• Geldig sinds 09 december 2010.
    Geldig tot 01 januari 2017.

    Print deze versie:

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregel stikstof en beschermde natuurmonumenten Noord-Brabant

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Gelet op artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant;

Overwegende dat op 31 maart 2010 de Crisis- en Herstelwet in werking is getreden, die door middel van een wijziging van artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 het strenge, op het voorzorgbeginsel gestoelde regime van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn voor beschermde natuurmonumenten vervangt door een regime dat overeenkomt met het oude regime dat gold op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet-oud;

Overwegende dat Provinciale Staten op 9 juli 2010 de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant hebben vastgesteld, welke regels stelt voor de N-depositie van veehouderijen op Natura 2000-gebieden;

Besluiten vast te stellen de volgende beleidsregel:

Artikel 1 Begripsbepalingen

 

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • *

    bedrijf: inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bestemd voor het fokken, mesten en houden van dieren;

  • *

    beschermd natuurmonument: een in Noord-Brabant liggend gebied dat door de Minister is aangewezen op grond van artikel 10, lid 1, van de Natuurbeschermingswet 1998.

  • *

    de depositiebank: het registratiesysteem met betrekking tot de afname van de N-depositie van veehouderijbedrijven, voor zover deze afname beschikbaar is voor saldering;

  • *

    N-depositie: neerslag van stikstofverbindingen uit de atmosfeer op een beschermd natuurmonument, waarbij de belasting op een punt binnen het gebied uitgedrukt wordt in mol N/ha/jaar en de belasting op het gebied als geheel in mol N/jaar;

  • *

    salderen: vereffenen van een door een bedrijf veroorzaakte toename van de N-depositie (in mol N/jaar) op een beschermd natuurmonument met de afname van de N-depositie op hetzelfde beschermd natuurmonument als gevolg van het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de bedrijfsvoering door een of meer andere bedrijven;

  • *

    de Verordening: de laatste versie van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant (waarvan de eerste versie op 15 juli 2010 in werking is getreden).

Artikel 2 Toepassingsbereik

De artikelen 3 t/m 14 van deze beleidsregel gelden niet voor zover de achtergronddepositie op het beschermd natuurmonument, inclusief de N-depositie op dat gebied van de beoogde situatie van de inrichting, lager is dan de meest kritische depositiewaarde van de beschermde vegetatietypen binnen het natuurmonument. In dat geval heeft de N-depositie van de handeling immers geen schadelijk gevolgen voor de waarden van het beschermd natuurmonument.

Artikel 3 Referentiesituatie

  • 1

    De referentiesituatie die geldt voor de toetsing of er voor wat betreft de N-depositie sprake is van een schadelijke handeling als bedoeld in artikel 16, lid 1, van de Natuurbeschermingswet 1998, komt overeen met:

    • a.

      de laatst verleende vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet;

    • b.

      de situatie overeenkomstig de op 7 december 2004 geldende vergunning krachtens de Wet milieubeheer of Hinderwet, of melding krachtens een AMvB op basis van de Wet milieubeheer of de Hinderwet, indien een vergunning als bedoeld in lid 1, onder a, ontbreekt.

  • 2

    Indien er na 7 december 2004 een expliciete intrekking van (een deel van) de vergunning krachtens de Wet milieubeheer of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of (een deel van) de melding krachtens een AMvB op basis van de Wet milieubeheer of de Hinderwet heeft plaatsgevonden, dan geldt de situatie na de intrekking als referentiesituatie als bedoeld in lid 1.

Artikel 4 Effectbepaling

  • 1

    Voor zover de verandering van een bedrijf een toename van N-depositie op het beschermd natuurmonument tot gevolg heeft van minder dan 0,051 mol N/ha/jaar ten opzichte van de referentiesituatie als bedoeld in artikel 3, achten Gedeputeerde Staten dat er voor wat betreft de effecten van N-depositie geen sprake is van een handeling die schadelijk is voor het beschermd natuurmonument, voor zover het gaat over de N-depositie.

  • 2

    Indien de maximale N-depositie van de beoogde situatie van het betrokken bedrijf op het dichtstbijzijnde punt van een beschermd natuurmonument (na afronding) ten hoogste 0,1 mol N/ha/jaar bedraagt, achten Gedeputeerde Staten dat er geen sprake is van een handeling die schadelijk is voor het beschermd natuurmonument, voor zover het gaat over de N-depositie.

  • 3

    Voor de gevallen als bedoeld in lid 1 en 2, gelden de bepalingen van artikel 5 t/m 14 van deze beleidsregel niet.

Artikel 5 Inrichting depositiebank

  • 1

    In aanvulling op de depositiebank voor Natura 2000-gebieden als bedoeld in artikel 12 van de Verordening, onderhouden Gedeputeerde Staten een depositiebank voor beschermde natuurmonumenten.

  • 2

    De depositiebank als bedoeld in lid 1 wordt gevuld met de vervallen N-deposities op beschermde natuurmonumenten van bedrijven die na 7 december 2004 hun bedrijfsvoering (gedeeltelijk) beëindigd hebben en waarvan de vergunning krachtens de Wet milieubeheer of de Hinderwet, dan wel de melding in het kader van een AMvB op basis van de Wet milieubeheer of de Hinderwet, is ingetrokken of vervallen, voorzover deze nog niet eerder gebruikt zijn voor een saldering.

Artikel 6 Onderverdeling depositiebank

De in de depositiebank voor beschermde natuurmonumenten opgenomen N-deposities van gestopte of gekrompen bedrijven die 5,0 mol N/ha/jaar of meer bedragen, worden opgenomen in een deelregistratie, de depositiebank voor beschermde natuurmonumenten B.

Artikel 7 Categorie-indeling van bedrijven

Op basis van de door de initiatiefnemer, onderscheidenlijk door de drijver van de betrokken inrichting beoogde situatie worden bedrijven al naar gelang hun maximale N-depositie op een beschermd natuurmonument ingedeeld in de volgende categorieën:

  • a.

    Bedrijven met een N-depositie van 5,0 mol N/ha/jaar of minder;

  • b.

    Bedrijven met een N-depositie boven 5,0, maar niet meer dan 50,0 mol N/ha/jaar;

  • c.

    Bedrijven met een N-depositie boven 50,0 mol N/ha/jaar.

Artikel 8 Verzoek tot saldering

Bedrijven als bedoeld in artikel 7, onder a en b, kunnen tegelijkertijd met het aanvragen van een vergunning als bedoeld in artikel 16 Natuurbeschermingswet 1998, aan Gedeputeerde Staten een verzoek doen om de N-depositie van de beoogde situatie op een of meer beschermde natuurmonument(en) door middel van de depositiebank te salderen, voor zover die N-depositie 0,051 mol N/ha/jaar of meer hoger is dan de N-depositie in de referentiesituatie als bedoeld in artikel 3.

Artikel 9 Volgorde verzoeken om saldering

  • 1

    GS handelen volledige verzoeken om saldering af in de volgorde waarin zij deze ontvangen.

  • 2

    GS kunnen van het eerste lid afwijken als zij achten dat de redelijkheid dit eist. Dit zal met name het geval zijn als een verzoek om saldering niet ingewilligd kan worden en deze daardoor andere (kleinere) verzoeken om saldering tegenhoudt.

Artikel 10 Salderingsgrondslag

Saldering vindt plaats op basis van de totale toename van de aan het bedrijf toe te rekenen N-depositie op het beschermd natuurmonument, vergeleken met de referentiesituatie als bedoeld in artikel 3, uitdrukt in mol N/jaar, voor zover de toename 0,051 mol N/ha/jaar of meer is.

Artikel 11 Saldering uitsluitend via depositiebank

Saldering vindt uitsluitend plaats met de N-deposities die opgenomen zijn in de depositiebank als bedoeld in artikel 5.

Artikel 12 Uitzondering bij bedrijfsconcentratie

In afwijking van artikel 11 komt bij integrale verplaatsing of hervestiging van een bedrijf, dan wel het ruimtelijk concentreren van een bedrijf met meerdere vestigingslocaties die ten minste vier jaar deel uitmaken van het bedrijf, de N-depositie van de verlaten of opgeheven locaties ten goede aan de geconcentreerde vestiging, voor zover deze N-depositie kan bijdragen aan de saldering.

Artikel 13 Beperking depositiebank bij categorie B

Indien gesaldeerd wordt ten behoeve van een bedrijf uit de categorie B, bedoeld in artikel 7, kan uitsluitend gebruik gemaakt worden van de depositieruimte in de depositiebank B, bedoeld in artikel 6.

Artikel 14 Salderen

Indien de depositiebank voldoende saldi bevat, voeren Gedeputeerde Staten de saldering naar aanleiding van het verzoek als bedoeld in artikel 8 uit. In het geval van een dergelijke saldering, achten Gedeputeerde Staten dat er geen sprake is van een handeling die schadelijk is voor het beschermd natuurmonument.

Artikel 15 Bekendmaking en inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 16 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als Beleidsregel stikstof en beschermde natuurmonumenten Noord-Brabant.

’s-Hertogenbosch, 7 december 2010

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter de secretaris

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk drs. W.G.H.M. Rutten

Artikelsgewijze toelichting bij de Beleidsregel stikstof en beschermde natuurmonumenten Noord-Brabant

Algemeen

De Beleidsregel stikstof en beschermde natuurmonumenten Noord-Brabant geeft invulling aan de bevoegdheid die Gedeputeerde Staten hebben om op grond van artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 vergunningen te verlenen voor handelingen die schadelijk kunnen zijn voor één of meerdere beschermd(e) natuurmonument(en). Deze beleidsregel geeft weer op welke manier Gedeputeerde Staten met deze bevoegdheid omgaan waar het gaat om de invloed van N-depositie afkomstig van veehouderijen op de beschermde natuurmonumenten.

In deze beleidsregel is zoveel mogelijk aangesloten op de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant (hierna: de Verordening), die op 9 juli 2010 door Provinciale Staten is vastgesteld en op 15 juli 2010 in werking is getreden. Deze Verordening heeft een nieuw regime geïntroduceerd voor het omgaan met de N-depositie van veehouderijen op Natura 2000-gebieden. De beleidsregel stelt geen andersoortige eisen aan bedrijven dan de Verordening.

In zijn algemeenheid geldt dat beschermde natuurmonumenten (indirect) ook zullen profiteren van de Verordening. Omdat de Verordening aan veehouderijen de eis stelt dat nieuwe stallen met behulp van de laatste emissiereducerende technieken worden gebouwd en de eis stelt dat deze bedrijven in 2028 gemiddeld aan BBT++ voldoen, zal de algehele ammoniakemissie van veehouderijen afnemen. Dit zorgt ook voor minder N-depositie op de beschermde natuurmonumenten.

Om ook in voorkomende individuele gevallen te kunnen verzekeren dat er geen schadelijke effecten zijn als gevolg van een lokale toename van de N-depositie, beschrijft deze beleidsregel op welke wijze dit wordt gewaarborgd. Daarbij is rekening gehouden met het verschil tussen het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden en voor de beschermde natuurmonumenten. Met de inwerkingtreding van de Crisis- en Herstelwet is namelijk artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 gewijzigd. Met deze wijziging is het strenge, op het voorzorgbeginsel gestoelde regime van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn voor beschermde natuurmonumenten vervangen door een regime dat overeenkomt met het oude regime dat gold op grond van artikel 12 van de oude Natuurbeschermingswet (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3 (MvT) p. 68). Dit betekent dat Gedeputeerde Staten bij het verlenen van vergunningen als bedoeld in artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 een afweging moeten maken tussen enerzijds de natuurbelangen die spelen bij het beschermen van het beschermd natuurmonument, en anderzijds andere belangen.

Bij Natura 2000-gebieden is die ruimte voor belangenafweging er in veel mindere mate. In het geval van deze beleidsregel kunnen en moeten de economische belangen van de veehouderijen dus zwaarder wegen dan bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit heeft zijn uitwerking gevonden in de beleidsregel: deze sluit wel aan op de Verordening, maar is minder streng.

Artikel 1

Voor de begripsbepalingen is zoveel mogelijk aangesloten op de Verordening.

N-depositie

De hoeveelheid neergeslagen stikstof (N)-verbindingen kan op verschillende manieren uitgedrukt worden: in kg N-houdende verbinding, dan wel in kg of mol N. Voor het milieueffect is niet de hoeveelheid van de verbinding bepalend, maar de hoeveelheid stikstof. De enige eenheid, die op dit punt direct een vergelijking mogelijk maakt tussen de verschillende N-verbindingen is de mol N (= de hoeveelheid van een verbinding, die 14 g stikstof bevat: bij ammoniak is dat 17 g; bij stikstofdioxide 46 g en bij lachgas 22 g). Met het oog op die vergelijkbaarheid op effectniveau wordt in deze regeling de mol N als eenheidsmaat gebruikt.

Artikel 2

In Noord-Brabant zijn de volgende beschermde natuurmonumenten te vinden: Dommelbeemden, Eendennest, Hildsven, De Kavelen, Kooibosje Terheijden en Zwartven. Voor deze gebieden heeft Alterra in 2008 in opdracht van de provincie de meest kritische depositiewaarden van de beschermde vegetatietypen binnen de natuurmonumenten berekend. Dit heeft Alterra op dezelfde manier gedaan als Alterra dat heeft gedaan voor alle Natura 2000-gebieden in Nederland (H.F. van Dobben & A. van Hinsberg, Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en Natura 2000-gebieden (Alterra-rapport 1654), Wageningen: Alterra 2008). De meest kritische depositiewaarden van de gebieden zijn de volgende:

Gebied

Kritische depositiewaarde

(mol N/ha/jaar)

Dommelbeemden

714

Eendennest

500

Hildsven

786

De Kavelen

1643

Kooibosje Terheijden

1500

Zwartven

714

Als de achtergronddepositie en de beoogde situatie van de veehouderij samen de kritische depositiewaarde niet overschrijden, dan heeft de N-depositie geen schadelijk gevolgen voor het beschermd natuurmonument.

Artikel 3

Zoals eerder vermeld, willen wij met deze beleidsregel zoveel mogelijk aansluiten bij de Verordening. De Verordening neemt in artikel 22 als referentiesituatie 7 december 2004. Dit is voor Natura 2000-gebieden vastgelegd in artikel 19kd van de Natuurbeschermingswet 1998. Dat artikel houdt in dat als de N-depositie op een Natura 2000-gebied niet toeneemt ten opzichte van de referentiedatum 7 december 2004 (het moment waarop de Habitatrichtlijngebieden Europeesrechtelijke bescherming kregen), de gevolgen van de N-depositie niet betrokken worden bij het verlenen van een vergunning voor het effect op het Natura 2000-gebied.

Vanuit de N-depositie op beschermde natuurmonumenten is 2004 als referentiejaar ook een logische datum. Uit cijfers van het Planbureau voor de Leefomgeving (zie tabel 1 en figuur 1) blijkt immers dat de ammoniakdepositie in 2004 op zijn laagst was. Voor die tijd was de ammoniakdepositie veel hoger en is deze gedaald, totdat de depositie in 2005 stagneerde (zelfs iets steeg). Daarmee is het ook wenselijk om 2004 als referentiedatum te nemen: op deze manier wordt er voor gezorgd dat er, sinds de beschermde status van de beschermde natuurmonumenten, een afname is van N-depositie. Vanuit het natuurbelang van het beschermd natuurmonument is het wenselijk dat de ammoniakdepositie afneemt zolang de kritische depositiewaarde overschreden wordt.

 

Gereduceerd stikstof (NHx)

In mol stikstof/ha[G1]

1981

2130

1982

2200

1983

2370

1984

2190

1985

2190

1986

2210

1987

2080

1988

2540

1989

2270

1990

2380

1991

2320

1992

2380

1993

2290

1994

2280

1995

2000

1996

1690

1997

1890

1998

1900

1999

1910

2000

1770

Voor figuur 1: vermestende depositie in Nederland, PBL 2008, download Provinciaal Blad 2010, 239.pdf

2001

1640

2002

1490

2003

1510

2004

1430

2005

1480

2006

1580

2007

1560

Tabel 1: De trend in verzurende/vermestende depositie in Nederland, PBL 2008 (referentiecode PBL/MNC/okt08/0184)

Vanuit het natuurbelang en de koppeling met de Verordening, kiezen Gedeputeerde Staten er daarom voor als referentiesituatie de datum 7 december 2004 als leidend te gebruiken, tenzij het bedrijf al een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 heeft en/of (een gedeelte van) de vergunning krachtens de Wet milieubeheer of een melding krachtens een AMvB op basis van de Wet milieubeheer expliciet is ingetrokken. Deze intrekking is dan immers in de depositiebank terecht gekomen (zie artikel 5).

Artikel 4

Om het effect op het beschermd natuurmonument te beoordelen, wordt de beoogde situatie vergeleken met de referentiesituatie als bedoeld in artikel 3. Daarbij wordt de vergelijking tussen die twee afgerond op één decimaal. Dat betekent dat als de N-depositie in de beoogde situatie een berekende toename van minder dan 0,051 mol N/ha/jaar blijkt te vertonen ten opzichte van de referentiesituatie, dit naar beneden wordt afgerond en er dus geen sprake is van een handeling die schadelijk is voor de beschermde waarden van het natuurmonument.

Artikel 5

De verantwoordelijkheid voor het instellen en onderhouden van de depositiebank voor beschermde natuurmonumenten ligt, net als bij de depositiebank voor Natura 2000-gebieden, bij Gedeputeerde Staten. Dit sluit overigens geenszins uit, dat Gedeputeerde Staten ervoor kan kiezen de feitelijke uitvoering buiten de provinciale organisatie te plaatsen.

De depositiebank voor beschermde natuurmonumenten wordt op eenzelfde manier ingericht als de depositiebank voor Natura 2000-gebieden. Ook hierbij wordt, zoals eerder opgemerkt, uitgegaan van de situatie op 7 december 2004 (zie de uitleg bij artikel 3). Het uitgangspunt is de bestaande emissie, zoals die volgt uit de vergunningen krachtens de Wet milieubeheer of Hinderwet, en meldingen krachtens een AMvB op basis van de Wet milieubeheer of de Hinderwet van 7 december 2004. Naarmate de bank meer gevuld raakt, weerspiegelt de inhoud de afname van de gebruikte/toegestane emissies (en dus ook de N-deposities) na de peildatum.

Het beschikbaar stellen van depositieruimte uit de bank in het kader van een saldering betekent dan ook een herverdeling van reeds eerder opgetreden N-deposities en geen depositietoename boven het uitgangsniveau op de peildatum 7 december 2004. Zo lang er nog emissie/deposities in de bank geregistreerd zijn, blijft er sprake van een afname van het totaal (dus een verbetering), waarbij ook op lokaal niveau bewaakt wordt, dat er geen toename optreedt.

Artikel 6

De depositiebank voor beschermde natuurmonumenten B wordt als afzonderlijke administratieve eenheid binnen de depositiebank voor beschermde natuurmonumenten aangehouden om ervoor te zorgen, dat de grotere depositietoenames (dus de in verhouding grotere en/of dichter bij het beschermde natuurmonument gelegen bedrijven) – vooral – gesaldeerd worden met bijdragen van de grotere en/of dichtbij gelegen stoppende bedrijven. Dit heeft als doel bedrijven die om een kleinere saldering verzoeken, minder snel beperkt te laten worden door bedrijven die een verzoek doen voor een grotere saldering.

Artikel 7

Deze categorie-indeling is vrijwel dezelfde als die in de Verordening te vinden is (zie artikel 17 van de Verordening). Het verschil is dat er in deze beleidsregel geen onderscheid wordt gemaakt tussen de bedrijven met een N-depositie van meer dan 200,0 mol N/ha/jaar en bedrijven met een N-depositie vanaf 50,0 mol N/ha/jaar tot en met 200,0 mol N/ha/jaar. Dit onderscheid is voor de beleidsregel niet nodig.

Overigens staat voor concrete gevallen de categorie-indeling los van de indeling vanuit de Verordening. Een bedrijf kan bijvoorbeeld voor de Verordening een categorie B-bedrijf zijn (als deze een maximale N-depositie op voor stikstof gevoelige habitats binnen een Natura 2000-gebied heeft van meer dan 5,0 mol N ha/jaar, maar minder dan 50,0 mol N/ha/jaar) en tegelijkertijd voor de beleidsregel een categorie A-bedrijf (een maximale N-depositie van 5,0 mol N/ha/jaar op een beschermd natuurmonument). Andersom is uiteraard ook mogelijk.

Artikel 8

Als er sprake is van een situatie waarin er een toename van N-depositie is op een beschermd natuurmonument, kan de initiatiefnemer een verzoek doen om het effect op het beschermd natuurmonument te salderen. Daarbij wordt opgemerkt dat GS een effect op een beschermd natuurmonument boven 50,0 mol N ha/jaar niet salderen, omdat dergelijke saldering teveel zou vragen van de depositiebank en ten koste zou gaan van kleinere verzoeken om salderen.

Artikel 9

De verzoeken om saldering worden door GS behandeld vanuit het principe ‘wie het eerst komt, die het eerst maalt’. Dit kan echter tot onredelijke situaties leiden. Daarbij moet met name worden gedacht aan een verzoek om saldering die zo groot moet zijn, dat het verzoek andere (kleinere) verzoeken om saldering tegenhoudt. In dergelijke gevallen kunnen GS van de gebruikelijke volgorde afwijken.

Artikel 10

Voor de saldering wordt gekeken naar de toename van N-depositie op het beschermd natuurmonument in de beoogde situatie, vergeleken met de referentiesituatie van artikel 3. Ook hiervoor geldt dat daar waar de N-depositie in de beoogde situatie een berekende toename van minder dan 0,051 mol N/ha/jaar blijkt te vertonen ten opzichte van de referentiesituatie, dit op één decimaal naar beneden wordt afgerond en er dus geen sprake is van een effect.

Artikel 11

Het salderingssysteem via de depositiebank heeft meerdere doelen, waaronder het doel om de ontwikkeling van de N-deposities bij te houden. Een vrije handel in ‘emissierechten’ is daarbij ongewenst (en vanuit de Verordening onmogelijk), omdat dat de mogelijkheid inhoudt, dat partijen deze rechten niet gebruiken, maar reserveren. Daardoor gaat het zicht op de werkelijke situatie verloren. Uitgifte van depositierechten via de depositiebank zorgt tevens voor een kostenbesparing voor de uitbreidende bedrijven. Deze kostenbesparing kan worden ingezet voor extra emissiearme technieken.

Artikel 12

De uitzondering op het salderingssysteem maakt het mogelijk dat bedrijven met meerdere vestigingen zich concentreren op één, of een beperkter aantal locaties, die gunstiger liggen ten opzichte van de beschermde natuurmonumenten, zonder dat een beroep gedaan wordt op de depositiebank. Om te voorkomen, dat dit alsnog aanleiding geeft tot een handel in ‘emissierechten’ is, overeenkomstig de Verordening, de periode van vier jaar ingebouwd, dat de onderscheiden vestigingen deel uit moeten maken van het bedrijf.

Artikel 13

Dit artikel is bedoeld om bedrijven met een verzoek voor een kleine saldering enigszins te bevoordelen ten opzichte van bedrijven met een verzoek voor een grote saldering. Zie de uitleg hierover bij artikel 6.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter de secretaris

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk drs. W.G.H.M. Rutten

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingBeleidsregel stikstof en beschermde natuurmonumenten Noord-Brabant
CiteertitelBeleidsregel stikstof en beschermde natuurmonumenten Noord-Brabant
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpruimtelijke ordening, verkeer en vervoer
Eigen onderwerpagrarische sector, flora en fauna, leefomgeving, milieubeheer, natuur en landschap, ruimtelijke ordening

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Natuurbeschermingswet, art. 16
  2. Verordening stikstof en natura 2000 Noord-Brabant

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

09-12-201001-01-2017nieuwe regeling

07-12-2010

Provinciaal Blad 2010, 239

239/10