Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingVerordening haven- en kadegelden 2014
CiteertitelVerordening op de heffing en invordering van Haven- en Kadegelden 2014
Vastgesteld doorgedelegeerde functionaris
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpfinancieel beheer, leges

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. <span new="" style="font-family: ">Gemeenschappelijke Regeling Havenschap Moerdijk, </span>
  2. <span new="" style="font-family: ">Provinciewet, art. 223</span>

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-201501-01-2016Bijlagen 1, 2 en 3

18-12-2014

Provinciaal Blad, 2013, 186

S0292667
01-01-201401-01-2015nieuwe regeling

19-12-2013

Provinciaal Blad, 2013, 191

S0277080

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

 De Raad van Bestuur van het Havenschap Moerdijk;

Gelezen het voorstel van het Dagelijks Bestuur van 26 november 2012;

Gelet op artikel 9, eerste lid, van de Gemeenschappelijke Regeling Havenschap Moerdijk, herzien 1997;

Overwegende dat de Raad van Bestuur op grond van artikel 10 van de Gemeenschappelijke Regeling Havenschap Moerdijk, herzien 1997, juncto artikel 223 van de Provinciewet rechten kunnen heffen ter zake van het genot van door of vanwege het havenschap verstrekte diensten;

Overwegende dat de Raad van Bestuur daartoe op 13 december 2012 de Verordening op de heffing en invordering van Haven- en Kadegelden 2013 hebben vastgesteld;

Overwegende dat de Raad van Bestuur het wenselijk acht voor het jaar 2014 te kunnen beschikken over een nieuwe verordening;

Besluiten vast te stellen de volgende verordening:

Hoofdstuk I Algemene voorwaarden zeehavengeld 2014

§ 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    achterlandhavens: havens die op een afstand van ten minste 25 kilometer in oostelijke, richting van het havengebied Rijnmond/Moerdijk liggen en die geen open verbinding met zee hebben, worden, ten behoeve van de heffingsgrondslag, als achterlandhavens in het achterland aangemerkt;

  • b.

    ballast: vaste en vloeibare stoffen -water voor landbouw doeleinden, industrieel gebruik of menselijke consumptie en andere goederen met handelswaarde hieronder niet begrepen- welker inneming in het zeeschip uitsluitend geschiedt of is geschied ter verhoging van de stabiliteit van het zeeschip of ter verlaging van het hoogste punt boven de waterspiegel;

  • c.

    bruto-tonnage, BT: eenheid voor de bruto-inhoud van een zeeschip zoals bedoeld in het Verdrag betreffende de meting van schepen, 1969, London 1969;

  • d.

    bunkeren: door een zeeschip innemen van brandstof voor eigen gebruik;

  • e.

    container: laadkist als omschreven in de aanbeveling ISO 688-1979 als Series I freight containers van de International Organisation for Standardisation voor zover de lengte tenminste 6,055 meter bedraagt;

  • f.

    containerschip: zeeschip dat blijkens bouw en inrichting exclusief is bestemd voor het vervoer van containers;

  • g.

    cruiseschip: zeeschip dat uitsluitend is bestemd en wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van passagiers, die voor toeristische doeleinden, in hoofdzaak in de zeereis zelf gelegen, deelnemen aan die reis;

  • h.

    dagelijks Bestuur: Dagelijks Bestuur van het Havenschap Moerdijk;

  • i.

    geheel of nagenoeg geheel: > 90%

  • j.

    grotendeels: > 50%

  • k.

    havenmeester: havenmeester, zoals bedoeld in artikel 1.1, onder e. van de Haven- en terreinverordening Havenschap Moerdijk 2005;

  • l.

    havenschap: Openbaar Lichaam genaamd Havenschap Moerdijk als bedoeld in de Gemeenschappelijke Regeling Havenschap Moerdijk, herziening 1997;

  • m.

    Haven van Moerdijk: het havengebied als bedoeld in artikel 1.1, onder g van de Haven- en terreinverordening Havenschap Moerdijk 2005;

  • n.

    havengebied Rijnmond / Moerdijk: havens, terreinen, wateren, kaden, aanlegsteigers, meerpalen, boeien en andere soortgelijke werken of inrichtingen van Havenbedrijf Rotterdam NV (HbR N.V.), alsmede van de partijen met wie HbR NV een samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot de berekening en inning van zeehavengeld en/of binnenhavengeld of bijdrage afvalstoffen zeeschepen heeft gesloten;

  • o.

    hoofdzakelijk: > 60%

  • p.

    lading: door een zeeschip geloste en ingenomen goederen en verpakkingsmateriaal, containers, trailers en zelfdrijvende laadbakken, met uitzondering van de handbagage van passagiers, voor zover deze met de passagiers op hetzelfde schip wordt vervoerd, alsmede ballast, brandstof, proviand en andere voor eigen gebruik bestemde scheepsbenodigdheden;

  • q.

    lash-schip: zeeschip dat door zijn inrichting in hoofdzaak is bestemd en wordt gebruikt voor het vervoer van zelfdrijvende laadbakken;

  • r.

    lijndienst: vastgestelde vaart van zeeschepen tussen vaargebieden onderhouden door een rederij of alliantie;

  • s.

    meetbrief: geldige meetbrief, bedoeld in artikel 24 van de Meetbrievenwet 1981;

  • t.

    oorlogsschip: zeeschip dat ten behoeve van de Koninklijke Marine of de Marine van vreemde mogendheid wordt gebezigd, waarover een militair ter zeemacht het bevel voert en dat geheel of gedeeltelijk met militairen is bemand;

  • u.

    plezierjacht: zeeschip dat uitsluitend wordt gebruikt voor de recreatie, niet zijnde een cruiseschip of een zeilend bedrijfsvaartuig;

  • v.

    roll-on/roll-off schip: zeeschip dat in hoofdzaak is bestemd en wordt gebruikt voor het vervoer van lading die geheel of ten dele rijdend aan en van boord wordt gebracht over een tot de vaste uitrusting van het schip behorende, speciaal daarvoor uitgeruste laadklep;

  • w.

    ruwe olie: ruwe aardolie en ruwe oliën uit bitumineuze mineralen als bedoeld onder nr. 27.09 van de gecombineerde nomenclatuur bedoeld in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 2658/87, PbEG 1987, L 256;

  • x.

    samenwerkingsregeling zeehavengeld: overeenkomst samenwerking heffing en invordering zeehavengeld, zoals destijds geaccordeerd door de Raad van de gemeente Rotterdam in haar vergadering van 28 april 1994, gedrukte stukken nr. GHR/SEZ 94/684 en tevens de samenwerkingsovereenkomst zeehavengeld 2004, ondertekend door de gemeenschappelijke partners zeehavengeld, ingaande op 1 januari 2004.

  • y.

    scheepsreparatie-inrichting: inrichting waarvan de hoofdactiviteit is gelegen in het verrichten of het gelegenheid geven tot het verrichten van herstellingen aan zeeschepen en die beschikt over speciaal voor dat doel bestemde en in gebruik zijnde ligplaatsen;

  • z.

    schip: elk drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebruikt, dan wel bestemd of geschikt is voor het vervoer van personen, koopwaren, grondstoffen, producten en voorwerpen van allerlei aard, al dan niet met het drijvende lichaam een geheel uitmakende;

  • aa.

    second call: een tweede bezoek binnen een reis van een schip in een intercontinentale lijndienst;

  • bb.

    sleepboot: een zeeschip dat blijkens bouw en inrichting in hoofdzaak bestemd is of wordt gebruikt voor het slepen, duwen of assisteren van andere schepen;

  • cc.

    slops: schadelijke stoffen welke zijn ontstaan als gevolg van het huishouden van een schip als bedoeld in artikel 1 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen;

  • dd.

    tankschip: zeeschip dat geheel of ten dele is bestemd of wordt gebruikt voor het vervoer van vloeibare lading in onverpakte toestand.

  • ee.

    ton: massa van 1.000 kg.

  • ff.

    uitsluitend: 100%

  • gg.

    vissersschip: zeeschip dat uitsluitend is bestemd en wordt gebruikt voor het vangen van vis of van andere levende rijkdommen op zee.

  • hh.

    werkschip: een zeeschip dat is bestemd of wordt gebruikt voor de exploratie dan wel exploitatie van olie- en gasvelden op zee dan wel de winning van mineralen op zee.

  • ii.

    zeeschip: schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor de vaart buitengaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Schepenwet, of dat in verband met sloop of voorgenomen sloop hiervoor niet meer wordt gebruikt of die bestemming heeft verloren.

Artikel 1.2 Zeehavengeld
  • 1 Onder de naam zeehavengeld is een tarief verschuldigd ter zake van zeeschepen voor het verblijf in de haven van Moerdijk, wegens het gebruik van eigendommen van het Havenschap, waaronder mede begrepen de infrastructurele voorzieningen, alsmede voor het gebruik van havenfaciliteiten en dienstverlening in dat verband.

  • 2 Op het in het vorige lid verschuldigde zeehavengeld zijn de onderhavige “Algemene Voorwaarden Zeehavengeld 2014” van toepassing.

Artikel 1.3 Betalingsplicht

Voor de betaling van het tarief is hoofdelijk aansprakelijk de kapitein, de reder, de eigenaar van het schip, degene aan wie het schip in gebruik is gegeven, alsmede degene die de voorbereidende handelingen jegens de havenbeheerder heeft verricht ter voorbereiding van het verblijf van het zeeschip, bijvoorbeeld in het kader van de vertegenwoordiging van de reder of kapitein. Betaling door één van deze partijen bevrijdt de andere partijen.

Artikel 1.4 Berekeningsmaatstaf

Het zeehavengeld wordt berekend naar:

  • a.

    de bruto inhoud van het zeeschip, uitgedrukt in bruto tonnen;

  • b.

    de lading door het zeeschip gelost en ingenomen, uitgedrukt in tonnen.

Artikel 1.5 Samenwerkingsregeling zeehavengeld, verblijfsduur
  • 1 Voor de berekening en incasso van zeehavengeld worden de havens van partijen bij de samenwerkingsregeling zeehavengeld in dit verband als één havencomplex beschouwd. Partijen bij genoemde regeling hanteren daartoe voor het zeehavengeld een zelfde tariefstructuur en tarief alsmede gelijke heffingstijdvakken. Opgave inzake en betaling van zeehavengeld kan derhalve het verblijf in één, maar ook aan meer havens in het havengebied Rijnmond / Moerdijk betreffen.

  • 2 Ter bepaling van de verblijfsduur wordt het verblijf voorts geacht niet te zijn onderbroken wanneer het zeeschip:

    • a.

      het havengebied Rijnmond / Moerdijk uitsluitend heeft verlaten voor een periode van ten hoogste tweemaal 24 uur, op aanwijzing van of vanwege de havenmeester, om buitengaats te wachten op het vrijkomen van een ligplaats, te ontgassen of schoonmaakhandelingen te verrichten;

    • b.

      het havengebied Rijnmond / Moerdijk uitsluitend heeft verlaten in landinwaartse richting voor een periode van ten hoogste twee maanden om herstellingen te ondergaan aan een scheepsreparatie-inrichting in Nederland of om een proefvaart te maken, en het schip onmiddellijk na afloop daarvan in het havengebied Rijnmond / Moerdijk terugkeert.

Artikel 1.6 Tarieven
  • 1 Het zeehavengeld wordt berekend aan de hand van de tarieven die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze verordeningopgenomen tarieftabel, met inachtneming van de daarin opgenomen bijzondere bepalingen.

  • 2 Het zeehavengeld wordt berekend vanaf het moment dat het verblijf is aangevangen.

Artikel 1.7 Tarieftoepassing
  • 1 Bij de berekening van het tarief worden slechts volle eenheden van inhoud of massa in aanmerking genomen.

  • 2 De betalingsplichtige is gehouden het aantal overgeslagen tonnen lading aan te tonen aan het Havenschap.

  • 3 Indien het aantal geloste en ingenomen aantal tonnen lading onvoldoende wordt aangetoond, wordt het zeehavengeld berekend volgens het tarief uit de tarieventabel, dat tot het hoogste te betalen bedrag leidt.

  • 4 Het verschuldigde zeehavengeld wordt naar beneden afgerond op hele euro’s.

Artikel 1.8 Vrijstellingen

Zeehavengeld wordt niet in rekening gebracht voor het havenbezoek, met bijbehoren¬de dienstverlening, met:

  • a.

    een sleepboot, voor zover deze uitsluitend wordt gebruikt in het kader van de normale assistentie van zeeschepen bij het in- en uitvaren van de havens van het havengebied Rijnmond / Moerdijk;

  • b.

    een zeeschip voor een periode van ten hoogste vier maanden indien het havenbezoek en bijbehorende dienstverlening slechts plaatsvindt voor het dokken of het doen verrichten van herstellingen aan en bij een scheepsreparatie-inrichting, mits zowel van het tijdstip van aanvang als dat van het einde van het dokken of herstellen vooraf schriftelijk aan de havenmeester is kennis gegeven;

  • c.

    een zeeschip, indien het havenbezoek en bijbehorende dienstverlening slechts plaatsvindt voor het voor de eerste maal zeeklaar maken of houden van een eerste proeftocht na nieuwbouw, voor een periode van ten hoogste een week, dan wel het ontschepen van zieken of doden, mits:

    • 1°.

      het verblijf niet langer duurt dan daartoe noodzakelijk is;

    • 2°.

      vooraf van het voornemen daartoe schriftelijk aan de havenmeester is kennis gegeven; en

    • 3°.

      onmiddellijk na afloop van de handelingen daarvan schriftelijk aan de havenmeester wordt kennis gegeven;

  • d.

    een oorlogsschip, mits de behandeling van eventuele lading uitsluitend door militairen geschiedt;

  • e.

    een zeeschip dat het havengebied Rijnmond / Moerdijk bezoekt uitsluitend voor het schoonmaken van ladingruimten, met inbegrip van het gasvrij maken van het schip:

    • 1°.

      bij een daartoe ingerichte en van de vereiste vergunningen voorziene inrichting,

    • 2°.

      voor een periode van ten hoogste 7 dagen.

Artikel 1.9 Opgave
  • 1 Binnen 24 uur na aanvang van het verblijf dient schriftelijk dan wel elektronisch opgave te worden gedaan door één van de in artikel 1.3 genoemde betalingsplichtigen van de voor vaststelling van het verschuldigde zeehavengeld van belang zijnde gegevens aan de havenmeester en aan het Havenbedrijf Rotterdam N.V.

  • 2 Degene die opgave doet als bedoeld in het eerste lid, geeft daarmee te kennen de toepasselijkheid van dit hoofdstuk te accepteren.

  • 3 Uiterlijk 3 dagen na het vertrek van het schip uit het havengebied Rijnmond / Moerdijk dient schriftelijk dan wel elektronisch aanvullende opgave aan het Havenbedrijf Rotterdam N.V. te worden gedaan van de overslaggegevens, alsmede de verschillende ligplaatsen.

  • 4 Met betrekking tot een verblijf met een zeeschip langer dan twee maanden is na verloop van die twee maanden het oplegtarief van toepassing voor elke maand of gedeelte daarvan.

  • 5 De aanvullende opgave van dit verlengde havenbezoek dient door de havenmeester en het Havenbedrijf Rotterdam N.V. te zijn ontvangen telkens voor aanvang van het desbetreffende tijdvak.

  • 6 Inzage dient te worden verleend in dan wel afschrift te worden verschaft van alle documenten met betrekking tot de overslaggegevens, zoals de Generale Verklaring en de Bill of Lading.

  • 7 Indien geen inzage wordt verleend als bedoeld in het zesde lid, noch afschrift daarvan wordt verschaft, wordt het zeehavengeld berekend volgens het tarief dat tot het hoogste te betalen bedrag leidt.

  • 8 In het geval als bedoeld in het zevende lid, zijn de betalingsplichtigen hoofdelijk een toeslag verschuldigd van 25%, zulks met een minimum van € 230,00.

Artikel 1.10 Betaling
  • 1 Het zeehavengeld dient te zijn voldaan voor het vertrek van het schip uit het havengebied Rijnmond / Moerdijk.

  • 2 Indien de aanvullende opgave, bedoeld in artikel 1.9, vijfde lid, nog niet is gedaan, wordt het zeehavengeld berekend conform het tarief dat tot het hoogste te betalen bedrag leidt.

  • 3 Indien de aanvullende opgave eerst na vertrek van het schip uit het havengebied Rijnmond / Moerdijk doch binnen de daartoe gestelde termijn van 3 dagen na dit vertrek wordt gedaan zal desgevraagd verrekening plaatsvinden conform het andere tarief, indien dat tot een lager te betalen bedrag leidt.

  • 4 In afwijking van het bepaalde in lid 1 van dit artikel behoeft het zeehavengeld eerst na ontvangst van een factuur of verzamelfactuur te worden voldaan indien ten genoegen van het Havenschap of het Havenbedrijf Rotterdam N.V. zekerheid is gesteld.

  • 5 In zodanig geval dient de betaling ontvangen te zijn binnen acht kalenderdagen na de factuurdatum. Betaling kan in dit geval eveneens plaatsvinden door middel van automatische incasso: het factuurbedrag wordt alsdan afgeschreven met een valutadatum 14 dagen na factuurdatum.

Artikel 1.11 Verrekening
  • 1 Indien degene, die opgave heeft gedaan, merkt dat er ten gevolge van een onjuiste aanvullende opgave te weinig of te veel is betaald, dient hiervan onmiddellijk schriftelijk bericht te worden gedaan aan het Havenbedrijf Rotterdam N.V. Verrekening zal dan naar keuze plaatsvinden via een factuur respectievelijk creditnota, of via de eerstvolgende verzamelfactuur.

  • 2 Het Havenbedrijf Rotterdam N.V. is te allen tijde bevoegd om in geval van onjuiste opgave/aanvullende opgave, die niet door de betalingsplichtige is gemeld, een correctie daarop toe te passen, verrekening te doen plaatsvinden bij volgende betalingen of na te vorderen tot het juiste bedrag, een en ander onverminderd toepassing van artikel 1.14.

Artikel 1.12 Naleving
  • 1 De betalingsplichtigen, bedoeld in artikel 1.3, zijn hoofdelijk verantwoordelijk en aansprakelijk voor de stipte naleving van het bepaalde in de artikelen 1.9, 1.10, 1.11, eerste lid en 1.13.

  • 2 Zodra één van deze aan zijn verplichting heeft voldaan zijn de anderen bevrijd van hun verplichting.

Artikel 1.13 Kosten en rente
  • 1 Indien ten gevolge van een onjuiste aanvullende opgave als bedoeld in artikel 11, eerste lid, te weinig is betaald, zijn de betalingsplichtigen hoofdelijk een toeslag verschuldigd ter hoogte van 25% van het te weinig betaalde bedrag, met een minimum van € 230,00.

  • 2 De toeslag, bedoeld in het eerste lid, is niet verschuldigd indien de betalingsplichtige conform artikel 1.11, eerste lid, het Havenbedrijf Rotterdam N.V. uiterlijk 3 weken na de factuurdatum schriftelijk heeft gemeld dat de aanvullende opgave onjuist was.

  • 3 In het geval van te late betaling is rente verschuldigd van 0,3% over het factuurbedrag voor elke week of gedeelte daarvan dat de betaling te laat plaatsvindt, alsmede zijn in dat geval verschuldigd de buitengerechtelijke incassokosten van 15% van het factuurbedrag, met een minimum van € 115,00, en de gerechtelijke incassokosten.

  • 4 Indien de betalingsplichtigen hebben nagelaten opgave of aanvullende opgave te doen, zal het zeehavengeld worden berekend volgens het tarief, dat tot het hoogst te betalen bedrag leidt.

  • 5 In geval van toepassing van het vierde lid, zijn de betalingsplichtigen elk een toeslag verschuldigd van 25%, zulks met een minimum van € 230,00.

Artikel 1.14 Achterlandregeling

Indien een zeeschip één van de havens van het Havengebied Rijnmond / Moerdijk weer bezoekt - zonder tussentijds buitengaats te zijn geweest en vervolgens deze haven in buitengaatse richting verlaat - worden, mits tussen de aanvang van het vorige verblijf en het einde van het tweede verblijf niet meer dan twee maanden zijn verlopen, het eerste en het tweede verblijf tezamen als één verblijf beschouwd.

§ 2 Bijdrage afvalstoffen zeeschepen

Artikel 1.15 Verschuldigdheid van bijdrage afvalstoffen zeeschepen
  • 1 Indien de betalingsplichtige met een zeeschip gebruik maakt van de Haven van Moerdijk, is hij terzake aan HbR N.V. een bijdrage afvalstoffen zeeschepen als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen verschuldigd voor de afgifte van oliehoudend scheepsgebonden afval (Annex I – MARPOL 73/78) en vast scheepsgebonden afval (Annex V – MARPOL 73/78);

  • 2 De betalingsplichtige is de bijdrage afvalstoffen verschuldigd vanaf het moment dat het verblijf is aangevangen.

Artikel 1.16 Tarieven bijdrage afvalstoffen zeeschepen
  • 1 De door betalingsplichtige verschuldigde bijdrage afvalstoffen zeeschepen wordt berekend aan de hand van de als bijlage bij deze verordening opgenomen tarieventabel bijdrage afvalstoffen zeeschepen.

  • 2 De facturering en betaling vinden plaats tegelijkertijd met de facturering en inning van het zeehavengeld.

Artikel 1.17 Melding van gegevens
  • 1 Betalingsplichtige dient melding te doen van alle voor de vaststelling van de verschuldigde bijdrage afvalstoffen zeeschepen van belangzijnde gegevens aan HbR NV, meer bepaald de Afdeling Schadelijke Stoffen van de Rotterdam Port Authority, binnen de volgende termijnen:

    • a.

      tenminste 24 uur vóór aankomst, wanneer de aanloophaven bekend is, of

    • b.

      zodra de aanloophaven bekend is, indien deze informatie minder dan 24 uur voor aankomst beschikbaar is, doch uiterlijk bij het binnenvaren van de territoriale wateren, of

    • c.

      uiterlijk bij vertrek uit de vorige haven, indien de duur van de reis minder dan 24 uur bedraagt en binnen de territoriale wateren ligt.

  • 2 Betalingsplichtige dient op eerste verzoek van HbR NV inzage te verlenen in dan wel afschrift te verschaffen van alle voor de facturering en betaling van de bijdrage afvalstoffen zeeschepen van belang zijnde documenten.

  • 3 Indien betalingsplichtige weigert inzage te verlenen dan wel afschrift te verschaffen, wordt de bijdrage afvalstoffen zeeschepen berekend met toepassing van het tarief dat tot het hoogste te betalen bedrag leidt. In dit geval is tevens een toeslag verschuldigd van 25% over voornoemd bedrag.

Artikel 1.18 Vrijstelling

Een bijdrage afvalstoffen zeeschepen wordt niet in rekening gebracht voor gebruikmaking van de Haven van Moerdijk door:

  • a.

    vaartuigen waarvoor op grond van artikel 35a van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen een ontheffing is verleend van het het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6a, 12a of 12b van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen;

  • b.

    vaartuigen, bestemd of gebruikt voor sport of vrijetijdsbesteding, ongeacht het type en de wijze van voortstuwing, waarmee niet meer dan 12 passagiers mogen worden vervoerd;

  • c.

    vaartuigen, uitgerust met materiaal of met commercieel oogmerk gebruikt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee of binnenwater;

  • d.

    vaartuigen als bedoeld in artikel 14 voor zover het een tweede verblijf betreft;

  • e.

    vaartuigen die vallen onder de categorieën die zijn opgenomen in Bijlage 3 bij deze verordening.

Artikel 1.19 Toepasselijk recht en geschillen
  • 1 Op alle uit dit hoofdstuk voortvloeiende rechten, verplichtingen en geschillen is uitsluitend het Nederlandse recht van toepassing.

  • 2 Geschillen worden onderworpen aan het oordeel van de daartoe bevoegde rechter in het arrondissement Rotterdam.

Hoofdstuk II Binnenhavengeld

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    algemene wet: Algemene wet inzake rijksbelastingen;

  • b.

    binnenschip: een schip uitsluitend is bestemd of wordt gebruikt voor de vaart op de binnenwateren;

  • c.

    container: een metalen kist voor opslag en vervoer;

  • d.

    containertarief: bedrag dat per container die in de haven geladen of gelost wordt in rekening wordt gebracht;

  • e.

    Dagelijks Bestuur: Dagelijks Bestuur van het Havenschap Moerdijk;

  • f.

    haven: havengebied, bedoeld in artikel 1.1, onder g. van de Haven- en terreinverordening Havenschap Moerdijk 2005;

  • g.

    havenmeester: havenmeester, bedoeld in artikel 1.1, onder e. van de Haven- en terreinverordening Havenschap Moerdijk 2005;

  • h.

    havenschap: Openbaar Lichaam genaamd Havenschap Moerdijk, bedoeld in de Gemeenschappelijke Regeling Havenschap Moerdijk, herziening 1997;

  • i.

    inspecteur: functionaris die door het Dagelijks Bestuur is belast met de heffing van het binnenhavengeld;

  • j.

    laadvermogen: in tonnen uitgedrukte verschil tussen de zoetwaterverplaatsing van het schip bij de grootst toegelaten diepgang en die van het lege schip;

  • k.

    lading: alle door een binnenschip geloste en ingenomen goederen en verpakkingsmateriaal, containers en trailers. Voor de toepassing van de verordening worden niet tot de lading gerekend ballast, brandstof, proviand en andere voor eigen gebruik bestemde scheepsbenodigdheden, de handbagage van opvarenden voor zover deze met de opvarenden op hetzelfde schip wordt vervoerd, alsmede slops;

  • l.

    meetbrief: document, bedoeld in het Besluit binnenschependocumenten;

  • m.

    ontvanger: functionaris die door het Dagelijks Bestuur is belast met de invordering van het binnenhavengeld;

  • n.

    passagiersschip: binnenschip dat is bestemd of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van passagiers;

  • o.

    pleziervaartuig: niet bedrijfsmatig geëxploiteerd binnenschip dat hoofdzakelijk is bestemd of wordt gebruikt voor de recreatie;

  • p.

    sleepboot: binnenschip dat blijkens bouw en inrichting is bestemd of wordt gebruikt voor het slepen of duwen van andere schepen;

  • q.

    termijn: in de tarieventabel genoemd tijdvak waarin het gebruik van de haven plaatsvindt;

  • r.

    ton: massa van 1000 kilogram;

  • s.

    vissersschip: binnenschip dat hoofdzakelijk is bestemd of wordt gebruikt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;

  • t.

    vaartuig: drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebruikt dan wel bestemd of geschikt is voor het vervoer te water van personen, koopwaren, grondstoffen, producten en voorwerpen van allerlei aard, al dan niet met het drijvende lichaam één geheel uitmakende;

  • u.

    elk ander drijvend lichaam zoals een werkvlot, ponton, houtvlot, elevator, drijvend werktuig, booreiland en elke andere drijvende inrichting ten dienste van de exploratie of exploitatie van olie- en gasvelden of het winnen van mineralen in de waterbodem.

  • v.

    vrachtschip: binnenschip dat hoofdzakelijk is bestemd of wordt gebruikt voor het vervoer van goederen;

  • w.

    zeilend bedrijfsvaartuig: binnenschip dat met behulp van zeilen wordt voortgestuwd en dat hoofdzakelijk is bestemd of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van personen.

Artikel 2.2 Aard van de heffing; belastbaar feit

Onder de naam binnenhavengeld wordt een recht geheven ter zake van het gebruik met een binnenschip overeenkomstig de bestemming van de haven of gebruik maakt van faciliteiten en dienstverlening door het Havenschap Moerdijk in de haven.

Artikel 2.3 Belastingplicht

Belastingplichtig is de eigenaar van het binnenschip, de reder, schipper, de kapitein, degene aan wie het binnenschip in gebruik is gegeven, dan wel degene die als vertegenwoordiger voor een van de genoemde partijen optreedt.

Artikel 2.4 Maatstaven van heffing

Het binnenhavengeld wordt geheven naar:

  • a.

    het laadvermogen van het vaartuig, uitgedrukt in tonnen

  • b.

    de oppervlakte van het vaartuig, uitgedrukt in vierkante meters; zoals aangegeven in de bij de verordening behorende tabel.

  • c.

    het aantal containers dat een vaartuig laadt en/ of lost, uitgedrukt in aantal containers geladen en / of gelost wanneer dat leidt tot een goedkoper tarief ten opzichte van de tonnemaat of oppervlakte van het vaartuig, de zogenoemde “laagste-tarief” garantie

Artikel 2.5 Tarieven

Het binnenhavengeld wordt geheven naar de tarieven, die opgenomen zijn in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van de daarin gegeven aanwijzingen en bijzondere bepalingen en van het bepaalde in artikel 2.6.

Artikel 2.6 Tariefberekening en toepassing

  • 1 Bij de berekening van het verschuldigde bedrag:

    • a.

      wordt een gedeelte van een eenheid van laadvermogen, van oppervlakte of van lengte voor een volle eenheid gerekend;

    • b.

      geldt als laadvermogen in tonnen van een vaartuig het aantal tonnen zoals dat blijkt uit de bij het vaartuig behorende meetbrief;

    • c.

      geldt in afwijking van het bepaalde in onderdeel b als laadvermogen in tonnen van een vissersschip het aantal bruto registertonnen (2,83 m3) ofwel het aantal bruto tonnen van de bruto inhoud, zoals dat blijkt uit de bij het vissersschip behorende meetbrief;

    • d.

      wordt de oppervlakte van een vaartuig gesteld op het product van de lengte over alles en de grootste breedte, zoals deze blijken uit de bij het vaartuig behorende meetbrief;

    • e.

      wordt de termijn steeds op de kortste van de in de tabel voor het betreffende soort vaartuig genoemde termijnen gesteld tenzij voor een langere termijn aangifte is gedaan;

    • f.

      wordt het aantal containers dat van een schip gelost en/ of geladen wordt vermenigvuldigd met het tarief als opgenomen in de bij deze verordening opgenomen tarieventabel;

  • 2 Bij de toepassing van de tarieven worden het laadvermogen, de oppervlakte of de lengte ambtshalve bepaald als geen meetbrief wordt overgelegd.

  • 3 Indien het aantal containers geladen/gelost niet wordt opgegeven, wordt het aantal containers geladen en/ of gelost ambtshalve bepaald op 75.

Artikel 2.7 Anti-cumulatie-vrijstelling

Binnenhavengeld wordt niet geheven ter zake van het gebruik van de haven en het genot van in dat verband verleende diensten:

  • a.

    wanneer reeds zeehavengeld in rekening wordt gebracht;

  • b.

    met een binnenschip in directe dienst van het Rijk, mits daarmee geen handelingen of vervoer tegen betaling worden verricht;

  • c.

    met een pleziervaartuig, na verkregen toestemming door de havenmeester de haven te mogen bezoeken, voor een periode van ten hoogste één dag na de aanvang van het gebruik of genot.

Artikel 2.8 Wijze van heffing

Het binnenhavengeld wordt geheven bij wegen van voldoening op aangifte.

Artikel 2.9 Verschuldigdheid

Het binnenhavengeld is verschuldigd zodra het gebruik van de haven begint.

Artikel 2.10 Vaststelling aankomst meldingsformulier binnenvaartschip/zeeschip

Voor het doen van aangifte van het binnenhavengeld als bedoeld in artikel 8 dient gebruik te worden gemaakt van het door het Dagelijks Bestuur vastgestelde model van het meldingsformulier binnenvaartschip / zeeschip of het op andere wijze mededelen van de in het vastgestelde model van het meldingsformulier opgenomen gevraagde gegevens aan de havenmeester als bedoeld in artikel 2.11.

Artikel 2.11 Aangifte en betaling

  • 1 De aangifte wordt, gedaan bij de havenmeester. Bij de aangifte dient, op verzoek van de Havenmeester, inzage te worden verleend in de meetbrief van het vaartuig;

  • 2 Het binnenhavengeld moet overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger worden betaald op de eerste werkdag volgende op de dag van aankomst van het vaartuig in de haven, doch vóór het tijdstip waarop het vaartuig uit de haven vertrekt.

  • 3 Indien het vaartuig in de loop van een termijn, die in de tabel is aangeduid als een termijn per reis, uit de haven vertrekt en daar in de loop van die termijn terugkeert, begint bij de terugkeer een nieuwe termijn en neemt met betrekking tot de laatstbedoelde termijn het gebruik van de haven en het genot van in dat verband verleende diensten opnieuw een aanvang.

  • 4 In afwijking van het bepaalde in het tweede en derde lid kan worden betaald binnen dertig dagen na factuurdatum.

  • 5 Alle, aan de hand van de tarieven, berekende bedragen worden verhoogd met omzetbelasting (B.T.W.).

Artikel 2.12 Restitutie en overschrijving

  • 1 Van het binnenhavengeld dat wordt betaald voor de periode van een jaar wordt, indien het gebruik van de haven is geëindigd vóór het verstrijken van die periode, op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige, restitutie verleend voor elk kwartaal van het betaalde bedrag aan binnenhavengeld voor zoveel kwartalen er in dat jaar na de beëindiging van het gebruik van de haven nog resteren.

  • 2 Indien een vaartuig wordt vervangen door een ander vaartuig, wordt het voor het vervangen vaartuig over de nog niet verstreken maanden van de lopende termijn betaalde binnenhavengeld op verzoek van de belastingplichtige verrekend met het verschuldigde binnenhavengeld over die maanden voor het vervangende vaartuig, met dien verstande dat, indien het laatst genoemde binnenhavengeld lager is dan het betaalde, teruggaaf van het verschil niet plaats vindt.

  • 3 Het na toepassing van de in het vorige lid bedoelde verrekening verschuldigd bedrag moet binnen 30 dagen na de vervanging overeenkomstig de aangifte worden betaald.

Artikel 2.13 Bevoegdheden inzake afschrijving en uitstel van betaling

  • 1 Het Dagelijks Bestuur is bevoegd op voordracht van de ontvanger kwijtschelding van het binnenhavengeld te verlenen.

  • 2 De ontvanger is bevoegd uitstel van betaling van het binnenhavengeld te verlenen.

Artikel 2.14 Invorderingsrente

Hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990 inzake betalingskorting en invorderingsrente is van overeenkomstige toepassing op de heffing van het binnenhavengeld. 

Hoofdstuk III Kadegeld

§ 1 Algemene bepalingen

Artikel 3.1
  • 1 Onder de naam kadegeld wordt een belasting geheven wegens het hebben van een recht van vaste ligplaats voor vaartuigen aan een openbare kade.

  • 2 Zodanig recht kan uitsluitend worden ontleend aan een overeenkomstig deze verordening verleende ligplaatsvergunning.

Artikel 3.2
  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a.

      binnenvaartuigen: alle andere vaartuigen dan zeevaartuigen;

    • b.

      Dagelijks Bestuur: Dagelijks Bestuur van het Havenschap Moerdijk;

    • c.

      diepgang: tijdens het gebruik van de ligplaats te meten grootste afstand tussen het diepst stekende punt van een vaartuig en de waterspiegel;

    • d.

      draagvermogen, onderscheidenlijk laadvermogen: in tonnen uitgedrukte verschil tussen de zoetwaterverplaatsing van een vaartuig bij de kleinste toegelaten uitwatering en die van het ledige vaartuig;

    • e.

      havenschap: Openbaar Lichaam genaamd Havenschap Moerdijk, als bedoeld in de Gemeenschappelijke Regeling Havenschap Moerdijk, herziening 1997;

    • f.

      havenmeester: havenmeester, zoals bedoeld in artikel 1.1, onder e, van de Haven- en terreinverordening Havenschap Moerdijk 2005;

    • g.

      inspecteur: functionaris die door het Dagelijks Bestuur is belast met de heffing van het kadegeld.

    • h.

      kade: oever van een bevaarbaar water, voor zover voorzien van een kademuur, stenenglooiing of andere oeververdediging;

    • i.

      ligplaatsvergunning of vergunning: beschikking strekkende tot toekenning van een recht van vaste ligplaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid;

    • j.

      ontvanger: functionaris die door het Dagelijks Bestuur is belast met de invordering van het kadegeld;

    • k.

      ton: gewicht van 1000 kg;

    • l.

      vaartuigen: alle soorten van drijvende lichamen, welke wegens hun drijfvermogen worden gebezigd dan wel bestemd of geschikt zijn voor het vervoer te water van personen of handelswaren; onder vaartuigen worden mede begrepen hout-, werk- en aanlegvlotten, pontons, al dan niet dienende tot het dragen van daarop geplaatste werktuigen, en drijvende droogdokken;

    • m.

      zeevaartuigen: alle vaartuigen, welke worden gebezigd of bestemd zijn voor de vaart ter zee of op de buitendijkse wateren ten oosten van de Vliestroom;

  • 2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk geldt als:

    • a.

      het aantal tonnen draagvermogen van een zeevaartuig het getal, dat wordt gevonden door het aantal registertonnen (2,83 m³) van de bruto-inhoud van dat vaartuig zoals dat blijkt uit de bij het vaartuig behorende Nederlandse meetbrief of een daarmede krachtens Nederlandse wettelijke bepalingen gelijkgesteld document, te vermenigvuldigen met 1 ½;

    • b.

      het aantal tonnen laadvermogen van een binnenvaartuig het aantal, zodat dat blijkt uit de bij het vaartuig behorende, in Nederland geldige, meetbrief.

  • 3 Bij gebreke van de in het tweede lid bedoelde meetbrieven of documenten, bij weigering om zulk een stuk te vertonen of ingeval dit de bruto-inhoud of het laadvermogen niet vermeldt, worden de betrokken gegevens door de havenmeester of diens gemachtigde geschat.

  • 4 Gedeelten van tonnen en registertonnen worden voor de toepassing van deze verordening buiten beschouwing gelaten.

Artikel 3.3

Indien het Dagelijks Bestuur krachtens deze verordening de uitoefening van bepaalde bevoegdheden aan de havenmeester opdraagt, geldt het navolgende:

  • a.

    de beslissingen van de havenmeester worden schriftelijk gegeven;

  • b.

    gedurende 14 dagen na de dagtekening van de beslissingen van de havenmeester staat beroep open op het Dagelijks Bestuur, welk beroep schriftelijk moet worden ingesteld bij het Dagelijks Bestuur;

  • c.

    het instellen van beroep schort de uitvoering van de beslissing niet op, behalve waar deze verordening anders bepaalt.

§ 2 Ligplaatsvergunningen

Artikel 3.4
  • 1 Het Dagelijks Bestuur is bevoegd overeenkomstig daartoe strekkende aanvragen ligplaatsvergunningen te verlenen.

  • 2 Het Dagelijks Bestuur kan de uitoefening van deze bevoegdheid opdragen aan de havenmeester.

  • 3 Voor de aanvraag voor het verkrijgen van een ligplaatsvergunning dient gebruik te worden gemaakt van een formulier, waarvan het model door het Dagelijks Bestuur wordt vastgesteld.

Artikel 3.5

Een ligplaatsvergunning bevat:

  • a.

    de naam van degene, aan wie het recht wordt verleend;

  • b.

    de naam van de kade en een nadere aanduiding van de plaats, waar zich de ligplaats bevindt;

  • c.

    de omschrijving van de aard van de oeververdediging van de kade, te weten kademuur, stenenglooiing of andere oeververdediging;

  • d.

    de aanduiding van de lengte van de ligplaats in meters en centimeters;

  • e.

    de waterdiepte, of ingeval voor verschillende gedeelten van de ligplaats van verschillende waterdiepten sprake is, de waterdiepten, uitgedrukt in meters, waarvoor zij geldt;

  • f.

    de aanduiding van het vaartuig of de vaartuigen, ten behoeve waarvan de vergunning wordt verleend, te weten:

    • 1.

      vaartuigen in het algemeen;

    • 2.

      binnenvaartuigen in het algemeen;

    • 3.

      in een bepaalde geregelde dienst gebezigde vaartuigen of;

    • 4.

      één of meer met name aangeduide vaartuigen;

  • g.

    in het hiervoor bedoelde geval onder f, sub 4, de aanduiding hoeveel het draag- of laadvermogen is;

  • h.

    de bepaling, of de vaartuigen hetzij gestrekt langs de kade hetzij met de kop op de wal moeten, of op beide wijzen mogen liggen;

  • i.

    de in het belang van het havenverkeer of de scheepvaart nodig geoordeelde bijzondere voorwaarden;

  • j.

    de datum, waarop de ligplaatsvergunning van kracht wordt;

  • k.

    de vermelding of de ligplaatsvergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd, dan wel voor een bepaald, te vermelden tijdvak.

Artikel 3.6
  • 1 De diepgang van de vaartuigen tijdens het innemen van de ligplaats mag de in de ligplaatsvergunning bepaalde waterdiepte niet overschrijden.

  • 2 Bij overtreding van het eerste lid vindt, onverminderd het bepaalde in artikel 3.10, artikel 3.13 toepassing.

  • 3 Van de ligplaats mag door de vergunninghouder geen gebruik worden gemaakt met andere vaartuigen dan waarvoor de ligplaatsvergunning is verleend, tenzij de havenmeester daartoe vooraf voor één bepaald geval mondeling of schriftelijk, of voor een bepaalde reeks gevallen schriftelijk toestemming heeft verleend.

  • 4 Bij overtreding van het derde lid vindt, onverminderd het bepaalde in artikel 3.10, in geval van overschrijding, artikel 3.13 toepassing.

Artikel 3.7
  • 1 Voor een ligplaats of gedeelte van een ligplaats, waarvoor een ligplaatsvergunning geldt, kan geen tweede vergunning worden verleend.

  • 2 Ingeval in strijd met het eerste lid is gehandeld is de later verleende ligplaatsvergunning nietig, voor zover de daarin genoemde ligplaats samenvalt met die, vermeld in de eerder verleende ligplaatsvergunning.

Artikel 3.8
  • 1 Het Dagelijks Bestuur kan om redenen van openbaar belang de houder van een ligplaatsvergunning verbieden om van de ligplaats gebruik te maken, waarvoor de ligplaatsvergunning is verleend, gedurende een door het Dagelijks Bestuur te bepalen termijn.

  • 2 Bij het in het eerste lid bedoelde verbod wordt, voor zoveel mogelijk, voor de termijn van het verbod een andere ligplaats voor gebruik aangewezen.

  • 3 Het Dagelijks Bestuur kan de uitoefening van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid opdragen aan de havenmeester.

Artikel 3.9

Telkens wanneer van een ligplaats, waarvoor een ligplaatsvergunning is verleend, geen gebruik wordt gemaakt, kan de havenmeester daarover beschikken, met dien verstande, dat de ligplaats onmiddellijk moet worden ontruimd, zodra de houder van de ligplaatsvergunning er gebruik van wil maken.

Artikel 3.10
  • 1 Het Dagelijks Bestuur kan ten allen tijde een ligplaatsvergunning intrekken:

    • a.

      op schriftelijk verzoek van de houder;

    • b.

      wegens gedragingen van de houder van de ligplaatsvergunning in strijd met deze verordening of de bepalingen van de vergunning, of met enig ander wettelijk voorschrift, betrekking hebbende op het havenverkeer of de scheepvaart;

    • c.

      om redenen van openbaar belang;

    • d.

      wanneer bij onbelemmerde scheepvaart van de ligplaats gedurende 30 achtereenvolgende dagen geen gebruik is gemaakt;

    • e.

      wanneer het onmogelijk is geworden van de ligplaats gebruik te maken.

  • 2 Het Dagelijks Bestuur kan de uitoefening van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid, voor zoveel de gevallen a, d en e betreft, opdragen aan de havenmeester.

  • 3 Indien het Dagelijks Bestuur gebruik maakt van haar in het vorige lid genoemde bevoegdheid, is artikel 3 van toepassing, met dien verstande dat de werking van een door de havenmeester genomen besluit tot intrekking van de vergunning indien daartegen een beroep wordt ingesteld, wordt opgeschort tot het Dagelijks Bestuur in beroep daarop heeft beslist.

  • 4 In een besluit tot intrekking van een ligplaatsvergunning wordt de datum vermeld waarop de ligplaatsvergunning haar geldigheid verliest of geacht wordt te hebben verloren.

  • 5 Ingeval de ligplaatsvergunning wordt ingetrokken op verzoek van de houder, wordt als datum van intrekking bepaald de dag, waarop het verzoek is ingekomen, tenzij nadien nog van de ligplaats gebruik wordt gemaakt, in welk geval de intrekking geschiedt met ingang van de dag na de laatste dag, waarop dat gebruik plaatsvindt.

  • 6 Indien de verzoeker zulks vraagt, kan ook een latere dag worden aangehouden dan de in het vijfde lid bedoelde datum.

§ 3 Heffing van het kadegeld

Artikel 3.11
  • 1 Het kadegeld wordt op grond van de in de ligplaatsvergunning vermelde gegevens berekend per kalenderjaar of gedeelte daarvan volgens het in artikel 3.12 bedoelde tarief.

  • 2 Wordt de in de ligplaatsvergunning genoemde lengte of diepte overschreden, dan wordt per keer boven het ingevolge het voorgaande lid verschuldigde, een bijbetaling verschuldigd, te berekenen op de voet van het bepaalde in artikel 3.13.

  • 3 Te heffen bedragen worden, indien nodig, afgerond naar boven op hele eurocenten.

Artikel 3.12
  • 1 Het tarief voor de heffing van kadegeld is weergegeven in bijlage 2, bevattende de tarieven voor het desbetreffende kalenderjaar.

  • 2 Voor elke kalendermaand of gedeelte daarvan bedraagt het kadegeld een twaalfde gedeelte van het kadegeld, berekend over een jaar.

Artikel 3.13
  • 1 Wanneer de waterdiepte bij gemiddeld laag water, waarvoor de ligplaatsvergunning is verleend, door de diepgang bij aankomst of bij vertrek van een van die ligplaatsvergunning gebruikmakend vaartuig wordt overtroffen, is de houder van de ligplaatsvergunning verplicht van die overschrijding binnen zes uur, nadat zij een aanvang heeft genomen, aan de havenmeester kennis te geven en is hij een bijbetaling verschuldigd overeenkomstig de volgende leden van dit artikel, echter met dien verstande, dat voor de berekening van de bijbetaling de diepgang van het vaartuig niet groter wordt gesteld dan de werkelijk aanwezige waterdiepte bij gemiddeld laagwater bedraagt.

  • 2 De bijbetaling, bedoeld in het vorige lid, bedraagt voor elk tijdvak gedurende hetwelk het schip onafgebroken op de ligplaats ligt, en voor elke strekkende meter van de door het vaartuig ingenomen kadelengte een zesde deel van het verschil tussen het voor die meter kade geldende tarief en het tarief per strekkende meter kadelengte naar hetwelk het kadegeld verschuldigd zou zijn, indien de vergunning gold voor een waterdiepte, gelijk aan de naar boven in meters afgeronde grootste diepgang van het vaartuig tijdens bovenbedoeld tijdvak.

  • 3 Voor zover over enig gedeelte van een kade gedurende een kalenderjaar zes maal tot of tot meer dan een bepaalde waterdiepte is bijbetaald, mag deze waterdiepte over een zodanige lengte in de verdere loop van het jaar zonder bijbetaling worden gebruikt.

  • 4 In geval van verdere betaling dan bedoeld in het vorige lid, wordt deze verminderd of niet berekend.

  • 5 Indien een vaartuig buiten een ligplaats waarvoor een ligplaatsvergunning is verleend uitsteekt over een ligplaats waarvoor een andere ligplaatsvergunning geldt, en dientengevolge de laatstbedoelde ligplaats in de diepte wordt overschreden, is de daarvoor verschuldigde bijbetaling in plaats van door de houder van de laatstbedoelde ligplaatsvergunning verschuldigd door de houder van de eerstbedoelde ligplaatsvergunning.

  • 6 Indien een zeevaartuig tijdens het innemen van een ligplaats, welke volgens de vergunning slechts bestemd is voor binnenvaartuigen, een diepgang van minder dan 4 meter heeft, wordt deze diepgang voor de toepassing van dit artikel niettemin geacht 4 meter te bedragen.

Artikel 3.14
  • 1 Het kadegeld is verschuldigd door de houder van de ligplaatsvergunning en wel terstond na het verkrijgen daarvan en vervolgens telkens bij de aanvang van een kalenderjaar.

  • 2 De bijbetaling op het kadegeld is, met inachtneming van artikel 13, vierde lid, verschuldigd door de houder van de vergunning, terstond nadat de overschrijding een aanvang heeft genomen.

Artikel 3.15
  • 1 Wanneer een ligplaatsvergunning in de loop van een kalenderjaar wordt ingetrokken, wordt ontheffing van nog niet betaald of restitutie van reeds betaald kadegeld verleend over de volle kalendermaanden, gedurende welke de ligplaatsvergunning niet meer van kracht is.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt, indien de intrekking geschiedt om redenen van openbaar belang of ingeval het onmogelijk is geworden van de ligplaats gebruik te maken, de ontheffing of restitutie verleend met ingang van de dag, waarop de ligplaatsvergunning wordt ingetrokken.

  • 3 Wordt ingevolge het vorig lid ontheffing of restitutie van kadegeld over een gedeelte van een maand verleend, dan bedraagt zij voor iedere tot dit gedeelte behorende dag 1/30 deel van het kadegeld, berekend over een maand.

Artikel 3.16
  • 1 Voor zover bij een verbod als bedoeld in artikel 3.8 geen andere ligplaats wordt aangewezen, wordt ontheffing van nog niet betaald of restitutie van reeds betaald kadegeld verleend over de dagen der maanden en gedeelten daarvan, gedurende welke het verbod van kracht is.

  • 2 In het geval, bedoeld in het eerste lid, is artikel 15, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

§ 4 Invordering van het kadegeld

Artikel 3.17
  • 1 Het kadegeld moet binnen dertig dagen na het in artikel 14, eerste lid, bedoelde tijdstip worden voldaan tot het bedrag dat blijkens een gedagtekende nota verschuldigd is.

  • 2 De bijbetaling op het kadegeld moet plaatsvinden binnen 14 dagen nadat zij krachtens artikel 14, tweede lid, verschuldigd wordt.

  • 3 Nagevorderd kadegeld moet worden voldaan binnen 14 dagen nadat het bedrag van de navordering ter kennis van de houder van de ligplaatsvergunning is gebracht.

Artikel 3.18
  • 1 De betalingen, bedoeld in het vorige artikel, vinden plaats in handen van de ontvanger, of door middel van storting of overschrijving op een bank- of girorekening van het Havenschap. In het laatste geval is de betaling slechts geldig, indien de kennisgeving van storting of bijschrijving het Havenschap voor de vervaldag bereikt.

  • 2 Van elke betaling geeft de in het eerste lid bedoelde ambtenaar een gedagtekend ontvangstbewijs af, vermeldende de gegevens waarop de berekening van het verschuldigde bedrag is gebaseerd. Indien betaling heeft plaatsgevonden door middel van girostorting of giro-overschrijving wordt het ontvangstbewijs slechts afgegeven op verzoek van de belastingschuldige.

  • 3 Alle, aan de hand van deze tarieven, berekende bedragen worden verhoogd met omzetbelasting.

§ 5 Machtiging tot overdracht van bevoegdheden

Artikel 3.19

Het Dagelijks Bestuur kan een of meer ambtenaren aanwijzen, die in zijn plaats treden met betrekking tot de uitvoering van enige wettelijke bepalingen betreffende de heffing en invordering van de belasting.

§ 6 Nakoming verplichtingen

Artikel 3.20

De verplichtingen als bedoeld in de artikelen 47, 50 en 51 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen jegens het Dagelijks Bestuur gelden mede jegens de aangewezen ambtenaren.

§ 7 Overdracht van de bevoegdheid tot het verlenen van afschrijving en uitstel van betaling

Artikel 3.21
  • 1 Het Dagelijks Bestuur is bevoegd de belasting geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden indien de belastingplichtige niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar de belasting te betalen.

  • 2 De ontvanger is bevoegd uitstel van betaling te verlenen van de vorderingen welke aan hem ter invordering zijn toegezonden.

§ 8 Invorderingsrente

Artikel 3.22

Hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990 inzake betalingskorting en invorderingsrente is van overeenkomstige toepassing op het kadegeld

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1 Hardheidsclausule

  • 1 Het Dagelijks Bestuur is bevoegd met betrekking tot het bepaalde in deze verordening indien strikte toepassing daarvan leidt tot onevenredige hardheid af te wijken van het in deze verordening bepaalde ten gunste van de belastingplichtige.

  • 2 Het Dagelijks Bestuur kan de in het eerste lid gegeven bevoegdheid mandateren aan de directeur van het Havenschap Moerdijk.

Artikel 4.2 Intrekking

De Verordening op de heffing en invordering van Haven- en Kadegelden 2013 wordt ingetrokken.

Artikel 4.2 Bekendmaking en inwerkingtreding

  • 1 Deze verordening wordt overeenkomstig het bepaalde in de Gemeenschappelijke Regeling Havenschap Moerdijk, herziening 1997, gepubliceerd in het Provinciaal Blad van Noord-Brabant en wordt door Burgemeester en Wethouders van de binnen het gebied gelegen gemeenten gedurende drie maanden ter inzage gelegd.

  • 2 Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2014.

Artikel 4.3 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening op de heffing en invordering van Haven- en Kadegelden 2014.

Ondertekening

Moerdijk, 19 december 2013

Raad van Bestuur voornoemd  

De secretaris F. J. van den Oever

De voorzitter Y.C.M.G. de Boer

Vragen over regelingen?

Contacten (2)

Open Links Sluit Links