Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingSubsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020
CiteertitelSubsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpsociaal-economische zaken, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Vastgesteld door Gedeputeerde Staten in hun hoedanigheid als managementautoriteit voor het Operationeel Programma EFRO Zuid-Nederland 2014-2020.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Verordening (EU) nr. 1303/2013, art. 125, lid 3
  2. Uitvoeringsregeling EFRO programmaperiode 2014-2020, art. 2.2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

17-09-201525-11-2016art. 1.3, 2.5

15-09-2015

Provinciaal Blad, 2015, 95

3860002
17-07-201517-09-2015art. 1.1, 1.3, 1.5, 1.8, 2.3, 2.4, 2.7, 2.8, 3.3, 3.4, 3.7, 3.8, 4.1, 4.2, 4.3, 4.4, 4.5, 4.6, 4.7, 4.8, 4.9, 5.1, 5.2, 5.3, 5.4, 5.5, 5.6, 5.7, 5.8, 5.9, 6.1, 6.2, bijlage 1, 2, 3

14-07-2015

Provinciaal Blad, 2015, 80

3833453
01-04-201517-07-2015art. 2.1, 3.1, 3.4

31-03-2015

Provinciaal Blad, 2015, 36

S0297109
25-02-201501-04-2015nieuwe regeling

24-02-2015

Provinciaal Blad, 2015, 14

S0295375

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant in de hoedanigheid van managementautoriteit voor het Operationeel Programma EFRO Zuid-Nederland 2014-2020,

Gelet op artikel 125, derde lid, van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006; Gelet op artikel 2.2 van de Uitvoeringsregeling EFRO programmaperiode 2014-2020;

Overwegende dat het Comité van Toezicht door middel van een schriftelijke beoordeling kennis heeft genomen van de uitgangspunten van de voorliggende regeling;

Overwegende dat de Managementautoriteit wenst te investeren in slimme, duurzame en inclusieve groei en werkgelegenheid in de regio Zuid-Nederland en hiertoe het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling inzet;

Overwegende dat de subsidiabele activiteiten van de paragrafen 2 en 3 breed ingevuld kunnen worden en deze ruime invulling ten behoeve van een optimaal bereik van de doelstellingen wordt beoogd, acht de Managementautoriteit, daar waar sprake is van staatssteun, in het kader van rechtvaardiging van staatssteun, de volgende steunmaatregelen van toepassing:

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;

  • b.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • c.

    crossover: samenwerkingsverbanden tussen partijen uit verschillende technologiedomeinen, waarin innovatieve producten en diensten worden ontwikkeld;

  • d.

    de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de de-minimisverordening;

  • e.

    de-minimisverordening: Verordening (EU) N1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb EU L 352/9 van 24 december 2013;

  • f.

     Deskundigencommissie: adviescommissie ingesteld op grond van artikel 3:5 van de Awb en overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet;

  • g.

    EFRO: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling;

  • h.

    experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • i.

     gebouwde omgeving: gebied dat door aaneengesloten bebouwing een overwegend woon- , recreatie- of verblijffunctie heeft en daadwerkelijk als zodanig wordt gebruikt;

  • j.

     Human Capital: arbeidskracht;

  • k.

    innovatiesysteem: samenwerking in publieke en private sector waarvan de activiteiten en de interacties hiertussen, nieuwe technologieën initiëren, importeren, veranderen en verspreiden;

  • l.

    internationale topclusters: drie in het OPZuid voor Zuid-Nederland aangewezen technologiedomeinen waarin bedrijfsleven en kennisinstellingen de potentie hebben om internationaal uit te blinken, te weten:

    • 1°.

      High Tech System & Materialen;

    • 2°.

      Chemie & Materialen;

    • 3°.

      Agrofood en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen;

  • m.

    kennisinstelling:

    • 1°.

      een onder a, b, c, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder j van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit;

    • 2°.

      een andere dan onder 1º bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;

    • 3°.

      een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:

      • a.

        openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder 1º;

      • b.

        onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    • 4°.

      een rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder 1º, 2º of 3º direct of indirect:

      • a.

        meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft;

      • b.

        volledig aansprakelijk vennoot is; of,

      • c.

        overwegende zeggenschap heeft;

    • 5°.

      een onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft om via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder 1º tot en met 4º;

  • n.

     Managementautoriteit: gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant aangewezen als managementautoriteit, bedoeld in artikel 123, eerste lid, van verordening 1303/2013 voor het Operationeel Programma Zuid 2014-2020;

  • o.

    MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 1, onder 28 van Verordening 1303/2013 en bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG);

  • p.

    nationale topclusters: vier in het OPZuid voor Zuid-Nederland aangewezen technologiedomeinen die sterk zijn op bovenregionaal niveau en specifieke potenties op internationaal niveau hebben, te weten:

    • 1°.

      Logistiek;

    • 2°.

      Life Sciences & Health;

    • 3°.

      Biobased;

    • 4°.

      Maintenance;

  • q.

    onderneming: eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd;

  • r.

    open innovatie: praktijk van ondernemingen en kennisinstellingen om innovatieve ideeën op basis van samenwerking uit te wisselen en ideeën, kosten risico of capaciteit in onderzoek en ontwikkeling te delen;

  • s.

    Operationeel Programma Zuid 2014-2020: gezamenlijk programma als bedoeld in artikel 96 van verordening 1303/2013, van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, goedgekeurd door de Europese Commissie op 5 december 2014, voor activiteiten die in Zuid-Nederland financiering kunnen ontvangen uit het EFRO;

  • t.

     operationele omgeving: omgeving waarin door omstandigheden en condities een innovatie conform de werkelijkheid kan worden getest;

  • u.

    OPZuid: Operationeel Programma Zuid 2014-2020;

  • v.

    outputindicatoren: indicatoren als bedoeld in artikel 27, vierde lid, onder b, van verordening 1303/2013 uitgewerkt in paragraaf 2.A.6.5., tabel 5 van het OPZuid;

  • w.

     REES: Regeling Europese EZ-subsidies;

  • x.

    RIS3: Regionale Innovatie Strategie voor Slimme Specialisaties, vastgesteld op 24 september 2013 door gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de hoedanigheid van beoogd managementautoriteit van het OPZuid;

  • y.

     slimme uitrol: testen, demonstreren en eerste toepassing in een operationele omgeving;

  • z.

    valorisatievermogen: omzetten van bestaande en nieuwe kennis en kunde naar nieuwe producten, processen of diensten;

  • aa.

    verordening 1303/2013: Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) Nr. 1083/2006, Pb L 347/320 van 20 december 2013;

  • bb.

    Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.

     

Artikel 1.2 Subsidievorm

Subsidies op grond van deze regeling worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag tenzij in de betreffende paragraaf anders is bepaald.

Artikel 1.3 Weigeringsgronden algemeen

Onverminderd de artikelen 4:25 en 4:35 van de Awb en artikel 5.2.5, eerste lid, onder a, d en f van de REES wordt subsidie in ieder geval geweigerd indien:

  • a.

     de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • b.

    de aanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C249/01); of,

  • c.

    de aanvrager op enigerlei wijze in strijd met algemeen aanvaarde rechtsbeginselen handelt.

     

Artikel 1.4 Vereisten subsidieaanvraag algemeen

Een subsidieaanvraag voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten:

  • a.

    een subsidieaanvraag wordt ingediend bij de Managementautoriteit;

  • b.

    een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door de Managementautoriteit vastgestelde aanvraagformulier;

  • c.

    een subsidieaanvraag bevat ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen.

     

Artikel 1.5 Verplichtingen algemeen

Onverminderd de artikelen 5.2.9 tot en met 5.2.12 van de REES heeft de subsidieontvanger in ieder geval de verplichting desgevraagd te rapporteren over de inhoudelijke en financiële voortgang van de subsidiabele activiteit.

Artikel 1.6 Vaststelling

  • 1 Binnen de in de beschikking tot subsidieverlening bepaalde termijn dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij de Managementautoriteit.

  • 2 Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, toont de subsidieontvanger aan dat:

    • a.

      de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;

    • b.

      aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 3 Onverminderd het tweede lid, omvat de aanvraag tot vaststelling het volgende, tenzij in de subsidiebeschikking anders is bepaald:

    • a.

      een inhoudelijk eindverslag;

    • b.

      bewijsstukken ter onderbouwing van de gerapporteerde waarde of waarden voor de outputindicatoren;

    • c.

      een financieel verslag;

    • d.

      een controleverklaring, inclusief een oordeel over de rechtmatigheid, overeenkomstig het door de Managementautoriteit opgestelde controleprotocol.

       

Artikel 1.7 Betaling en bevoorschotting

  • 1 De Managementautoriteit verstrekt op basis van een daartoe door de subsidieontvanger ingediende betalingsaanvraag als bedoeld in artikel 132 van verordening 1303/2013, voorschotten op het verleende subsidiebedrag van ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 De subsidieontvanger dient ten hoogste twee keer per jaar een betalingsaanvraag in.

  • 3 Een voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 1.5 wordt aangemerkt als betalingsaanvraag.

  • 4 Een betalingsaanvraag bevat tenminste de declaratie van de gemaakte en betaalde kosten.

  • 5 Op de termijn van betaling is artikel 132 van verordening 1303/2013 van toepassing.

  • 6 Voor de toepassing van artikel 132, eerste lid, van verordening 1303/2013 gaat, ingeval van onvoldoende beschikbaarheid van middelen uit de initiële en jaarlijkse voorfinanciering en tussentijdse betalingen uit het EFRO als bedoeld in artikel 132, eerste lid, van verordening 1303/2013, bij gelijk indienen van betalingsaanvragen door subsidieontvangers, betaling aan een MKB-onderneming voor op overige subsidieontvangers.

  • 7 Onverminderd het zesde lid, gaan betalingen aan MKB-ondernemers met een hoger bedrag op de betalingsaanvraag, voor op betalingen aan MKB-ondernemingen met een lager bedrag op de betalingsaanvraag.

     

Artikel 1.8 Sanctiebeleid

[vervallen] 

§2 Versterking innovatiesysteem

Artikel 2.1 Doelgroep

  • 1 Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

    • a.

      natuurlijke personen;

    • b.

      rechtspersonen;

    • c.

      samenwerkingsverbanden van onder a en b bedoelde doelgroepen.

  • 2 Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband;

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

       

Artikel 2.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op versterking van het innovatiesysteem.

Artikel 2.3 Subsidievereisten

  • 1 Onverminderd artikel 5.2.5, eerste lid, onder b, c en e en artikel 5.2.5, tweede lid van de REES, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de aanvrager is ingeschreven in het handelsregister;

    • b.

      het project wordt uitgevoerd in Zuid-Nederland;

    • c.

      het project is gericht op:

      • 1°.

        crossovers tussen internationale topclusters; of,

      • 2°.

        crossovers tussen een of meer internationale topclusters en een of meer nationale topclusters;

    • d.

      het project levert een bijdrage aan een of meer maatschappelijke uitdagingen uit de RIS3, te weten:

      • 1°.

        gezondheid, demografie en welzijn;

      • 2°.

        voedselzekerheid, duurzame landbouw, marien en maritiem onderzoek en bio-economie;

      • 3°.

        zekere, schone en efficiënte energie;

      • 4°.

        slim, groen en geïntegreerd vervoer;

      • 5°.

        klimaatactie hulpbronefficiëntie;

      • 6°.

        inclusieve, innovatieve en veilige samenlevingen;

      • 7°.

        veilige samenlevingen;

    • e.

      het project is gericht op het leveren van een bijdrage aan een of meer van de outputindicatoren als bedoeld in bijlage 1;

    • f.

      het project is gericht op:

      • 1°.

        het bevorderen van marktgerichte samenwerking tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven, kennis- en onderzoeksinstellingen en overheden; of,

      • 2°.

        het stimuleren van open innovatie en methoden en processen die daarbij aansluiten;

    • g.

      het MKB maakt aantoonbaar onderdeel uit van het project;

    • h.

      het project voldoet aan het geheel van de volgende criteria:

      • 1°.

        het project draagt bij aan de doelstellingen van het OPZuid;

      • 2°.

        het project is innovatief;

      • 3°.

        de businesscase van het project is onderbouwd;

      • 4°.

        het projectplan heeft een voldoende kwaliteit;

      • 5°.

        het project draagt bij aan duurzame ontwikkeling.

  • 2 Onverminderd het eerste lid wordt, indien sprake is van staatssteun, om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2 in aanmerking te komen, voldaan aan een van de volgende vereisten:

    • a.

       het project is gericht op startende ondernemingen als bedoeld in artikel 22 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • b.

      het project is grotendeels gericht op industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 25, tweede lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • c.

      het project is gericht op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • d.

      het project is gericht op de bouw of het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters, bedoeld in artikel 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • e.

      het project is gericht op innovatie en de aanvrager is een MKB-onderneming als bedoeld in artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • f.

      het project is gericht op proces- of organisatie-innovatie als bedoeld in artikel 29 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • g.

      het project is gericht op onderzoek en ontwikkeling in de visserij- en aquacultuursector als bedoeld in artikel 30 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • h.

      het project is gericht op opleiding als bedoeld in artikel 31 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3 Onverminderd het eerste lid wordt, indien sprake is van staatssteun en het project niet voldoet aan een van de vereisten in het tweede lid, slechts subsidie verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de de-minimisverordening.

  • 4 Aan het project liggen ten grondslag:

    • a.

      een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze regeling;

    • b.

      een begroting en een sluitend financieringsplan van de aanvrager.

       

Artikel 2.4 Subsidiabele kosten

  • 1  Ten aanzien van de subsidiabele kosten zijn de artikelen 1.3 tot en met 1.5 van de REES en artikel 69 van verordening 1303/2013 van toepassing.

  • 2  Indien sprake is van staatssteun, zijn de kosten, bedoeld in het eerste lid, subsidiabel voor zover deze kosten passen binnen het betreffende artikel van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid.

Artikel 2.5 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 1 november 2015 tot en met 29 februari 2016.

Artikel 2.6 Subsidieplafond

De Managementautoriteit stelt het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.2, voor de tenderperiode, genoemd in artikel 2.5, vast op € 10.000.000.

Artikel 2.7 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.2, bedraagt 35% van de subsidiabele kosten.

  • 2 Indien de aanvrager minder dan 35% van de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid, aanvraagt, wordt slechts het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.

  • 3 Het percentage, bedoeld in het eerste lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun aan subsidieontvanger niet meer bedraagt dan op grond van een van de artikelen 25 tot en met 31 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is toegestaan.

  • 4 Onverminderd het eerste tot en met derde lid, wordt niet meer subsidie verstrekt dan op grond van artikel 69, eerste lid, onder a van verordening 1303/2013 is toegestaan.

  • 5 Onverminderd het eerste tot en met het derde lid wordt, indien sprake is van staatssteun en de activiteit voldoet aan artikel 2.3, derde lid, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun van € 200.000 voor rechtspersonen en € 100.000 voor ondernemingen in het wegverkeer niet wordt overschreden.

     

Artikel 2.8 Verdeelcriteria

  • 1 Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.6 te boven gaan, maakt de Managementautoriteit voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het OPZuid;

    • b.

      de mate van innovativiteit van het project;

    • c.

      de kwaliteit van de businesscase;

    • d.

      de kwaliteit van het projectplan; en,

    • e.

      de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling.

  • 2  Aanvragers van subsidieaanvragen als bedoeld in het eerste lid, lichten op verzoek van de Managementautoriteit hun subsidieaanvraag mondeling toe.

  • 3 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen gelijk gerangschikt zijn, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen bepaald op grond van artikel 5.2.8, tweede lid, van de REES.

Artikel 2.9 Deskundigencommissie

De Managementautoriteit legt aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2 voor advies over artikel 2.3, eerste lid, onder h, en artikel 2.8, voor aan de Deskundigencommissie.

§3 Valorisatievermogen MKB-ondernemingen

Artikel 3.1 Doelgroep

  • 1.

    Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

    MKB-ondernemingen;

  • b.

    samenwerkingsverband van een of meer ondernemingen onderling of met een of meer kennisinstellingen.

  • 2.

    In het samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, onder a, neemt tenminste een MKB-onderneming deel.

  • 3.

    Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

  • a.

    wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband die MKB-onderneming is;

  • b.

    draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

     

Artikel 3.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het versterken van het valorisatievermogen van het MKB.

Artikel 3.3 Subsidievereisten

  • 1 Onverminderd artikel 5.2.5, eerste lid, onder b, c en e en artikel 5.2.5, tweede lid van de REES, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      aanvrager is een MKB-onderneming;

    • b.

      het project wordt uitgevoerd in Zuid-Nederland;

    • c.

      het project is grotendeels gericht op experimentele ontwikkeling;

    • d.

      het project is gericht op:

      • 1°.

        crossovers tussen internationale topclusters; of

      • 2°.

        crossovers tussen een of meer internationale topclusters en een of meer nationale topclusters;

    • e.

      het project levert een bijdrage aan een of meer maatschappelijke uitdagingen uit de RIS3, te weten:

      • 1°.

        gezondheid, demografie en welzijn;

      • 2°.

        voedselzekerheid, duurzame landbouw, marien en maritiem onderzoek en bio-economie;

      • 3°.

        zekere, schone en efficiënte energie;

      • 4°.

        slim, groen en geïntegreerd vervoer;

      • 5°.

        klimaatactie hulpbronefficiëntie;

      • 6°.

        inclusieve, innovatieve en veilige samenlevingen;

      • 7°.

        veilige samenlevingen;

    • f.

      het project is gericht op het leveren van een bijdrage aan een van de outputindicatoren als bedoeld in bijlage 1;

    • g.

      het project voldoet aan het geheel van de volgende criteria:

      • 1°.

        het project draagt bij aan de doelstellingen van het OPZuid;

      • 2°.

        het project is innovatief;

      • 3°.

        de businesscase van het project is onderbouwd;

      • 4°.

        het projectplan heeft een voldoende kwaliteit;

      • 5°.

        het project draagt bij aan duurzame ontwikkeling.

  • 2 Onverminderd de voorgaande leden, wordt indien sprake is van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onder b, voldaan aan het vereiste dat samenwerkende ondernemingen geen directe of indirecte financiële of juridische relatie met elkaar hebben, waarbij:

    • a.

      geen van de samenwerkende ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor hun rekening neemt; of,

    • b.

      iedere samenwerkende onderzoeksorganisatie:

      • 1°.

        tenminste 10% van de subsidiabele kosten draagt;

      • 2°.

        het recht heeft de resultaten van de onderzoeksprojecten te publiceren, voor zover deze afkomstig zijn van het door die onderzoeksorganisatie uitgevoerde onderzoek.

  • 3 Aan het project liggen ten grondslag:

    • a.

      een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze regeling;

    • b.

      een begroting en een sluitend financieringsplan van de aanvrager.

       

Artikel 3.4 Subsidiabele kosten

  • 1 Ten aanzien van de subsidiabele kosten zijn de artikelen 1.3 tot en met 1.5 van de REES en artikel 69 van verordening 1303/2013 van toepassing voor zover de genoemde kosten passen binnen artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 Artikel 2.5, eerste lid, onder a van de Ministeriële Regeling is niet van toepassing op subsidies op grond van deze paragraaf;

Artikel 3.5 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 1 april 2015 tot en met 30 april 2015.

Artikel 3.6 Subsidieplafond

De Managementautoriteit stelt het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 3.2, voor de tenderperiode, genoemd in artikel 3.5, vast op € 10.000.000.

Artikel 3.7 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.2, bedraagt 25% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000.

  • 2 Het percentage wordt verhoogd tot 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 750.000, indien subsidie wordt gevraagd door een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onder b.

  • 3 Indien de aanvrager minder dan 25% respectievelijk 35% van de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste en tweede lid, aanvraagt, wordt slechts het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.

  • 4 Het percentage, als bedoeld in de voorgaande leden, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun. aan subsidieontvanger niet meer bedraagt dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan.

  • 5 Onverminderd de voorgaande leden, wordt niet meer subsidie verstrekt dan op grond van artikel 69, eerste lid, onder a, van verordening 1303/2013 is toegestaan.

     

Artikel 3.8 Verdeelcriteria

  • 1 Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 3.6, te boven gaan, maakt de Managementautoriteit voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het OPZuid;

    • b.

      de mate van innovativiteit van het project;

    • c.

      de kwaliteit van de businesscase;

    • d.

      de kwaliteit van het projectplan; en,

    • e.

      de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen gelijk gerangschikt zijn, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen bepaald op grond van artikel 5.2.8, tweede lid, van de REES.

     

Artikel 3.9 Deskundigencommissie

De Managementautoriteit legt aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2, voor advies over artikel 3.3, eerste lid, onder g, en artikel 3.8 voor aan de Deskundigencommissie.

Paragraaf 4 Systeemversterking Human Capital

Artikel 4.1 Doelgroep

  • 1  Subsidie op grond van deze regeling kan worden aangevraagd door:

    • a.

       natuurlijke personen;

    • b.

       rechtspersonen;

    • c.

       samenwerkingsverbanden van onder a en b bedoelde doelgroepen.

  • 2  Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

       wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband;

    • b.

       draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 4.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op duurzame versterking van het systeem waarbinnen arbeidsvraag- en aanbod op elkaar worden afgestemd.

Artikel 4.3 Subsidievereisten

  • 1  Onverminderd artikel 5.2.5, eerste lid onder b, c en e en artikel 5.2.5, tweede lid, van de REES, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.2 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       de aanvrager is ingeschreven in het handelsregister;

    • b.

       het project wordt uitgevoerd in Zuid-Nederland;

    • c.

       het project is gericht op de nationale of internationale topclusters;

    • d.

       het project is gericht op optimaal benutten van het innovatiepotentieel binnen de nationale of internationale topclusters;

    • e.

       het project is gericht op arbeidsvraag en arbeidsaanbod op HBO- en WO- niveau;

    • f.

       het project is gericht op het leveren van een bijdrage aan een meer van de outputindicatoren als bedoeld in bijlage 2;

    • g.

       het MKB maakt aantoonbaar onderdeel uit van het project;

    • h.

       het project voldoet aan het geheel van de volgende criteria:

      • 1º.

         het project draagt bij aan de doelstellingen van het OPZuid;

      • 2º.

         het project is innovatief;

      • 3º.

         de businesscase van het project is onderbouwd;

      • 4º.

         het projectplan heeft een voldoende kwaliteit;

      • 5º.

         het project draagt bij aan duurzame ontwikkeling.

  • 2  Onverminderd het eerste lid wordt, indien sprake is van staatssteun, om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.2 in aanmerking te komen, voldaan aan een van de volgende vereisten:

    • a.

       het project is gericht op het verkrijgen van consultancydiensten en de aanvrager is een MKB-onderneming, bedoeld in artikel 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • b.

       het project is gericht op het deelnemen aan beurzen en de aanvrager is een MKB-onderneming, bedoeld in artikel 19 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • c.

       het project is gericht op startende ondernemingen als bedoeld in artikel 22 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • d.

       het project is grotendeels gericht op industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 25, tweede lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • e.

       het project is gericht op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • f.

       het project is gericht op de bouw of het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters, bedoeld in artikel 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • g.

       het project is gericht op innovatie en de aanvrager is een MKB-onderneming als bedoeld in artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • h.

       het project is gericht op proces- of organisatie-innovatie als bedoeld in artikel 29 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • i.

       het project is gericht op opleiding als bedoeld in artikel 31 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3  Onverminderd het eerste lid wordt, indien sprake is van staatssteun en het project niet voldoet aan een van de vereisten in het tweede lid, slechts subsidie verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de de-minimisverordening.

  • 4  Aan het project liggen ten grondslag:

    • a.

       een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze regeling;

    • b.

       een begroting en een sluitend financieringsplan van de aanvrager.

Artikel 4.4 Subsidiabele kosten

  • 1  Ten aanzien van de subsidiabele kosten zijn de artikelen 1.3 tot en met 1.5 van de REES en artikel 69 van verordening 1303/2013 van toepassing.

  • 2  Kosten voor de aanschaf en bouw van gebouwen komen niet in aanmerking voor subsidie.

  • 3  Indien sprake is van staatssteun, zijn de kosten, bedoeld in het eerste lid, subsidiabel voor zover deze kosten passen binnen het betreffende artikel van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bedoeld in artikel 4.3, tweede lid.

Artikel 4.5 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 1 oktober 2015 tot en met 30 november 2015.

Artikel 4.6 Subsidieplafond

De Managementautoriteit stelt het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4.2, voor de tenderperiode, genoemd in artikel 4.5, vast op € 5.000.000.

Artikel 4.7 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 4.2, bedraagt 35% van de subsidiabele kosten.

  • 2  Indien de aanvrager minder dan 35% van de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid, aanvraagt, wordt slechts het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.

  • 3  Het percentage, bedoeld in het eerste lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal aan overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun aan subsidieontvanger niet meer bedraagt dan op grond van de in artikel 4, tweede lid, genoemde vrijstellingen van de algemene groepsvrijstellingsverordening is toegestaan.

  • 4  Onverminderd het eerste tot en met derde lid, wordt niet meer subsidie verstrekt dan op grond van artikel 69, eerste lid, onder a van verordening 1303/2013 is toegestaan.

  • 5  Onverminderd het eerste tot en met het derde lid wordt, indien sprake is van staatssteun en de activiteit voldoet aan artikel 4.3, derde lid, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun van € 200.000 voor rechtspersonen en € 100.000 voor ondernemingen in het wegverkeer niet wordt overschreden.

Artikel 4.8 Verdeelcriteria

  • 1  Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 4.6 te boven gaan, maakt de Managementautoriteit voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

       de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het OPZuid;

    • b.

       de mate van innovativiteit van het project;

    • c.

       de kwaliteit van de businesscase;

    • d.

       de kwaliteit van het projectplan; en,

    • e.

       de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling.

  • 2  Aanvragers van subsidieaanvragen als bedoeld in het eerste lid, lichten op verzoek van de Managementautoriteit hun subsidieaanvraag mondeling toe.

  • 3  Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen gelijk gerangschikt zijn, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen bepaald op grond van artikel 5.2.8, tweede lid, van de REES.

Artikel 4.9 Deskundigencommissie

De Managementautoriteit legt aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.2 voor advies over artikel 4.3, eerste lid, onder h, en artikel 4.8, voor aan de Deskundigencommissie.

Paragraaf 5 Koolstofarme economie

Artikel 5.1 Doelgroep

  • 1  Subsidie op grond van deze regeling kan worden aangevraagd door:

    • a.

       natuurlijke personen;

    • b.

       rechtspersonen;

    • c.

       samenwerkingsverbanden van onder a en b bedoelde doelgroepen.

  • 2  Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

       wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband;

    • b.

       draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 5.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de slimme uitrol van innovatieve koolstofarme technologieën en instrumenten ten gunste van de gebouwde omgeving.

Artikel 5.3 Subsidievereisten

  • 1  Onverminderd artikel 5.2.5, eerste lid onder b, c en e en artikel 5.2.5, tweede lid, van de REES, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.2 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       de aanvrager is ingeschreven in het handelsregister;

    • b.

       het project wordt uitgevoerd in Zuid-Nederland;

    • c.

       het project is gericht op het testen, demonstreren of de eerste toepassing van innovaties in een operationele omgeving;

    • d.

       het project is gericht op de gebouwde omgeving;

    • e.

       het project is gericht op het aanwenden van koolstofarme technologie in een of meerdere facetten van het energiesysteem;

    • f.

       het project is gericht op verdere implementatie van het product, proces of dienst na afloop van het project;

    • g.

       het project is gericht op het leveren van een bijdrage aan een of meer van de outputindicatoren als bedoeld in bijlage 3;

    • h.

       het project voldoet aan het geheel van de volgende criteria:

      • 1º.

         het project draagt bij aan de doelstellingen van het OPZuid;

      • 2º.

         het project is innovatief;

      • 3º.

         de businesscase van het project is onderbouwd;

      • 4º.

         het projectplan heeft een voldoende kwaliteit;

      • 5º.

         het project draagt bij aan duurzame ontwikkeling.

  • 2  Onverminderd het eerste lid wordt, indien sprake is van staatssteun, om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.2 in aanmerking te komen, voldaan aan een van de volgende vereisten:

    • a.

       het project is gericht op het verkrijgen van consultancydiensten en de aanvrager is een MKB-onderneming, bedoeld in artikel 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • b.

       het project is gericht op het deelnemen aan beurzen en de aanvrager is een MKB-onderneming, bedoeld in artikel 19 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • c.

       het project is gericht op startende ondernemingen als bedoeld in artikel 22 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • d.

       het project is grotendeels gericht op industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 25, tweede lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • e.

       het project is gericht op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • f.

       het project is gericht op de bouw of het upgraden of de exploitatie van innovatieclusters, bedoeld in artikel 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • g.

       het project is gericht op innovatie en de aanvrager is een MKB-onderneming als bedoeld in artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • h.

       het project is gericht op proces- of organisatie-innovatie als bedoeld in artikel 29 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • i.

       het project is gericht op onderzoek en ontwikkeling in de visserij- en aquacultuursector als bedoeld in artikel 30 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • j.

       het project is gericht op opleiding als bedoeld in artikel 31 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • k.

       het project is gericht op het verhogen van het niveau van milieubescherming of verder te gaan dan Unienormen inzake milieubescherming als bedoeld in artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • l.

       het project is gericht op vroege aanpassing aan toekomstige Unienormen terzake milieubescherming als bedoeld in artikel 37 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • m.

       het project is gericht op het behalen van energie-efficientie als bedoeld in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • n.

       het project is gericht op het opzetten of instand houden van een hoogrenderende warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 40 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • o.

       het project is gericht op bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen als bedoeld in artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • p.

       het project is gericht op energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling als bedoeld in artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • q.

       het project is gericht op milieustudies, met inbegrip van energieaudits, als bedoeld in artikel 49 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3  Onverminderd het eerste lid wordt, indien sprake is van staatssteun en het project niet voldoet aan een van de vereisten in het tweede lid, slechts subsidie verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de de-minimisverordening.

  • 4  Aan het project liggen ten grondslag:

    • a.

       een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze regeling;

    • b.

       een begroting en een sluitend financieringsplan van de aanvrager.

Artikel 5.4 Subsidiabele kosten

  • 1  Ten aanzien van de subsidiabele kosten zijn de artikel 1.3 tot en met 1.5 van de REES en artikel 69 van verordening 1303/2013 van toepassing.

  • 2  Indien sprake is van staatssteun, zijn de kosten, bedoeld in het eerste lid, subsidiabel voor zover deze kosten passen binnen het betreffende artikel van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid.

Artikel 5.5 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 1 oktober 2015 tot en met 30 november 2015.

Artikel 5.6 Subsidieplafond

De Managementautoriteit stelt het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 5.2, voor de tenderperiode, genoemd in artikel 5.5, vast op € 10.000.000.

Artikel 5.7 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 5.2, bedraagt 35% van de subsidiabele kosten.

  • 2  Indien de aanvrager minder dan 35% van de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid, aanvraagt, wordt slechts het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.

  • 3  Het percentage, bedoeld in het eerste lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun aan subsidieontvanger niet meer bedraagt dan op grond van een van de in artikel 5.3, tweede lid, genoemde vrijstellingen is toegestaan.

  • 4  Onverminderd het eerste tot en met derde lid, wordt niet meer subsidie verstrekt dan op grond van artikel 69, eerste lid, onder a van verordening 1303/2013 is toegestaan.

  • 5  Onverminderd het eerste tot en met het derde lid wordt, indien sprake is van staatssteun en de activiteit voldoet aan artikel 2.3, derde lid, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun van € 200.000 voor rechtspersonen en € 100.000 voor ondernemingen in het wegverkeer niet wordt overschreden.

Artikel 5.8 Verdeelcriteria

  • 1  Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 5.6 te boven gaan, maakt de Managementautoriteit voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

       de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het OPZuid;

    • b.

       de mate van innovativiteit van het project;

    • c.

       de kwaliteit van de businesscase;

    • d.

       de kwaliteit van het projectplan; en,

    • e.

       de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling.

  • 2  Aanvragers van subsidieaanvragen als bedoeld in het eerste lid, lichten op verzoek van de Managementautoriteit hun subsidieaanvraag mondeling toe.

  • 3  Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen gelijk gerangschikt zijn, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen bepaald op grond van artikel 5.2.8, tweede lid, van de REES.

Artikel 5.9 Deskundigencommissie

De Managementautoriteit legt aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 5.2 voor advies over artikel 5.3, eerste lid, onder h, en artikel 5.8, voor aan de Deskundigencommissie.  

Paragraaf 6 Slotbepalingen

Artikel 6.1. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad van Noord-Brabant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 6.2 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 24 februari 2015

Gedeputeerde Staten voornoemd in hun hoedanigheid als managementautoriteit voor het Operationeel Programma EFRO Zuid-Nederland 2014-2020,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris mw. ir. A.M. Burger

Bijlage 1 bij Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020

Outputindicatoren Versterking innovatiesysteem en Valorisatievermogen MKB-ondernemingen

 CO01    Aantal ondernemingen dat steun ontvangt    
 CO02    Aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt    
 CO06    De private bijdrage in de totale kosten van het subsidieproject    
 CO27    De private bijdrage in de totale kosten van het innovatie- of onderzoeks- en ontwikkelingsproject    
 CO28Aantal ondernemingen dat steun ontvangt voor het introduceren van producten die nieuw zijn voor de markt
 CO29Aantal ondersteunde ondernemingen dat steun ontvangt bij het introduceren van producten die nieuw zijn voor de onderneming    
 PS1Alleen voor Versterking innovatiesysteem:       Aantal ondersteunde nieuwe marktgerichte samenwerkingsverbanden tussen topclusters (crossovers) en tussen MKB, kennisinstellingen en grote bedrijven waarin publieke en private R&D capaciteit met elkaar wordt verbonden (bijv. in de vorm van living labs)

 

Bijlage 2 bij Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020

Outputindicatoren Human Capital

 CO01    Aantal ondernemingen dat steun ontvangt    
 CO02    Aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt    
 CO06    De private bijdrage in de totale kosten van het subsidieproject    
 PS2Aantal ondersteunde nieuw opgezette, uitgebreide of geoptimaliseerde samenwerkingsverbanden gericht op de versterking van de aansluiting van arbeidsmarkt & onderwijs

Bijlage 3 bij Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020

Outputindicatoren Koolstofarm

 CO01    Aantal ondernemingen dat steun ontvangt    
 CO02    Aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt    
 CO06    De private bijdrage in de totale kosten van het subsidieproject    
 CO30    De extra capaciteit van hernieuwbare energieproductie    
 PS3Aantal demonstraties gericht op de 'slimme uitrol' van koolstofarme technologie in de gebouwde omgeving     

 

 

 

Vragen over regelingen?

Contacten (2)

Open Links Sluit Links