Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Subsidieregeling innovatieve acties Brabant 4 Noord-Brabant 2011-2013

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant; Gelet op Verordening (EG) nr. 800/2008; Gelet op artikel 105 en artikel 143 van de Provinciewet; Gelet op artikel 2 en artikel 15 van de Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant; Gelet op module 1 van de Omnibus Decentraal Regeling, zoals goedgekeurd door de Europese Commissie bij beschikking N 726a/2007 van 3 april 2008; Overwegende dat in het provinciaal Bestuursakkoord 2007-2011 de kaders zijn vastgesteld voor de provinciale inzet op het thema ‘versterken van het innovatievermogen van het midden- en kleinbedrijf (MKB)’ en dat de ambitie is uitgesproken dat de provincie koploper in Europa wil worden en wil blijven op het gebied van vernieuwend en innovatief ondernemerschap; Overwegende dat het programmaplan 2011 van Vertrouwen in Brabant, waarin Dynamisch Brabant één van de programmalijnen is op14 september 2010 door Gedeputeerde Staten is vastgesteld (EMG-1107) en dat het programma Innovatieve Acties Brabant 4 onderdeel uitmaakt van het vastgestelde jaarplan; Overwegende dat de provincie vanuit haar rol als middenbestuur een duurzame en slimme economie wil bevorderen waarin maatschappelijke vraagstukken op inventieve wijze worden opgelost met behulp van de innovatiekracht van het Brabantse MKB; Overwegende dat de uitvoeringsprojecten van het Innovatieve Acties Brabant 4 programma aan de hiervoor verwoorde doelstelling bijdragen door economische en maatschappelijke organisaties te laten samenwerken rond het ontwikkelen, testen en marktrijp maken van innovatieve, vraaggestuurde producten, diensten en processen voor de in Brabant steeds meer voorkomende chronische aandoeningen COPD, dementie en diabetes met het oog op het genereren van nieuwe marktkansen voor het Brabantse MKB; Overwegende dat de Subsidieregeling Innovatieve Acties Brabant 4 Noord-Brabant 2010 is vervallen en dat voor de continuering van het beleid Gedeputeerde Staten het wenselijk achten een nieuwe subsidieregeling vast te stellen; Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    aanjaagproject: project waarvoor subsidie is verstrekt in het kader van de Subsidieregeling innovatieve acties Brabant 4 Noord-Brabant 2010;

  • b.

    arm’s length-beginsel: beginsel uitgaande van de conditie dat partijen in een transactie onafhankelijk zijn van elkaar en op gelijke voet een contract sluiten;

  • c.

    business case: implementatiestrategie met een zakelijke en maatschappelijke afweging;

  • d.

    COPD: Chronic Obstructive Pulmonary Disease;

  • e.

    eindgebruikers: mensen die lijden aan één of meer van de chronische aandoeningen COPD, dementie of diabetes en de vertegenwoordigers, mantelzorgers, hulpverleners, professionele zorgverleners of vrijwilligers die deze mensen bijstaan;

  • f.

    experimentele ontwikkeling: ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van de Omnibus Decentraal Regeling;

  • g.

    expertgroep: adviescommissie die door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 82 van de Provinciewet is ingesteld;

  • h.

    IAB4: programma innovatieve acties Brabant 4 Noord-Brabant;

  • i.

    integraal uurtarief: tarief waarin alle normale en voorzienbare kosten zijn opgenomen die gerelateerd zijn aan de uitvoering van het project;

  • j.

    MKB-onderneming: kleine onderneming en middelgrote onderneming in de zin van Verordening (EG) nr. 70/2001, of een verordening die deze verordening vervangt;

  • k.

    patient journey: beschrijving van het leven van een patiënt met COPD, diabetes of dementie;

  • l.

    provincie Noord-Brabant: provincie Noord-Brabant in Nederland;

  • m.

    systeeminnovatie: samenhangend geheel van de voor een brede marktintroductie van innovatieve producten, diensten of processen noodzakelijke veranderingen van structuren, culturen of organisatorische of financiële randvoorwaarden in de zorgmarkt;

  • n.

    transitie: overgangsproces van tweedelijnszorg naar eerste- of nuldelijnszorg of van eerste- naar nuldelijnszorg.

Artikel 2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door een MKB-onderneming.

Artikel 3 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verleend voor projecten gericht op experimentele ontwikkeling op het gebied van de chronische aandoeningen COPD, dementie of diabetes.

Artikel 4 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het project reeds is aangevangen of gerealiseerd op het moment van indiening van de subsidieaanvraag;

  • b.

    de aangevraagde subsidie minder dan € 200.000 bedraagt.

Artikel 5 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • 1.

    Het project:

    • a.

      is gericht op ten minste een van de chronische aandoeningen COPD, dementie of diabetes;

    • b.

      is gericht op:

      • arbeidsbesparing in de zorg;

      • preventie en verlichting;

      • welzijn van zorgvragers, of;

      • participatie van mensen met minimaal een van de chronische aandoeningen COPD, dementie of diabetes in de maatschappij.

    • c.

      is gericht op het signaleren, agenderen of bevorderen van systeeminnovaties in de zorgketen;

    • d.

      wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • e.

      is gericht op een aantoonbaar behoud of toename van werkgelegenheid of arbeidsproductiviteit in de provincie Noord-Brabant;

    • f.

      is gericht op het ontwikkelen, testen en marktrijp maken van producten, processen of diensten in de provincie Noord-Brabant;

    • g.

      is gericht op duurzame verankering van de projectresultaten door middel van het agenderen, signaleren of bevorderen van systeeminnovaties;

    • h.

      is gericht op het actief delen, communiceren en verspreiden van kennis en de projectresultaten;

    • i.

      is realistisch;

    • j.

      kan uiterlijk 28 februari 2013 worden gerealiseerd.

  • 2.

    Aan het project liggen ten grondslag:

    • a.

      een projectplan dat ten minste bestaat uit:

      • een liquiditeitenprognose per kwartaal per project, uitgedrukt in bedragen of in percentages van de subsidiabele kosten;

      • een sluitende begroting per kalenderjaar;

      • een activiteitenplanning;

      • financiële gegevens van de subsidieaanvrager van de laatste drie boekjaren voorafgaand aan de subsidieaanvraag.

    • b.

      een business case die bestaat uit;

      • een omschrijving van de te bereiken economische en maatschappelijke doelen;

      • een omschrijving van de wijze waarop de economische en maatschappelijke doelen worden bereikt;

      • een gedetailleerde kosten en baten analyse van een huidig of toekomstig verdienmodel.

      • een omschrijving van het onderscheidend vermogen van het project;

      • een identificatie van behoeften van eindgebruikers;

      • een omschrijving van het marktpotentieel en de time-2-market;

      • een risicoanalyse van het project met bijbehorende beheersmaatregelen.

    • c.

      een eindrapportage over het aanjaagproject indien een deelnemer van het samenwerkingsverband reeds eerder een aanjaagproject heeft uitgevoerd.

  • 3.

    De subsidieaanvrager:

    • a.

      is gevestigd in de provincie Noord-Brabant of heeft een vestiging in de provincie Noord-Brabant die het project uitvoert;

    • b.

      neemt deel in een samenwerkingsverband van ten minste een onafhankelijke andere MKB-onderneming en ten minste twee zorg- of welzijnsinstellingen of ten minste een zorginstelling en ten minste een welzijnsinstelling die gevestigd zijn in de provincie Noord-Brabant of een vestiging hebben in de provincie Noord-Brabant die het project uitvoert;

    • c.

      is penvoerder van het samenwerkingsverband en draagt zorg voor de subsidieaanvraag, de overige correspondentie en de inhoudelijke en financiële projectcoördinatie;

    • d.

      is ten tijde van de indiening van de subsidieaanvraag een MKB-onderneming, waarbij medewerkers in deeltijd naar evenredigheid van de met hen overeengekomen arbeidsduur in aanmerking worden genomen.

  • 4.

    De deelnemers van het samenwerkingsverband leggen in een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst ten minste de volgende onderwerpen vast:

    • a.

      het intellectueel eigendom van de projectresultaten;

    • b.

      de verdeling van de subsidiebedragen met dien verstande dat elke deelnemer maximaal 40% van de door hen gemaakte subsidiabele kosten ontvangt;

    • c.

      de aansprakelijkheid van alle deelnemers;

    • d.

      een schriftelijke machtiging van alle deelnemers aan het samenwerkingsverband voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd door de subsidieaanvrager;

    • e.

      de taken, bevoegdheden, vergaderfrequentie en verdeling van verantwoordelijkheden;

    • f.

      de wijze van samenwerking;

    • g.

      het stemrecht.

  • 5.

    De door elke deelnemer gemaakte subsidiabele kosten in geld, diensten en gekapitaliseerde uren bedraagt minimaal 5% en maximaal 50% van de subsidiabele projectkosten.

  • 6.

    Onverminderd het eerste tot en met het vijfde lid houdt de subsidieaanvrager een presentatie voor de expertgroep waarbij minimaal 30 punten worden gescoord voor het project op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de transitie, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • b.

      de mate van innovativiteit van het project, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • c.

      de mate waarin een duurzame marktintroductie na afronding van het project realistisch wordt geacht, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • d.

      de mate waarin een project zal resulteren in positieve economische resultaten in de provincie Noord-Brabant na afloop van het project, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • e.

      de mate waarin het project inspeelt op de mogelijkheden en wensen van eindgebruikers en het benutten van de patiënt journeys, te waarderen met maximaal 5 punten;

    • f.

      de mate van slagkracht dat blijkt uit de synergie in het samenwerkingsverband, te waarderen met maximaal 5 punten.

Artikel 6 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen de volgende daadwerkelijk gerealiseerde kosten die direct verband houden met realisatie van het project voor subsidiëring in aanmerking:

  • a.

    voorbereidingskosten tot een maximum van € 5.000 per project, mits deze vergoeding het toegestane bedrag van de De-minimisregeling, bedoeld in Verordening (EG) 1998/2006, niet overschrijdt voor die deelnemer van het samenwerkingsverband;

  • b.

    loonkosten van voorbereiding, projectmanagement, procesbegeleiding en projectuitvoering van direct bij het project betrokken personeel van een deelnemer van het samenwerkingsverband:

    • tegen bruto loonkosten plus maximaal 20% overheadkosten, of;

    • tegen een integraal uurtarief, of;

    • tegen een uurtarief van € 35 per uur indien deze kosten niet op grond van artikel 6, onderdeel b, onder 1e en 2e kan worden onderbouwd, of;

    • tegen een uurtarief van € 25 per uur voor vrijwilligers en studenten die betrokken zijn bij het project.

  • c.

    loonkosten van ingehuurde externen voor een marktconform tarief van maximaal € 1.400 inclusief eventuele niet-verrekenbare BTW per dag tot een maximum van 25% van de subsidiabele projectkosten;

  • d.

    kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het project worden gebruikt; indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

  • e.

    kosten van gebouwen en grond, tot maximaal 10% van de subsidiabele projectkosten, voor zover en voor zolang zij voor het project worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte investeringskosten in aanmerking;

  • f.

    kosten van contractonderzoek, technische kennis en octrooien die tegen marktprijzen worden verworven bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, mits de transactie conform het arm's length-beginsel plaatsvond en er geen sprake is van een heimelijke verstandhouding;

  • g.

    extra algemene vaste kosten die rechtstreeks uit het project voortvloeien;

  • h.

    andere exploitatiekosten, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien;

  • i.

    kosten voor communicatie, publiciteit en promotie met een minimum van 5% en een maximum van 10% van de subsidiabele projectkosten;

  • j.

    kosten voor een controleverklaring van een accountant tot een maximum van € 10.000 voor het project.

Artikel 7 Niet subsidiabele kosten

In ieder geval komen kosten van onderdelen van subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 3, waarvoor een deelnemer reeds eerder subsidie heeft ontvangen, niet in aanmerking voor subsidie.

Artikel 8 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1

    Subsidieaanvragen worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.

  • 2

    Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tendertermijn van 24 februari 2011 tot en met 9 mei 2011.

  • 3

    Subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier.

  • 4

    Een subsidieaanvraag bevat ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen.

Artikel 9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de tender van 24 februari 2011 tot en met 31 december 2012 vast op € 2.900.000.

Artikel 10 Subsidiehoogte

  • 1

    De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 500.000 per subsidieaanvraag.

  • 2

    De in het eerste lid genoemde bedrag wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen aan de deelnemer niet meer bedraagt dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan.

Artikel 11 Afwegingscriteria subsidieaanvragen

  • 1

    Indien de binnen de tendertermijn ingediende subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 9, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een afweging tussen die verschillende aanvragen op basis van het aantal punten dat het project heeft gescoord tijdens de presentatie, bedoeld in artikel 5, zesde lid.

  • 2

    Indien aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen op basis van artikel 5, zesde lid, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 12 Subsidieverlening

  • 1

    Gedeputeerde Staten leggen subsidieaanvragen voor advies voor aan de expertgroep.

  • 2

    Gedeputeerde Staten beslissen op de subsidieaanvraag uiterlijk binnen 12 weken na afloop van de tendertermijn, genoemd in artikel 8, tweede lid.

  • 3

    Gedeputeerde Staten kunnen slechts gemotiveerd afwijken van het advies van de expertgroep.

  • 4

    Indien de expertgroep geen advies voor kan leggen aan Gedeputeerde Staten beslissen Gedeputeerde Staten zonder advies van de expertgroep in ieder geval binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1

    Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:

    • a.

      het project is uiterlijk 28 februari 2013 gerealiseerd;

    • b.

      de subsidieontvanger rapporteert over de financiële en inhoudelijke voortgang van het project uiterlijk 31 december 2011 en uiterlijk 30 juni 2012, met gebruikmaking van het door Gedeputeerde Staten daartoe vastgestelde format voor tussenrapportages;

    • c.

      de subsidieontvanger legt wijzigingen in het project voorafgaand schriftelijk ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten voor;

    • d.

      de subsidieontvanger hanteert een projectadministratie die in ieder geval die informatie bevat die nodig is voor een juist inzicht in de besteding van de subsidie;

    • e.

      de subsidieontvanger verstrekt binnen twee weken op verzoek van Gedeputeerde Staten alle inlichtingen die relevant zijn voor de subsidieverlening;

    • f.

      substitutie van vreemd of eigen vermogen vindt niet plaats;

    • g.

      de subsidieontvanger verdeelt de subsidie over de deelnemers waarbij de hoogte van de subsidiebedragen per deelnemer maximaal 40% van de door hen gemaakt subsidiabele kosten bedragen;

    • h.

      de subsidieontvanger toont behoud of toename van werkgelegenheid en arbeidsproductiviteit in de provincie Noord-Brabant aan na afloop van het project;

    • i.

      de subsidieontvanger toont de transitie aan na afloop van het project.

  • 2

    De subsidieontvanger doet terstond mededeling aan Gedeputeerde Staten over alle feiten en omstandigheden, waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij invloed kunnen hebben op de aanspraak op subsidie, waaronder:

    • a.

      verzoeken tot faillissement;

    • b.

      verzoeken tot surseance van betaling;

    • c.

      het aanbieden van enig akkoord aan schuldeisers van de deelnemers;

    • d.

      executoriaal beslag op enige zaak van de deelnemers.

  • 3

    Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen ten aanzien van communicatie en disseminatie opgelegd:

    • a.

      de subsidieontvanger vermeldt bij externe communicatie dat het project gedeeltelijk met financiële steun van de provincie Noord-Brabant wordt of is gerealiseerd en neemt het logo van de provincie Noord-Brabant op;

    • b.

      de subsidieontvanger levert een actieve bijdrage aan de IAB4 programma-activiteiten op het gebied van communicatie en kennisdeling;

    • c.

      de subsidieontvanger presenteert na uitnodiging daartoe de behaalde projectresultaten in het kader van de verspreiding van good practices op provinciale bijeenkomsten;

    • d.

      de subsidieontvanger draagt zorg voor het op internet beschikbaar stellen van de resultaten van het project gedurende een periode van ten minste vijf jaar. Deze informatie mag niet later op het internet worden bekendgemaakt dan de informatie die aan de leden van een specifieke organisatie wordt verstrekt.

Artikel 14 Bevoorschotting en betaling

  • 1

    Bevoorschotting vindt plaats op aanvraag.

  • 2

    Bevoorschotting vindt plaats aan de hand van de liquiditeitenprognose per kwartaal.

  • 3

    Het voorschot bedraagt maximaal 100% van het verleende subsidiebedrag.

  • 4

    Voorschotten worden betaald aan de subsidieontvanger.

Artikel 15 Subsidievaststelling

  • 1

    Binnen uiterlijk vijf maanden na beëindiging van het project wordt door de subsidieontvanger een schriftelijke eindrapportage van het project bij Gedeputeerde Staten ingediend.

  • 2

    De eindrapportage wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten met gebruikmaking van het door Gedeputeerde Staten daartoe vastgestelde format voor eindrapportages.

  • 3

    De eindrapportage gaat vergezeld van een plan van aanpak van de marktintroductie.

  • 4

    Substantiële afwijkingen ten opzichte van de begroting worden in de eindrapportage toegelicht.

Artikel 16 Hardheidsclausule

Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen in deze subsidieregeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van experimentele ontwikkeling, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 17 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 maart 2013.

Artikel 18 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling innovatieve acties Brabant 4 Noord-Brabant 2011-2013.

’s-Hertogenbosch, 22 februari 2011

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter  prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris drs. W.G.H.M. Rutten

 

Algemeen De provincie Noord-Brabant werkt aan een duurzame en slimme economie waarin maatschappelijke vraagstukken op inventieve wijze worden opgelost, met behulp van de innovatiekracht van het Brabantse bedrijfsleven. Een belangrijk maatschappelijk vraagstuk waar de provincie in de komende decennia voor staat, is de toenemende druk op de gezondheidszorg.

Kenmerkende trends zijn: 1. Een groeiende zorgvraag door toename van het aantal chronische aandoeningen en door vergrijzing van de bevolking; 2. Een zorgvraag die zich steeds meer ontwikkelt naar langere zelfstandigheid van de zorgconsument; en 3. Een toename van arbeidstekorten en stijgende kosten in de zorg.

Deze trends zijn landelijk, maar zeker ook in Noord-Brabant zichtbaar. De wens van burgers om meer regie te hebben over het eigen leven (met een verschuiving van de tweede- naar eerste- naar nuldelijnszorg) is hierbij een uitdaging.

Deze transitie biedt nieuwe marktkansen voor bedrijven, want juist bedrijven spelen een sleutelrol in de ontwikkeling, het testen en marktrijp maken van innovatieve, vraaggestuurde producten, processen en diensten.

Het IAB-4 programma wil hieraan een bijdrage leveren door economische en maatschappelijke organisaties rondom zorg en welzijn bij elkaar te brengen in uitvoeringsprojecten. IAB-4 focust daarbij op de ontwikkeling, het testen en marktrijp maken van innovatieve vraaggestuurde producten, diensten en processen voor de in Brabant steeds meer voorkomende chronische aandoeningen COPD, dementie en diabetes. Hiertoe is de Subsidieregeling innovatieve acties Brabant 4 Noord-Brabant 2011-2012 ontwikkeld. De Subsidieregeling voldoet aan de staatssteunregels van artikel 107 VWEU en valt onder de Omnibus Decentraal Regeling, module 1 (Onderzoek & Ontwikkeling projecten, experimentele ontwikkeling met samenwerking).

De provincie streeft naar een gelijkmatige en evenwichtige verdeling van de uitvoeringsprojecten over de drie chronische aandoeningen en de vier thema's zoals genoemd in artikel 5 lid 1 onder b.

Artikelsgewijs

Artikel 1 Begripsbepalingen Ten aanzien van het bepaalde onder d merken we het volgende op: COPD is een chronische vernauwing van de luchtwegen die de ademhaling beperkt, permanent is en grotendeels onomkeerbaar is. COPD omvat chronische bronchitis en emfyseem. Chronische bronchitis is een chronische ontsteking van het slijmvlies door langdurige blootstelling aan bepaalde prikkelende stoffen. Bij emfyseem is sprake van rek uit de longen en verlies van longweefsel.

Ten aanzien van het bepaalde onder f merken we het volgende op: Experimentele ontwikkeling omvat het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden voor plannen, schema's of ontwerpen van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, procédés of diensten. Hieronder kan tevens de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve producten, procédés of diensten worden verstaan. Deze activiteiten kunnen tevens het maken van ontwerpen, tekeningen, plannen en andere documentatie omvatten, mits zij niet voor commercieel gebruik zijn bestemd. De ontwikkeling van commercieel bruikbare prototypes en proefprojecten valt eveneens onder experimentele ontwikkeling indien het prototype het commerciële eindproduct is en de productie ervan te duur is om alleen voor demonstratie- en validatie doeleinden te worden gebruikt. Bij commercieel gebruik van demonstratie- of proefprojecten worden eventuele inkomsten die hieruit voortvloeien, op de in aanmerking komende kosten in mindering gebracht. De kosten van de experimentele ontwikkeling en het testen van producten, procédés en diensten komen eveneens in aanmerking, voor zover deze niet voor industriële toepassing of commerciële exploitatie kunnen worden gebruikt of geschikt gemaakt. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan de routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten of afgeleiden daarvan, zelfs niet indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden.

Ten aanzien van het bepaalde onder k merken we het volgende op: De patient journeys staan op de website www.innovatieveactiesbrabant.nl of kunnen worden opgevraagd bij het IAB-4 programmamanagement.

Artikel 4 Weigeringsgronden Ten aanzien van het bepaalde onder a merken we het volgende op: De startdatum van het project is de datum die in het aanvraagformulier is vermeld als aanvang van het project. De startdatum van het project kan nooit gelegen zijn vóór de indieningsdatum van de subsidieaanvraag. Vanaf de indieningsdatum mogen aanvragers (en deelnemers) voor eigen rekening en risico van start gaan met de uitvoering van het project. Voorbereidingskosten om te komen tot (louter) de aanvraag mogen wél voor aanvang van de startdatum van het project worden gemaakt.

Artikel 5 Subsidievereisten De subsidievereisten zijn van toepassing op het project. Een project dient aan alle vereisten in de leden 1 tot en met 6 te voldoen. Belangrijk daarbij is dat de ambitie is gelegen in het selecteren van hoogwaardige projecten. Innovatie is een belangrijk kernbegrip. Onder innovativiteit wordt verstaan de mate waarin de beoogde ontwikkeling nieuw is voor Nederland, waarbij de mate van innovativiteit met name zal worden bepaald aan de hand van de aan het project ten grondslag liggende visie en business case.

Ten aanzien van het bepaalde onder artikel 5, eerste lid, onder j merken we het volgende op: De einddatum van het project is de datum die is vastgelegd in het aanvraagformulier als einde van het project. Kosten die worden gemaakt na deze einddatum komen niet voor subsidie in aanmerking en kunnen bijgevolg niet gedeclareerd worden, ook achteraf niet. De vaststelling van de subsidie kan ingevolge de Algemene wet bestuursrecht niet hoger zijn dan het in de verleningsbeschikking bepaalde bedrag. Een uitstel van einddatum is wel mogelijk, mits hiervoor een beargumenteerde verzoek wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten en zij dit verzoek positief hebben beantwoord. De einddatum van een project kan echter nooit ná 31 december 2012 liggen.

Ten aanzien van het bepaalde onder artikel 5, zesde lid merken we het volgende op: Onverminderd de vereisten zoals die in de leden 1 tot en met 5, gelden is in het zesde lid invulling gegeven aan de bestuurlijke behoefte om hoogwaardige projecten te kunnen selecteren. De wijze waarop die selectie plaatsvindt, is vormgegeven door een expertgroep enerzijds te laten oordelen over de objectieve vereisten in de leden 1 tot en met 5 en de expertgroep tevens te laten oordelen over een door aanvrager te houden presentatie en de beantwoording van eventuele vragen vanuit de expertgroep door de aanvrager. Het project wat door aanvrager gepresenteerd wordt, kan punten scoren op de in lid 6 genoemde items/onderwerpen. Hoe hoger de score, hoe hoger de ‘ranking’. De intentie is dat dit een stimulerend effect zal hebben op zowel de aanvrager als de deelnemers om te komen tot een project wat hét verschil kan maken. Kwaliteit staat dus hoog in het vaandel.

Artikel 6 Subsidiabele kosten Ten aanzien van het bepaalde onder a merken we het volgende op: Het toegestane bedrag van de De-minimis-verordening bedraagt maximaal € 200.000 per deelnemer van het samenwerkingsverband. In de De-minimis-verordening heeft de Europese Commissie verklaard dat de steunmaatregelen tot een bepaalde drempel het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloeden en de mededinging niet vervalsen en daarom niet beschouwd worden als staatsteun in de zin van het VWEU. Het bedrag van € 200.000 geldt per onderneming gedurende de periode van drie belastingjaren. Steun onder deze drempel behoeft niet te worden aangemeld. In deze subsidieregeling is ervoor gekozen om bij de subsidietoekenning dit bedrag niet te overschrijden. Het kan echter in de praktijk voorkomen dat een door ons begunstigde onderneming in de afgelopen drie jaar al eens subsidie of een andere vorm van steun van een overheidsorgaan heeft ontvangen. Dit moet blijken uit de “Verklaring De-minimissteun,” als bijlage per deelnemer die voorbereidingskosten maakt, aan te leveren bij het aanvraagformulier. Indien de te verlenen subsidie tezamen met de reeds ontvangen steun het bedrag van € 200.000 overschrijdt, zal in dat specifieke geval de onderhavige subsidieverlening aangemeld moeten worden bij de Europese Commissie.

Ten aanzien van het bepaalde onder b merken we het volgende op: Slechts de gedeclareerde uren van personeel dat direct betrokken is bij de uitvoering van het project worden subsidiabel geacht, waarbij de subsidie wordt vastgesteld op basis van daadwerkelijk verrichte uitgaven (werkelijke loonkosten). Wanneer een (semi)publieke instelling gelijktijdig optreedt als deelnemer in een project moeten de uit te voeren activiteiten duidelijk additioneel zijn ten opzichte van de reguliere activiteiten.

Artikel 7 Niet subsidiabele kosten Voorbeelden van andere niet-subsidiabele kosten zijn kosten voor reguliere bedrijfsvoering, rentekosten, financiële sancties en gerechtskosten, kosten voor beheer en onderhoud, algemene bestuurslasten, investeringskosten in kantoorapparatuur waaronder kosten voor standaard computers en randapparatuur en kosten die reeds uit een andere financieringsbron in aanmerking komen voor financiering. De opsomming is niet limitatief.

Artikel 8 Vereisten subsidieaanvraag Ten aanzien van het eerste lid merken we het volgende op: De subsidieaanvraag wordt bij Gedeputeerde Staten ingediend via het IAB-4 programmamanagement, per post en bij voorkeur ook via het e-mailadres van het IAB-4 programmamanagement: IAB4@bom.nl. Het format van het aanvraagformulier staat op de IAB-4 website www.innovatieveactiesbrabant.nl. Op het format staat eveneens het postadres vermeld.

Ten aanzien van het tweede lid merken we het volgende op: In deze regeling wordt gebruik gemaakt van een tendersystematiek: met het oog op het subsidieplafond worden de subsidieaanvragen gebundeld in behandeling genomen.

Het is begrijpelijk dat de aanvraag compleet moet zijn om een goede beoordeling te kunnen maken. De vereiste formulieren (bijvoorbeeld het aanvraagformulier, een samenwerkingsovereenkomst of – indien van toepassing volgens Europese wet- en regelgeving – een De-minimisverklaring) dienen juist en overzichtelijk te worden ingevuld. Het zijn immers dé documenten waarover de expertgroep zich zal buigen ter finale beoordeling van de aanvraag als geheel.

Artikel 10 Subsidiehoogte Ten aanzien van het tweede lid merken we het volgende op: Maximaal 40% van de subsidiabele kosten per deelnemer zijn subsidiabel. Als cofinanciering wordt aangemerkt de middelen die door de deelnemers worden ingezet ten behoeve van de verwezenlijking van het project. Deze cofinanciering kan zowel de vorm hebben van een bijdrage in geld, diensten als van gekapitaliseerde ureninzet. De ureninzet heeft betrekking op de loonkosten van werknemers van de deelnemers die direct toe te rekenen zijn aan het project.

Artikel 12 Expertgroep Ten aanzien van het eerste lid merken we het volgende op: Op het moment dat Gedeputeerde Staten via het IAB-4 programmamanagement de door alle deelnemers ondertekende subsidieaanvraag met alle bijlagen hebben ontvangen, verklaart het programmamanagement de subsidieaanvraag ontvankelijk. De expertgroep toetst vervolgens of de subsidieaanvraag in formele zin aan alle voorwaarden voldoet (toets op de subsidievereisten) op basis van de ingediende aanvraag, de door de subsidieaanvrager gehouden presentatie en de beantwoording van eventuele vragen vanuit de expertgroep door de subsidieaanvrager. Een project dient hierbij minimaal 30 punten te behalen. Indien de binnen de tendertermijn ingediende subsidieaanvragen, die minimaal 30 punten scoren, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een afweging tussen die verschillende aanvragen op basis van het aantal punten dat het project heeft gescoord (zie artikel 11). Indien aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 13 Verplichtingen van de subsidieontvanger Ten aanzien van het eerste lid onder b merken we het volgende op: De tussentijdse rapportage wordt bij Gedeputeerde Staten ingediend via het IAB-4 programmamanagement, per post en bij voorkeur ook digitaal via het e-mailadres van het IAB-4 programmamanagement: IAB4@bom.nl. Het format van de tussentijdse rapportage staat op de IAB-4 website www.innovatieveactiesbrabant.nl. Op het format staat eveneens het postadres vermeld.

Ten aanzien van het eerste lid onder d merken we het volgende op: Op grond van de Algemene Subsidie Verordening dient de subsidieontvanger de projectadministratie zeven jaar te bewaren na het verstrijken van de looptijd van de subsidie, tenzij in de subsidiebeschikking anders is bepaald.

Ten aanzien van het derde lid onder a merken we het volgende op: De subsidieontvanger is zelf, inhoudelijk en financieel, verantwoordelijk voor de inzet van communicatie als (marketing-)instrument. In en op alle schriftelijke, digitale en mondelinge communicatie-uitingen rond het project wordt kenbaar gemaakt dat het project mede tot stand is gekomen dankzij de financiële steun van de provincie Noord-Brabant via Innovatieve Acties Brabant 4 en wordt het logo van de provincie Noord-Brabant vermeld.

Ten aanzien van het derde lid onder d merken we het volgende op: Het beschikbaar stellen van informatie op het internet heeft tot doel om speculatie met voorkennis te voorkomen.

Artikel 15 Subsidievaststelling Ten aanzien van het eerste lid merken we het volgende op: De eindrapportage wordt bij Gedeputeerde Staten ingediend via het IAB-4 programmamanagement, per post en bij voorkeur ook digitaal via het e-mailadres van het IAB-4 programmamanagement: IAB4@bom.nl. Het format van de eindrapportage staat op de IAB-4 website www.innovatieveactiesbrabant.nl. Op het format staat eveneens het postadres vermeld.

Ten aanzien van het tweede lid merken we het volgende op: Het format voor eindrapportages bevat onder andere een inhoudelijk en financieel verslag. Het financieel verslag dient de realisatie van uitgaven én inkomsten te bevatten.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter de secretaris

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk drs. W.G.H.M. Rutten

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingSubsidieregeling innovatieve acties Brabant 4 Noord-Brabant 2011-2013
CiteertitelSubsidieregeling innovatieve acties Brabant 4 Noord-Brabant 2011-2013
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpinnovatie, sociaal-economische zaken, subsidies, zorg en welzijn, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

De regeling bevatte als einddatum: 1 maart 2013. Daarnaast is deze regeling opgenomen in het Intrekkingsbesluit 26 subsidieregelingen ASV tweede tranche.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Verordening (EG) nr. 800/2008
  2. Provinciewet, art. 105
  3. Provinciewet, art. 143
  4. Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant, art. 2
  5. Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant, art. 15

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-03-201301-03-2013Intrekking

09-10-2012

Provinciaal Blad, 2013, 21

S0259574
11-10-201201-03-2013art.5,13,17,18

09-10-2012

Provinciaal Blad, 2012, 258

S3280478
24-02-201111-10-2012nieuwe regeling

22-02-2011

Provinciaal Blad, 2011, 55

55/11