afgerond;

  • b.

    de subsidieontvanger zendt na afronding van het project een exemplaar van het onderzoeksrapport ter informatie aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 4.12 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een activiteitenverslag.

Artikel 4.13 Bevoorschotting en betaling

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag overeenkomstig artikel 23, tweede lid van de Asv.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten betalen het voorschot, bedoeld in het eerste lid, in een keer, overeenkomstig artikel 23, derde lid van de Asv.

Artikel 4.14 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2020 aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze regeling in de praktijk.

§ 5 Musea

Artikel 5.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    Algemene Groepsvrijstellingsverordening: Verordening 651/2014 van de Europese Commissie van 17 juni 2014 (PBEU 2014 L187/1);

  • b.

    Asv: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

  • c.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 5.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door rechtspersonen.

Artikel 5.3 Subsidievorm

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidie.

  • 2.

    Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 5.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    het structureel vernieuwen van de manier van het tonen van de collectie;

  • b.

    het realiseren van een toekomstbestendige publieksactiviteit;

  • c.

    samenwerking.

Artikel 5.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    reeds voor 1 januari 2019 begonnen is met de uitvoering van het project;

  • b.

    de aanvrager reeds in 2018  een begrotingssubsidie is verstrekt van € 50.000 of meer;

  • c.

    de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d.

    ten aanzien van aanvrager een bevel tot terugvordering als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstelling openstaat;

  • e.

    de aanvrager behoort tot de sector van de primaire landbouwproductie als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 

Artikel 5.6 Subsidievereisten  

  • 1.

    Om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      de subsidieaanvrager is:

      • 1°.

        geregistreerd in het museumregister in de tariefklasse a, b, c, d of e;

      • 2°.

        een Archeo hotspot.

    • c.

      aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

        op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

        een sluitende en realistische begroting;

      • 3°.

        een communicatieplan.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.4, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op het vernieuwen van de manier van het tonen van de collectie;

    • b.

      het project is gericht op het verbreden van het publiek waaraan de collectie wordt getoond.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.4, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op toekomstbestendige publieksactiviteiten;

    • b.

      het project is aantoonbaar gericht op het vergroten van het bezoekers aantal.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.4, onder c, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op het vormgeven van samenwerking;

    • b.

      het project is gericht op het versterken van het netwerk van de subsidieaanvrager door:

      • 1°.

        samenwerkingsprojecten met andere erfgoedinstellingen aan te gaan;

      • 2°.

        samen te werken met instellingen die werkzaam zijn binnen de vrijetijdssector dan wel welzijnssector. 

Artikel 5.7 Subsidiabele kosten  

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten in ieder geval voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    ontwikkelingskosten dan wel innovatiekosten, die buiten de reguliere taak van het museum vallen; waaronder nieuwe technieken ontwikkelen, verhaal-concept vernieuwen, samenwerking aangaan, toeristisch-regio aanbod ontwikkelen;

  • b.

    ontwikkelingskosten om het publieksbereik te vergroten of nieuwe publieksgroepen te betrekken;

  • c.

    kosten ten behoeve van een haalbaarheidsonderzoek voor samenwerkingsprojecten;

  • d.

    kosten voor geringe aanpassingen in het gebouw gemaakt ten behoeve van vernieuwingen van het verhaal-concept;

  • e.

    het digitaliseren van collecties ten behoeve van de opname in de Brabant Cloud;

  • f.

    kosten ten behoeve van de toegankelijkheid van cultureel erfgoed , met inbegrip van kosten voor digitale toepassingen en andere nieuwe technologieën;

  • g.

    kosten voor samenwerkingsprogramma's, met inbegrip van kosten voor selectieprocedures, promotiekosten en kosten die rechtstreeks uit het project voortvloeien;

  • h.

    kosten voor adviesdiensten en ondersteuningsdiensten geleverd door externe consultants en dienstverrichters, die rechtstreeks voortvloeien uit het project.

Artikel 5.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 5.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten ten behoeve van restauratie of conservering;

  • b.

    kosten ten behoeve van beheer van de museumcollectie;

  • c.

    kosten ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek;

  • d.

    exploitatiekosten, waaronder wordt begrepen:

    • 1°.

      de kosten van het museum in verband met permanente of tijdelijke activiteiten, waaronder tentoonstellingen, uitvoeringen en evenementen en vergelijkbare culturele activiteiten die behoren tot de reguliere activiteiten van het museum;

    • 2°.

      kosten voor de verwerving, met inbegrip van huur, eigendomsoverdracht of fysieke verplaatsing van cultuurhistorische of natuurhistorische objecten;

  • e.

    kosten voor bescherming, instandhouding, restauratie en herstel van materieel en immaterieel cultuurhistorische of natuurhistorische objecten, met inbegrip van de kosten voor de opslag onder geschikte omstandigheden, speciale uitrusting, materialen en de kosten voor documentatie, publicatie en onderzoek van cultuurhistorische of natuurhistorische objecten;

  • f.

    kosten ten behoeve van de fysieke toegankelijkheid van een gebouw;

  • g.

    loonkosten;

  • h.

    kosten ten behoeve van vrijwilligers;

  • i.

    kosten gemaakt voor 1 januari 2019.

Artikel 5.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 1 april 2019 tot en met 30 oktober 2019.

Artikel 5.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 5.4, voor de periode, genoemd in artikel 5.9, vast op € 500.000.

Artikel 5.11 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 5.4, onder a, bedraagt 70% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 24.999.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 5.4, onder b, bedraagt 70% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 24.999.

  • 3.

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 5.4, onder c, bedraagt 70% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 24.999.

  • 4.

    Indien toepassing van het eerste lid tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan € 5.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 5.12 Verdeelcriteria

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2.

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 4.

    De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen worden gerangschikt in volgorde van trekking.

  • 5.

    De subsidie wordt verdeeld in de volgorde van trekking zoals door loting is bepaald.

  • 6.

    Subsidie wordt verdeeld over aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 5.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

      de resultaten van het project en de wijze van samenwerking worden toegankelijk gemaakt voor derden;

    • b.

      het project wordt binnen een jaar na verlening van de subsidie afgerond, met een verlengingsmogelijkheid van maximaal zes maanden;

    • c.

      het project start binnen zes maanden na verlening van de subsidie.

  • 2.

    Een verzoek tot verlenging als bedoeld in het eerste lid, onder b, kan door de subsidieontvanger gemotiveerd worden ingediend bij Gedeputeerde Staten uiterlijk voor de datum van het verstrijken van de termijn.

Artikel 5.14 Prestatieverantwoording

  • 1.

    Bij subsidies tot € 25.000, toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • a.

      een activiteitenverslag;

    • b.

      Onverminderd het eerste lid, toont de subsidieontvanger een financieel verslag, als bedoeld in artikel 22, zesde lid, onderdeel a, onder 1°, van de Asv.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, toont de subsidieontvanger een financieel verslag, als bedoeld in artikel 22, zesde lid, onderdeel a, onder 1°, van de Asv.

  • 3.

    Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

    • a.

      een activiteitenverslag;

    • b.

      indien van toepassing foto- of videomateriaal van de situatie voor en na het project;

    • c.

      een financieel verslag als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de  Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 5.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1.

    Bij subsidies tot € 25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 100 % van het verleende subsidiebedrag overeenkomstig artikel 23, tweede lid van de Asv.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten betalen het voorschot, bedoeld in het eerste lid, in een keer, overeenkomstig artikel 23, derde lid van de Asv.

  • 4.

    Bij subsidies van € 25.000 en hoger verstrekken Gedeputeerde Staten eenvoorschot van tachtig procent van het verleende subsidiebedrag.

  • 5.

    Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt in een keer betaald.

Artikel 5.16 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2020 aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze paragraaf in de praktijk.

 

§ 6 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2016 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk

Artikel 6.2 Intrekking

De Subsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant wordt ingetrokken.

Artikel 6.3 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 6.4 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant 2016.

 

’s-Hertogenbosch, 19 juli 2016

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris mw. ir. A.M. Burger

 

Bijlage 1 behorende bij § 4 van de Subsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant 2016

In het onderzoek naar herbestemmingsmogelijkheden van een monument worden vier fases onderscheiden:

 

Fase 1:  het ontwikkelen van een plan van aanpak

Dit houdt in elk geval de volgende, specifiek op het betrokken monument betrekking hebbende activiteiten in:

  • -

    uitwerken van een eerste idee en komen toto één lijn in samenwerking met de relevante partijen;

  • -

    kennisniveau van de initiatiefnemers verhogen;

  • -

    proces van herbestemming vastleggen;

  • -

    gemeenschappelijke uitgangspunten formuleren;

  • -

    gezamenlijke ambities, doelen en ideeën voor herbestemming formuleren. 

Fase 2: het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek

Deze fase houdt het doen van een verkenning gericht op de mogelijkheden van de herbestemming, op de volgende terreinen:

  • -

    de bouwhistorische en cultuurhistorische kenmerken van het monument in relatie tot de herbestemming;

  • -

    de bouwkundige staat van het monument;

  • -

    de mogelijke nieuwe of aanvullende functies van het monument; en

  • -

    de financiële mogelijkheden en knelpunten van de herbestemming van het monument. 

Fase 3: het ontwikkelen van een concept

Deze fase omvat het proces om van het vooronderzoek naar een ontwerp te komen, waarbij de haalbaarheid en uitvoerbaarheid wordt onderbouwd door in elk geval:

  • -

    marktanalyses, trends en ontwikkelingen;

  • -

    omschrijving van concept, uitgangspunten en doelstellingen;

  • -

    positionering en doelgroepen van het concept;

  • -

    design, impressie hoe het concept eruit komt te zien;

  • -

    kosten van het concept;

  • -

    beschrijving van de risico’s bij het realiseren van het concept;

  • -

    draagvlak bij de betrokken partijen; 

Fase 4: het opstellen van een business case

De business case biedt een integrale afweging van alle relevante belangen van het project en de betrokken partijen, waarbij in elk geval aandacht wordt besteed aan:

  • -

    een kosten-baten analyse rekening houdend met de risico’s;

  • -

    inzicht in de financieringsbehoefte;

  • -

    rechtvaardiging van de investering, gezien alle, ook niet-financiële belangen;

  • -

    het ontwikkelen van draagvlak voor een investeringsbesluit;

  • -

    het beheer van het project;

  • -

    het betrekken van overheden of andere stakeholders bij het project.

Vragen over regelingen?

Contacten (2)

Open Links Sluit Links