• Geldig sinds 30 juli 2009.
    Geldig tot 01 januari 2012.

    Print deze versie:

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Subsidieregeling terugdringen voortijdig schoolverlaten Noord-Brabant 2009-2011

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

Gelet op artikel 2 en artikel 15 van de Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant;

Overwegende dat in het provinciaal Bestuursakkoord 2007-2011, binnen de programmalijn Perspectiefrijk Brabant, de kaders zijn vastgesteld voor de voortgezette provinciale inzet op het thema voortijdig schoolverlaten;

Overwegende dat de uitwerkingsnotitie ‘Speerpunt Voortijdig Schoolverlaten, onderdeel van Perspectiefrijk Brabant’, op 13 mei 2008 door Gedeputeerde Staten is vastgesteld en ter kennisneming is aangeboden aan de Commissie Zorg, Welzijn en Cultuur (ZWC 0674);

Overwegende dat het Beleidskader 2009-2012 ‘Brabant investeert in Jeugd’ op 7 november 2008 door Gedeputeerde Staten is vastgesteld;

Overwegende dat de provincie vanuit maatschappelijk en economisch oogpunt financieel wil bijdragen aan het terugdringen van voortijdig schoolverlaten door de zelfredzaamheid van jongeren, ouders en onderwijsinstellingen te versterken;

besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    AOC: agrarisch opleidingscentrum, dat opleidingen verzorgt voor middelbaar beroepsonderwijs in de agrarische sector;

  • b.

    CJG: Centrum voor Jeugd en Gezin;

  • c.

    MBO: middelbaar beroepsonderwijs;

  • d.

    MBO-instellingen: ROC’s, AOC’s en vakinstellingen die opleidingen voor het middelbaar beroepsonderwijs aanbieden;

  • e.

    onderwijsinstellingen: scholen voor het voortgezet onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs, die in stand worden gehouden door de minister van Onderwijs, met uitzondering van scholen of afdelingen voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • f.

    practice-based methodes: methodes die in de praktijk reeds aantoonbaar tot positieve resultaten hebben geleid.

  • g.

    REC: regionaal expertisecentrum, zijnde een groep van samenwerkende scholen voor speciaal onderwijs die onder de Wet op de expertisecentra vallen en op basis van specialismen en expertise verdeeld zijn in vier clusters;

  • h.

    ROC: regionaal opleidingencentrum, dat opleidingen verzorgt voor het middelbaar beroepsonderwijs, het volwassenenonderwijs en meestal ook voor het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (VMBO) en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (VAVO);

  • i.

    samenwerkingsverband VO: op basis van de Wet op het voortgezet onderwijs ingesteld samenwerkingsverband voortgezet onderwijs, dat tenminste scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voorbereidend beroepsonderwijs en praktijkonderwijs omvat en tot doel heeft een toereikende organisatie en deskundige ondersteuning van het onderwijs te bieden aan leerlingen voor wie een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden;

  • j.

    startkwalificatie: minimaal een HAVO- of VWO-diploma of een diploma op niveau 2 van het MBO;

  • k.

    VMBO: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs;

  • l.

    VO: voortgezet onderwijs;

  • m.

    voortijdig schoolverlaten: een jongere die op 1 oktober: - niet is ingeschreven bij een onderwijsinstelling terwijl de desbetreffende jongere op 1 oktober van het voorgaande jaar wel was ingeschreven bij een onderwijsinstelling en op die datum ouder was dan 11 jaar en jonger dan 22 jaar, en - niet in het bezit is van een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een diploma beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en - niet is toegelaten tot een instelling voor hoger onderwijs;

  • n.

    VSO: voortgezet speciaal onderwijs;

  • o.

    zorgstructuur op school: verschillende niveau’s van zorg die binnen een onderwijsinstelling geboden worden, zoals mentoraat, leerlingbegeleiders, Permanente Commissie Leerlingenzorg, Zorg- en Adviesteam en bovenschoolse voorziening.

Artikel 2. Subsidiabele activiteiten

  • 1

    Subsidie kan worden verleend voor projecten of activiteiten ten behoeve van scholen in het voortgezet onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs gericht op het terugdringen van voortijdig schoolverlaten, met als doel dat leerlingen een startkwalificatie behalen.

  • 2

    Projecten of activiteiten hebben betrekking op:

     

    • a.

      het vormgeven of versterken van de zorgstructuur op school en het aansluiten hiervan op de Centra voor Jeugd en Gezin;

    • b.

      het innoveren met practice-based methodes gericht op leerlingen om voortijdig schoolverlaten terug te dringen.

Artikel 3. Doelgroep

  • 1

    Subsidie kan worden aangevraagd door een samenwerkingsverband VO, een regionaal expertisecentrum of een MBO-instelling.

  • 2

    Samenwerkingsverbanden VO, regionale expertisecentra en MBO-instellingen kunnen een gezamenlijke aanvraag indienen.

  • 3

    In het geval als bedoeld in het tweede lid treedt één van hen op als aanvrager.

  • 4

    In afwijking van het in het eerste lid gestelde kunnen onderwijsinstellingen, die aantoonbaar niet zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband VO of een regionaal expertisecentrum afzonderlijk een aanvraag indienen.

Artikel 4. Subsidiabele kosten bij zorgstructuur

  • 1

    De kosten voor het vormgeven of versterken van de zorgstructuur op school en de aansluiting hiervan op het CJG, genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a, komen voor subsidie in aanmerking.

  • 2

    De volgende kosten zijn niet subsidiabel:

     

    • a.

      kosten voor aanschaf van duurzame roerende zaken, zoals computerapparatuur en (school)meubilair;

    • b.

      kosten met betrekking tot onroerende zaken;

    • c.

      kosten die al via een andere subsidie worden vergoed;

    • d.

      kosten voor de uitvoering van taken van betrokken partijen, waarbij het Rijk, de provincie, de gemeente of onderwijsinstellingen al verantwoordelijk zijn voor de financiering;

    • e.

      kosten voor projecten of activiteiten gericht op jeugdzorg in en om het onderwijs;

    • f.

      kosten voor individuele zorg- of begeleidingstrajecten van leerlingen, waaronder (loon)kosten van hulp- of zorgverleners.

Artikel 5. Subsidiabele kosten bij methodes

  • 1

    De kosten voor het innoveren met practice-based methodes gericht op leerlingen om voortijdig schoolverlaten terug te dringen, zoals genoemd in artikel 2, tweede lid, onder b, komen voor subsidie in aanmerking.

  • 2

    De volgende kosten zijn niet subsidiabel:

    • a.

      kosten voor aanschaf van duurzame roerende zaken, zoals computerapparatuur en (school)meubilair;

    • b.

      kosten met betrekking tot onroerende zaken;

    • c.

      kosten die al via een andere subsidie worden vergoed;

    • d.

      kosten voor de uitvoering van taken van betrokken partijen, waarbij het Rijk, de provincie, de gemeente of onderwijsinstellingen al verantwoordelijk zijn voor de financiering;

    • e.

      kosten voor projecten of activiteiten gericht op jeugdzorg in en om het onderwijs.

Artikel 6. Subsidieplafond

  • 1

    Het subsidieplafond voor de periode 2009-2011 is vastgesteld door Gedeputeerde Staten.

  • 2

    Voor 2009 is het subsidieplafond vastgesteld op € 2.250.000,-.

  • 3

    Voor 2010 is het subsidieplafond vastgesteld op € 750.000,-.

Artikel 7. Aanvraag subsidie

  • 1

    Voor het aanvragen van subsidie gelden de indieningsdata 15 mei 2009 en 1 april 2010.

  • 2

    Indien de looptijd van een project of activiteit over meer dan één kalenderjaar is verspreid, dient bij de aanvraag te worden vermeld welke activiteiten en prestaties in welk kalenderjaar worden gerealiseerd.

  • 3

    De aanvraag, zoals bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, gaat vergezeld van een begroting, indien van toepassing gesplitst per kalenderjaar, een projectplan en een opgave van het bedrag waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 8. Voorwaarden voor subsidie

  • 1

    Voor het verkrijgen van subsidie voor projecten of activiteiten, zoals genoemd in artikel 2, gelden de volgende algemene voorwaarden:

    • a.

      projecten of activiteiten vangen aan na 15 juli 2009 en eindigen voor 1 januari 2012.

    • b.

      de projecten of activiteiten sluiten aan op provinciaal beleid, te beoordelen door de provincie;

    • c.

      de projecten of activiteiten worden gekenmerkt door een in opzet en tijd duidelijk afgebakend geheel van activiteiten en zijn weergegeven in een projectplan;

    • d.

      de projecten of activiteiten hebben duidelijke, realistische en meetbare doelstellingen;

    • e.

      betrokken partijen houden een urenregistratie bij in geval een eigen medewerker geheel of gedeeltelijk wordt vrijgesteld van zijn structurele taken ten behoeve van een project of activiteit zoals genoemd in artikel 2;

    • f.

      betrokken partijen houden een urenregistratie bij in geval van uitbreiding van contracturen van een eigen medewerker ten behoeve van een project of activiteit zoals genoemd in artikel 2.

  • 2

    Voor het verkrijgen van subsidie voor het vormgeven of versterken van de zorgstructuur op school en het aansluiten hiervan op het CJG, zoals genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a, geldt dat de provincie binnen drie maanden na afloop van het project een heldere beschrijving van de gerealiseerde zorgstructuur op school en de aansluiting van de zorgstructuur op het CJG ontvangt, alsmede een evaluatie van de hiervoor gevolgde werkwijze.

  • 3

    Voor het verkrijgen van subsidie voor practice-based methodes om voortijdig schoolverlaten terug te dringen, zoals genoemd in artikel 2, tweede lid, onder b, gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      de bijdrage van de provincie bedraagt maximaal 70% van de totale subsidiabele kosten;

    • b.

      de provincie ontvangt bij de subsidieaanvraag een omschrijving van de methodiek, waaruit blijkt dat de methode elders aantoonbaar tot positieve resultaten heeft geleid en overdraagbaar is naar andere scholen in Noord-Brabant;

    • c.

      binnen drie maanden na afloop van het project of de activiteit ontvangt de provincie een evaluatierapport met beschrijving van de gehanteerde methodiek en de bijbehorende effecten en aanbevelingen voor overdraagbaarheid van de methodiek.

Artikel 9. Beoordeling en afwegingscriteria

In geval van overschrijding van het subsidieplafond betrekken Gedeputeerde Staten bij de beoordeling van de subsidieaanvragen en de afweging tussen de verschillende subsidieaanvragen diverse criteria. Hierbij wordt de volgende volgorde gehanteerd:

  • a.

    een regionale spreiding over de aanvragers;

  • b.

    een evenwichtige verdeling van middelen tussen enerzijds onderwijsinstellingen in het voortgezet onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en anderzijds het middelbaar beroepsonderwijs;

  • c.

    onderwijsinstellingen die nog niet eerder subsidie hebben ontvangen voor een van de subsidiabele projecten of activiteiten zoals genoemd in artikel 2 krijgen voorrang boven onderwijsinstellingen die hiervoor al wel eerder subsidie hebben ontvangen;

  • d.

    voorrang wordt verleend aan projecten of activiteiten gericht op het vormgeven of versterken van de zorgstructuur op school en de aansluiting hiervan op het CJG;

  • e.

    bij methodes gericht op leerlingen om voortijdig schoolverlaten terug te dringen wordt voorrang verleend aan projecten of activiteiten die naar verwachting de meeste risicoleerlingen bereiken, afgezet tegen het totaal aantal leerlingen per onderwijsinstelling;

  • f.

    projecten of activiteiten gaan bij voorkeur uit van een integrale werkwijze. Dat wil zeggen dat projecten of activiteiten een hogere prioriteit krijgen, naarmate daarin meer verschillende partijen samenwerken;

  • g.

    de mate waarin sprake is van cofinanciering van een project of activiteit.

Artikel 10. Subsidieverlening

  • 1

    Met het oog op het subsidieplafond worden de aanvragen per indieningssdatum gebundeld in behandeling genomen, met inachtneming van artikel 9.

  • 2

    De aanvrager krijgt afhankelijk van de indieningsdatum van de aanvraag uiterlijk 15 juli 2009 of 1 juni 2010 het besluit op de aanvraag.

  • 3

    Indien zich een omstandigheid voordoet, inhoudende dat het besluit op de aanvraag niet uiterlijk 15 juli 2009 of 1 juni 2010 kan worden genomen, dan wordt de aanvrager hiervan voor afloop van de termijn in kennis gesteld.

  • 4

    Bij de kennisgeving als bedoeld in het derde lid wordt een redelijke termijn genoemd, waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.

  • 5

    Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om ten aanzien van bepaalde aanvragen advies in te winnen van deskundigen.

  • 6

    In de beslissing op de aanvraag wordt melding gemaakt van het advies als bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 11. Bevoorschotting

  • 1

    Subsidies als bedoeld in artikel 7 worden per kalenderjaar voor 80% van het voor dat jaar toegezegde subsidiebedrag bevoorschot.

  • 2

    Indien vertraging optreedt bij de uitvoering van projecten of activiteiten, dient de aanvrager voor het doorschuiven van de middelen naar de jaren 2010 en 2011 een voortgangsrapportage in te dienen voor 31 januari van het betreffende kalenderjaar.

Artikel 12. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2012.

Artikel 13. Citeertitel

Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling terugdringen voortijdig schoolverlaten Noord-Brabant 2009-2011.

's-Hertogenbosch, 24 maart 2009 Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter de secretaris J.R.H. Maij-Weggen drs. W.G.H.M. Rutten

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingSubsidieregeling terugdringen voortijdig schoolverlaten Noord-Brabant 2009-2011
CiteertitelSubsidieregeling terugdringen voortijdig schoolverlaten Noord-Brabant 2009-2011
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerponderwijs, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Algemene subsidieverordening provincie Noord-Brabant, art. 2 en 15

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

30-07-200926-03-200901-01-2012art. 6, 9

28-07-2009

Provinciaal Blad, 2009, 123

1511580