Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingRegeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende het verstrekken van subsidie ter stimulering van projecten die nieuwe of vernieuwende economische activiteiten bevorderen Subsidieregeling economie en innovatie Noord-Brabant 2016
CiteertitelSubsidieregeling economie en innovatie Noord-Brabant 2016
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpinnovatie, leefomgeving, sociaal-economische zaken, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Subsidieregeling economie en innovatie Noord-Brabant.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Algemene subsidieverordening Noord-Brabant

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

16-07-201604-08-2016nieuwe regeling

12-07-2016

Provinciaal blad 2016, 105

401624

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

Overwegende dat Provinciale Staten op 11 mei 2012 het Economisch Programma Brabant 2020 hebben vastgesteld waarin de ambitie is uitgesproken om de provincie Noord-Brabant te laten behoren tot de top vijf van de meest innovatieve regio’s;

Overwegende dat Provinciale Staten deze ambitie willen bereiken door het stimuleren van sterke Brabantse clusters, het stimuleren van een goede en flexibele arbeidsmarkt en het zorgen voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat om te wonen, te werken en te recreëren;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten deze doelstellingen willen bereiken door subsidie te verlenen aan projecten die nieuwe of vernieuwende economische activiteiten bevorderen en slimme verbindingen realiseren met Brabantse MKB-ondernemingen, aangezien MKB-ondernemingen de banenmotor en ruggengraat van onze economie zijn.

Gedeputeerde Staten willen alle subsidies die gericht zijn op deze doelstellingen bundelen in één subsidieregeling, die tegelijk aanbouwregeling is voor door Gedeputeerde Staten nader te bepalen paragrafen binnen de kaders van het Economisch Programma Brabant 2020, zoals het topsectorenbeleid;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten daartoe op 24 juni 2013 de Subsidieregeling economie en innovatie Noord-Brabant hebben vastgesteld;

Overwegende dat een aantal paragrafen in die regeling zijn uitgewerkt en Gedeputeerde Staten die regeling derhalve wensen te actualiseren en aan te vullen met enkele nieuwe paragrafen;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten vanwege het grote aantal wijzigingen er voor kiezen om een geheel nieuwe aanbouwregeling vast te stellen en daarbij tevens de opbouw en indeling van de regeling wensen te vereenvoudigen;

Overwegende dat deze nieuwe subsidieregeling goed aansluit op de zes grote maatschappelijke opgaven van de provincie: digitale Agenda van Brabant, elektrisch rijden, energie, innovatie agrifood, vrijetijdseconomie en innovatie in de zorg.

Overwegende dat Gedeputeerde Staten deze maatschappelijke opgaven vorm willen geven door subsidies te verstrekken op het gebied van versterking van de smart industry in de regio West-Brabant, omdat die regio de laatste jaren te kampen heeft met ontwikkelingen die nadelig zijn voor de bedrijvigheid in deze regio;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten vanuit de maatschappelijke opgaven tevens social innovation in de regio Midden-Brabant willen versterken, alsmede de high-tech industrie in de regio Zuidoost-Brabant en de agrifood sector in de regio Noordoost-Brabant;

Overwegende dat de Stichting Midpoint Brabant, de Metropoolregio Eindhoven en de Stichting AgriFood Capital samen met de provincie aan deze opgaven willen werken en zich bereid hebben verklaard ten behoeve van de paragrafen 2, 3 en 4 de helft van het subsidieplafond voor hun rekening te nemen;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten verder ter bevordering van de achterblijvende ontwikkeling op het gebied van bedrijvigheid in de regio West-Brabant een pilot willen houden met ondernemersgericht ontwikkelen in de regio West-Brabant;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten vinden dat kredietunies een aanvullende rol kunnen vervullen bij de financiering van MKB-ondernemingen en daarmee een bijdrage leveren aan economische groei en bevordering van werkgelegenheid in Brabant en Gedeputeerde Staten derhalve de oprichting van kredietunies willen stimuleren door een subsidie te verstrekken voor de inrichtingsfase van een kredietunie, aangezien een kredietunie in die fase veel kosten maakt;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op de paragrafen 1 tot en met 4 en 6 van deze regeling de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L 352/1 van 24 december 2013 (de-minimisverordening) van toepassing verklaren, ter rechtvaardiging van eventuele staatsteun;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten daar waar sprake is van staatssteun in de paragrafen 5 en 7 tot en met 10, in het kader van rechtvaardiging van die staatssteun, de verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014 (algemene groepsvrijstellingsverordening), van toepassing verklaren;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§ 1 Versterking smart industry in de regio West-Brabant

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     biobased economy: economie die voor zijn energievoorziening en materialen gebaseerd is op groene grondstoffen in plaats van fossiele grondstoffen;

  • b.

     MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG);

  • c.

     regio West-Brabant: speerpuntregio smart industry als aangegeven op bijlage 1, behorende bij deze subsidieregeling;

  • d.

     samenwerkingspartner: partner waar de subsidieaanvrager mee samenwerkt in het samenwerkingsverband.

Artikel 1.2 Doelgroep

  • 1  Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

    • a.

       rechtspersonen;

    • b.

       een samenwerkingsverband van rechtspersonen.

  • 2  Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

       wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband;

    • b.

       draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 1.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het versterken van de smart industry in de regio West-Brabant:

  • a.

      binnen de deelsectoren:

    • 1°.

       maintenance;

    • 2°.

       logistiek;

    • 3°.

       biobased economy;

    • 4°.

       zorgeconomie;

    • 5°.

       vrijetijdseconomie;

    • 6°.

       agrosector.

  • b.

     binnen andere sectoren als genoemd onder a.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

     de uitvoering van het project reeds is gestart voor aanvraag van de subsidie;

  • b.

     de subsidieaanvrager reeds voor het zelfde project subsidie op grond van deze of een andere provinciale regeling heeft ontvangen;

Artikel 1.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4. in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project is gericht op en komt ten goede aan MKB-ondernemingen;

    • b.

       het project wordt uitgevoerd in de regio West-Brabant;

    • c.

       het project bevindt zich in de start- of experimentele fase;

    • d.

       de subsidieaanvrager werkt samen met ten minste een andere samenwerkingspartner;

    • e.

       de samenwerkingspartner of samenwerkingspartners of een andere partner van de subsidieaanvrager dragen aantoonbaar een deel van het financiële risico van het project;

    • f.

       het project of de samenwerking heeft een innovatief karakter;

    • g.

       het project heeft een aantoonbaar regionaal effect;

    • h.

       het project leidt aantoonbaar tot economisch toegevoegde waarde op ten minste drie van de volgende gebieden:

      • 1°.

         nieuwe werkgelegenheid;

      • 2°.

         behoud van werkgelegenheid;

      • 3°.

         innovatieve methoden en technieken;

      • 4°.

         versterking van de concurrentiepositie van het regionale bedrijfsleven;

      • 5°.

         verbetering van het vestigingsklimaat;

      • 6°.

         stimulering van duurzame ontwikkeling in de regio;

    • i.

       het project kan binnen twee jaar na worden afgerond;

    • j.

       aan het project ligt een projectplan ten grondslag, overeenkomstig het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde model, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

         op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

         een sluitende begroting.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder a, in aanmerking te komen voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project is gericht op een of meer van de in artikel 1.4, onder a, genoemde deelsectoren;

    • b.

       het project is vraag gestuurd en voorziet daarmee in een behoefte van de deelsectoren, genoemd in artikel 1.4, onder a.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten van de subsidiabele activiteit voor subsidie in aanmerking.

  • 2  In afwijking van het eerste lid zijn loonkosten van de subsidieaanvrager of de leden van het samenwerkingsverband subsidiabel tot een maximum van 50 procent van de totale subsidiabele kosten;

  • 3  In afwijking van het eerste lid zijn kosten derden, als bedoeld in artikel 3 van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant, subsidiabel tot een maximum van € 125 per uur;

  • 4  Voor de berekening van uurtarieven past de subsidieaanvrager de berekeningssystematiek genoemd in artikel 10, onder c, van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant toe en hanteert daarbij het in artikel 13, eerste lid, van die regeling, genoemde tarief van € 50.

Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.7 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten met betrekking tot de reguliere bedrijfsvoering van de subsidieaanvrager, de leden van het samenwerkingsverband of de samenwerkingspartners, met uitzondering van de loonkosten, bedoeld in artikel 1.7, tweede lid;

  • b.

     loonkosten van publiekrechtelijke rechtspersonen;

  • c.

     kosten die uitsluitend communicatie betreffen en waarbij communicatie het hoofddoel van het project betreft;

  • d.

     kosten voor fysieke infrastructuur;

  • e.

     kosten voor inventaris;

  • f.

     kosten voor huisvesting;

  • g.

     kosten die voor de datum van verlening van de subsidie zijn gemaakt;

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend vanaf 1 september 2016 tot en met 30 november 2017.

Artikel 1.10 Subsidieplafond

  • 1  Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4, onder a, voor de periode, genoemd in artikel 1.9 vast op € 351.677;

  • 2  Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4, onder b, voor de periode, genoemd in artikel 1.9 vast op € 62.060.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 25.000.

Artikel 1.12 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 1.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidie heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     het project wordt binnen twee jaar na verlening van de subsidie afgerond, met een eenmalige verlengingsmogelijkheid van maximaal zes maanden;

  • b.

     de subsidieaanvrager maakt de bevindingen en resultaten van het project toegankelijk voor derden.

Artikel 1.14 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van het overleggen van een activiteitenverslag.

Artikel 1.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Bij subsidies tot € 25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 100 procent van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in een keer.

§ 2 Versterking social innovation in de regio Midden-Brabant

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG);

  • b.

     regio Midden-Brabant: speerpuntregio social innovation als aangegeven op bijlage 1, behorende bij deze subsidieregeling;

  • c.

     samenwerkingspartner: partner waar de subsidieaanvrager mee samenwerkt in het samenwerkingsverband.

Artikel 2.2 Doelgroep

  • 1  Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

    • a.

       rechtspersonen;

    • b.

       een samenwerkingsverband van rechtspersonen.

  • 2  Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

       wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband;

    • b.

       draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 2.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het versterken van social innovation in de regio Midden-Brabant:

  • a.

     binnen de deelsectoren:

    • 1°.

       smart industry;

    • 2°.

       zorg;

    • 3°.

       leisure;

    • 4°.

       logistiek;

  • b.

     binnen andere sectoren als genoemd onder a.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

     de uitvoering van het project reeds is gestart voor aanvraag van de subsidie;

  • b.

     de subsidieaanvrager reeds voor het zelfde project subsidie op grond van deze of een andere provinciale regeling heeft ontvangen;

Artikel 2.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4. in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project is gericht op en komt ten goede aan MKB-ondernemingen;

    • b.

       het project wordt uitgevoerd in de regio Midden-Brabant;

    • c.

       het project bevindt zich in de start- of experimentele fase;

    • d.

       de subsidieaanvrager werkt samen met ten minste een andere samenwerkingspartner;

    • e.

       de samenwerkingspartner of samenwerkingspartners of een andere partner van de subsidieaanvrager dragen aantoonbaar een deel van het financiële risico van het project;

    • f.

       het project of de samenwerking heeft een innovatief karakter;

    • g.

       het project heeft een aantoonbaar regionaal effect;

    • h.

       het project leidt aantoonbaar tot economisch toegevoegde waarde op ten minste drie van de volgende gebieden:

      • 1°.

         nieuwe werkgelegenheid;

      • 2°.

         behoud van werkgelegenheid;

      • 3°.

         innovatieve methoden en technieken;

      • 4°.

         versterking van de concurrentiepositie van het regionale bedrijfsleven;

      • 5°.

         verbetering van het vestigingsklimaat;

      • 6°.

         stimulering van duurzame ontwikkeling in de regio;

    • i.

       het project kan binnen twee jaar na worden afgerond;

    • j.

       aan het project ligt een projectplan ten grondslag, overeenkomstig het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde model, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

         op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

         een sluitende begroting.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder a, in aanmerking te komen voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project is gericht op een of meer van de in artikel 2.4, onder a, genoemde deelsectoren;

    • b.

       het project is vraag gestuurd en voorziet daarmee in een behoefte van de deelsectoren, genoemd in artikel 2.4, onder a.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten van de subsidiabele activiteit voor subsidie in aanmerking.

  • 2  In afwijking van het eerste lid zijn loonkosten van de subsidieaanvrager of de leden van het samenwerkingsverband subsidiabel tot een maximum van 50 procent van de totale subsidiabele kosten;

  • 3  In afwijking van het eerste lid zijn kosten derden, als bedoeld in artikel 3 van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant, subsidiabel tot een maximum van € 125 per uur;

  • 4  Voor de berekening van uurtarieven past de subsidieaanvrager de berekeningssystematiek genoemd in artikel 10, onder c, van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant toe en hanteert daarbij het in artikel 13, eerste lid, van die regeling, genoemde tarief van € 50.

Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 2.7 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten met betrekking tot de reguliere bedrijfsvoering van de subsidieaanvrager, de leden van het samenwerkingsverband of de samenwerkingspartners, met uitzondering van de loonkosten, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid;

  • b.

     loonkosten van publiekrechtelijke rechtspersonen;

  • c.

     kosten die uitsluitend communicatie betreffen en waarbij communicatie het hoofddoel van het project betreft;

  • d.

     kosten voor fysieke infrastructuur;

  • e.

     kosten voor inventaris;

  • f.

     kosten voor huisvesting;

  • g.

     kosten die voor de datum van verlening van de subsidie zijn gemaakt;

Artikel 2.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend vanaf 1 september 2016 tot en met 30 november 2017.

Artikel 2.10 Subsidieplafond

  • 1  Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, onder a, voor de periode, genoemd in artikel 2.9 vast op € 445.630;

  • 2  Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, onder b, voor de periode, genoemd in artikel 2.9 vast op € 78.640.

Artikel 2.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000.

Artikel 2.12 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 2.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     Bij subsidies vanaf € 25.000, overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • b.

     Bij subsidies vanaf € 25.000, houdt de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

  • c.

     het project wordt binnen twee jaar na verlening van de subsidie afgerond, met een eenmalige verlengingsmogelijkheid van maximaal zes maanden;

  • d.

     de subsidieaanvrager maakt de bevindingen en resultaten van het project toegankelijk voor derden.

Artikel 2.14 Prestatieverantwoording

  • 1  Bij subsidies tot € 25.000, toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van het overleggen van een activiteitenverslag.

  • 2  Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling door middel van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 2.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Bij subsidies tot € 25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 100 procent van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Bij subsidies vanaf € 25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 80 procent van het verleende subsidiebedrag.

  • 3  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in een keer.

§ 3 Versterking agrifood sector in de regio Noordoost Brabant

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     biobased economy: economie die voor zijn energievoorziening en materialen gebaseerd is op groene grondstoffen in plaats van fossiele grondstoffen;

  • b.

     MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG);

  • c.

     regio Noordoost-Brabant: speerpuntregio agrifood sector als aangegeven op bijlage 1, behorende bij deze subsidieregeling;

  • d.

     samenwerkingspartner: partner waarmee de subsidieaanvrager samenwerkt in het samenwerkingsverband.

Artikel 3.2 Doelgroep

  • 1  Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

    • a.

       rechtspersonen;

    • b.

       een samenwerkingsverband van rechtspersonen.

  • 2  Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

       wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband;

    • b.

       draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 3.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 3.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het versterken van de agrifood sector in de regio Noordoost Brabant:

  • a.

     binnen de deelsectoren:

    • 1°.

       voeding en gezondheid;

    • 2°.

       duurzame technologie;

    • 3°.

       biobased economy;

    • 4°.

       keteninnovatie.

  • b.

     binnen andere sectoren als genoemd onder a.

Artikel 3.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

     de uitvoering van het project reeds is gestart voor aanvraag van de subsidie;

  • b.

     de subsidieaanvrager reeds voor het zelfde project subsidie op grond van deze of een andere provinciale regeling heeft ontvangen;

Artikel 3.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4. in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project is gericht op en komt ten goede aan MKB-ondernemingen;

    • b.

       het project wordt uitgevoerd in de regio Noordoost-Brabant;

    • c.

       het project bevindt zich in de start- of experimentele fase;

    • d.

       de subsidieaanvrager werkt samen met ten minste een andere samenwerkingspartner;

    • e.

       de samenwerkingspartner of samenwerkingspartners of een ander partner van de subsidieaanvrager dragen aantoonbaar een deel van het financiële risico van het project;

    • f.

       het project of de samenwerking heeft een innovatief karakter;

    • g.

       het project heeft een aantoonbaar regionaal effect;

    • h.

       het project leidt aantoonbaar tot economisch toegevoegde waarde op ten minste drie van de volgende gebieden:

      • 1°.

         nieuwe werkgelegenheid;

      • 2°.

         behoud van werkgelegenheid;

      • 3°.

         innovatieve methoden en technieken;

      • 4°.

         versterking van de concurrentiepositie van het regionale bedrijfsleven;

      • 5°.

         verbetering van het vestigingsklimaat;

      • 6°.

         stimulering van duurzame ontwikkeling in de regio;

    • i.

       het project kan binnen twee jaar na verlening van de subsidie worden afgerond;

    • j.

       aan het project ligt een projectplan ten grondslag, overeenkomstig het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde model, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

         op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

         een sluitende begroting.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4, onder a, in aanmerking te komen voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project is gericht op een of meer van de in artikel 3.4, onder a, genoemde deelsectoren;

    • b.

       het project is vraag gestuurd en voorziet daarmee in een behoefte van de deelsectoren, genoemd in artikel 3.4, onder a.

Artikel 3.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten van de subsidiabele activiteit voor subsidie in aanmerking.

  • 2  In afwijking van het eerste lid zijn loonkosten van de subsidieaanvrager of de leden van het samenwerkingsverband subsidiabel tot een maximum van 50 procent van de totale subsidiabele kosten;

  • 3  In afwijking van het eerste lid zijn kosten derden, als bedoeld in artikel 3 van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant, subsidiabel tot een maximum van € 125 per uur;

  • 4  Voor de berekening van uurtarieven past de subsidieaanvrager de berekeningssystematiek genoemd in artikel 10, onder c, van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant toe en hanteert daarbij het in artikel 13, eerste lid, van die regeling, genoemde tarief van € 50.

Artikel 3.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 3.7 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten met betrekking tot de reguliere bedrijfsvoering van de subsidieaanvrager, de leden van het samenwerkingsverband of de samenwerkingspartners, met uitzondering van de loonkosten, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid;

  • b.

     loonkosten van publiekrechtelijke rechtspersonen;

  • c.

     kosten die uitsluitend communicatie betreffen en waarbij communicatie het hoofddoel van het project betreft;

  • d.

     kosten voor fysieke infrastructuur;

  • e.

     kosten voor inventaris;

  • f.

     kosten voor huisvesting;

  • g.

     kosten die voor de datum van verlening van de subsidie zijn gemaakt;

Artikel 3.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend vanaf 1 september 2016 tot en met 30 november 2017.

Artikel 3.10 Subsidieplafond

  • 1  Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 3.4, onder a, voor de periode, genoemd in artikel 3.9 vast op € 610.655;

  • 2  Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 3.4, onder b, voor de periode, genoemd in artikel 3.9 vast op € 107.762.

Artikel 3.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.4, bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000.

Artikel 3.12 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 3.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     Bij subsidies vanaf € 25.000, overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • b.

     Bij subsidies vanaf € 25.000, houdt de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

  • c.

     het project wordt binnen twee jaar na verlening van de subsidie afgerond, met een eenmalige verlengingsmogelijkheid van maximaal zes maanden;

  • d.

     de subsidieaanvrager maakt de bevindingen en resultaten van het project toegankelijk voor derden.

Artikel 3.14 Prestatieverantwoording

  • 1  Bij subsidies tot € 25.000, toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van het overleggen van een activiteitenverslag.

  • 2  Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling door middel van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 3.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Bij subsidies tot € 25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 100 procent van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Bij subsidies vanaf € 25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 80 procent van het verleende subsidiebedrag.

  • 3  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in een keer.

§ 4 Versterking high-tech industrie in de regio Zuidoost Brabant

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG);

  • b.

     regio Zuidoost Brabant: speerpuntregio high-tech industrie als aangegeven op bijlage 1, behorende bij deze subsidieregeling;

  • c.

     samenwerkingspartner: partner waarmee de subsidieaanvrager samenwerkt in het samenwerkingsverband.

Artikel 4.2 Doelgroep

  • 1  Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

    • a.

       rechtspersonen;

    • b.

       een samenwerkingsverband van rechtspersonen.

  • 2  Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

       wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband;

    • b.

       draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 4.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 4.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het versterken van de high-tech industrie in de regio Zuidoost Brabant:

  • a.

     binnen de deelsectoren:

    • 1°.

       high-tech systemen en materialen;

    • 2°.

       automotive;

    • 3°.

       lifetec;

    • 4°.

       chemie.

  • b.

     binnen andere sectoren als genoemd onder a.

Artikel 4.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • 1.

     de uitvoering van het project reeds is gestart voor aanvraag van de subsidie;

  • 2.

     de subsidieaanvrager reeds voor het zelfde project subsidie op grond van deze of een andere provinciale regeling heeft ontvangen;

Artikel 4.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4. in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project is gericht op en komt ten goede aan MKB-ondernemingen;

    • b.

       het project wordt uitgevoerd in de regio Zuidoost Brabant;

    • c.

       het project bevindt zich in de start- of experimentele fase;

    • d.

       de subsidieaanvrager werkt samen met ten minste een andere samenwerkingspartner;

    • e.

       de samenwerkingspartner of samenwerkingspartners of een andere partner van de subsidieaanvrager dragen aantoonbaar een deel van het financiële risico van het project;

    • f.

       het project of de samenwerking heeft een innovatief karakter;

    • g.

       het project heeft een aantoonbaar regionaal effect;

    • h.

       het project leidt aantoonbaar tot economisch toegevoegde waarde op ten minste drie van de volgende gebieden:

      • 1°.

         nieuwe werkgelegenheid;

      • 2°.

         behoud van werkgelegenheid;

      • 3°.

         innovatieve methoden en technieken;

      • 4°.

         versterking van de concurrentiepositie van het regionale bedrijfsleven;

      • 5°.

         verbetering van het vestigingsklimaat;

      • 6°.

         stimulering van duurzame ontwikkeling in de regio;

    • i.

       het project kan binnen twee jaar na verlening van de subsidie worden afgerond;

    • j.

       aan het project ligt een projectplan ten grondslag, overeenkomstig het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde model, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

         op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

         een sluitende begroting.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder a, in aanmerking te komen voldaan aan de volgende vereisten:

    • c.

       het project is gericht op een of meer van de in artikel 4.4, onder a, genoemde deelsectoren;

    • d.

       het project is vraag gestuurd en voorziet daarmee in een behoefte van de deelsectoren, genoemd in artikel 4.4, onder a.

Artikel 4.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten van de subsidiabele activiteit voor subsidie in aanmerking.

  • 2  In afwijking van het eerste lid zijn loonkosten van de subsidieaanvrager of de leden van het samenwerkingsverband subsidiabel tot een maximum van 50 procent van de totale subsidiabele kosten;

  • 3  In afwijking van het eerste lid zijn kosten derden, als bedoeld in artikel 3 van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant, subsidiabel tot een maximum van € 125 per uur;

  • 4  Voor de berekening van uurtarieven past de subsidieaanvrager de berekeningssystematiek genoemd in artikel 10, onder c, van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant toe en hanteert daarbij het in artikel 13, eerste lid, van die regeling, genoemde tarief van € 50.

Artikel 4.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 4.7 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten met betrekking tot de reguliere bedrijfsvoering van de subsidieaanvrager, de leden van het samenwerkingsverband of de samenwerkingspartners, met uitzondering van de loonkosten, bedoeld in artikel 4.7, tweede lid;

  • b.

     loonkosten van publiekrechtelijke rechtspersonen;

  • c.

     kosten die uitsluitend communicatie betreffen en waarbij communicatie het hoofddoel van het project betreft;

  • d.

     kosten voor fysieke infrastructuur;

  • e.

     kosten voor inventaris;

  • f.

     kosten voor huisvesting;

  • g.

     kosten die voor de datum van verlening van de subsidie zijn gemaakt;

Artikel 4.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend vanaf 1 september 2016 tot en met 30 november 2017.

Artikel 4.10 Subsidieplafond

  • 1  Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4.4, onder a, voor de periode, genoemd in artikel 4.9 vast op € 762.670;

  • 2  Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4.4, onder b, voor de periode, genoemd in artikel 4.9 vast op € 134.588.

Artikel 4.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 4.4, bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000.

Artikel 4.12 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 4.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     Bij subsidies vanaf € 25.000, overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • b.

     Bij subsidies vanaf € 25.000, houdt de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

  • c.

     het project wordt binnen twee jaar na verlening van de subsidie afgerond, met een eenmalige verlengingsmogelijkheid van maximaal zes maanden;

  • d.

     de subsidieaanvrager maakt de bevindingen en resultaten van het project toegankelijk voor derden.

Artikel 4.14 Prestatieverantwoording

  • 1  Bij subsidies tot € 25.000, toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van het overleggen van een activiteitenverslag.

  • 2  Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling door middel van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 4.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Bij subsidies tot € 25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 100 procent van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Bij subsidies vanaf € 25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 80 procent van het verleende subsidiebedrag.

  • 3  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in een keer.

§ 5 Versterking bedrijventerreinen: pilot vraaggericht ontwikkelen West-Brabant

Artikel 5.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

     algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;

  • b.

     bedrijventerrein: aaneengesloten terrein met een bruto oppervlakte groter dan één hectare, ten behoeve van de bedrijfsmatige uitoefening van industriële, ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven en groothandel met de daarbij behorende voorzieningen;

  • c.

     bedrijfscampus: locatie waar bedrijven inhoudelijk samenwerken met kennisinstellingen en overheid;

  • d.

     cluster van bedrijven: groep van bedrijven die samenwerken op hetzelfde thema;

  • e.

     facelift: grote opknapbeurt ten gevolge van fysieke veroudering van openbare ruimte en gebouwen;

  • f.

     MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 1, onder 28 van Verordening 1303/2013 en bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG);

  • g.

     regio West-Brabant: regio West-Brabant als aangegeven op bijlage 1, behorende bij deze subsidieregeling;

  • h.

     transformatie: totale herinrichting waarbij het bedrijventerrein of een deel daarvan wordt onttrokken aan de voorraad bedrijventerreinen.

Artikel 5.2 Doelgroep

  • 1  Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door een samenwerkingsverband.

  • 2  Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

       wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid;

    • b.

       draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 5.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 5.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verleend voor projecten gericht op het vraaggericht ontwikkelen van bedrijventerreinen in West-Brabant.

Artikel 5.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd, indien:

  • a.

     voor dit project reeds op grond van deze regeling of een andere provinciale regeling subsidie is verstrekt;

  • b.

     de uitvoering van het project reeds is gestart voor aanvraag van de subsidie;

  • c.

     het project gericht is op een facelift of transformatie van het bedrijventerrein;

  • d.

     het resultaat van het project enkel bestaat uit een onderzoek of businessplan;

  • e.

     de subsidie minder bedraagt dan €10.000;

  • f.

     kosten gemaakt voor indiening van de aanvraag;

  • g.

     de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in artikel 2 onder punt 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • h.

     ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 5.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

     het project wordt uitgevoerd in de regio West-Brabant;

  • b.

     het project heeft een vernieuwend of innovatief karakter;

  • c.

     het project is gericht op een bestaand bedrijventerrein;

  • d.

     het project wordt vraaggericht ontwikkeld;

  • e.

     het project leidt tot het optimaliseren van bedrijvigheid;

  • f.

     het project komt ten goede aan meerdere MKB-ondernemingen;

  • g.

     het samenwerkingsverband bestaat uit ten minste een privaatrechtelijke rechtspersoon;

  • h.

     aan het project ligt ten grondslag:

    • 1°.

       een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

       een sluitende begroting;

  • i.

     indien sprake is van staatssteun wordt voldaan aan de vereisten uit hoofdstuk I en uit artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, betreffende steun voor lokale infrastructuur.

Artikel 5.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

       kosten van de ontwerpfase van het project;

    • b.

       kosten van de voorbereidingsfase van het project;

    • c.

       kosten van de realisatiefase van het project.

  • 2  Voor de berekening van uurtarieven past de subsidieaanvrager de berekeningssystematiek, genoemd in artikel 10, onder c, en artikel 13, eerste lid, van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen Noord-Brabant toe.

Artikel 5.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 5.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     de reeds voor de subsidieaanvraag gemaakte kosten;

  • b.

     algemene bestuurslasten;

  • c.

     kosten gerelateerd aan kantoorruimte en inventaris;

  • d.

     kosten ten behoeve van een aanbesteding;

  • e.

     financierings- en rentekosten;

  • f.

     exploitatiekosten.

Artikel 5.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tendertermijn van 1 september 2016 tot en met 1 oktober 2016.

Artikel 5.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 5.4, voor de tenderperiode, genoemd in artikel 5.9, vast op €1.000.000.

Artikel 5.11 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 5.4, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €500.000.

  • 2  Onverminderd het maximumbedrag, genoemd in het eerste lid, wordt, voor zover de subsidie staatssteun vormt, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat deze niet meer bedraagt dan het verschil tussen de investeringskosten verminderd met de verwachte exploitatiewinst over de periode waarbinnen de investeringskosten boekhoudkundig worden afgeschreven;

  • 3   Indien toepassing van het eerste lid of tweede lid tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan €10.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 5.12 Verdeelcriteria

  • 1  Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 5.10, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

       de kwaliteit van het projectplan, te waarderen met maximaal 100 punten;

    • b.

       de hoeveelheid private partijen die betrokken zijn geweest bij het opstellen van het projectplan, te waarderen met maximaal 80 punten;

    • c.

       de mate waarin het project bijdraagt aan multimodaliteit van het bedrijventerrein, te waarderen met maximaal 80 punten;

    • d.

       de mate van passendheid bij de regionale visie omtrent:

      • 1°.

         maintenance

      • 2°.

         logistiek;

      • 3°.

         biobased economy;

      • 4°.

         zorgeconomie;

      • 5°.

         toerisme en recreatie, of;

      • 6°.

         agrosector.

      •  

        en aansluit bij het hoofdstuk Brabant werkt uit het bestuursakkoord Beweging in Brabant, te waarderen met maximaal 60 punten;

    • e.

       de mate waarin het project een bijdrage levert aan een cluster van bedrijven of een bedrijfscampus, te waarderen met maximaal 60 punten;

    • f.

       de verhouding tussen het aangevraagde subsidiebedrag en de eigen bijdrage van het samenwerkingsverband, te waarderen met maximaal 30 punten;

    • g.

       de mate waarin het bedrijventerrein een plaatselijk of regionaal economisch belang vertegenwoordigt, te waarderen met maximaal 20 punten;

    • h.

       de mate waarin het project bijdraagt aan duurzaamheidsprincipes, te waarderen met maximaal 10 punten;

  • 2  Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 5.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     het project is afgerond voor 31 december 2018;

  • b.

     de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • c.

     bij subsidies van €125.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 5.14 Prestatieverantwoording

Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger desgevraagd aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 5.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Bij bedragen van €25.000 en meer verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt in een keer betaald.

§ 6 Kredietunies

Artikel 6.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

     afdeling van een kredietunie: budgettair zelfstandige afdeling van een kredietunie, met een eigen regionaal bestuur en een afgescheiden administratie en begroting;

  • b.

     kredietunie: coöperatie, waarvan de leden op grond van hun beroep of bedrijf zijn toegelaten tot het lidmaatschap van de coöperatie, die haar bedrijf maakt van het bemiddelen tussen krediet gevende leden en krediet nemende leden bij het verstrekken van leningen of het bij haar leden aantrekken van opvorderbare gelden en het in dat geval voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen aan haar leden ten behoeve van de beroepsbeoefening of bedrijfsuitoefening van die leden;

  • c.

     MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 1, onder 28 van Verordening 1303/2013 en bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG).

Artikel 6.2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door kredietunies.

Artikel 6.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een achtergestelde geldlening.

Artikel 6.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

     de inrichtingsfase van een kredietunie;

  • b.

     de inrichtingsfase van een afdeling van een kredietunie

Artikel 6.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien voor het project reeds subsidie is verstrekt op grond van deze of een andere provinciale subsidieregeling.

Artikel 6.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

     de werkzaamheden van de subsidieaanvrager zijn gericht op MKB-ondernemingen in Noord-Brabant;

  • b.

     de werkzaamheden van de subsidieaanvrager zijn met name gericht op innovatieve MKB-ondernemingen;

  • c.

     de werkzaamheden van de subsidieaanvrager betreffen kredieten van maximaal € 250.000.

  • d.

     de kwaliteit en professionaliteit van de subsidieaanvrager is aantoonbaar geborgd;

  • e.

     ede subsidieaanvrager beschikt voor haar bemiddelende werkzaamheden tussen kredietgevers en kredietnemers over een ontheffing als bedoeld in de Wet Financieel Toezicht;

  • f.

     de subsidieaanvrager is lid van een koepelorganisatie of belangenorganisatie van kredietunies;

  • g.

     het project heeft een Brabantbrede of regionale aanpak, blijkend uit de statuten;

  • h.

     voor het project bestaat aantoonbaar draagvlak bij het regionale bedrijfsleven, blijkend uit het ledenbestand of steunbetuigingen;

  • i.

     aan het project ligt een projectplan ten grondslag, waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1°.

       op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze regeling;

    • 2°.

       het kredietmodel van de kredietunie;

    • 3°.

       het kredietproces van aanvraag tot verlening;

    • 4°.

       een tijdsplanning van de activiteiten;

    • 5°.

       een plan van aanpak voor de netwerkvorming of de ledenwerving;

    • 6°.

       een overzicht van de verdiencapaciteit voor terugbetaling van de lening;

    • 7°.

       een sluitende begroting.

Artikel 6.7 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 1 juni 2016 tot en met 31 december 2018.

Artikel 6.8 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4, voor de periode, genoemd in artikel 6.7, vast op € 300.000.

Artikel 6.9 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedraagt:

  • a.

     voor projecten als bedoeld in artikel 6.4, onder a, € 50.000 per project;

  • b.

     voor projecten als bedoeld in artikel 6.4, onder b, € 25.000 per project.

Artikel 6.10 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 6.11 Subsidieverlening

  • 1  De subsidie, bedoeld in artikel 6.4, wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat tussen de subsidieontvanger en de provincie Noord-Brabant een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 4:36 Algemene wet bestuursrecht, ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening tot stand komt.

  • 2  In de uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, en in de beschikking tot subsidieverlening wordt het regime voor betaling van rente en aflossing opgenomen.

Artikel 6.12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     bij subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • b.

     de subsidieontvanger verstrekt geen kredieten hoger dan € 250.000;

  • c.

     de subsidieontvanger bemiddelt niet tussen en verstrekt geen kredieten aan MKB-ondernemingen die geen lid zijn van de subsidieontvanger;

  • d.

     de subsidieontvanger betaalt de subsidie in de vorm van een geldlening binnen 8 jaar na verlening van de subsidie terug, overeenkomstig het regime in de uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 6.11, tweede lid;

  • e.

     de subsidieontvanger overlegt bij de aanvraag tot vaststelling een overzicht van de tot dan toe ingekomen kredietaanvragen, het aantal verstrekte kredieten, de totale omvang van de uitstaande kredieten en het aantal daarmee gecreëerde banen;

  • f.

     de subsidieontvanger maakt de bevindingen en resultaten van het project toegankelijk voor derden.

Artikel 6.13 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van het overleggen van een activiteitenverslag.

Artikel 6.14 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in een keer.

Artikel 6.15 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2018 of zoveel eerder als het subsidieplafond is bereikt aan Provinciale Staten een verslag over de werking van dit hoofdstuk in de praktijk.

§ 7 Green Deal: zonneceltechnologie

Artikel 7.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;

  • b.

     SEAC: Solar Energy Application Center, een centrum dat zich inzet voor de ontwikkeling van applicaties op het gebied van zonnepanelen en de gebouwde omgeving;

  • c.

     Solliance: samenwerkingsverband van industrie en kennisinstellingen op het gebied van dunne film zonneceltechnologie en productieapparatuur;

  • d.

     zon-pv: omzetten van zonlicht in elektriciteit met behulp van photo-voltaïsche cellen.

Artikel 7.2 Doelgroep

  • 1  Subsidie op grond van dit hoofdstuk kan worden aangevraagd door een

    • a.

       rechtspersoon; of

    • b.

       samenwerkingsverband van rechtspersonen.

  • 2  Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

       wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid;

    • b.

       draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 7.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van dit hoofdstuk projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een garantstelling.

Artikel 7.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de installatie en toepassing van innovatieve zonneceltechnologie.

Artikel 7.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

     het aangevraagde subsidiebedrag minder dan € 25.000 bedraagt;

  • b.

     de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in artikel 2 onder punt 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • c.

     ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 7.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 7.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       het project wordt uitgevoerd met de nieuwste technologie op het gebied van zonneceltechnologie;

    • c.

       het project is innovatief gelet op de periode waarop de gebruikte technologie op de markt verkrijgbaar is;

    • d.

       de gehanteerde innovatieve technologie heeft nog niet een dusdanige garantie van opbrengst dat deze voor een bank of andere geldverstrekker voldoende is voor het verstrekken van een lening;

    • e.

       de aanvrager betrekt de architect, installateur en de fabrikant bij het project;

    • f.

       het project kan blijkens een realistische planning binnen15 maanden na het verlenen van de subsidie in werking zijn gesteld;

    • g.

       de periode waarover subsidie wordt gevraagd eindigt uiterlijk 1 juli 2020;

    • h.

       het project kent een of meer van de volgende risico’s:

      • 1°.

         technologisch risico wegens uitval van 50% of meer van de gebruikte materialen;

      • 2°.

         risico van daling van de energieprijs;

      • 3°.

         debiteuren risico vanwege het niet of niet op tijd betalen aan de aanvrager van de investeringsgelden voor zon-pv systemen of maandelijkse huur- en gebruikskosten;

    • i.

       het project scoort minimaal 16 punten op basis van de vereisten genoemd in het tweede lid;

  • 2  Het totaal aantal punten, genoemd in het eerste lid onder i, dat aan een project kan worden toegekend wordt op basis van de volgende criteria en wegingsfactoren berekend:

    • a.

       de uitstraling van het project te waarderen met maximaal 30 punten en een wegingsfactor van 35% waarbij de punten worden bepaald aan de hand van de omvang van het project, het iconisch gehalte en de mate van vernieuwing van het project voor ieder maximaal 10 punten;

    • b.

       de kwaliteit van het project te waarderen met maximaal 30 punten en een wegingsfactor van 25% waarbij de punten worden bepaald aan de hand van de technologische haalbaarheid, de organisatiegraad en de mate waarin de financiering solide is voor ieder maximaal 10 punten;

    • c.

       het risicoprofiel van de aanvraag te waarderen met maximaal 30 punten en een wegingsfactor van 5%, waarbij de punten worden bepaald aan de hand van de duur van de garantstelling en de hoogte van de garantstelling ten opzichte van de investeringskosten voor ieder maximaal 10 punten en aan de hand van de te voren ingeschatte risico’s waarvoor subsidie is gevraagd, waarbij per risico waarvoor de subsidie niet is gevraagd, de volgende punten worden toegekend:

      • 1°.

         technologisch risico wegens uitval van meer dan 50% of meer van de gebruikte materialen: 3 punten;

      • 2°.

         risico van daling van de energieprijs: 4 punten;

      • 3°.

         debiteurenrisico vanwege het niet of niet op tijd betalen aan de aanvrager van de investeringsgelden voor pv-systemen of maandelijkse huur- en gebruikskosten: 3 punten;

    • d.

       de koppeling van de nationale en regionale belangen te waarderen met maximaal 30 punten en een wegingsfactor van 35% waarbij de punten worden bepaald door de koppeling met de nationale programma’s Solliance en SEAC, het werken met regionale of nationale toeleveranciers en de uitbesteding aan regionale installateurs ieder voor maximaal 10 punten.

  • 3  Aan het project liggen ten grondslag:

    • a.

       een projectplan waarin ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in de voorgaande leden;

    • b.

       een sluitende begroting;

    • c.

       een schriftelijke verklaring van een bank of andere geldverstrekker waaruit blijkt dat is voldaan aan het vereiste in lid 1, onder d; en

    • d.

       verklaringen van de investeerders waaruit hun betrokkenheid blijkt.

Artikel 7.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende daadwerkelijk gemaakte kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

       investeringskosten van zon-pv systemen voor zover en voor zolang zij voor het project worden gebruikt met uitzondering van:

      • 1°.

         kosten voor integratie met energie opslag- en regelsystemen;

      • 2°.

         projectkosten die behoren tot het ondernemersrisico waartoe in ieder geval beheerskosten, onderhoudskosten en kosten van ontvreemding van zon-pv systemen behoren;

    • b.

       kosten van montage en montagematerialen.

  • 2  Subsidies voor de inzet van personeel en op basis van uurtarieven worden berekend overeenkomstig artikel 11 van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant.

Artikel 7.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend voor 1 juni 2020.

Artikel 7.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidie als bedoeld in artikel 7.4 voor de periode van 7 juli 2013 tot 1 juni 2020 vast op € 5.400.000.

Artikel 7.10 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten minus de gerealiseerde opbrengst, tot een maximum van € 1.000.000 per project.

Artikel 7.11 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van het aantal punten dat op grond van artikel 7.6, tweede lid, aan een project is toegekend, waarbij projecten met meer punten voorgaan op projecten met minder punten.

  • 4  Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat projecten op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 7.12 Subsidieverlening

De subsidie wordt verleend onder de volgende opschortende voorwaarden:

  • a.

     een van de risico’s genoemd in artikel 7.6. eerste lid, onder h, waarvoor de subsidie is verleend, heeft zich voorgedaan gedurende de periode waarvoor de subsidie is verleend; en

  • b.

     het zich voordoen van een of meer van de risico’s, bedoeld in het vorige lid heeft tot gevolg gehad dat de investeringskosten niet kunnen worden terugverdiend.

Artikel 7.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a.

     de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag;

  • b.

     de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

  • c.

     de aanvrager werkt mee aan actieve communicatie over het project;

  • d.

     het project is uiterlijk 15 maanden na het verlenen van de subsidie in werking gesteld.

Artikel 7.14 Prestatieverantwoording

Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aantoont dat:

  • a.

     tenminste een van de risico’s waarvoor de subsidie is verleend, zich heeft voorgedaan;

  • b.

     de investeringskosten niet of niet geheel zijn terugverdiend als gevolg van het zich voordoen van een of meer van de risico’s waarvoor de subsidie is verleend; en

  • c.

     aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 7.15 Bevoorschotting en betaling

Gedeputeerde Staten verstrekken geen voorschot op het verleende subsidiebedrag.

Artikel 7.16 Subsidievaststelling

Een aanvraag om vaststelling wordt ingediend na het intreden van de opschortende voorwaarden, genoemd in artikel 7.12, doch uiterlijk 1 juli 2020.

§ 8 Green Deal: warmtenet

Artikel 8.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

     algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;

  • b.

     reststromen: restwarmte of CO2;

  • c.

     restwarmte: voelbare warmte of stoom die geen of zeer beperkte waarde heeft voor de warmteleverancier;

  • d.

     warmtenet: geheel van met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen dienstbaar aan het transport van reststromen, behoudens voor zover deze leidingen, installaties en hulpmiddelen zijn gelegen in een gebouw of werk van een verbruiker of van een producent, die strekken tot toe- of afvoer van reststromen ten behoeve van dat gebouw of werk;

Artikel 8.2 Doelgroep

  • 1  Subsidie op grond van dit hoofdstuk kan worden aangevraagd door een

    • a.

       rechtspersoon; of

    • b.

       samenwerkingsverband van rechtspersonen.

  • 2  Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

       wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid;

    • b.

       draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 8.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van dit hoofdstuk projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een garantstelling.

Artikel 8.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

     aanleg van een warmtenet; of

  • b.

     uitbreiding van een bestaand warmtenet.

Artikel 8.5 Weigeringsgronden

Subsidie als bedoeld in artikel 8.4 wordt geweigerd indien:

  • a.

     het aangevraagde subsidiebedrag minder dan € 150.000 bedraagt;

  • b.

     de aanvrager een agrarische onderneming is;

  • c.

     de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in artikel 2 onder punt 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d.

     ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 8.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 8.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       het warmtenet voorziet in uitwisseling van reststromen tussen verschillende bedrijven;

    • c.

       met de uitwisseling van reststromen wordt een reductie van uitstoot van CO2 en energiebesparing gerealiseerd;

    • d.

       de kosten voor het project bedragen minimaal € 300.000;

    • e.

       het warmtenet is blijkens een realistische planning binnen 15 maanden na het verlenen van de subsidie operationeel;

    • f.

       de looptijd van de subsidie eindigt uiterlijk 1 juni 2020.

  • 2  Aan het project liggen ten grondslag:

    • a.

       een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in de voorgaande leden;

    • b.

       een realistische prognose over de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd waaruit blijkt dat het project rendabel is;

    • c.

       een negatieve prognose gezien mogelijke wijziging van de elementen vraag, tegenvallende hoeveelheid verkocht product, prijs of productie over de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd, waaruit blijkt op welk moment het risico ontstaat dat de aanvrager zijn project, niet meer kan voortzetten;

    • d.

       een sluitende begroting.

Artikel 8.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de kosten van de investering voor de aanleg of uitbreiding van het warmtenet die rechtstreeks op de energiebesparing betrekking hebben, vastgesteld door verwijzing naar de contra feitelijke situatie, voor subsidie in aanmerking, berekend conform artikel 18, zesde en zevende lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2  Subsidies voor de inzet van personeel worden berekend overeenkomstig artikel 11 van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant.

Artikel 8.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend voor 1 juli 2017.

Artikel 8.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 8.4, voor de periode 26 september 2013 tot en met 30 juni 2017, vast op € 1.975.000.

Artikel 8.10 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 8.4 bedraagt 80% van de subsidiabele kosten tot ten hoogste het verschil tussen bruto omzetresultaat en geraamde bruto omzetresultaat in de negatieve prognose, bedoeld in 8.6, tweede lid onder c.

  • 2  Indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan € 150.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 8.11 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen op basis van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij hogere bedragen voorgaan op lagere bedragen.

Artikel 8.12 Subsidieverlening

  • 1  De subsidie, bedoeld in artikel 8.4, wordt verleend onder de volgende opschortende voorwaarden:

    • a.

       een in het kader van deze paragraaf relevant risico doet zich voor gedurende de periode waarvoor subsidie is verleend; en

    • b.

       het voordoen van een of meer van de risico’s, bedoeld onder a, heeft ertoe geleid dat de werkelijke omzet lager is dan de geraamde omzet in de negatieve prognose, bedoeld in artikel 8.6, tweede lid, onder c.

  • 2  Onder relevant risico als bedoeld in het eerste lid onder a, worden de volgende risico’s verstaan:

    • a.

       dalende afzet van reststromen;

    • b.

       verminderde toename van de afzet van reststromen;

    • c.

       dalende toevoer van reststromen.

Artikel 8.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a.

     de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • b.

     de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

  • c.

     het project is uiterlijk 15 maanden na het verlenen van de subsidie in werking gesteld.

Artikel 8.14 Prestatieverantwoording

Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aantoont dat:

  • a.

     tenminste een van de in het kader van deze paragraaf relevante risico’s, bedoeld in artikel 8.12, tweede lid, zich heeft voorgedaan gedurende de periode waarvoor subsidie is verleend;

  • b.

     de investeringskosten niet of niet geheel zijn terugverdiend als gevolg van het zich voordoen van een of meer van de risico’s waarvoor de subsidie is verleend; en

  • c.

     aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 8.15 Bevoorschotting en betaling

Gedeputeerde Staten verstrekken geen voorschot op het verleende subsidiebedrag.

Artikel 8.16 Subsidievaststelling

Een aanvraag om vaststelling wordt ingediend binnen 13 weken na het vervullen van de opschortende voorwaarden, bedoeld in artikel 8.12, doch uiterlijk 1 juni 2020.

§ 9 Biobased economy: campusfaciliteiten

Artikel 9.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;

  • b.

     arm’s length beginsel: beginsel dat partijen in een transactie handelen alsof zij onafhankelijk zijn van elkaar en het daaruit voortvloeiende contract wordt gesloten conform de gebruikelijke conventies in de markt;

  • c.

     aflossingsverplichting: aflossing op reguliere lening of kredietfaciliteit;

  • d.

     biobased economy: economie die voor zijn energievoorziening en materialen gebaseerd is op groene grondstoffen in plaats van fossiele grondstoffen;

  • e.

     bruto omzetresultaat: opbrengsten uit verkopen minus de kosten van inkoop van grondstoffen;

  • f.

     campus: innovatie-stimulerende omgeving waar kennisintensieve bedrijven en instellingen zijn gevestigd die samenwerken op basis van een gemeenschappelijk inhoudelijk thema en programma en waar fysieke nabijheid, innovatie-ondersteunende faciliteiten en ruimtelijke inrichting tot doel hebben om interactie, kennisdeling, samenwerking, creativiteit en innovatie te stimuleren;

  • g.

     groene grondstoffen: stoffen op basis van plantmaterialen die op een duurzame wijze zijn geproduceerd en als grondstof gebruikt kunnen worden door de industrie;

  • h.

     industrieel onderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 2, onder 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • i.

     intercompany financiering: financiering door een moederbedrijf of zusterbedrijf of een partij die anderszins via een directe, dan wel indirecte aandeelhoudersstructuur gelieerd is aan de debiteur;

  • j.

     omzet: totaal bedrag van verkopen van een bedrijf in een bepaalde periode berekend aan de hand van de prijs en de afzet van het product;

  • k.

     onderneming: eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd;

  • l.

     rentelasten: rente te betalen op regulier kort en lang vreemd vermogen, zowel verstrekt door derden als intercompany financiering, plus de rente op achtergestelde leningen;

  • m.

     reststromen: restwarmte of CO2;

  • n.

     restwarmte: voelbare warmte of stoom die geen of zeer beperkte waarde heeft voor de warmteleverancier.

Artikel 9.2 Doelgroep

  • 1  Subsidie op grond van dit hoofdstuk kan worden aangevraagd door een

    • a.

       rechtspersoon; of

    • b.

       samenwerkingsverband van rechtspersonen.

  • 2  Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

       wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid;

    • b.

       draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 9.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van dit hoofdstuk projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een garantstelling.

Artikel 9.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het verder ontwikkelen van een campus.

Artikel 9.5 Weigeringsgronden

Subsidie als bedoeld in artikel 9.4 wordt geweigerd indien:

  • a.

     het aangevraagde bedrag minder dan € 125.000 bedraagt;

  • b.

     de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in artikel 2 onder punt 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • c.

     ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 9.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 9.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       het project is gericht op industrieel onderzoek;

    • c.

       de campus biedt tenminste de volgende industrie gerelateerde faciliteiten:

      • 1°.

         kantoor;

      • 2°.

         laboratorium;

      • 3°.

         proeffaciliteiten;

    • d.

       de campus is gericht op ontwikkeling van biobased economy met betrekking tot in ieder geval:

      • 1°.

         het uit elkaar halen ofwel raffineren van biomassa naar groene bouwstenen;

      • 2°.

         het opbouwen van vele verschillende eindproducten vanuit groene doelmoleculen ten behoeve van performance materialen, chemicals en coatings;

    • e.

       de looptijd van de subsidie eindigt uiterlijk 1 juni 2020;

  • 2  Aan het project liggen ten grondslag:

    • a.

       een projectplan waarin ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid;

    • b.

       een realistische prognose over de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd waaruit blijkt dat het project rendabel is;

    • c.

       een negatieve prognose gezien mogelijke wijziging van de elementen vraag, tegenvallende hoeveelheid verkocht product, prijs of productie over de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd, waaruit blijkt op welk moment het risico ontstaat dat de aanvrager zijn project niet meer rendabel kan voortzetten;

    • d.

       een sluitende begroting.

Artikel 9.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

       personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

    • b.

       kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt en tot de hoogte van de afschrijvingskosten gedurende de looptijd van het project;

    • c.

       afschrijvingskosten van gebouwen gedurende de looptijd van het project en voor zolang deze voor het project worden gebruikt;

    • d.

       kosten van overdracht of werkelijk gemaakte kosten van de grond voor zolang deze voor het onderzoeksproject worden gebruikt;

    • e.

       kosten van contractonderzoek, technische kennis en octrooien die tegen marktprijzen worden verworven of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen mits de transactie volgens het arm’s length-beginsel plaatsvond en er geen sprake is collusie;

    • f.

       kosten van consultancy en gelijkwaardige diensten voor zover deze uitsluitend voor de onderzoeksactiviteiten worden gebruikt;

    • g.

       extra algemene vaste kosten die rechtstreeks uit het onderzoeksproject voortvloeien;

    • h.

       andere exploitatiekosten, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten die rechtstreeks uit de onderzoeksactiviteit voortvloeien.

  • 2  Subsidies voor de inzet van personeel worden berekend overeenkomstig artikel 11 van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant.

Artikel 9.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend voor 1 januari 2019.

Artikel 9.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 9.4 voor de periode 26 september 2013 tot en met 31 december 2018, vast op € 1.175.000.

Artikel 9.10 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 9.4, bedraagt 80% van de subsidiabele kosten tot ten hoogste het verschil tussen bruto omzetresultaat en geraamde bruto omzetresultaat in de negatieve prognose, bedoeld in 9.6, tweede lid, onder c.

  • 2  Indien toepassing van het eerste lid tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan € 125.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 9.11 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen op basis van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij hogere bedragen voorgaan op lagere bedragen.

Artikel 9.12 Subsidieverlening

  • 1  De subsidie, bedoeld in artikel 9.4, wordt verleend onder de volgende opschortende voorwaarden:

    • a.

       een in het kader van deze paragraaf relevant risico doet zich voor gedurende de periode waarvoor subsidie is verleend; en

    • b.

       het voordoen van een of meer van de risico’s, bedoeld onder a, heeft ertoe geleid dat de werkelijke omzet lager is dan de geraamde omzet in de negatieve prognose, bedoeld in artikel 9.6, tweede lid, onder c.

  • 2  Onder relevant risico als bedoeld in het eerste lid onder a, wordt verstaan:

    • a.

       de volgende risico’s wegens verandering van marktomstandigheden en bepaald ten opzichte van de negatieve prognose, bedoeld in artikel 9.6, tweede lid, onder c:

      • 1°.

         lagere opbrengst;

      • 2°.

         hogere kosten van inkoop;

      • 3°.

         lagere verhuurprijzen;

      • 4°.

         verplichte verkoop van een bedrijfsgebouw aan de eigenaar van de grond tegen een verkoopwaarde onder de boekwaarde van het gebouw;

    • b.

       een technologisch risico wegens uitval van de gebruikte materialen.

Artikel 9.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a.

     de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • b.

     de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 9.14 Prestatieverantwoording

Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aantoont dat:

  • a.

     tenminste een van de in het kader van deze paragraaf relevante risico’s, bedoeld in 9.12, tweede lid, zich heeft voorgedaan gedurende de periode waarvoor subsidie is verleend;

  • b.

     het voordoen van de risico’s, bedoeld onder a, ertoe heeft geleid dat de werkelijke omzet lager is dan de geraamde omzet in de negatieve prognose, bedoeld in artikel 9.6, tweede lid, onder c;

  • c.

     de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht; en

  • d.

     aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 9.15 Bevoorschotting en betaling

Gedeputeerde Staten verstrekken geen voorschot op het verleende subsidiebedrag.

Artikel 9.16 Subsidievaststelling

Een aanvraag om vaststelling wordt ingediend na het intreden van de opschortende voorwaarden, bedoeld in artikel 9.12, doch uiterlijk 1 juni 2020.

§ 10 Biobased economy: demonstratiefabrieken

Artikel 10.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;

  • b.

     aflossingsverplichting: aflossing op reguliere lening of kredietfaciliteit;

  • c.

     biobased economy: economie die voor zijn energievoorziening en materialen gebaseerd is op groene grondstoffen in plaats van fossiele grondstoffen;

  • d.

     bruto omzetresultaat: opbrengsten uit verkopen minus de kosten van inkoop van grondstoffen;

  • e.

     demonstratiefabriek: fabriek waarin een techniek bewezen in ontwikkelingsfase en laboratorium op grotere schaal wordt toegepast en doorontwikkeld tot continue bedrijfsvoering;

  • f.

     Debt Service Capacity Ratio: ratio die een indicatie geeft van de capaciteit van de onderneming om aan haar financiële verplichtingen te voldoen, berekend als de verhouding tussen de EBITDA van de onderneming en de financiële verplichtingen;

  • g.

     DSCR: Debt Service Capacity Ratio;

  • h.

     Earning Before Interest, Taxes, Depreciation and Amortization: operationele verdiensten voor aftrek van afschrijvingen, rentebetalingen, bijzondere baten, bijzondere lasten, bonussen en belastingen;

  • i.

     EBITDA: Earning Before Interest, Taxes, Depreciation and Amortization;

  • j.

     eigen vermogen: regulier eigen vermogen in de vorm van aandelenkapitaal, agio en disagio en ingehouden winst;

  • k.

     experimentele ontwikkeling: ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • l.

     financiële verplichting: betalingsverplichting bestaande uit rentelasten, aflossingsverplichtingen en leasebetalingen met uitzondering van betalingsverplichtingen vanwege uitkering van dividend en aflossingsverplichtingen op achtergestelde leningen;

  • m.

     groene grondstoffen: stoffen op basis van plantmaterialen, die op een duurzame wijze zijn geproduceerd en als grondstof gebruikt kunnen worden door de industrie;

  • n.

     immateriële activa: niet stoffelijke bezittingen of activa zoals goodwill, patenten en merkenrecht;

  • o.

     omzet: totaal bedrag van verkopen van een bedrijf in een bepaalde periode berekend aan de hand van de prijs en de afzet van het product;

  • p.

     onderneming: eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd;

  • q.

     solvabiliteitsratio: de verhouding tussen het risicodragend vermogen, bestaande uit het eigen vermogen, herwaarderingsreserves en achtergestelde leningen onder aftrek van de immateriële activa, en het balanstotaal.

Artikel 10.2 Doelgroep

  • 1  Subsidie op grond van dit hoofdstuk kan worden aangevraagd door een

    • a.

       rechtspersoon; of

    • b.

       samenwerkingsverband van rechtspersonen.

  • 2  Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

       wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid;

    • b.

       draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 10.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van dit hoofdstuk projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een garantstelling.

Artikel 10.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het realiseren van nieuwe productieprocessen binnen een bestaande of nieuwe demonstratiefabriek.

Artikel 10.5 Weigeringsgronden

Subsidie als bedoeld in artikel 10.4, wordt geweigerd indien:

  • a.

     het aangevraagde bedrag minder dan € 125.000 bedraagt;

  • b.

     voor het project reeds provinciale subsidie is verstrekt;

  • c.

     de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in artikel 2 onder punt 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d.

     ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 10.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 10.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       het project is gericht op experimentele ontwikkeling;

    • c.

       het productie proces heeft betrekking op:

      • 1°.

         groene grondstoffen;

      • 2°.

         groene bouwstenen;

    • d.

       het project draagt bij aan het delen van kennis en faciliteiten ter bevordering van ontwikkeling van biobased economy;

    • e.

       het project is niet uitsluitend gericht op productie van biobrandstoffen of energie;

    • f.

       blijkens een realistische planning kan binnen twaalf maanden na het verlenen van de subsidie worden gestart met de realisatie van het project;

    • g.

       de aanvrager kan gedurende de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd aan zijn financiële verplichtingen voldoen blijkens de DSCR;

    • h.

       de aanvrager heeft een solvabiliteitsratio van meer dan 20%;

    • i.

       het rentepercentage zoals overeengekomen met de financier van aanvrager is marktconform;

    • j.

       de minimale investering bedraagt € 10.000.000;

    • k.

       de looptijd van de subsidie is maximaal 59 maanden doch eindigt uiterlijk 1 juni 2020;

  • 2  Aan het project liggen ten grondslag:

    • a.

       een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid;

    • b.

       een realistische financiële prognose over de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd waaruit blijkt dat het project rendabel is;

    • c.

       een negatieve prognose gezien mogelijke wijziging van de elementen vraag, tegenvallende hoeveelheid verkocht product, prijs of productie over de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd, waaruit blijkt op welk moment het risico ontstaat dat de aanvrager zijn project niet meer rendabel kan voortzetten;

    • d.

       een sluitende begroting opgesteld naar aanleiding van het pre-basic engineeringanalyse.

Artikel 10.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

       personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

    • b.

       kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt en tot de hoogte van de afschrijvingskosten gedurende de looptijd van het project;

    • c.

       afschrijvingskosten van gebouwen gedurende de looptijd van het project en voor zolang deze voor het project worden gebruikt;

    • d.

       kosten van overdracht of werkelijk gemaakte kosten van de grond voor zolang deze voor het onderzoeksproject worden gebruikt;

    • e.

       kosten van contractonderzoek, technische kennis en octrooien die tegen marktprijzen worden verworven of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen mits de transactie volgens het arm’s length-beginsel plaatsvond en er geen sprake is collusie;

    • f.

       kosten van consultancy en gelijkwaardige diensten voor zover deze uitsluitend voor de onderzoeksactiviteiten worden gebruikt;

    • g.

       extra algemene vaste kosten die rechtstreeks uit het onderzoeksproject voortvloeien;

    • h.

       andere exploitatiekosten, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten die rechtstreeks uit de onderzoeksactiviteit voortvloeien.

  • 2  Subsidies voor de inzet van personeel worden berekend overeenkomstig artikel 11 van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant.

Artikel 10.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend voor 1 januari 2019.

Artikel 10.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 10.4 voor de periode 26 september 2013 tot en met 31 december 2018, vast op € 2.750.000.

Artikel 10.10 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 10.4, bedraagt 80% van de subsidiabele kosten tot ten hoogste 80% van het verschil tussen werkelijke bruto omzetresultaat en geraamde bruto omzetresultaat in de negatieve prognose, bedoeld in 10.6, tweede lid, onder c.

  • 2  Indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan € 125.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 10.11 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen op basis van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij hogere bedragen voorgaan op lagere bedragen.

Artikel 10.12 Subsidieverlening

  • 1  De subsidie, bedoeld in artikel 10.4, wordt verleend onder de volgende opschortende voorwaarden:

    • a.

       een in het kader van deze paragraaf relevant risico doet zich voor gedurende periode waarvoor subsidie is verleend;

    • b.

       het voordoen van een of meer van de risico’s, bedoeld onder a, heeft ertoe geleid dat de werkelijke omzet lager is dan de geraamde omzet in de negatieve prognose, bedoeld in artikel 2.32, tweede lid, onder c;

    • c.

       de DSCR gemeten over de 12 maanden voorafgaand aan het voordoen van de voorwaarden, genoemd onder a en b, is lager dan de DSCR berekend in de negatieve prognose als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, onder c; en

    • d.

       de solvabiliteit van aanvrager is lager dan 20%.

  • 2  Onder relevant risico als bedoeld in het eerste lid onder a, wordt verstaan:

    • a.

       lagere vraag wegens verandering van marktomstandigheden;

    • b.

       hogere kostprijs van het te verkopen product wegens verandering van marktomstandigheden.

  • 3  Het relevante risico als bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt bepaald ten opzichte van de negatieve prognose, bedoeld in artikel 10.6, tweede lid onder c.

Artikel 10.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1  Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:

    • a.

       de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

    • b.

       de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

    • c.

       binnen twaalf maanden na het verlenen van de subsidie wordt gestart met het realiseren van het project.

  • 2  Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger de periode, bedoeld in het vorige lid onder c, verlengen met maximaal een jaar.

Artikel 10.14 Prestatieverantwoording

Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aantoont dat:

  • a.

     tenminste een van de in het kader van deze paragraaf relevante risico’s, bedoeld in artikel 10.12, tweede lid, zich heeft voorgedaan gedurende de periode waarvoor subsidie is verleend;

  • b.

     het voordoen van de risico’s, bedoeld onder a, ertoe heeft geleid dat de werkelijke omzet lager is dan de geraamde omzet in de negatieve prognose, bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, onder c;

  • c.

     de DSCR gemeten over de 12 maanden voorafgaand aan het voordoen van de risico’s, bedoeld onder a, lager is dan de DSCR berekend in de negatieve prognose, bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, onder c;

  • d.

     de solvabiliteit van aanvrager lager is dan 20%;

  • e.

     de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht; en

  • f.

     aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 10.15 Bevoorschotting en betaling

Gedeputeerde Staten verstrekken geen voorschot op het verleende subsidiebedrag.

Artikel 10.16 Subsidievaststelling

Een aanvraag om vaststelling wordt ingediend na het intreden van de opschortende voorwaarden, bedoeld in artikel 10.12, doch uiterlijk 1 juni 2020.

§11 Slotbepalingen

Artikel 11.1 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2018 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze regeling in de praktijk

Artikel 11.2 Intrekking

De Subsidieregeling economie en innovatie Noord-Brabant wordt ingetrokken.

Artikel 11.3 Overgangsrecht

Voor subsidieaanvragen waarop op het moment van inwerkingtreding van deze regeling nog niet is beslist, blijft de Subsidieregeling economie en innovatie Noord-Brabant zijn werking behouden.

Artikel 11.4 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 11.5 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling economie en innovatie Noord-Brabant 2016.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 12 juli 2016

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk 

de secretaris mw. ir. A.M. Burger

 

Bijlage 1 behorende bij de Subsidieregeling economie en innovatie Noord-Brabant 2016

Kaart behorende bij de Subsidieregeling economie en innovatie Noord-Brabant 2016 [Klik hier om het document te downloaden]

Toelichting behorende bij de Subsidieregeling economie en innovatie Noord-Brabant 2016

Algemeen

Achtergrond Op 11 mei 2012 hebben Provinciale Staten het Economisch Programma Brabant 2020 vastgesteld. In het economisch programma wordt enerzijds ingestoken op het in orde houden van de basis en anderzijds worden de ambities op het gebied van economische topsectoren verbonden met maatschappelijke opgaven. Het Economische Programma kent een nauwe relatie met de eerder vastgestelde Energieagenda 2010-2020 en het recent vastgestelde beleidskader en uitvoeringsprogramma Vrijetijdseconomie.

Met deze regeling wordt beoogd om een aantal doelstellingen uit het Economisch Programma Brabant 2020 te realiseren door gebruik te maken van het instrument subsidie. Het betreft een aanbouwregeling waarbij allereerst een subsidiemogelijkheid wordt gecreëerd voor versterking van de smart industry in de regio West-Brabant, versterking van social innovation in de regio Midden-Brabant, versterking van de agrifood sector in de regio Noordoost-Brabant, versterking van de high-tech industrie in de regio Zuidoost-Brabant, versterking van de economische structuur van bedrijventerreinen in West-Brabant, kredietunies en de Green Deals zonneceltechnologie, warmtenet en biobased economy.

Juridisch kader Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in deze subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten en algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht. Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus de Asv van belang. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.

Paragraaf 1 Versterking smart industry in de regio West-Brabant

Algemeen

Achtergrond Gedeputeerde Staten willen in West-Brabant de smart industry verbeteren en richten zich daarbij vooral op de topsectoren maintenance, logistiek en biobased economy. Hierbij willen Gedeputeerde Staten stimuleren dat deze deelclusters elkaar gaan versterken om zo de innovatiekracht van bedrijven te vergroten. Aangezien de regio West-Brabant meer dan welke regio getroffen is door de crisis, is het ook van belang dat de regionale ondernemerskracht wordt versterkt. Gedeputeerde Staten willen dat bereiken door ondernemerschap te stimuleren op de deelsectoren zorgeconomie, toerisme en recreatie en agrosector, hetgeen ook goed aansluit op de maatschappelijke opgaven van de provincie. In de strategische agenda West-Brabant 2020 zijn deze sectoren ook als economische dragers van de regio benoemd.

Artikelsgewijs

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten Onderdeel a Deelsectoren Onder eerste Maintenance Onder maintenance verstaan Gedeputeerde Staten onderhoud, revisie, reparatie, vervanging en vernieuwing, dus alles wat nodig is om fabrieken, productiebedrijven, installaties en transportmiddelen zo soepel mogelijk te laten draaien. Onder derde Biobased economy Met biobased economy bedoelen Gedeputeerde Staten dat projecten betrekking moeten hebben op het niet meer afhankelijk zijn van fossiele grondstoffen, maar juist van groene grondstoffen ofwel biomassa. Onder vierde Zorgeconomie Deze deelsector omvat alle economische activiteiten, die direct of indirect een relatie hebben met zorg. Zorg moet hierbij breed gezien worden. Het omvat niet alleen gezondheids- en welzijnszorg, maar ook alle zorg gerelateerde activiteiten binnen de zakelijke en financiële dienstverlening, productie, handel en logistiek, kennis en detailhandel. Onder vijfde Vrijetijdseconomie Gedeputeerde Staten verstaan onder vrijetijdseconomie activiteiten op het gebied van toerisme, recreatie, cultuur en sport. Onder zesde Agrosector Onder agrosector verstaan Gedeputeerde Staten de gehele productiekolom van agrarische bedrijven, inclusief opslag, transport, handel, verkoop aan de consument en inclusief de toeleverende en ondersteunende bedrijven. Artikel 1.6 Subsidievereisten Eerste lid Basisvereisten Onder a MKB-ondernemingen Gedeputeerde Staten willen de positie van MKB-ondernemingen in de speerpuntenregio’s versterken. Het project moet derhalve uitdrukkelijk gericht zijn op of ten goede komen aan MKB-ondernemingen. Onder b Regio West-Brabant Binnen de regio West-Brabant vallen de gemeenten die zijn opgenomen in bijlage 1 onder het economische speerpunt smart industry. Onder d en e Samenwerking Gedeputeerde Staten streven naar meer kennisdeling en een grotere multiplier voor de regio. Samenwerking en het samen dragen van de financiële risico’s van een project draagt hierbij aan. Onder f Innovatief karakter Met innovatief karakter bedoelen Gedeputeerde Staten dat het project specifiek gericht moet zijn op nieuwe ideeën, goederen, diensten en processen. Innovatie kan plaatsvinden binnen organisaties maar ook binnen bredere - sociale - verbanden. Het proces van innoveren omvat het geheel van menselijke handelingen gericht op vernieuwing van producten, diensten, productieprocessen. Onder g Regionaal effect Het is uiteraard de bedoeling dat het project een aantoonbaar versterkend effect op de desbetreffende speerpuntenregio heeft. De subsidieaanvrager dient dus onder meer aan te tonen dat de regio meeprofiteert, door bijvoorbeeld gebruik te maken van lokale kennis en toeleveranciers bij de uitvoering van het project. Onder h Economisch toegevoegde waarde Gedeputeerde Staten wensen een bijdrage te leveren aan de regionaal economische versterking. Hiertoe dient de subsidieaanvrager aan te tonen dat het project tot economisch toegevoegde waarde leidt op ten minste drie van de onder h genoemde gebieden. Met nieuwe werkgelegenheid en behoud van werkgelegenheid bedoelen Gedeputeerde Staten dat het project moet bijdragen aan het voorkomen van verlies van arbeidsplaatsen. Het project dient een innovatief karakter te hebben als bedoeld onder f, maar daarnaast moeten de toegepaste innovatieve methoden en technieken ook echt tot economisch toegevoegde waarde te leiden. Versterking van de concurrentiepositie van het regionale bedrijfsleven kan door de subsidieaanvrager worden bereikt, als het project aantoonbaar leidt tot waardevermeerdering of waardecreatie voor het bedrijfsleven. Onder verbetering van het vestigingsklimaat verstaan Gedeputeerde Staten een verbetering van een of meer van het geheel aan factoren die bepaalt hoe aantrekkelijk het voor een MKB-onderneming is zich te vestigen in de regio. Met stimulering van duurzame ontwikkeling in de regio hebben Gedeputeerde blijvende economische groei voor ogen. Onder i Binnen twee jaar afgerond De subsidieaanvrager dient een realistische planning te overleggen, waaruit blijkt dat het project uiterlijk binnen twee jaar na het verlenen van de subsidie kan worden afgerond. Daarbij dient hij uiteraard ook in te gaan op eventuele risicofactoren. Tweede lid Specifieke vereisten In het eerste lid worden de vereisten genoemd waar alle projecten aan dienen te voldoen. Daarnaast dienen de projecten, bedoeld in artikel 1.4, onder a, nog specifiek gericht te zijn op de genoemde deelsectoren en te voorzien in de behoefte van die deelsectoren, doordat ze vraag gestuurd en niet aanbod gestuurd zijn.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten Tweede lid De subsidieaanvrager gaat bij het berekenen van subsidiabele uurtarieven uit van de berekeningswijze op basis van een forfaitair vastgesteld uurtarief. Het standaard uurtarief voor personeelsuren en arbeidsuren bedraagt op grond van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant € 50.

Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten Onder e Onder inventaris wordt verstaan regulier kantoormeubilair, inclusief reguliere hardware als computers, printers en kopieermachines. Inventaris bevat niet speciaal voor het project noodzakelijke geachte hardware als een 3d-printer en VR-brillen.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte Deze subsidie kan voordeel in de vorm van staatssteun opleveren voor subsidieontvangers. Aangezien de maximale hoogte van de subsidie onder de € 200.000 blijft, maken Gedeputeerde Staten in deze paragraaf gebruik van de mogelijkheid van de-minimissteun. Bij de vaststelling van de maximale subsidiehoogte op € 24.999 is hiermee rekening gehouden. Hierdoor is er geen sprake van staatssteun. Indien uit het aanvraagformulier blijkt dat de subsidieaanvrager van meerdere overheden subsidie heeft ontvangen, dient de subsidieaanvrager een de-minimisverklaring in te vullen, waaruit blijkt dat in het jaar van aanvraag en de twee daaraan voorafgaande jaren niet meer dan € 200.000 aan de-minimissteun is ontvangen.

Artikel 1.14 Prestatieverantwoording Ambtshalve vaststelling Op deze paragraaf is arrangement 1b van het Rijkssubsidiekader van toepassing. Dat wil zeggen dat Gedeputeerde Staten de subsidie eerst verlenen en na afloop van de prestatie de subsidie ambtshalve, dat wil zeggen zonder aanvraag tot vaststelling van de subsidieontvanger, vaststellen. Zolang de termijn voor de ambtshalve vaststelling (22 weken na afloop van het project) nog niet is verstreken, kunnen Gedeputeerde Staten steekproefsgewijs om verantwoording vragen en de subsidie zo nodig terugvorderen als de prestatie niet of niet geheel is geleverd. Gedeputeerde Staten kunnen daarbij de subsidieontvanger fysiek of administratief controleren of aan de verplichtingen is voldaan. De steekproef is gebaseerd op een risicogeoriënteerde benadering, waarbij rekening wordt gehouden met de omvang, samenstelling en achtergrond van de doelgroep. In de subsidiebeschikking wordt vermeld wanneer de gesubsidieerde activiteiten moeten zijn verricht en welke bewijsstukken de subsidieontvanger in de eigen administratie dient te bewaren.

Meldingsplicht Als de subsidieontvanger de gesubsidieerde activiteit niet, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen verricht, dient hij dit verplicht te melden bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten kunnen dan, afhankelijk van de situatie, de subsidie ambtshalve op een lager bedrag vaststellen. Ook kan er ambtshalve een gewijzigde verleningsbeschikking worden vastgesteld, waarin nieuwe afspraken met de subsidieontvanger worden gemaakt. Als bij de desgevraagde verantwoording of controle blijkt dat niet aan de meldingsplicht is voldaan, kan dit leiden tot volledige terugvordering inclusief wettelijke rente.

Paragraaf 2 Versterking social innovation in de regio Midden-Brabant

Algemeen

Achtergrond De samenwerking tussen de vier o’s (Ondernemers, Organisaties, Onderwijsinstellingen en Overheden), de multi-stakeholder benadering, is de nieuwe werkwijze om te komen tot succesvolle projecten. Van government naar governance. Midden-Brabant is daarmee koploper in social innovation. Sociale innovaties dragen bij aan de groei en het versterken van economie, mens, samenleving, leefomgeving en milieu. Vanuit het Economisch Programma Brabant zien Gedeputeerde Staten kansen om social innovation vooral in te zetten op de deelsectoren smart industry, zorg, leisure en logistiek. Midden-Brabant is de leisure regio van Brabant bij uitstek en Gedeputeerde Staten willen mede vanuit de maatschappelijke opgave juist daar de projecten op leisure stimuleren.

Artikelsgewijs

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten Onderdeel a Deelsectoren Onder eerste Smart industry Onder de deelsector smart industry verstaan Gedeputeerde Staten het toepassen van ICT om productieprocessen slimmer te laten verlopen in de maakindustrie. Onder tweede Zorg Gedeputeerde Staten bedoelen met zorg het introduceren van nieuwe product- en marktcombinaties in de hele zorgketen. Onder derde Leisure Met leisure doelen Gedeputeerde Staten op de vrijetijdseconomie, waar activiteiten op het gebied van toerisme, recreatie, cultuur en sport worden ontwikkeld. Onder vierde Logistiek Projecten binnen de deelsector logistiek dienen gericht te zijn op het versterken van de positie van de regio Midden-Brabant als logistieke hotspot.

Artikel 2.6 Subsidievereisten Eerste lid Basisvereisten Onder a MKB-ondernemingen Gedeputeerde Staten willen de positie van MKB-ondernemingen in de speerpuntenregio’s versterken. Het project moet derhalve uitdrukkelijk gericht zijn op of ten goede komen aan MKB-ondernemingen. Onder b Regio Midden-Brabant Binnen de regio Midden-Brabant vallen de gemeenten die zijn opgenomen in bijlage 1 onder het economische speerpunt social innovation, inclusief de gemeente Heusden. Onder d en e Samenwerking Gedeputeerde Staten streven naar meer kennisdeling en een grotere multiplier voor de regio. Samenwerking en het samen dragen van de financiële risico’s van een project draagt hierbij aan. Onder f Innovatief karakter Met innovatief karakter bedoelen Gedeputeerde Staten dat het project specifiek gericht moet zijn op nieuwe ideeën, goederen, diensten en processen. Innovatie kan plaatsvinden binnen organisaties maar ook binnen bredere - sociale - verbanden. Het proces van innoveren omvat het geheel van menselijke handelingen gericht op vernieuwing van producten, diensten, productieprocessen. Onder g Regionaal effect Het is uiteraard de bedoeling dat het project een aantoonbaar versterkend effect op de desbetreffende speerpuntenregio heeft. De subsidieaanvrager dient dus onder meer aan te tonen dat de regio meeprofiteert, door bijvoorbeeld gebruik te maken van lokale kennis en toeleveranciers bij de uitvoering van het project. Onder h Economisch toegevoegde waarde Gedeputeerde Staten wensen een bijdrage te leveren aan de regionaal economische versterking. Hiertoe dient de subsidieaanvrager aan te tonen dat het project tot economisch toegevoegde waarde leidt op ten minste drie van de onder h genoemde gebieden. Met nieuwe werkgelegenheid en behoud van werkgelegenheid bedoelen Gedeputeerde Staten dat het project moet bijdragen aan het voorkomen van verlies van arbeidsplaatsen. Het project dient een innovatief karakter te hebben als bedoeld onder f, maar daarnaast moeten de toegepaste innovatieve methoden en technieken ook echt tot economisch toegevoegde waarde te leiden. Versterking van de concurrentiepositie van het regionale bedrijfsleven kan door de subsidieaanvrager worden bereikt, als het project aantoonbaar leidt tot waardevermeerdering of waardecreatie voor het bedrijfsleven. Onder verbetering van het vestigingsklimaat verstaan Gedeputeerde Staten een verbetering van een of meer van het geheel aan factoren die bepaalt hoe aantrekkelijk het voor een MKB-onderneming is zich te vestigen in de regio. Met stimulering van duurzame ontwikkeling in de regio hebben Gedeputeerde blijvende economische groei voor ogen. Onder i Binnen twee jaar afgerond De subsidieaanvrager dient een realistische planning te overleggen, waaruit blijkt dat het project uiterlijk binnen twee jaar na het verlenen van de subsidie kan worden afgerond. Daarbij dient hij uiteraard ook in te gaan op eventuele risicofactoren. Tweede lid Specifieke vereisten In het eerste lid worden de vereisten genoemd waar alle projecten aan dienen te voldoen. Daarnaast dienen de projecten, bedoeld in artikel 2.4, onder a, nog specifiek gericht te zijn op de genoemde deelsectoren en te voorzien in de behoefte van die deelsectoren, doordat ze vraag gestuurd en niet aanbod gestuurd zijn.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten Tweede lid De subsidieaanvrager gaat bij het berekenen van subsidiabele uurtarieven uit van de berekeningswijze op basis van een forfaitair vastgesteld uurtarief. Het standaard uurtarief voor personeelsuren en arbeidsuren bedraagt op grond van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant € 50.

Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten Onder e Onder inventaris wordt verstaan regulier kantoormeubilair inclusief reguliere hardware als computers, printers en kopieermachines. Inventaris bevat niet speciaal voor het project noodzakelijke geachte hardware als een 3d-printer en VR-brillen.

Artikel 2.11 Subsidiehoogte Deze subsidie kan voordeel in de vorm van staatssteun opleveren voor subsidieontvangers. Aangezien de maximale hoogte van de subsidie onder de € 200.000 blijft, maken Gedeputeerde Staten in deze paragraaf gebruik van de mogelijkheid van de-minimissteun. Bij de vaststelling van de maximale subsidiehoogte € 50.000 is hiermee rekening gehouden. Hierdoor is er geen sprake van staatssteun. Indien uit het aanvraagformulier blijkt dat de subsidieaanvrager van meerdere overheden subsidie heeft ontvangen, dient de subsidieaanvrager een de-minimisverklaring in te vullen, waaruit blijkt dat in het jaar van aanvraag en de twee daaraan voorafgaande jaren niet meer dan € 200.000 aan de-minimissteun is ontvangen.

Artikel 2.14 Prestatieverantwoording Ambtshalve vaststelling Op deze paragraaf is arrangement 2 van het Rijkssubsidiekader van toepassing. Omdat het in deze paragraaf gaat om innovatieve projecten, waarbij het niet mogelijk is de prestatie vooraf te definiëren, biedt het subsidiesysteem de subsidieontvanger de mogelijkheid om te verantwoorden op basis van een opgave van de totale kosten. De subsidieontvanger dient een bestuursverklaring te overleggen over het totaal van kosten en baten van de prestatie. Hiervoor dient de subsidieontvanger gebruik te maken van de daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde modelverklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten. Het gaat daarbij om een globaal overzicht waaruit blijkt dat de gesubsidieerde activiteit heeft plaatsgevonden met daaraan verbonden kosten; dus geen gedetailleerde kostenverantwoording. Een volledige en diepgaande prestatieverantwoording komt daarmee te vervallen. Volstaan kan worden met een beknopte toelichting op de prestatie. De opgave van de gerealiseerde baten en lasten leidt tot het totale subsidiebedrag. Als de kosten lager zijn dan begroot, stellen Gedeputeerde Staten de subsidie lager vast en wordt te veel verstrekte subsidie teruggevorderd. Als de kosten hoger uitvallen, keren Gedeputeerde Staten maximaal het verleende subsidiebedrag uit.

Meldingsplicht Als de subsidieontvanger de gesubsidieerde activiteit niet, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen verricht, dient hij dit verplicht te melden bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten kunnen dan, afhankelijk van de situatie, de subsidie ambtshalve op een lager bedrag vaststellen. Ook kan er ambtshalve een gewijzigde verleningsbeschikking worden vastgesteld, waarin nieuwe afspraken met de subsidieontvanger worden gemaakt. Als bij de desgevraagde verantwoording of controle blijkt dat niet aan de meldingsplicht is voldaan, kan dit leiden tot volledige terugvordering inclusief wettelijke rente.

Paragraaf 3 Versterking agrifood sector in de regio Noordoost Brabant

Algemeen

Achtergrond Noord-Brabant wil tot de slimste en duurzaamste agrifoodregio’s van Europa behoren. Hiertoe hebben Gedeputeerde Staten ook het Innovatieprogramma Brabantse Agrofood 2020 opgesteld. Enerzijds willen Gedeputeerde Staten met deze subsidieparagraaf de sterke economische toppositie en het concurrentievermogen van de agrifood sector in de regio Noordoost-Brabant vernieuwen en verder versterken. Anderzijds willen Gedeputeerde Staten de transitie van de primaire sector ondersteunen naar een vitaal, duurzaam en maatschappelijk gewaardeerd onderdeel van het agrifoodcluster, met focus op kwaliteit en toegevoegde waarde. Voeding en gezondheid, duurzame technologie en biobased economy zijn de deelsectoren waar Gedeputeerde Staten zich daarbij op richten. Daarbij onderschrijven Gedeputeerde Staten de organische verandering die de regio heeft ondergaan van de 5o’s naar Food-Health-Farma en de keuze om als regio Noordoost-Brabant te richten op Agrifood.

Artikelsgewijs

Artikel 3.4 Subsidiabele activiteiten Onderdeel a Deelsectoren Onder tweede Duurzame technologie Deze deelsector ziet op het ontwikkelen van technologieën met het oog op de milieugebruiksruimte die men op lange termijn over bijvoorbeeld 50 jaar wil bereiken. Het betreft dus technieken waarmee in de toekomst wordt gekeken en waarvoor men heden technologieën ontwikkelt. Onder derde Biobased economy Met biobased economy bedoelen Gedeputeerde Staten dat projecten betrekking moeten hebben op het niet meer afhankelijk zijn van fossiele grondstoffen, maar juist van groene grondstoffen ofwel biomassa. Onder vierde Keteninnovatie Met de deelsector keteninnovatie bedoelen Gedeputeerde Staten het doorvoeren van vernieuwing in meerdere schakels uit de agrifood keten of innovatie die leidt tot een nieuwe agrifood keten.

Artikel 3.6 Subsidievereisten Eerste lid Basisvereisten Onder a MKB-ondernemingen Gedeputeerde Staten willen de positie van MKB-ondernemingen in de speerpuntenregio’s versterken. Het project moet derhalve uitdrukkelijk gericht zijn op of ten goede komen aan MKB-ondernemingen. Onder b Regio Noordoost-Brabant Binnen de regio Noordoost-Brabant vallen de gemeenten die zijn opgenomen in bijlage 1 onder het economische speerpunt agrifood sector, inclusief gemeente Heusden. Onder d en e Samenwerking Gedeputeerde Staten streven naar meer kennisdeling en een grotere multiplier voor de regio. Samenwerking en het samen dragen van de financiële risico’s van een project draagt hierbij aan. Onder f Innovatief karakter Met innovatief karakter bedoelen Gedeputeerde Staten dat het project specifiek gericht moet zijn op nieuwe ideeën, goederen, diensten en processen. Innovatie kan plaatsvinden binnen organisaties maar ook binnen bredere - sociale - verbanden. Het proces van innoveren omvat het geheel van menselijke handelingen gericht op vernieuwing van producten, diensten, productieprocessen. Onder g Regionaal effect Het is uiteraard de bedoeling dat het project een aantoonbaar versterkend effect op de desbetreffende speerpuntenregio heeft. De subsidieaanvrager dient dus onder meer aan te tonen dat de regio meeprofiteert, door bijvoorbeeld gebruik te maken van lokale kennis en toeleveranciers bij de uitvoering van het project. Onder h Economisch toegevoegde waarde Gedeputeerde Staten wensen een bijdrage te leveren aan de regionaal economische versterking. Hiertoe dient de subsidieaanvrager aan te tonen dat het project tot economisch toegevoegde waarde leidt op ten minste drie van de onder h genoemde gebieden. Met nieuwe werkgelegenheid en behoud van werkgelegenheid bedoelen Gedeputeerde Staten dat het project moet bijdragen aan het voorkomen van verlies van arbeidsplaatsen. Het project dient een innovatief karakter te hebben als bedoeld onder f, maar daarnaast moeten de toegepaste innovatieve methoden en technieken ook echt tot economisch toegevoegde waarde te leiden. Versterking van de concurrentiepositie van het regionale bedrijfsleven kan door de subsidieaanvrager worden bereikt, als het project aantoonbaar leidt tot waardevermeerdering of waardecreatie voor het bedrijfsleven. Onder verbetering van het vestigingsklimaat verstaan Gedeputeerde Staten een verbetering van een of meer van het geheel aan factoren die bepaalt hoe aantrekkelijk het voor een MKB-onderneming is zich te vestigen in de regio. Met stimulering van duurzame ontwikkeling in de regio hebben Gedeputeerde blijvende economische groei voor ogen. Onder i Binnen twee jaar afgerond De subsidieaanvrager dient een realistische planning te overleggen, waaruit blijkt dat het project uiterlijk binnen twee jaar na het verlenen van de subsidie kan worden afgerond. Daarbij dient hij uiteraard ook in te gaan op eventuele risicofactoren. Tweede lid Specifieke vereisten In het eerste lid worden de vereisten genoemd waar alle projecten aan dienen te voldoen. Daarnaast dienen de projecten, bedoeld in artikel 3.4, onder a, nog specifiek gericht te zijn op de genoemde deelsectoren en te voorzien in de behoefte van die deelsectoren, doordat ze vraag gestuurd en niet aanbod gestuurd zijn.

Artikel 3.7 Subsidiabele kosten Tweede lid De subsidieaanvrager gaat bij het berekenen van subsidiabele uurtarieven uit van de berekeningswijze op basis van een forfaitair vastgesteld uurtarief. Het standaard uurtarief voor personeelsuren en arbeidsuren bedraagt op grond van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant € 50.

Artikel 3.8 Niet subsidiabele kosten Onder e Onder inventaris wordt verstaan regulier kantoormeubilair inclusief reguliere hardware als computers, printers en kopieermachines. Inventaris bevat niet speciaal voor het project noodzakelijke geachte hardware als een 3d-printer en VR-brillen.

Artikel 3.11 Subsidiehoogte Deze subsidie kan voordeel in de vorm van staatssteun opleveren voor subsidieontvangers. Aangezien de maximale hoogte van de subsidie onder de € 200.000 blijft, maken Gedeputeerde Staten in deze paragraaf gebruik van de mogelijkheid van de-minimissteun. Bij de vaststelling van de maximale subsidiehoogte € 50.000 is hiermee rekening gehouden. Hierdoor is er geen sprake van staatssteun. Indien uit het aanvraagformulier blijkt dat de subsidieaanvrager van meerdere overheden subsidie heeft ontvangen, dient de subsidieaanvrager een de-minimisverklaring in te vullen, waaruit blijkt dat in het jaar van aanvraag en de twee daaraan voorafgaande jaren niet meer dan € 200.000 aan de-minimissteun is ontvangen.

Artikel 3.14 Prestatieverantwoording Ambtshalve vaststelling Op deze paragraaf is arrangement 2 van het Rijkssubsidiekader van toepassing. Omdat het in deze paragraaf gaat om innovatieve projecten, waarbij het niet mogelijk is de prestatie vooraf te definiëren, biedt het subsidiesysteem de subsidieontvanger de mogelijkheid om te verantwoorden op basis van een opgave van de totale kosten. De subsidieontvanger dient een bestuursverklaring te overleggen over het totaal van kosten en baten van de prestatie. Hiervoor dient de subsidieontvanger gebruik te maken van de daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde modelverklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten. Het gaat daarbij om een globaal overzicht waaruit blijkt dat de gesubsidieerde activiteit heeft plaatsgevonden met daaraan verbonden kosten; dus geen gedetailleerde kostenverantwoording. Een volledige en diepgaande prestatieverantwoording komt daarmee te vervallen. Volstaan kan worden met een beknopte toelichting op de prestatie. De opgave van de gerealiseerde baten en lasten leidt tot het totale subsidiebedrag. Als de kosten lager zijn dan begroot, stellen Gedeputeerde Staten de subsidie lager vast en wordt te veel verstrekte subsidie teruggevorderd. Als de kosten hoger uitvallen, keren Gedeputeerde Staten maximaal het verleende subsidiebedrag uit.

Meldingsplicht Als de subsidieontvanger de gesubsidieerde activiteit niet, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen verricht, dient hij dit verplicht te melden bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten kunnen dan, afhankelijk van de situatie, de subsidie ambtshalve op een lager bedrag vaststellen. Ook kan er ambtshalve een gewijzigde verleningsbeschikking worden vastgesteld, waarin nieuwe afspraken met de subsidieontvanger worden gemaakt. Als bij de desgevraagde verantwoording of controle blijkt dat niet aan de meldingsplicht is voldaan, kan dit leiden tot volledige terugvordering inclusief wettelijke rente.

Paragraaf 4 Versterking high-tech industrie in de regio Zuidoost Brabant

Algemeen

Achtergrond De regio Zuidoost-Brabant is bekend onder de naam Brainport en is de tweede economische regio van Nederland. Gedeputeerde Staten vinden het van belang om aldoor innovatie te blijven stimuleren in deze regio, om deze positie vast te houden, maar ook te kunnen concurreren met soortgelijke regio’s buiten de provincie. Juist de high-tech industrie heeft gezorgd dat Brainport deze positie heeft kunnen bemachtigen. Om te komen tot innovatie is de samenwerking van bedrijven in de Brainportregio heel belangrijk. Gedeputeerde Staten stimuleren dat en richten zich daarbij op de deelsectoren high-tech systemen en materialen, automotive, lifetec en chemie. Het blijven vernieuwen en innoveren in deze deelsectoren is belangrijk.

Artikelsgewijs

Artikel 4.4 Subsidiabele activiteiten Onderdeel a Deelsectoren Onder eerste High-tech systemen en materialen Onder de deelsector high-tech systemen en materialen vallen een aantal nauw met elkaar verweven maakindustrieën. Het betreft daarbij de machine- en systeemindustrie, automotive, lucht- en ruimtevaart en materialen inclusief staal. Onder tweede Automotive Gedeputeerde Staten zien automotive als een containerbegrip voor alles wat past in de bedrijfskolom auto industrie. Onder derde Lifetec Projecten gericht op deze deelsector dienen zich te richten op het vergroten van de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kennisinstellingen binnen de sectoren Life Sciences en Medische Technologie. Het is de bedoeling dat binnen lifetec bedrijven en kennisinstellingen slimme medische en technische oplossingen ontwikkelen voor vraagstukken in de zorg. Onder vierde Chemie Onder projecten gericht op chemie verstaan Gedeputeerde Staten het maken en bewerken van producten door de chemische samenstelling van bestaande stoffen te veranderen.

Artikel 4.6 Subsidievereisten Eerste lid Basisvereisten Onder a MKB-ondernemingen Gedeputeerde Staten willen de positie van MKB-ondernemingen in de speerpuntenregio’s versterken. Het project moet derhalve uitdrukkelijk gericht zijn op of ten goede komen aan MKB-ondernemingen. Onder b Regio Zuidoost-Brabant Binnen de regio Zuidoost-Brabant vallen de gemeenten die zijn opgenomen in bijlage 1 onder het economische speerpunt high-tech sector. Onder d en e Samenwerking Gedeputeerde Staten streven naar meer kennisdeling en een grotere multiplier voor de regio. Samenwerking en het samen dragen van de financiële risico’s van een project draagt hierbij aan. Onder f Innovatief karakter Met innovatief karakter bedoelen Gedeputeerde Staten dat het project specifiek gericht moet zijn op nieuwe ideeën, goederen, diensten en processen. Innovatie kan plaatsvinden binnen organisaties maar ook binnen bredere - sociale - verbanden. Het proces van innoveren omvat het geheel van menselijke handelingen gericht op vernieuwing van producten, diensten, productieprocessen. Onder g Regionaal effect Het is uiteraard de bedoeling dat het project een aantoonbaar versterkend effect op de desbetreffende speerpuntenregio heeft. De subsidieaanvrager dient dus onder meer aan te tonen dat de regio meeprofiteert, door bijvoorbeeld gebruik te maken van lokale kennis en toeleveranciers bij de uitvoering van het project. Onder h Economisch toegevoegde waarde Gedeputeerde Staten wensen een bijdrage te leveren aan de regionaal economische versterking. Hiertoe dient de subsidieaanvrager aan te tonen dat het project tot economisch toegevoegde waarde leidt op ten minste drie van de onder h genoemde gebieden. Met nieuwe werkgelegenheid en behoud van werkgelegenheid bedoelen Gedeputeerde Staten dat het project moet bijdragen aan het voorkomen van verlies van arbeidsplaatsen. Het project dient een innovatief karakter te hebben als bedoeld onder f, maar daarnaast moeten de toegepaste innovatieve methoden en technieken ook echt tot economisch toegevoegde waarde te leiden. Versterking van de concurrentiepositie van het regionale bedrijfsleven kan door de subsidieaanvrager worden bereikt, als het project aantoonbaar leidt tot waardevermeerdering of waardecreatie voor het bedrijfsleven. Onder verbetering van het vestigingsklimaat verstaan Gedeputeerde Staten een verbetering van een of meer van het geheel aan factoren die bepaalt hoe aantrekkelijk het voor een MKB-onderneming is zich te vestigen in de regio. Met stimulering van duurzame ontwikkeling in de regio hebben Gedeputeerde blijvende economische groei voor ogen. Onder i Binnen twee jaar afgerond De subsidieaanvrager dient een realistische planning te overleggen, waaruit blijkt dat het project uiterlijk binnen twee jaar na het verlenen van de subsidie kan worden afgerond. Daarbij dient hij uiteraard ook in te gaan op eventuele risicofactoren. Tweede lid Specifieke vereisten In het eerste lid worden de vereisten genoemd waar alle projecten aan dienen te voldoen. Daarnaast dienen de projecten, bedoeld in artikel 4.4, onder a, nog specifiek gericht te zijn op de genoemde deelsectoren en te voorzien in de behoefte van die deelsectoren, doordat ze vraag gestuurd en niet aanbod gestuurd zijn. Artikel 4.7 Subsidiabele kosten Tweede lid De subsidieaanvrager gaat bij het berekenen van subsidiabele uurtarieven uit van de berekeningswijze op basis van een forfaitair vastgesteld uurtarief. Het standaard uurtarief voor personeelsuren en arbeidsuren bedraagt op grond van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant € 50.

Artikel 4.8 Niet subsidiabele kosten Onder e Onder inventaris wordt verstaan regulier kantoormeubilair inclusief reguliere hardware als computers, printers en kopieermachines. Inventaris bevat niet speciaal voor het project noodzakelijke geachte hardware als een 3d-printer en VR-brillen.

Artikel 4.11 Subsidiehoogte Deze subsidie kan voordeel in de vorm van staatssteun opleveren voor subsidieontvangers. Aangezien de maximale hoogte van de subsidie onder de € 200.000 blijft, maken Gedeputeerde Staten in deze paragraaf gebruik van de mogelijkheid van de-minimissteun. Bij de vaststelling van de maximale subsidiehoogte € 50.000 is hiermee rekening gehouden. Hierdoor is er geen sprake van staatssteun. Indien uit het aanvraagformulier blijkt dat de subsidieaanvrager van meerdere overheden subsidie heeft ontvangen, dient de subsidieaanvrager een de-minimisverklaring in te vullen, waaruit blijkt dat in het jaar van aanvraag en de twee daaraan voorafgaande jaren niet meer dan € 200.000 aan de-minimissteun is ontvangen.

Artikel 4.15 Prestatieverantwoording Bestuursverklaring Op deze paragraaf is arrangement 2 van het Rijkssubsidiekader van toepassing. Omdat het in deze paragraaf gaat om innovatieve projecten, waarbij het niet mogelijk is de prestatie vooraf te definiëren, biedt het subsidiesysteem de subsidieontvanger de mogelijkheid om te verantwoorden op basis van een opgave van de totale kosten. De subsidieontvanger dient een bestuursverklaring te overleggen over het totaal van kosten en baten van de prestatie. Hiervoor dient de subsidieontvanger gebruik te maken van de daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde modelverklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten. Het gaat daarbij om een globaal overzicht waaruit blijkt dat de gesubsidieerde activiteit heeft plaatsgevonden met daaraan verbonden kosten; dus geen gedetailleerde kostenverantwoording. Een volledige en diepgaande prestatieverantwoording komt daarmee te vervallen. Volstaan kan worden met een beknopte toelichting op de prestatie. De opgave van de gerealiseerde baten en lasten leidt tot het totale subsidiebedrag. Als de kosten lager zijn dan begroot, stellen Gedeputeerde Staten de subsidie lager vast en wordt te veel verstrekte subsidie teruggevorderd. Als de kosten hoger uitvallen, keren Gedeputeerde Staten maximaal het verleende subsidiebedrag uit.

Meldingsplicht Als de subsidieontvanger de gesubsidieerde activiteit niet, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen verricht, dient hij dit verplicht te melden bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten kunnen dan, afhankelijk van de situatie, de subsidie ambtshalve op een lager bedrag vaststellen. Ook kan er ambtshalve een gewijzigde verleningsbeschikking worden vastgesteld, waarin nieuwe afspraken met de subsidieontvanger worden gemaakt. Als bij de desgevraagde verantwoording of controle blijkt dat niet aan de meldingsplicht is voldaan, kan dit leiden tot volledige terugvordering inclusief wettelijke rente.

Paragraaf 5 Versterking bedrijventerreinen: pilot vraaggericht ontwikkelen West-Brabant

Algemeen

Achtergrond Een economische insteek voor herstructurering. De provincie Noord-Brabant heeft een bedrag van €1.000.000,- beschikbaar gesteld om in West-Brabant een extra impuls te geven aan herstructureringsprojecten op bedrijventerreinen. De provincie beschouwt deze impuls als een pilot om naar een vernieuwende vorm van herstructurering op bedrijventerreinen te komen.

De regio West-Brabant is de laatste jaren achtergebleven in de ontwikkeling van bedrijventerrein en werkgelegenheid. Dit komt ook door de nadelige situatie die in West-Brabant is ontstaan door de verplaatsing van bedrijven. De regio West-Brabant heeft doelstellingen geformuleerd in het Actieplan Economische Structuurversterking ten behoeve van een toekomstgerichte en concurrerende, industriële economie die een stevige basis vormt voor behoud en groei van werkgelegenheid. De pilot sluit goed aan bij dit actieplan en kan zo een manier vormen om de economische ontwikkelingen in West-Brabant een nieuw impuls te geven.

Artikelsgewijs Artikel 5.4 Vraaggericht ontwikkelen houdt in dat de aanpassingen met betrekking tot het bedrijventerrein ingegeven worden door een vraag aan de kant van de ondernemer en de aanpassingen ondernemers zal helpen bij het efficiënter en effectiever gebruik maken van de omgeving, waardoor de bedrijvigheid op een terrein kan groeien en de werkgelegenheid toeneemt. Deze manier van ontwikkelen impliceert een nauwe betrokkenheid van zowel het bedrijfsleven als van de overheid.

Artikel 5.5 Onderdeel c Nadrukkelijk wordt gesteld dat de provincie met deze subsidie concrete projecten wil stimuleren. Dat betekent dat het nodige voorwerk in deze projecten reeds plaatsgevonden heeft. De bijdrage is niet bedoeld om nieuwe haalbaarheidsstudies, visies of onderzoeken te (co-)financieren.

Artikel 5.6 Onder d Vraaggericht ontwikkelen houdt in dat de aanpassingen met betrekking tot het bedrijventerrein ingegeven worden door een vraag aan de kant van de ondernemer en de aanpassingen ondernemers zal helpen bij het efficiënter en effectiever gebruik maken van de omgeving, waardoor de bedrijvigheid op een terrein kan groeien en de werkgelegenheid toeneemt. Deze manier van ontwikkelen impliceert een nauwe betrokkenheid van zowel het bedrijfsleven als van de overheid.

Artikel 5.12 Onder a De kwaliteit hangt af van de mate van concreetheid, de heldere planning en fasering, de uitwerking van het eindresultaat en de begroting.

Onder c Hier wordt mee bedoeld dat het project bijdraagt aan het optimaal gebruik maken van alle aanwezige infrastructuur, zoals weg, water, spoor en buis.

Onder d Het bestuursakkoord is te raadplegen via http://www.brabant.nl/politiek-en-bestuur/bestuursakkoord-2015-2019.aspx

Onder f Hoe kleiner het gedeelte van het aangevraagde subsidiebedrag is, hoe hoger het project gewaardeerd wordt.

Paragraaf 6 Kredietunies

Algemeen

Achtergrond Innovatie wordt in belangrijke mate bewerkstelligd door MKB-bedrijven. Binnen het huidige economische klimaat geven banken nauwelijks meer kredieten onder de grens van € 250.000. Er zijn meerdere initiatieven gestart om dit knelpunt te verhelpen. Voorbeelden daarvan zijn kredietverstrekking door kredietunies, microkredieten verstrekt door bijvoorbeeld Qredits (recent stevig gesteund door EFSI) en crowdfunding. Het is voor de Brabantse economie belangrijk dat de MKB-bedrijven over voldoende kapitaal kunnen blijven beschikken om te innoveren en te groeien. De provincie ziet mogelijkheden om via de ondersteuning van kredietunies een kleine bijdrage te kunnen leveren aan het verminderen van bovengenoemd knelpunt. Het past binnen het economisch beleid van de provincie om kredietunies in de opstartfase onder een aantal strikte voorwaarden te ondersteunen. Als vereisten zijn onder meer opgenomen dat kredietunies daadwerkelijk bijdragen aan de versterking van het financieringsvermogen van innovatieve bedrijven, dat de kwaliteit van kredietunies is geborgd en dat er sprake is van een Brabant brede of regionale aanpak. Omdat ondersteuning passend moet zijn bij het karakter van kredietunies als zelfvoorzienende private organisaties wordt deze alleen in de vorm van een achtergestelde geldlening verstrekt.

Artikelsgewijs

Artikel 6.3 Subsidievorm Tweede lid Geldlening De subsidie wordt verleend in de vorm van een achtergestelde geldlening. Dit houdt in dat de provincie geen preferente schuldeiser is in het geval van faillissement van de subsidieontvanger.

Artikel 6.4 Subsidiabele activiteiten Onder b Afdeling van kredietunie Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de inrichtingsfase van nieuwe kredietunies, maar hebben er ook voor gekozen om subsidie te verstrekken voor de inrichtingsfase van regionale afdelingen van kredietunies. Deze afdelingen van kredietunies bezitten geen rechtspersoonlijkheid, maar vormen voor het overige wel een zelfstandige entiteit. Een afdeling van een kredietunie bepaalt bijvoorbeeld zelf welke leden en kredietaanvragen uit haar werkgebied toegelaten zullen worden. Wel werken de besturen van de kredietunies en de afdelingen van kredietunies zeer nauw samen. De afdelingen van kredietunies maken daarbij gebruik van de reeds opgedane ervaringen en van de bestaande back-office systemen van de kredietunies, waardoor dubbele kosten worden voorkomen. Tegelijkertijd kunnen kredietgevende leden van kredietunies deelnemen in kredietaanvragen van afdelingen van kredietunies en vice versa, waardoor de kans wordt vergroot op succesvolle kredietverlening aan het MKB. Een ander voordeel van het inrichten van een afdeling van een kredietunie is bovendien dat gebruik gemaakt kan worden van de door een bestaande kredietunie reeds opgedane naamsbekendheid, waardoor de oprichting van een afdeling van een kredietunie sneller van start kan gaan.

Artikel 6.5 Weigeringsgronden Gedeputeerde Staten merken daarbij de inrichting van een afdeling van een kredietunie aan als een nieuw project.

Artikel 6.6 Subsidievereisten Onder b Kwaliteit en professionaliteit De subsidieaanvrager kan dit bijvoorbeeld aantonen door het overleggen van handboeken die aantonen dat aan het kwaliteitskader kredietunies is voldaan of door het aanleveren van cv’s van bestuurders, commissieleden, commissarissen en dergelijke.

Artikel 6.11 Subsidiehoogte Het regime voor betaling van rente en aflossing van deze subsidie kan rentevoordeel opleveren voor kredietunies. Aangezien de totale hoogte van het rentevoordeel gering is, maken Gedeputeerde Staten in dit hoofdstuk gebruik van de mogelijkheid van de-minimissteun. Bij de vaststelling van de maximale subsidiehoogte voor kredietunies op € 50.000 is hiermee rekening gehouden. Hierdoor is er geen sprake van staatssteun. Indien uit het aanvraagformulier blijkt dat de subsidieaanvrager van meerdere overheden subsidie heeft ontvangen, dient de subsidieaanvrager een de-minimisverklaring in te vullen, waaruit blijkt dat in het jaar van aanvraag en de twee daaraan voorafgaande jaren niet meer dan € 200.000 aan de-minimissteun is ontvangen.

Artikel 6.15 Verplichtingen van de subsidieontvanger Onder d Toegankelijkheid bevindingen en resultaten Dit kan de subsidieaanvrager bijvoorbeeld bewerkstelligen via jaarverslagen of de website van de kredietunie.

Paragrafen 7 tot en met 10 Green Deal en biobased economy

Algemeen

Green Deal en biobased economy Op 3 oktober 2011 is een Green Deal gesloten tussen het Rijk en de provincie Noord-Brabant. Aan deze Green Deal liggen de provinciale Energieagenda 2010-2020, het daaraan gekoppelde investeringsprogramma en het nationale topsectorenbeleid ten grondslag. Duurzame energie is een van de pijlers van de Brabantse economie. Een groter gebruik van zonne-energie leidt tot een verduurzaming van de energiemix in Brabant en uiteindelijk tot lagere energiekosten voor de Brabanders. Het stimuleren van innovatieve zonne-energieprojecten en daarmee kennisontwikkeling op het gebied van zonne-energie in Brabant kan worden gestimuleerd door subsidies in de vorm van garantstellingen te verlenen;

In de Green Deal is een bedrag van 12 miljoen euro door het Rijk beschikbaar gesteld voor het verlenen van subsidies in de vorm van garantstellingen voor het afdekken van (financiële) risico’s die zich kunnen voordoen bij projecten in het zogeheten solar experimenteergebied en de biobased economy. De aanpak voor de beide gebieden verschilt.

Op 19 maart 2013 zijn de afspraken uit de Green Deal en de uitvoering ervan uitgewerkt in een bestuursovereenkomst. In deze bestuursovereenkomst is vastgelegd dat de subsidie in de vorm van een garantstelling wordt verstrekt.

Garantstelling De subsidie voor solar wordt verstrekt als een garantstelling van 80% van de financiële verplichting. Een subsidie in de vorm van een garantstelling is hetzelfde als een subsidie onder opschortende voorwaarden. Als de opschortende voorwaarde intreedt, komt de verlening tot stand en kan vaststelling van het subsidiebedrag worden gevraagd. Gedurende de looptijd van de garantie ofwel na de voorwaardelijke verlening en hangende de opschortende voorwaarden wordt geen premie gevraagd van de aanvrager.

Europese regelgeving Een garantstelling is aan te merken als staatssteun wanneer de ontvangende onderneming door de garantstelling een voordeel verkrijgt dat hij niet op de markt had verkregen. Dit voordeel is niet afhankelijk van het feit of daadwerkelijk tot uitkering van de garantie wordt overgegaan, immers is ook het niet vragen van premie of het vragen van een lagere premie gedurende de looptijd van de garantie, aan te merken als staatssteun. De beoordeling of sprake is van staatssteun vindt derhalve plaats bij aanvang van de garantie. In de Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (2008/C155/02) zijn voorwaarden opgenomen om uit te sluiten dat sprake is van staatssteun. Hierin is bepaald dat de aanwezigheid van staatssteun kan worden uitgesloten indien de garantie: a. niet meer dekt dan 80% van de uitstaande lening of andere financiële verplichting en afneemt als het risico voor de ondernemer afneemt; b. de omvang van de garantie goed valt te meten op het tijdstip van toekenning (dit betekent dat de garantie met een welbepaalde financiële transactie verband moet houden, een vast maximumbedrag moet betreft en in de tijd beperkt moet zijn); c. de kredietnemer niet in financiële moeilijkheden verkeert.

Omdat de garantstelling zelf beperkt is tot maximaal 80% van de financiële verplichting en ook aan de overige voorwaarden is voldaan, is geen sprake van staatssteun ten aanzien van de garantie. Een vierde voorwaarde die wordt gesteld is echter het betalen van een marktconforme prijs voor de garantie: een premie. Deze wordt niet gevraagd.

De niet gevraagde premie is aan te merken als staatssteun. De premie kan voor solar ondergebracht worden onder module 1 van de Omnibus Decentraal regeling, zoals goedgekeurd door de Europese Commissie bij beschikking van SA.34101 (2011N) (hierna ODR). Deze regeling is van toepassing op alle maatregelen van provincies en gemeenten voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (OO&I) die staatssteun bevatten. De steun kan geplaatst worden in module 1: Onderzoek en ontwikkeling projecten, industrieel onderzoek. Van de totale subsidiabele kosten mag in het geval van steun in het kader van industrieel onderzoek 50% en bij experimentele ontwikkeling 25% (de samenwerkingsverhogingen even buiten beschouwing gelaten) aan steun verleend worden. Hiermee is de steun geoorloofd en is melden niet meer nodig.

Premie De premie wordt als steun in een andere vorm dan een subsidie verleend. De ODR bepaalt in hoofdstuk 2, definities, onder c dat in het geval dat de steun in een andere vorm dan subsidie wordt verleend het steunbedrag het subsidie-equivalent van de steun is, uitgedrukt in een percentage van de in aanmerking komende kosten. Om de berekening van de steuncomponent bij deze en andere vormen van staatssteun te verduidelijken heeft de Europese Commissie een methode van ‘referentie- en disconteringspercentages’ vastgesteld. De rente die op basis van deze methode wordt berekend zal de Commissie als indicatie van de marktrente gebruiken. Voor deze berekening is uitgegaan van een marktconform premie percentage van 10% per jaar. Gezien de looptijd van de regeling (tot 31 december 2020), de ingangsdatum van de regeling en de realisatietermijn van de subsidiabele activiteit zal de periode waarover subsidie wordt verstrekt en dus geen premie wordt gevraagd, maximaal zes jaar en een paar maanden zijn. Hiermee blijft de totale premie onder het maximum te subsidiëren percentage volgens de ODR. Per verleende subsidie wordt de niet gevraagde totale premie inzichtelijk gemaakt in de beschikking. Uitgaande van 10% premie per jaar over 80% van de in aanmerking komende kosten is de jaarlijkse steunintensiteit maximaal 8% over het totaal van de in aanmerking komende kosten. De totale steunintensiteit wordt berekend door de jaarlijkse steunintensiteit te vermenigvuldigen met het aantal jaren waarover de garantstelling wordt verleend.

De garantststelling wordt, om de steunequivalent van de premie uit te kunnen drukken in een percentage van de in aanmerking komende kosten, alleen verstrekt over de in aanmerking komende kosten.

Paragraaf 7 Green deal: zonneceltechnologie

Artikelsgewijs

Artikel 7.3 Subsidievorm De subsidie wordt verstrekt onder opschortende voorwaarden, hiermee krijgt de subsidie de vorm van een garantstelling aan de aanvrager voor het betreffende project. De garantstelling wordt niet verleend aan een kredietverstrekker of ten behoeve van een kredietverstrekker. Dat betekent dat er geen leningsovereenkomst met een kredietverstrekker behoeft te worden overgelegd dan wel dat de garantstelling wordt gebruikt om het krediet te verkrijgen. Voor de Green Deal solar biedt de subsidie de aanvrager de zekerheid dat zijn investeringskosten worden terugverdiend ook indien zich risico’s voordoen waardoor de opbrengsten lager uitvallen dan geraamd. Hiermee beoogt de provincie de betreffende projecten te stimuleren opdat ondernemers hierdoor het risico durven aangaan. Vanwege de aard van de garantstelling vindt de verlening onder opschortende voorwaarden plaats en wordt slecht dan de subsidie vastgesteld en vervolgens uitbetaald indien de opschortende voorwaarde zich voordoet.

Artikel 7.5 Weigeringsgronden Samenloop met andere subsidieregelingen is mogelijk.

Artikel 7.6 Subsidievereisten Eerste lid Onderdeel d Het project heeft een sluitende begroting en is hiermee op voorhand rendabel. Evengoed kan een dergelijk rendabel project niet bankable zijn omdat een kredietverstrekker de mogelijke risico’s te groot acht om krediet te verstrekken of garantie te willen afgeven. Onderdeel f Bij de aanvraag dient duidelijk te zijn dat het haalbaar is om het project binnen 15 maanden in werking te stellen. Artikel 2.12 bevat vervolgens de verplichting dat het project ook daadwerkelijk in die 15 maanden in werking moet zijn gesteld. Onderdeel g De looptijd van de Green Deal eindigt op 31.12.2020. Dat betekent dat voor deze datum alle fasen van het subsidieproces doorlopen moeten zijn en de garantstelling voor deze tijd eindigt ongeacht de looptijd of terugverdientijd van het project. Onderdeel h De subsidieregeling beoogt het nemen van risico’s die dergelijke innovatieve projecten groter zijn dan een gemiddeld ondernemersrisico, terug te brengen tot het normale ondernemersrisico. Als een project dergelijke risico’s niet in zich heeft, valt het buiten de doelstelling van de regeling. Zodra deze risico’s zich voordoen en met gevolg voor de ondernemer, doet zich de opschortende voorwaarde voor waaronder de verlening tot stand komt. Dit is geregeld in artikel 2.12.

Tweede lid Schematisch ziet de berekening van het puntentotaal er als volgt uit: Criteria Indicatoren Weging (%) Uitstraling (onder a) • Omvang in aantal m2 (10 pnt) • Het iconisch gehalte (10 pnt) • Mate van vernieuwing (10pnt) 35 35 Kwaliteit van het project (onder b) • Technologische haalbaarheid (10 pnt) • Organisatiegraad (10 pnt) • Solide financiering (10 pnt) 25 Risicoprofiel aanvraag (onder c) • Periode dat garantstelling in werking is (10 pnt) • Percentage van de investeringskosten waar garantstelling op werkt (10 pnt) • Tevoren ingeschatte risico’s (max.10 pnt totaal naar gelang risico’s waar geen subsidie is gevraagd) 5 Koppeling nationale/ regionale belangen (onder d) • Koppeling met de nationale programma’s Solliance en SEAC (10 pnt) • Werken met regionale/nationale toeleveranciers (10 pnt) • Uitbesteding regionale installateurs (10 pnt) 35 Totaal 100%

Derde lid Onderdeel a en b Het projectplan en de sluitende begroting tezamen vormen de businesscase van het project. Hierin dienen voldoende de opbrengsten en uitgaven in beeld te zijn gebracht. Met het vragen van een sluitende begroting van opbrengsten en uitgaven is voldoende te beoordelen of het project op voorhand rendabel is. Onderdeel c Commitment kan ook voorwaardelijk, te weten onder de voorwaarde dat de subsidie in de vorm van garantstelling wordt verleend.

Artikel 7.7 Subsidiabele kosten Onderdeel a Investeringskosten zijn onder andere kosten van aanschaf van de zonneceltechnologie.

Artikel 7.10 Subsidiehoogte Eerste lid De hoogte van de subsidie wordt bepaald door de afschrijvingsduur van de investeringskosten en de mate waarin de investeringskosten in die periode zijn terugverdiend. De subsidie beoogt immers alleen verlies van de ondernemer door het voordoen van de risico’s te compenseren.

Artikel 7.12 Subsidieverlening De subsidie heeft de vorm van een garantstelling. Dit betekent dat de verlening pas tot stand komt indien een onzekere toekomstige gebeurtenis intreedt, in dit geval indien zich een of meer van de risico’s waarvoor subsidie is gevraagd, voordoen èn dit gevolgen heeft voor het terug kunnen verdienen van de investeringskosten. Het terugverdienen van de investeringskosten is gerelateerd aan de hoogte van de afschrijving gedurende periode waarvoor subsidie is gevraagd. Indien de opschortende voorwaarde zich niet voordoet, vervalt de subsidieverlening overigens van rechtswege en behoeft geen aanvraag tot vaststelling te worden voldaan.

Artikel 7.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger. Onderdeel a Het voortgangsverslag dient de jaarlijkse opbrengst te bevatten, opdat tussentijds het risico kan worden ingeschat.

’s-Hertogenbosch, 12 juli 2016

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter de secretaris prof. dr. W.B.H.J. van de Donk mw. ir. A.M. Burger

Kenmerk: 4019851 Uitgegeven, 15 juli 2016 De secretaris van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, mw. ir. A.M. Burger.