Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingRegeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende het verstrekken van subsidie in het kader van de uitvoering van het derde Plattelandsontwikkelingsprogramma voor Nederland 2014-2020 (Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020)
CiteertitelSubsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpleefomgeving, reconstructie, sociaal-economische zaken, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

art. 2 Algemene subsidieverordening Noord-Brabant

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

21-12-201609-02-2017artikel 1.1, 1.4, 1.5, 1.6, 1.7, 1.9, 1.11, 1.12, 1.16, 1.17, 2.1.1, 2.1.3, 2.1.4, 2.1.6, 2.1.7, 2.1.8, 2.1.9, 2.1.10, 2.1.11, 2.2.1, 2.2.2, 2.2.3, 2.2.4, 2.2.5, 2.2.6, 2.2.7, 2.2.8, 2.2.9, 2.2.10, 2.2.11, 2.4.4, 2.4.10, paragraaf 5, 6, 7, bijlage 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9

12-12-2016

prb-2016-6738

4121756
22-11-201620-12-2016artikel 2.4.4, 2.4.5, 2.4.7, 2.4.8, 2.4.9, 2.4.11, bijlage 2

15-11-2016

Provinciaal Blad 2016, 172

4100515
21-04-201602-11-201522-11-2016art. 1.7

19-04-2016

Provinciaal Blad, 2016, 61

S0311818
25-02-201621-04-2016art. 2.4.1, 2.4.2, 2.4.3, 2.4.4, 2.4.5, 2.4.6, 2.4.7, 2.4.8, 2.4.9, 2.4.10, bijlage 2

23-02-2016

Provinciaal Blad, 2016, 23

3914852
06-11-201502-11-201525-02-2016art. 1.1, 1.4, 1.9, 1.12, 2.1.3, 2.2.2, 2.2.3, 2.2.9, 2.3.4, 2.3.10, bijlage 1

03-11-2015

Provinciaal Blad, 2015, 124

S0305289
16-09-201506-11-2015nieuwe regeling

07-09-2015

Provinciaal Blad, 2015, 94

S0303007

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende het verstrekken van subsidie in het kader van de uitvoering van het derde Plattelandsontwikkelingsprogramma voor Nederland 2014-2020 (Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

 

Overwegende dat de Europese Commissie op 16 februari 2015 het derde Plattelandsontwikkelingsprogramma voor Nederland 2014-2020 (POP3) heeft goedgekeurd;

Overwegende dat naar aanleiding daarvan Nederland een Europese subsidie uit het Europees Fonds voor Plattelandsontwikkeling ontvangt en Nederland een eigen bijdrage aan het Plattelandsontwikkelingsprogramma levert van minimaal eenzelfde bedrag;

Overwegende dat het Rijk en de provincies op 18 december 2014 het Convenant Uitvoering POP3 hebben gesloten over de hoofdlijnen van de invulling en werkwijze van de uitvoering van de plattelandsontwikkeling in het POP3;

Overwegende dat de Minister van Economische Zaken het beheer en de uitvoering van het Plattelandsontwikkelingsprogramma op grond van artikel 3 van de Regeling uitvoering ELFPO programmaperiode 2014-2020 heeft gedelegeerd aan de provinciebesturen;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten met deze subsidieregeling beogen de gestelde doelen in het Plattelandsontwikkelingsprogramma, zoals verdere verduurzaming en innovatie van de agrarische sector en verbetering van de waterkwaliteit, te behalen;

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Adviescommissie POP3: adviescommissie ingesteld op grond van artikel 82 van de Provinciewet;

  • b.

    bruto jaarloon: in enig jaar aan een werknemer betaalde salaris, inclusief een niet-prestatie gebonden eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende cao of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief overige vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten;

  • c.

    ELFPO: Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling als bedoeld in VO (EU) 1305/2013;

  • d.

    grondgebruiker: gebruiksgerechtigde van de grond;

  • e.

    landbouwer: natuurlijk persoon of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, van wie het bedrijf zich bevindt binnen het territoriale toepassingsgebied van de verdragen als omschreven in artikel 52 van het Verdrag betreffende Europese Unie in samenhang met de artikelen 349 en 355 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, en die een landbouwactiviteit uitoefent;

  • f.

    landbouwbedrijf: alle eenheden op het grondgebied van eenzelfde lidstaat die voor landbouwactiviteiten worden gebruikt en door een landbouwer worden beheerd;

  • g.

     landbouwactiviteit: activiteit als bedoeld in artikel 4, onder c, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad;

  • h.

    netto inkomsten: instroom van kasmiddelen als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van VO (EU) 1303/2013;

  • i.

    niet-productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming;

  • j.

    PAS: Programma Aanpak Stikstof 2015-2020;

  • k.

    platteland: gehele grondgebied van het in de Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden met uitzondering van aaneengesloten woonkernen met meer dan 30.000 inwoners;

  • l.

    VO (EU) 1303/2013: Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;

  • m.

    VO (EU) 1305/2013: Verordening (EU) Nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad;

  • n.

    VO (EU) 702/2014: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard;

  • o.

    voorbereidingskosten: kosten gemaakt voorafgaand aan het indienen van de aanvraag om subsidie, die zijn gemaakt ten behoeve van het projectplan en die bestaan uit:

    • 1°.

      kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs;

    • 2°.

      kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied;

    • 3°.

      kosten van haalbaarheidsstudies;

    • 4°.

      personeelskosten of inbreng eigen arbeid, voor zover deze kosten betrekking hebben op werkzaamheden als bedoeld onder 1° tot en met 3°.

Artikel 1.2 Subsidievorm

  • 1

    Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies.

  • 2

    Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

 Artikel 1.3 Samenwerkingsverbanden

  • 1

    Indien in deze regeling is bepaald dat een subsidie kan worden verstrekt aan een samenwerkingsverband, komen slechts voor subsidie in aanmerking, samenwerkingsverbanden:

    • a.

      waarvan de deelnemers natuurlijke of rechtspersonen zijn, ieder met een andere eigenaar en niet in eigendom van een deelnemende natuurlijke persoon;

    • b.

      die bestaan uit ten minste twee partijen;

    • c.

      die voldoen aan de concurrentieregels als bedoeld in de artikelen 206 tot en met 210 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad.

  • 2

    Indien een aanvraag namens de deelnemers van een samenwerkingsverband wordt ingediend:

    • a.

      bevat de aanvraag om subsidie gegevens waaruit blijkt dat:

      • 1°.

        de penvoerder is aangewezen door de deelnemende partijen aan het samenwerkingsverband om de aanvraag om subsidie in te dienen;

      • 2°.

        bezit de penvoerder rechtspersoonlijkheid;

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband door middel van het overleggen van een samenwerkingsovereenkomst;

    • c.

      bevat de aanvraag om subsidie de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen betreffende de baten en lasten van de deelnemende partijen.

Artikel 1.4 Weigeringsgronden algemeen

Onverminderd artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant wordt de subsidie in ieder geval geweigerd indien:

  • a.

    voor dezelfde activiteit reeds subsidie is aangevraagd in dezelfde tenderperiode;

  • b.

    voor dezelfde activiteiten en subsidiabele kosten op grond van enige regeling reeds subsidie is verstrekt tot het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of –bedrag;

  • c.

    met de uitvoering van de activiteit, niet zijnde de uitvoering van de voorbereidingshandelingen voor de uitvoering van de activiteit, is gestart voordat de aanvraag om subsidie is ingediend;

  • d.

    de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, veertiende lid, van Verordening (EU) Nr. 702/2014;

  • e.

    ten aanzien van de subsidieaanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering bestaat, volgend op een eerdere beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard;

  • f.

    de aanvrager een landbouwonderneming is die niet voldoet aan de definitie van kleine, middelgrote of micro-ondernemingen als opgenomen in bijlage 1 bij verordening 651/2014.

Artikel 1.5 Berekeningswijze kostensoorten

  • 1

    In afwijking van artikel 10 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant wordt, indien de aanvrager gebruik maakt van de kostensoorten personeelskosten en kosten uit onbetaalde eigen arbeid, de volgende berekeningswijze gehanteerd:

    • a.

      personeelskosten worden per uur berekend door het meest recente bruto jaarloon te delen door 1.720 uren op basis van een 40-urige werkweek, vermeerderd met de volgende opslagen:

      • 1°.

        een opslag van 43,5% voor de werkgeverslasten;

      • 2°.

        een opslag van 15% voor de indirecte kosten;

    • b.

      kosten uit onbetaalde eigen arbeid wordt gewaardeerd op € 35 per uur.

  • 2

    Personeelskosten zijn subsidiabel tot maximaal 1.720 uur per persoon per jaar.

  • 3

    Bijdragen in natura zijn subsidiabel tot de waarde die gewoonlijk op de desbetreffende markt wordt aanvaard en voor zover de te verlenen subsidie niet meer bedraagt dan de totale subsidiabele kosten in het project exclusief de bijdragen in natura overeenkomstig artikel 69, eerste lid, van VO (EU) 1303/2013.

Artikel 1.6 Niet subsidiabele kosten

  • 1

    Onverminderd artikel 11 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten die niet aantoonbaar rechtstreeks aan de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft zijn toe te rekenen;

    • b.

      kosten die reeds uit andere hoofde zijn gesubsidieerd tot het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of -bedrag;

    • c.

      kosten van rente, debetrente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, kosten van juridische advisering of bijstand ten behoeve van gerechtelijke procedures, boetes en sancties;

    • d.

      vervangingsinvesteringen;

    • e.

      legeskosten, tenzij deze kosten expliciet subsidiabel gesteld worden;

    • f.

      reguliere investeringen in de onderneming van de subsidieontvanger;

    • g.

      kosten voor de vervaardiging van producten die melk en zuivelproducten imiteren of vervangen;

    • h.

      kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen;

    • i.

      kosten die niet noodzakelijk voor de uitvoering van het project of bovenmatig zijn.

  • 2

    Onverminderd het eerste lid komen, indien de activiteit betrekking heeft op een investering in de landbouw, de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de aankoop van landbouwproductierechten;

    • b.

      de aankoop van betalingsrechten;

    • c.

      de aankoop van dieren;

    • d.

      de aankoop van zaai- en pootgoed van eenjarige gewassen alsmede het planten daarvan.

Artikel 1.7 Samenstelling subsidieplafond

[vervallen]

Artikel 1.8 Externe adviescommissie

  • 1

    Gedeputeerde Staten stellen een Adviescommissie POP3 in.

  • 2

    Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen, die voor subsidie in aanmerking komen, worden voorgelegd aan de Adviescommissie POP3.

Artikel 1.9 Verplichtingen algemeen

  • 1

    Onverminderd artikel 17 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant heeft de subsidieontvanger in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

      indien de subsidieontvanger een aanbestedende dienst is worden bij het plaatsen van opdrachten, de voorschriften uit Richtlijn 2004/18/EG, de Aanbestedingswet 2012 en de gids Proportionaliteit, in acht genomen;

    • b.

      het voldoen aan de communicatieverplichtingen zoals omschreven in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 808/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1305/2013;

    • c.

      indien er sprake is van een investering, deze gebruiksklaar te hebben, op het moment van indiening van de aanvraag tot subsidievaststelling;

    • d.

      indien er sprake is van een investering in infrastructuur of een productieve investering, voldoet deze aan de voorwaarden voor de instandhoudingsplicht, bedoeld in artikel 71 van VO (EU) 1303/2013;

    • e.

      binnen twee maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening wordt gestart met de uitvoering van de activiteit, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald;

    • f.

      de activiteiten worden binnen drie jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening voltooid, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald;

    • g.

      het voeren van een administratie die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor een juist inzicht in de realisatie van de gesubsidieerde activiteiten en voor een juiste subsidieverstrekking, hetgeen inhoudt dat alle inkomsten en uitgaven in de administratie zijn vastgelegd met ten minste de onderliggende bewijsstukken:

      • 1°.

        indien van toepassing, een sluitende urenadministratie;

      • 2°.

        een deugdelijk en volledig inkoopdossier;

      • 3°.

        bewijsstukken, die als onderdeel van de administratie aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en waaruit de aard van de geleverde goederen en diensten duidelijk blijkt;

    • h.

      het bewaren van de administratie en de daartoe beherende bescheiden tot 31 december 2028;

    • i.

      het jaarlijks overleggen van een tussentijds voortgangsverslag, met gebruikmaking van een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald;

    • j.

      het verlenen van medewerking aan met het toezicht op deze regeling belaste toezichthouders.

  • 2

    Indien subsidie is verstrekt aan een samenwerkingsverband:

    • a.

      berusten de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, hoofdelijk op iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband, met uitzondering van het eerste lid, onder g;

    • b.

      is de penvoerder verplicht de administratie, bedoeld in het eerste lid, onder g, te voeren.

Artikel 1.10 Subsidievaststelling

  • 1

    Gelet op VO (EU) 1303/2013 ter rechtvaardiging van staatssteun, worden de verleende subsidies vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.

  • 2

    De aanvraag tot vaststelling bevat ten minste:

    • a.

      een inhoudelijk en financieel verslag;

    • b.

      facturen en betaalbewijzen.

  • 3

    Bij de rekening en verantwoording, bedoeld in artikel 4:45, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maakt de subsidieontvanger een onderverdeling naar de onderscheiden subsidiabele kosten.

  • 4

    Bij de aanvraag tot vaststelling wordt mededeling gedaan van alle aan het project toe te rekenen inkomsten, waaronder mede begrepen eventueel verleende andere subsidies die op de gesubsidieerde activiteit of activiteiten betrekking hebben.

  • 5

    Het inhoudelijk verslag bevat ten minste:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten die in het kader van het project zijn verricht;

    • b.

      een evaluatie van de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het projectplan dat onderdeel vormt van de beschikking tot subsidieverlening;

    • c.

      de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan;

    • d.

      de wijze waarop de kennis en informatie, bedoeld onder c, openbaar is of zal worden gemaakt, ingeval is bepaald dat openbaarmaking plaatsvindt.

  • 6

    Indien de aanvraag tot vaststelling tevens een verzoek om uitbetaling van subsidie bevat, is artikel 1.17 tevens van toepassing.

Artikel 1.11 Verrekening netto inkomsten gedurende uitvoering

Indien de subsidie betrekking heeft op paragraaf 1, 3 of 5 van hoofdstuk 2 of op het onderdeel LEADER worden netto inkomsten die tijdens de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden, overeenkomstig artikel 65 van VO (EU) 1303/2013 in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.

Artikel 1.12 Verrekening netto inkomsten na uitvoering

Indien de subsidie betrekking heeft op paragraaf 1, 3 of 5 van hoofdstuk 2 of op het onderdeel LEADER worden netto inkomsten die na de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden overeenkomstig artikel 61 van VO (EU) 1303/2013 in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.

Artikel 1.13 Intrekking of wijziging subsidieverlening of subsidievaststelling

Onverminderd de artikelen 4:48 en 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht trekken Gedeputeerde Staten de subsidieverlening of subsidievaststelling in of wijzigen deze, indien de Europese Commissie dat op grond van de van toepassing zijnde Europese regelgeving vordert.

Artikel 1.14 Terugvordering

  • 1

    Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente.

  • 2

    De rente wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de in het besluit tot terugvordering vastgestelde betalingstermijn en de datum van de terugbetaling dan wel de verrekening.

  • 3

    De betalingstermijn, bedoeld in het tweede lid, bedraagt niet meer dan zestig dagen.

  • 4

    Onverminderd de voorgaande leden kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, hoofdelijk worden teruggevorderd bij iedere deelnemer van het samenwerkingsverband.

  • 5

    In afwijking van het vierde lid, kunnen, indien een deelnemer aan het samenwerkingsverband minder dan 20% bijdraagt aan de kosten van het project, onverschuldigd betaalde subsidiebedragen, bij die deelnemer worden teruggevorderd naar rato van de bijdrage aan het project.

Artikel 1.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1

    Gedeputeerde Staten kunnen op basis van een daartoe door de subsidieontvanger ingediend verzoek om een voorschot, voorschotten verstrekken, op het verleende subsidiebedrag van ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2

    Het voorschot wordt verleend op basis van werkelijke kosten en betalingen.

  • 3

    Het verzoek om een voorschot bevat ten minste facturen en betaalbewijzen en voor zover van toepassing:

    • a.

      bewijsstukken inzake de gemaakte personeelskosten;

    • b.

      bewijsstukken inzake geleverde inbreng kosten uit onbetaalde eigen arbeid;

    • c.

      een voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, onder i.

  • 4

    Het verzoek om een voorschot bedraagt minimaal 25% van het verleende subsidiebedrag of minimaal € 50.000.

  • 5

    Gedeputeerde Staten beslissen binnen dertien weken op een verzoek om een voorschot.

Artikel 1.16 Verlaging voorschot

  • 1

    Gedeputeerde Staten stellen bij een verzoek om een voorschot als bedoeld in artikel 1.15, vast welk bedrag op grond van deze regeling of de beschikking tot subsidieverlening kan worden verstrekt.

  • 2

    Indien het gevraagde bedrag aan voorschot meer dan 10% hoger is dan het onder het eerste lid berekende bedrag, wordt het onder het eerste lid berekende bedrag verlaagd overeenkomstig artikel 63 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden..

  • 3

    De verlaging is gelijk aan het verschil tussen het gevraagde bedrag aan voorschot en het onder het eerste lid berekende bedrag.

  • 4

    Het voorschot kan maximaal worden verlaagd tot nihil.

  • 5

    Het voorschot wordt niet verlaagd indien de subsidieontvanger aantoont dat het verzoek om een voorschot buiten zijn schuld facturen, betaalbewijzen of bewijsstukken bevat van kosten die niet subsidiabel zijn of indien Gedeputeerde Staten anderszins van oordeel zijn dat de betreffende subsidieontvanger geen schuld treft.

Artikel 1.17 Sanctiebeleid

  • 1

    Gedeputeerde Staten verlagen de verleende of vastgestelde subsidie, indien er onregelmatigheden zijn geconstateerd bij de uitvoering van controles als bedoeld in de artikelen 48 en 49 van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden.

  • 2

    Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht verstaan die bestaat uit een handeling of nalaten van een subsidieontvanger waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.

  • 3

    Onverminderd het eerste en tweede lid, stelt de Minister van Economische Zaken het sanctiebeleid betreffende het plattelandsontwikkelingsprogramma 3 vast in de vorm van een beleidsregel.

  • 4

    Gedeputeerde Staten sluiten zich aan bij de beleidsregel, bedoeld in het derde lid, en passen deze toe.

  • 5

    In de beleidsregel, bedoeld in het derde lid, worden overeenkomstig Verordening (EU) nr. 809/2014 van de commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden, bepalingen opgenomen met betrekking tot de gevolgen van het niet voldoen door de subsidieontvanger aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Hoofdstuk 2 Maatregelen

§ 1 Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties

Artikel 2.1.1 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

    rechtspersonen en ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid die de opleiding of andere vorm van kennisoverdracht of voorlichting leveren;

  • b.

    samenwerkingsverbanden van partijen als bedoeld onder a.

Artikel 2.1.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het verzorgen van trainingen, workshops of coaching aan een groep van landbouwondernemers;

  • b.

    demonstratieactiviteiten, waarbij landbouwers kennis nemen van innovaties en de toepassing ervan.

Artikel 2.1.3 Subsidievereisten

  • 1

    Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      het project komt ten goede aan het platteland of de agrarische sector;

    • c.

      het project heeft als doel het informeren over innovaties of modernisering en de toepassing van de opgedane kennis te bevorderen met betrekking tot minimaal drie van de onderstaande thema’s, waaronder in ieder geval het eerste thema:

      • 1°.

        verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

      • 2°.

        beter beheer van productierisico’s, klimaatadaptatie, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

      • 3°.

        maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik, een meer gesloten kringloop, minder emissie van milieubelastende stoffen en klimaatmitigatie;

      • 4°.

        verbetering van dierenwelzijn, diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

      • 5°.

        behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

    • e.

      het project scoort bij de afweging, bedoeld in artikel 2.1.9, eerste tot en met derde lid, 16 punten of meer.

  • 2

    Onverminderd het eerste lid, liggen aan het project ten grondslag:

    • a.

      een projectplan waarin ten minste is opgenomen:

      • 1°.

        de doelstellingen van het project;

      • 2°.

        een probleemanalyse waaruit onder andere de noodzaak van het project en de ter uitvoering van het project te maken kosten blijkt;

      • 3°.

        de wijze van uitvoering van het project;

      • 4°.

        de verwachte planning en realisatietermijn van het project;

      • 5°.

        de verwachte liquiditeitsplanning van het project;

      • 6°.

        de verwachte resultaten van het project;

    • b.

      een begroting van de kosten en inkomsten van het project;

    • c.

      een toelichting op de begroting;

    • d.

      een sluitend financieringsplan van de kosten van het project met inbegrip van een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • e.

      de curricula vitae van het personeel, waaronder minimaal de aanvrager zelf of een medewerker bij de aanvrager in loondienst, dat de kennisoverdrachtsdiensten en voorlichtingsdiensten aan gaat bieden, waarbij minimaal een afgeronde opleiding op ten minste HBO-niveau en drie jaar relevante werkervaring waaronder relevante werkervaring binnen drie jaar van de datum van aanvraag vereist is.

Artikel 2.1.4 Subsidiabele kosten

  • 1

    De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      personeelskosten van bij de uitvoering van het project betrokkenen, voor de uren die aantoonbaar ten behoeve van het project zijn gemaakt;

    • b.

      kosten van procesbegeleiders en adviseurs;

    • c.

      materiaalkosten;

    • d.

      huur van ruimten en gebruik bijbehorende faciliteiten;

    • e.

      kosten van drukwerk, mailings en de inrichting van websites gekoppeld aan de activiteit;

    • f.

      bijdragen in natura in de vorm van kosten voor onbetaalde eigen arbeid.

  • 2

    Onverminderd het eerste lid komen kosten van afschrijving, huur of lease voor fysieke investeringen die nodig zijn voor de uitvoering van een demonstratieactiviteit als bedoeld in artikel 2.1.2, onder b, voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.1.5 Niet subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.6 en in afwijking van artikel 2.1.4 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten voor de ontwikkeling van nieuwe kennis;

  • b.

    kosten voor cursussen of stages die deel uitmaken van normale programma's of leergangen van het reguliere onderwijs;

  • c.

    inbreng van eigen uren door landbouwers om aan de activiteit, bedoeld in artikel 2.1.2, deel te nemen.

Artikel 2.1.6 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 23 januari 2017 tot en met 8 maart 2017.

Artikel 2.1.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen de subsidieplafonds voor subsidies als bedoeld in artikel 2.1.2 voor de tenderperiode, genoemd in artikel 2.1.6, vast op € 1.400.000.

Artikel 2.1.8 Subsidiehoogte

  • 1

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1.2, bedraagt 60% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 500.000.