Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingRegeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent subsidie Groen Blauw Stimuleringskader (Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant)
CiteertitelSubsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpagrarische sector, natuur en landschap, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Noord-Brabant/CVDR95634/CVDR95634_1.html

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

14-03-2019artikel 1, 6a, 6b, 61, 69

26-02-2019

prb-2019-1767

C2232015/4483622
05-08-201714-03-2019artikel 1, 9, 9b, 36, 37, 37a, bijlage C, E, F

25-07-2017

prb-2017-3478

C2211753
22-05-201405-08-2017art. 1, 3, 8, 9, 10, 12, 34, 36, 48, 56, 64, 68, 79, bijlage C, E, F, G

13-05-2014

Provinciaal Blad, 2014, 63

S0282021
27-05-201022-05-2014art. 1, 8, 9, 31, 32, 36, 38, 49, 50, 52, 60, 66, paragraaf 5.5, bijlage F

11-05-2010

Provinciaal Blad, 2010, 93

1682107

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent subsidie Groen Blauw Stimuleringskader (Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

 

gelet op de Verordening Inrichting Landelijk Gebied;

 

maken bekend het volgende te hebben vastgesteld:

 

de subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant.

 

1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Aanvrager: dienstverlener die subsidie aanvraagt voor het aanleggen, onderhouden van maatregelen en daarmee ook het beschikbaar stellen van de grond;

  • b.

    Centraal Administratiekantoor: door Gedeputeerde Staten gemandateerde instelling verantwoordelijk voor de uitvoering, administratie, rapportage en subsidieverlening;

  • c.

    de-minimis verordening: Verordening 1407/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 (PBEU 2013 L352/1);

  • d.

    de-minimis verordening landbouwsector: Verordening 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 (PBEU 2013 L352/9);

  • e.

    de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de de-minimis verordening en de de-minimis verordening landbouwsector;

  • f.

    Dienst: maatregel die via een meerjaren-overeenkomst wordt gerealiseerd en/of duurzaam in stand wordt gehouden en waarvoor de dienstverlener en/ of eigenaar een vergoeding ontvangt.

  • g.

    Dienstverlener: natuurlijk persoon of rechtspersoon die krachtens zakelijk of duurzaam persoonlijk recht voor minimaal 6 jaar beschikt over het recht tot gebruik en onderhoud van een terrein, met uitzondering van een publiekrechterlijk lichaam of een instelling als bedoeld in artikel 3, eerste lid en tweede lid, van de Regeling Subsidies Particuliere Terreinbeherende Natuurbeschermingsorganisaties;

  • h.

    Eigenaar: natuurlijk persoon, privaatrechtelijk rechtspersoon, welke volgens het kadastrale register in bezit is van een terrein;

  • i.

    Element: in het landschap voorkomend ruimtelijk eenheid, wat voldoet aan de voorwaarden zoals beschreven binnen één van de pakketten uit bijlage C;

  • j.

    Erf: tot het erf van agrarische bedrijven wordt gerekend het op de bestemmingsplankaart van het Bestemmingsplan Buitengebied aangegeven (flexibel) agrarisch bebouwingsvlak of kassenperceel inclusief een zone van 10 meter rondom. Bij een flexibel agrarisch bebouwingsvlak of kassenperceel wordt aan de zijde van de uitbreidingsrichting(en) in elk geval een afstand van 50 meter vanaf de bestaande bebouwing tot het erf gerekend.

     

    Tot het erf van een burgerwoning of niet agrarische bedrijfswoning wordt in ieder geval gerekend de grond die in een straal van 150 meter rond de op de bestemmingsplankaart aangegeven woning is gelegen en in eigendom is van de eigenaar van de woning, tenzij deze grond wordt gescheiden van de woning door een openbare weg of een weg met openbaar karakter. In ieder geval tot het erf behorend zijn gronden die als tuin in gebruik zijn of als tuin worden ingericht;

  • k.

    Gebieds- of themacontract: contract als bedoeld in artikel 30;

  • l.

    Gemeenschappelijk landbouwbeleid: Europese subsidie in het kader van het Europese landbouwbeleid;

  • m.

    Landbouwgrond: grond waarop ten minste vanaf 31 juli 1992 enige vorm van akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen – en elke andere vorm van bodemcultuur hier te lande, met uitzondering van bosbouw, wordt bedreven, of gronden die uit productie zijn genomen in het kader van de Regeling GLB inkomenssteun 2006;

  • n.

    Natuurbeheerplan: door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan op grond van hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant en hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Noord-Brabant.

  • o.

    Natuurterrein: binnen de provincie gelegen grond met als hoofdfunctie natuur, of grond waarvoor een aanspraak bestaat op een vergoeding voor het waardeverschil tussen agrarische grond en grond met als hoofdfunctie natuur, die begrensd is in het Natuurbeheerplan Noord Brabant;

  • p.

    Pakket: één van de in de subonderdelen van bijlage C tot en met E beschreven samenstellingen van op een terrein voorkomende fysieke omstandigheden, onderhoudsvoorschriften en/of gebiedskenmerken met bijbehorende vergoedingen.

  • q.

    Terrein: aaneengesloten gebied, geheel of ten dele bestaande uit bos, natuurterrein, landbouwgrond, dan wel ten dele bestaande uit water, niet zijnde een erf of tuin, dat niet wordt doorsneden door:

    • -

      wegen breder dan 5 meter;

    • -

      waterlopen die op enig punt breder zijn dan 25 meter;

    • -

      een dubbelsporige spoorlijn, of

    • -

      een geëlektrificeerde spoorlijn,

  • r.

    Tuin: stuk grond, meestal dicht bij een huis, in gebruik als siertuin met sierbeplanting en/of gazon of in gebruik als moestuin voor de teelt van groenten, klein fruit en bloemen. Tot de tuin behoren ook beplantingselementen die de afbakening vormen tussen de tuin en de omliggende grond, zoals geschoren hagen en houtsingels. Ook een stuk grond met een afwisseling van groenelementen met inheemse bomen en/of struiken en gazons of een gazon met een hoogstamboomgaard wordt als tuin beschouwd;

  • s.

    Tijdvak: aaneengesloten periode van drie jaar;

  • t.

    Samenwerkingsverband: groep van samenwerkende privaatrechtelijke en publiekrechtelijke organen welke een uitvoeringsprogramma wensen op te stellen en die hiertoe onderling een overeenkomst hebben gesloten;

  • u.

    Subsidieontvanger: eindbegunstigde van de vergoeding;

  • v.

    Subsidieverordening: Subsidieverordening inrichting landelijk gebied 2007 of haar opvolgers;

  • w.

    Uitvoeringsprogramma: een gebiedsgericht of thematisch programma, wat voldoet aan de richtlijnen zoals gesteld in het document “Richtlijnen voor het vormen van een samenwerkingsverband en het opstellen van een uitvoeringsprogramma”.

  • x.

    Veld- of themacoördinator: intermediaire partij als bedoeld in artikel 10;

  • y.

    Waardedaling: verschil in waarde dat optreedt op het moment dat een groene of blauwe maatregel met een permanent karakter op landbouwgrond wordt gevestigd;

Artikel 2 – Verhouding tot andere regelingen

Ten aanzien van de verhouding tot andere regelingen geldt voor onderhavige subsidieregeling dat onderhavige subsidieregeling een nadere uitwerking van de Subsidieverordening is, welke onverkort van kracht is.

Artikel 3 – Reikwijdte

Gedeputeerde Staten kunnen, naast het bepaalde in artikel 2 eerste en tweede lid van de subsidieverordening, op grond van dit stimuleringskader subsidies verstrekken voor:

  • a.

    planvorming;

  • b.

    uitvoering van maatregelen, voortvloeiend uit planvorming als bedoeld in lid a.

Artikel 4 - Maatregelen

Maatregelen, zoals bedoeld in artikel 3, lid b, hebben, in nader te begrenzen gebieden, betrekking op:

  • a.

    de realisatie en duurzame instandhouding van:

    • I.

      hoofdaders, zoals bedoeld in bijlage B van deze subsidieregeling

    • II.

      fijne dooradering, zoals bedoeld in bijlage C van deze subsidieregeling

    • III.

      duurzaam waterbeheer zoals bedoeld in bijlage D van deze subsidieregeling

    • IV.

      vergroten recreatief medegebruik agrarisch cultuurlandschap, zoals bedoeld in bijlage E van deze subsidieregeling én

  • b.

    komen voorzover als dienst aangeboden, voor subsidie in aanmerking als bedoeld in artikel 3, lid b, op de volgende onderdelen:

    • I.

      aanleg

    • II.

      onderhoud

    • III.

      inzet van grond

Artikel 5

Gedeputeerde Staten kunnen bevoegdheden voor uitvoering van deze subsidieregeling mandateren aan de Centraal Administratie Kantoor. Het besluit daartoe wordt bekend gemaakt in het Provinciaal Blad.

Artikel 6

Wijziging van deze subsidieregeling, zoals omschreven in de artikelen, vindt plaats bij besluit van Gedeputeerde Staten. Het besluit daartoe wordt bekend gemaakt in het Provinciaal Blad.

Artikel 6a Subsidiehoogte

Voor de subsidie die verleend wordt op grond van deze subsidieregeling geldt dat maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidie wordt verstrekt dat over een periode van drie belastingjaren het plafond voor de-minimissteun niet wordt overschreden.

Artikel 6b Verplichtingen

De subsidieontvanger die subsidie krijgt op grond van deze subsidieregeling heeft, indien de subsidieontvanger actief is in de sectoren van de primaire productie van landbouwproducten, de visserij, de aquacultuur, goederenvervoer over de weg voor rekening van derden of andere sectoren buiten de subsidiabele activiteiten, in ieder geval de verplichtingen zorg te dragen dat de subsidie niet ten goede komt aan de activiteiten in deze sectoren, door middel van scheiding van activiteiten en uitsplitsing van kosten.

2. RANDVOORWAARDELIJK KADER

2.1 Begrenzing en toepassing, het uitvoeringsprogramma

Artikel 7

Onderhavige subsidieregeling is binnen de provincie Noord-Brabant van toepassing op die gebieden en thema’s:

  • a.

    waarvoor door Gedeputeerde Staten een beschikking voor planvorming is afgegeven, of

  • b.

    waarvoor door Gedeputeerde Staten een Gebiedsgericht of Thematisch uitvoeringsprogramma is vastgesteld, als bedoeld in hoofdstuk 3 en waarvoor door de belanghebbende (gebieds-)partijen een gebieds- of themacontract, als bedoeld in hoofdstuk 4 is ondertekend.

Artikel 8

Deze subsidieregeling is niet van kracht in gebieden begrensd als ecologische hoofdstructuur in de Verordening ruimte 2014.

Artikel 9

Subsidie wordt geweigerd indien op het perceel of het gedeelte van het perceel waarvoor subsidie wordt aangevraagd reeds subsidie is verleend op grond van:

  • a.

    de Subsidieregeling natuur Noord-Brabant;

  • b.

    de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant;

  • c.

    de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016;

  • d.

    de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Noord-Brabant; of

  • e.

    vergroening Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.

Artikel 9a

Een subsidie ingevolge deze subsidieregeling wordt niet verstrekt aan:

  • a.

    publiekrechtelijke rechtspersonen;

  • b.

    privaatrechtelijke rechtspersonen die kennelijk zijn opgericht ten behoeve van het beheer van grond of water, waarvan de eigendom geheel of gedeeltelijk berust bij de rechtspersonen, bedoeld in onderdeel a;

  • c.

    instelling als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Subsidieregeling grondverwerving particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties 2009;

  • d.

    dienstverleners die krachtens een zakelijk of duurzaam persoonlijk recht de zeggenschap hebben over landbouwgrond of het natuurterrein,voor zover zij die gebruikstitel na 1 mei 2010 hebben verkregen van een gemeente of waterschap of een samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen.

Artikel 9b  

  • 1.

    Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

    • a.

      natuurlijke personen;

    • b.

      privaatrechtelijke rechtspersonen met uitzondering van de privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in artikel 9a onder b, c en d;

    • c.

      een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen.

  • 2.

    Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid;

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

2.2 Uitvoeringsorganisatie

Artikel 10

Ten behoeve van de uitvoering van onderhavige subsidieregeling wijzen Gedeputeerde Staten in overleg met de partners van de samenwerkingsverbanden, een veld- of themacoördinator aan, en welke als intermediair optreedt tussen aanvragers van beschikkingen en Gedeputeerde Staten, of de door Gedeputeerde Staten krachtens artikel 5 gemandateerde uitvoeringsorganisatie.

2.3 Financiering

Artikel 11

Zoals is overeengekomen in een gebieds- of themacontract als bedoeld in hoofdstuk 4, geldt ten aanzien van het uitvoeringsbudget van vastgestelde uitvoeringsprogramma’s, dat:

  • a.

    Gedeputeerde Staten bijdragen aan de financiering van de uitvoering op de onderdelen aanleg, onderhoud, en inzet van grond, in het desbetreffende gebied of op het desbetreffende thema;

  • b.

    gemeenten en waterschap stellen, naar rato van hun belang, financiële middelen beschikbaar voor de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in artikel 4 sub a.

  • c.

    de provincie zal financiële middelen inbrengen, gelijk aan het bedrag van de gemeenten en waterschap gezamenlijk voor de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in artikel 4 sub a.;

  • d.

    de financiering van eventueel overige betrokken partijen wordt aan de bijdrage van provincie, gemeenten en waterschappen toegevoegd.

Artikel 12

Vervallen.

Artikel 13

De kosten voor het uitvoeren van deze subsidieregeling worden als volgt verdeeld:

  • 1.

    De algemene operationele kosten van de uitvoeringsorganisatie komen voor rekening van Gedeputeerde Staten.

  • 2.

    De gebieds- of themaspecifieke operationele kosten worden door de deelnemende partners van een uitvoeringsprogramma gedragen. Tot deze gezamenlijke kosten worden gerekend:

    • a.

      veld- en/ of themacoördinatie (arbeidskosten coördinatoren, materialen, opleiding);

    • b.

      voorlichting, communicatie en PR;

    • c.

      monitoring en evaluatie (gemeenten, waterschappen, derden).

Artikel 14

De specifieke operationele kosten als bedoeld in artikel 13 worden voor 50% gefinancierd door de provincie en voor de overige 50% naar rato van het belang door de overige partners van een programma gedragen. De respectievelijke bijdragen worden vastgelegd in het gebieds- of themacontract zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van deze subsidieregeling.

Artikel 15

  • 1

    De in artikel 11, 12 en 14 genoemde bijdragen worden door iedere partner jaarlijks voor 31 januari op een door Gedeputeerde Staten aan te wijzen rekening gestort.

  • 2

    In het gebieds- of themacontract worden afspraken gemaakt ten aanzien van eventuele onderuitputting in het voorgaande jaar.

3. UITVOERINGSPROGRAMMA

3.1 Algemeen

Artikel 16

Gedeputeerde Staten kunnen overeenkomstig de doelstellingen van deze subsidieregeling, een gebiedsgericht of thematisch uitvoeringsprogramma, als bedoeld in artikel 7 en zoals omschreven in de “Richtlijnen voor het vormen van een samenwerkingsverband en het opstellen van een uitvoeringsprogramma”, laten opstellen. In dit programma wordt de ambitie verwoord ten behoeve van de uitvoering.

Artikel 17

Ten aanzien van de looptijd van uitvoeringsprogramma’s geldt dat:

  • a.

    een programma geldig is gedurende een periode van 10 aaneengesloten jaren, tenzij Gedeputeerde Staten anders beslist;

  • b.

    indien een samenwerkingsverband de continuïteit van de uitvoering wil waarborgen, deze verplicht is om, voortvloeiend uit de toepassing van artikel 20, minimaal 1 jaar voor de datum van het verstrijken van de looptijd van het huidige uitvoeringsprogramma, een nieuw programma gereed te hebben en ter beoordeling aan Gedeputeerde Staten voor te leggen.

Artikel 18

De in artikel 4 sub a genoemde maatregelen zijn ieder weer opgebouwd uit verschillende thema’s met bijbehorende pakketten zoals omschreven in de bijlagen B t/m E.

Artikel 19

Het Stimuleringskader kent een modulaire opbouw, wat betekent dat in het kader van een (nieuw) uitvoeringsprogramma ook nieuwe of gewijzigde thema’s en/of pakketten ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten kunnen worden voorgelegd. Na vaststelling door Gedeputeerde Staten worden deze gepubliceerd in het Provinciaal Blad. Voor nieuwe of gewijzigde pakketten geldt dat deze niet van toepassing zijn op lopende beschikkingen, voor de duur van het tijdvak.

Artikel 20

Van herziening van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld uitvoeringsprogramma, voorafgaand aan het verstrijken van de geldigheidsduur, kan sprake zijn in de volgende voorkomende gevallen:

  • a.

    nieuwe maatregelen of thema’s worden ontwikkeld en toegevoegd aan onderhavige subsidieregeling, waarop het vastgestelde uitvoeringsprogramma wordt aangepast ten einde de nieuwe maatregel of het thema als dienst open te kunnen stellen;

  • b.

    het herziene uitvoeringsprogramma omvat een groter geografisch afgebakend gebied dan het eerder door Gedeputeerde Staten vastgestelde uitvoeringsprogramma;

  • c.

    de looptijd van het uitvoeringsprogramma wordt aangepast;

  • d.

    na het afvoeren of herformuleren van pakketten zoals omschreven in de bijlagen B, C, D en E;

  • e.

    bij gezamenlijk besluit van alle partners die het bij het uitvoeringsprogramma behorende gebieds- of themacontract hebben ondertekend.

3.2 Bijdrage in planvorming

3.2.1 Algemeen

Artikel 21

Gedeputeerde Staten kunnen overeenkomstig artikel 3, lid a, subsidie verstrekken aan een samenwerkingsverband ten behoeve van het opstellen van een uitvoeringsprogramma. Een van de partners doet namens het samenwerkingsverband hiertoe schriftelijk een verzoek aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 22

Gedeputeerde Staten kunnen besluiten geen subsidie toe te kennen aan een samenwerkingsverband:

  • a.

    indien er onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn;

  • b.

    indien niet, of in onvoldoende mate wordt voldaan aan de richtlijnen zoals omschreven in ”Richtlijnen voor het vormen van een samenwerkingsverband en het opstellen van een uitvoeringsprogramma”.

3.2.2 Subsidieverlening en -vaststelling

Artikel 23

Voor aanvragen die betrekking hebben op het gestelde in artikel 21 geldt:

  • a.

    dat door Gedeputeerde Staten een éénmalige bijdrage van 50% van de werkelijke kosten voor planvorming wordt verstrekt, tot een maximum van € 25.000,00 per uitvoeringsprogramma;

  • b.

    dat overeenkomstig de looptijd van het programma, voor het desbetreffende gebied of thema, iedere 10 jaar hernieuwd subsidie kan worden aangevraagd voor herziening en evaluatie van het betreffende programma.

Artikel 24

Indien voor een gebied of thema subsidie wordt verleend ten behoeve van de planvorming, dan vermeldt de beschikking in ieder geval:

  • a.

    de ligging en begrenzing van het gebied, dan wel een omschrijving van het thema, waarop het programma betrekking heeft;

  • b.

    het doel van de subsidie, zijnde het opstellen van een gebiedsgericht of thematisch uitvoeringsprogramma voor de maatregelen zoals genoemd in artikel 4 sub a, op grond waarvan subsidieaanvragen, overeenkomstig hoofdstuk 5 van deze subsidieregeling kunnen worden getoetst;

  • c.

    de datum waarop het uitvoeringsprogramma uiterlijk gereed dient te zijn, zijnde twee jaar na afgifte van de beschikking;

  • d.

    de vastgestelde subsidiebijdrage en de termijnen waarin deze beschikbaar komt.

3.2.3 Voorwaarden en verplichtingen

Artikel 25

Indien ten behoeve van de planvorming subsidie wordt verleend, is de subsidieontvanger, voortvloeiend uit de toepassing van artikel 21, verplicht om het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde doel, bedoeld in artikel 24, sub b, te realiseren;

Artikel 26

Het in het kader van deze subsidieregeling, door een samenwerkingsverband opgestelde uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 16, wordt binnen de in de beschikking gestelde termijn, ter goedkeuring aangeboden aan? Gedeputeerde Staten.

Artikel 27

Tegelijk met het ter goedkeuring voorleggen van het uitvoeringsprogramma dient de subsidieontvanger een verzoek tot subsidievaststelling in.

Artikel 28

De subsidiebijdrage als bedoeld in artikel 24, sub d, wordt niet of slechts gedeeltelijk verstrekt indien Gedeputeerde Staten het ingediende uitvoeringsprogramma niet of gedeeltelijk goedkeuren.

3.2.4 Betaling

Artikel 29

Dat deel van de subsidie, wat niet als voorschot is verstrekt, wordt uitbetaald aan de aanvrager binnen 8 weken nadat Gedeputeerde Staten het betreffende uitvoeringsprogramma heeft goedgekeurd.

4. GEBIEDS- OF THEMACONTRACT

Artikel 30

Afspraken tussen partijen omtrent uitvoeringsprogramma’s worden vastgelegd in een gebieds- of themacontract, conform een door de Provincie verstrekt format. In een dergelijk contract worden in ieder geval de volgende zaken vastgelegd:

  • a.

    taakstellingen op maatregelen, thema’s en/ of aandachtsgebieden, gespecificeerd naar afzonderlijke partijen;

  • b.

    de benodigde budgetten voor uitvoering, cursussen & trainingen;

  • c.

    de specifieke operationele kosten (veld- en/ of themacoördinatie, voorlichting, communicatie, monitoring en evaluatie);

  • d.

    de bijdrage van iedere partij aan de in lid b en c genoemde budgetten en kostenposten;

  • e.

    afspraken omtrent flankerend beleid en -maatregelen welke partijen wensen overeen te komen ter bevordering van de uitvoering van de doelstellingen van onderhavige subsidieregeling.

Artikel 31

Binnen een gebiedscontract worden afspraken gemaakt ten aanzien van de organisatie, betalingswijze en verantwoordelijkheden van cursussen of trainingen ten behoeve van dienstverleners..

Artikel 32

Vervallen.

Artikel 33

De uit artikel 30 voortkomende taakstellingen, budgetten en bijdragen per partner worden in gezamenlijk overleg éénmaal per 4 jaar bijgesteld, of eerder indien hier aanleiding toe is, maar zijn bindend voor de beschikkingen die op grond van het uitvoeringsprogramma zijn afgegeven.

5. UITVOERING

5.1 Aanvragen subsidie

Artikel 34

Aanvragen tot subsidieverlening voor aanleg, inzet van grond of onderhoud worden ingediend bij het Centraal Administratie Kantoor met een daartoe bestemd aanvraagformulier.

Artikel 35

Gedeputeerde Staten kunnen voorwaarden vaststellen met betrekking de wijze waarop de pakketeisen uit bijlagen C, D en E kunnen worden vastgesteld en gecontroleerd. Deze voorwaarden worden als bijlage G, Objectivering pakketten, bij deze subsidieregeling opgenomen.

Artikel 36

Gedeputeerde Staten kunnen de in artikel 34 genoemde aanvraag weigeren, indien:

  • a.

    de activiteiten niet overeenkomen met het door Gedeputeerde Staten vastgestelde gebiedsgericht- of thematisch uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 3) én het gebieds- of themacontract (hoofdstuk 4);

  • b.

    een terrein of element niet voldoet aan de pakketvoorwaarden zoals vastgelegd in Bijlagen C, D en E;

  • c.

    een terrein of element niet voldoet aan voorwaarden zoals bepaald in bijlage G;

  • d.

    het een terrein of element betreft waarop één van de pakketten uit bijlage C, maatregel fijne dooradering, worden aangevraagd dat voor meer dan 50% binnen een erf is gelegen;

  • e.

    de activiteiten niet overeenkomen met het vigerend overheidsbeleid;

  • f.

    uit andere hoofde reeds een zodanige subsidie ontvangen kan worden dat daarmee de activiteit gerealiseerd kan worden;

  • g.

    de aanvraag minder dan € 200 per jaar bedraagt;

  • h.

    voor de aanvrager sprake is van verplichtingen of voorschriften, voortkomend uit de toepassing van wet- en regelgeving;

  • i.

    het een terrein betreft dat in eigendom is van een instelling als bedoeld in artikel 3, eerste lid en tweede lid, van de Regeling Subsidies Particuliere Terreinbeherende Natuurbeschermingsorganisaties;

  • j.

     er voor Gedeputeerde Staten andere, dan in dit artikel genoemde, zwaarwegende redenen zijn;

  • k.

     het bedrag waarvoor subsidie wordt aangevraagd:

    • 1°.

       hoger is dan €20.000;

    • 2°.

      ligt tussen de €10.000 en €20.000 en meer dan 50% van het jaarbudget bedraagt, tenzij de gemeente of het Waterschap een positief pre-advies hebben afgegeven op het verstrekken van de subsidie; of,

    • 3°.

      lager is dan €10.000 maar meer dan 50% van het jaarbudget bedraagt;

  • l.

    de aanvrager eerder een aanvraag heeft ingediend over dezelfde periode.

Artikel 37

Aanvragen als bedoeld in artikel 34 worden door de aanvrager ondertekend, door de veld- of themacoördinator voor akkoord geparafeerd alvorens ze worden ingediend. Onderhavige subsidieregeling is jaarlijks opengesteld van 1 januari tot en met 31 december.

Artikel 37a  

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2.

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 38

In de aanvraag wordt in ieder geval aangegeven:

  • a.

    of er sprake is van subsidie voor aanleg;

  • b.

    of er sprake is van subsidie voor onderhoud;

  • c.

    of er sprake is van subsidie voor de inzet van grond;

  • d.

    (vervallen);

  • e.

    of wordt ingediend door een natuurlijk persoon of privaatrechterlijk rechtspersoon;

  • f.

    of uit andere hoofde reeds subsidie wordt ontvangen voor de betrokken activiteiten.

Artikel 39

Een aanvrager die beschikt over het recht tot gebruik en onderhoud van een terrein of element krachtens een pachtovereenkomst of huurovereenkomst, én die in de zin van deze subsidieregeling als dienstverlener kan worden aangemerkt, dient in het geval van aanleg van een pakket, de subsidieaanvraag mede te laten ondertekenen door de eigenaar, waarmee laatstgenoemde verklaart geen bezwaar te hebben tegen de aanleg van het element, of de aanleg van het desbetreffende terrein, en akkoord te zijn met alle rechten en plichten voortvloeiende uit de aanvraag.

Artikel 40

Indien er met betrekking tot een terrein of element sprake is van gedeeld duurzaam gebruiksrecht, dan kan een ieder individueel in aanmerking komen voor subsidie voor de toepassing van een pakket op dat terrein of element. De eigenaren en/ of dienstverlenrs dienen gezamenlijk de aanvraag in, vergezeld van een tussen hen gesloten overeenkomst waaruit blijkt dat zij genoegzaam en duurzaam samenwerken inzake het onderhoud van dat terrein of element. De vastgestelde bijdrage voor aanleg, onderhoud of inzet van grond, van het desbetreffende terrein of element wordt in dat geval over de subsidieontvangers opgedeeld.

Artikel 41

Indien er geen sprake is van een gedeeld duurzaam gebruiksrecht zoals bedoeld in artikel 40, maar aanleg, onderhoud of instandhouding van het totale element of terrein heeft wel een collectief karakter, dan vindt de subsidieverlening nog steeds op individuele basis plaats, maar alleen indien aanleg, onderhoud of instandhouding van het pakket als gezamenlijk doel wordt gediend.

Artikel 42

  • 1

    Vergoedingen voor diensten zoals opgenomen in de bijlagen C t/m E worden periodiek herberekend. De vastgestelde herberekende bijdragen worden bekend gemaakt in het Provinciaal Blad.

  • 2

    Bij het vaststellen van de vergoedingen voor diensten als bedoeld in artikel 4 lid a wordt rekening gehouden met de volgende grondslagen:

    • a.

      plankosten

    • b.

      arbeidskosten

    • c.

      inkomstenderving als gevolg van de uitvoering van een groene of blauwe dienst

    • d.

      overige kosten

    • e.

      transactiekosten

5.2 Aanleg

5.2.1 Algemeen

Artikel 43

Ten behoeve van de uitvoering, als bedoeld in artikel 4 sub a, kan een vergoeding worden verstrekt voor de aanleg van een pakket, indien:

  • a.

    de aanvraag in overeenstemming is met begrenzing en toepassing van het betrokken vastgestelde uitvoeringsprogramma en gebieds- of themacontract;

  • b.

    het betreffende terrein of element is gelegen op landbouwgrond, en

  • c.

    de aanvrager tevens dienstverlener is voor het betreffende terrein of element, én

  • d.

    voor zover artikel 8 niet van toepassing is, én

  • e.

    voor het aan te leggen terrein of element tevens een aanvraag voor onderhoud is ingediend, én

  • f.

    voor zover aanleg noodzakelijk is om de fysieke condities of kenmerken van terrein of element rechtstreeks en direct te wijzigen, zonder welke wijziging ontwikkeling en instandhouding van een pakket niet mogelijk is.

Artikel 44

Voor aanvragen die betrekking hebben op het gestelde in artikel 43 geldt dat alleen een vergoeding wordt verstrekt indien gepresenteerde aanleg en maatvoering voldoen aan de voorschriften zoals opgenomen in de bijlagen B t/m E, en de aanvrager ook de overige voorschriften van het desbetreffende pakket in acht neemt.

Artikel 45

Een vergoeding wordt verstrekt voor de periode bedoeld in artikel 49, sub e, zijnde,

  • a.

    in het geval de aanleg betrekking heeft op maatregelen bedoeld in artikel 4 sub a ten II, III en IV, 1 jaar na onherroepelijk worden van het besluit;

  • b.

    indien de aanleg betrekking heeft op de maatregelen bedoeld in artikel 4 sub a ten I maximaal 3 jaar na onherroepelijk worden van het besluit;

  • c.

    Van de in sub a en b van dit artikel bepaalde periodes kan Gedeputeerde Staten besluiten af te wijken en besluiten een andere periode vast te stellen bij aangetoonde overmacht door de aanvrager.

Artikel 46

  • 1

     Indien sprake is van overmacht als bedoeld in artikel 45, sub c, en indien sprake is van de ondertekening van een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 71, sub a, wordt de ondertekening van de kwalitatieve verplichting met een overeenkomstige periode uitgesteld.

  • 2

     Verlenging van de aanlegtermijn dient voor afloop van de geplande datum te worden aangevraagd bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en zal, bij gegronde redenen, eenmalig voor ten hoogste 1 jaar kunnen worden verlengd.

Artikel 47

Een vergoeding voor aanleg wordt verstrekt aan de individuele dienstverlener, die in geval van maatregelen met een collectief karakter als bedoeld in artikel 4 sub a ten I en III, er zorg voor dient te dragen dat de aanlegwerkzaamheden waarop zijn aanvraag betrekking heeft, deel uitmaken van een (bestaande) integrale visie op aanleg en onderhoud van het totale gebied of terrein.

Artikel 48

  • 1

     Een vergoeding voor de aanleg van fijne dooradering wordt verstrekt aan de dienstverlener op basis van normbedragen voor inrichtingskosten, zoals opgenomen in bijlage F.

  • 2

     Voor aanvragen met betrekking tot hoofdaders worden de inrichtingskosten verstrekt op basis van een gespecificeerde begroting en verantwoording van de kosten bij subsidievaststelling.

Artikel 49

De aanlegwerkzaamheden als bedoeld in artikel 48 dienen te zijn uitgewerkt in een plan, waarin in ieder geval zijn opgenomen:

  • a.

    de  uit te voeren werkzaamheden;

  • b.

    de oppervlakte waarop, het aantal, of de lengte en breedte waarover die werkzaamheden zullen worden uitgevoerd (ha/m¹/m²/stuks);

  • c.

    de motivering voor het treffen van die werkzaamheden;

  • d.

    de met de werkzaamheden beoogde situatie van terrein of element;

  • e.

    de periode waarin de aanleg zal plaatsvinden en een daarbij behorende planning;

  • f.

    een begroting op basis van normbedragen voor inrichtingskosten of werkelijke kosten zoals bepaald in artikel 48 én, indien de aanvraag betrekking heeft op de maatregel als bedoeld in artikel 4 sub a ten I, een betalingsritme van voorschotten;

  • g.

    een onderhoudsplan, indien de aanvraag betrekking heeft op de maatregel als bedoeld in artikel 4 sub a ten?I, op basis van de pakketten genoemd in deze subsidieregeling of op basis van de voorwaarden, zoals opgenomen, in de landelijke Catalogus Groen Blauwe Diensten.

  • h.

    een topografische kaart, van ten hoogste 1:10.000, met daarop aangegeven de gebieden, terreinen en elementen waar de onderscheiden werkzaamheden zullen worden getroffen.

Artikel 50

Tot de subsidiabele kosten behoren de kosten, inclusief BTW, voor zover verrekening niet mogelijk is, verband houdende met:

  • a.

    kosten voor het door derden laten opstellen van een, al dan niet collectief, inrichtingsplan voorzover de kosten niet meer bedragen van 20% van de totale subsidiabele kosten voor aanleg;

  • b.

    maatregelen voor zover strikt noodzakelijk voor aanleg van hoofdaders en pakketten zoals genoemd in bijlage C tot en met E;

  • c.

    plaatsing kleinschalige voorzieningen ten behoeve van pakketten zoals bedoeld in bijlage E;

  • d.

    onderzoek ten behoeve van aanleg;

  • e.

    legeskosten ten behoeve van aanleg.

Artikel 51

Naast de in artikel 3 van de Subsidieverordening genoemde gevallen komen kosten die verband houden met de volgende activiteiten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    de bouw van opstallen;

  • b.

    de aanschaf van machines;

  • c.

    de aanschaf van materialen, anders dan ten behoeve van activiteiten als bedoeld in artikel 50;

  • d.

    de verwijdering van bodemverontreiniging of afval.

Artikel 52

Bij een aanvraag overeenkomstig de artikelen 43 en 44 wordt voor aanvragen met een oppervlakte tot één hectare de subsidie toegekend overeenkomstig de bijdragen zolas omschreven in bijalge F. Voor aanvragen van fijne dooradering met een oppervlakte groter dan één hectare en voor aanvragen met betrekking tot hoofdaders worden de inrichtingskosten verstrekt op basis van een gespecificeerde begroting of offerte.

5.2.2 Subsidieverlening en -vaststelling

Artikel 53

Indien voor een terrein of element subsidie wordt verleend ten behoeve van de aanleg van een pakket, dan vermeldt de beschikking in ieder geval:

  • a.

    in hoeverre het aanleg- en onderhoudsplan in uitvoering kan worden genomen;

  • b.

    het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, en

  • c.

    de datum waarop de periode, bedoeld in artikel 49, sub e, aanvangt;

  • d.

    het totaal aantal ha, m¹, m² of stuks per pakket waarvoor subsidie wordt verleend;

  • e.

    het betalingsritme van de voorschotten, in geval de subsidie betrekking heeft op de maatregel als bedoeld in artikel 4 sub a ten I.

Artikel 54

De datum, bedoeld in artikel 53 sub c, waarop het tijdvak aanvangt waarover subsidie wordt verleend, kan uitsluitend de eerste dag van de onderscheiden maanden van een jaar zijn.

Artikel 55

  • 1

    Binnen 8 weken na afloop van de vastgestelde periode overeenkomstig artikel 49, sub e, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot oplevering en subsidievaststelling in bij het Centraal Administratie Kantoor met gebruikmaking van een daartoe bestemd aanvraagformulier.

  • 2

    De aanvraag gaat vergezeld van een verklaring dat de maatregelen overeenkomstig de subsidieverlening zijn uitgevoerd.

5.2.3 Voorwaarden en verplichtingen

Artikel 56

Indien subsidie wordt verleend op grond van de artikelen 43 en 44, is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    de aanleg overeenkomstig het plan als bepaald bij de subsidieverlening uit te voeren en overeenkomstig de planning, bedoeld in artikel 49, sub e;

  • b.

    uiterlijk 8 weken na gehele of gedeeltelijke overdracht van de bevoegdheid tot gebruik en onderhoud van het betrokken terrein of element, schriftelijk daarvan melding te doen. De schriftelijke melding als bedoeld in sub b, wordt gedaan conform de aanvraagprocedure in artikel 34, via de veld- of themacoördinatie.

5.2.4 Betaling

Artikel 57

Bij een beschikking verstrekt Gedeputeerde Staten een voorschot op de subsidiebijdrage als bedoeld in artikel 53, sub e:

  • a.

    van 80% van het normbedrag, met een minimum van € 2.000,-- indien de beschikking betrekking heeft op de maatregel als bedoeld in artikel 4 sub a ten II, III en IV;

  • b.

    op basis van werkelijk gemaakte kosten en overeenkomstig het in de beschikking vastgestelde betalingsritme, indien de beschikking betrekking heeft op de maatregel als bedoeld in artikel 4 sub a ten I.

Artikel 58

Gedeputeerde Staten gaan over tot betaling van het voorschot:

  • a.

    als bedoeld in artikel 57, sub a, uiterlijk binnen 2 weken na het onherroepelijk worden van het besluit;

  • b.

    als bedoeld in artikel 57, sub b, overeenkomstig het in de beschikking vastgestelde betalingsritme en het besluit onherroepelijk is geworden.

Artikel 59

Indien niet is voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 56, sub a, kan Gedeputeerde Staten besluiten tot het beëindigen, verlagen of intrekken en terugvorderen van de subsidie, afhankelijk van de aard, schaal en duur van de overtreding.

5.3 Onderhoud

5.3.1 Algemeen

Artikel 60

Ten behoeve van de uitvoering van maatregelen, als bedoeld in artikel 4 sub a, kan een vergoeding worden verstrekt voor onderhoud van een pakket, indien:

  • a.

    de aanvraag in overeenstemming is met begrenzing en toepassing van het vastgestelde uitvoeringsprogramma en gebieds- of themacontract;

  • b.

    het betreffende terrein of element is gelegen op landbouwgrond of natuurterrein;

  • c.

    de aanvrager tevens dienstverlener is voor het betreffende terrein of element;

  • d.

    verschijningsvorm en/ of maatvoering van terrein of element overeenkomen met de voorschriften van desbetreffend pakket, en;

  • e.

    voor zover artikel 8 niet van toepassing is, én;

  • f.

    voor zover onderhoud, in de vorm van voorschriften, in de bijlagen B t/m E ook daadwerkelijk deel uitmaakt van desbetreffend pakket.

  • g.

    het element zich bevindt op het erf van een burgerwoning of niet agrarische bedrijfswoning, niet zijnde het erf van een agrarisch bedrijf of tuin.

Artikel 61

Voor aanvragen die betrekking hebben op het gestelde in artikel 60 geldt dat:

  • a.

    onderhoudsvergoeding wordt verstrekt voor een periode van drie jaar, én

  • b.

    wordt toegekend overeenkomstig de vergoedingen als omschreven in bijlage F.

5.3.2 Subsidieverlening en -vaststelling

Artikel 62

Indien voor een terrein of element, subsidie voor onderhoud wordt verleend, dan vermeldt de beschikking in ieder geval:

  • a.

    de ligging en maatvoering (ha/m¹/m²/stuks) van het terrein of element;

  • b.

    het doel van de subsidie, bestaande uit het gedurende het tijdvak onderhouden van het desbetreffende pakket conform de voorschriften;

  • c.

    de subsidiebijdrage per jaar;

  • d.

    de datum waarop het tijdvak waarover subsidie wordt verleend, aanvangt.

Artikel 63

De datum, bedoeld in artikel 62 sub d, waarop het tijdvak aanvangt waarover subsidie wordt verleend, kan uitsluitend de eerste dag van de onderscheiden maanden van een jaar zijn.

Artikel 64

  • 1

    Binnen 8 weken na afloop van een tijdvak, dient de subsidieontvanger een verzoek tot subsidievaststelling in bij het Centraal Administratie Kantoor, met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier.

  • 2

    De subsidieontvanger geeft in het verzoek aan in hoeverre het doel, bedoeld in artikel 62, sub b, is gerealiseerd.

  • 3

     In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de subsidie voor Actief Randenbeheer ambtshalve vastgesteld.

5.3.3 Voorwaarden en verplichtingen

Artikel 65

Indien subsidie wordt verleend op grond van de artikelen 60 en 61, is de subsidieontvanger, naast de in de artikelen 8 tot en met 13, 16 en 17 van de Subsidieverordening genoemde bepalingen, verplicht:

  • a.

    in de beschikking vermelde doelen, bedoeld in artikel 62, sub b, te realiseren;

  • b.

    uiterlijk 8 weken na gehele of gedeeltelijke overdracht van de bevoegdheid tot gebruik en onderhoud van het betrokken terrein of element, schriftelijk daarvan melding te doen. De schriftelijke melding als bedoeld in sub b, wordt gedaan conform aanvraagprocedure in artikel 34, via de veld- of themacoördinatie.

5.3.4 Betaling

Artikel 66

Bij een beschikking als bedoeld in artikel 62 wordt na afloop van ieder jaar, én binnen 8 weken, de vastgestelde jaarlijkse bijdrage, als voorschot uitbetaald door Gedeputeerde Staten, tenzij de aanvrager in het voorafgaande jaar de verplichtingen als bedoeld in artikel 65, of enig ander voorschrift in de beschikking tot subsidieverlening niet heeft nageleefd.

Artikel 67

De subsidie voor onderhoud wordt na afloop van het tijdvak vastgesteld overeenkomstig, met het bedrag dat voortvloeit uit de subsidieverlening voor het desbetreffende terrein. Indien niet is voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 65 kan Gedeputeerde Staten, behoudens in geval dat overdracht van de beschikking tot subsidieverlening en de daarbij behorende verplichtingen nog niet zijn over gedragen na overlijden van de dienstverlener, besluiten tot het beëindigen, verlagen of intrekken en terugvorderen van de subsidie, afhankelijk van de aard, schaal en duur van de overtreding.

5.4 Grond

5.4.1 Algemeen

Artikel 68

Ten behoeve van de uitvoering van de maatregelen, als bedoeld in artikel 4 sub a, kan een vergoeding worden verstrekt voor de inzet van grond, indien:

  • a.

    de aanvraag in overeenstemming is met begrenzing en toepassing van het vastgestelde uitvoeringsprogramma en gebieds- of themacontract;

  • b.

    het betreffende terrein of element is gelegen op landbouwgrond;

  • c.

    de aanvrager de voorschriften van desbetreffend pakket, zoals opgenomen in de bijlagen B t/m E in acht neemt, al dan niet door het ook aanvragen van een vergoeding voor aanleg, onderhoud, én;

  • d.

    voor zover artikel 8 niet van toepassing is, én;

  • e.

    voor zover waardedaling en/ of opbrengstderving deel uitmaken van de vergoedingen van het desbetreffende pakket (bijlage F), én;

  • f.

    rekening is gehouden met vergoedingen voor de inzet van diezelfde grond die worden aangevraagd of zijn verkregen bij het tot stand brengen of in standhouden van een ander pakket.

Artikel 69

Voor aanvragen die betrekking hebben op het gestelde in artikel 68 geldt dat de vergoeding voor de inzet van grond kan worden verstrekt op de grondslag van:

  • a.

    waardedaling, waarbij de totale vastgestelde waardedaling in één keer wordt uitgekeerd;

  • b.

    opbrengstderving, waarbij de vastgestelde pakketafhankelijke vergoeding jaarlijks én over een periode van drie jaar als een voorschot wordt uitgekeerd.

Artikel 70

Voor de afzonderlijke pakketten is in de bijlagen B t/m E aangegeven in hoeverre en op welke wijze het planologisch en/ of functioneel zekerstellen van het nieuwe of aangepaste grondgebruik een voorwaarde is. In de vergoedingsystematiek wordt naar aanleiding hiervan de vergoeding voor de inzet van grond gebaseerd op waardedaling van de grond of op opbrengstderving.

Artikel 71

Bij de toepassing van een pakket, wordt de vergoeding voor de inzet van grond voor het desbetreffende terrein of element gebaseerd op de volgende grondslagen:

  • a.

    waardedaling van de grond, indien sprake is van een definitief én geheel gewijzigd grondgebruik, de eigenaar direct een kwalitatieve verplichting, overeenkomstig een door het Centraal Administratie Kantoor te verstrekken model, voor het nieuwe grondgebruik aangaat;

  • b.

    opbrengstderving, indien het terrein of element na het verlopen van de beschikking weer de oorspronkelijke (agrarische) bestemming en gebruik kan verkrijgen;

Artikel 72

Ten behoeve van de uitvoering van de maatregel als bedoeld in artikel 4 sub a ten II, kan op verzoek van de subsidieontvanger een reeds afgegeven beschikking op grond van opbrengstderving, als bedoeld in artikel 71, sub b, worden omgezet in een nieuwe beschikking op grond van waardedaling, als bedoeld in artikel 71, sub a, mits de voorschriften voor het desbetreffende pakket dit toelaten en Gedeputeerde Staten de mening is toegedaan dat sprake is van omstandigheden die een vroegtijdig omzetting rechtvaardigen.

Artikel 73

In geval artikel 40 van toepassing is, wordt als subsidieontvanger en eindbegunstigde van de vergoeding aangemerkt:

  • a.

    dienstverlener, indien en voor zover de vergoeding is vastgesteld op de grondslag van opbrengstderving als omschreven in artikel 71, sub b;

  • b.

    de eigenaar, niet zijnde een publiek rechtelijk rechtspersoon, indien en voor zover de vergoeding is vastgesteld op de grondslag van waardedaling als omschreven in artikel 71, sub a.

5.4.2 Subsidieverlening en -vaststelling

Artikel 74

Indien voor een terrein of element, subsidie wordt verleend ten behoeve van de inzet van grond, dan vermeldt de beschikking in ieder geval:

  • a.

    de ligging en maatvoering (ha/m²) van het terrein of element;

  • b.

    het doel van de subsidie, bestaande uit het gedurende het tijdvak inzetten van gronden voor de toepassing van desbetreffende pakket;

  • c.

    de gehanteerde grondslag (waardedaling of opbrengstderving);

  • d.

    de subsidiebijdrage voor waardedaling of opbrengstderving, met onderscheid naar eindbegunstigde(n) als bedoeld in artikel 40;

  • e.

    de datum waarop het tijdvak waarover subsidie wordt verleend, aanvangt.

Artikel 75

De datum, bedoeld in artikel 74, sub e, waarop het tijdvak aanvangt waarover subsidie voor de inzet van grond wordt verleend, kan uitsluitend de eerste dag van de onderscheiden maanden van een jaar zijn.

Artikel 76

Binnen 3 maanden na afloop van een tijdvak, dient de subsidieontvanger met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier, een aanvraag tot subsidievaststelling in, bij het Centraal Administratie Kantoor. De subsidieontvanger geeft in de aanvraag aan in hoeverre het doel, bedoeld in artikel 74, sub a en b, is gerealiseerd.

Artikel 77

De subsidie voor grond wordt voor het tijdvak vastgesteld overeenkomstig, op het bedrag dat voortvloeit uit de subsidieverlening voor het desbetreffende terrein.

5.4.3. Voorwaarden en verplichtingen

Artikel 78

Indien subsidie wordt verleend op grond van artikel 74, is de subsidieontvanger, naast de in de artikelen 8 tot en met 13, 16 en 17 van de Subsidieverordening genoemde bepalingen, verplicht:

  • a.

    in de beschikking vermelde doelen, bedoeld in artikel 74, sub b, te realiseren;

  • b.

    van omstandigheden als gevolg waarvan het redelijkerwijs niet mogelijk is te voldoen aan de verplichting, bedoeld in sub a, binnen 30 werkdagen nadat de subsidieontvanger redelijkerwijs op de hoogte kan zijn, schriftelijk melding te doen;

  • c.

    uiterlijk 8 weken na gehele of gedeeltelijke overdracht van de bevoegdheid tot gebruik en onderhoud van het betrokken terrein of element, schriftelijk daarvan melding te doen. De schriftelijke melding als bedoeld in sub c en d, wordt gedaan conform aanvraagprocedure in artikel 38, via de veld- of themacoördinatie.

Artikel 79

Subsidie voor waardedaling als bedoeld in artikel 71, sub a, wordt verstrekt onder de voorwaarde dat binnen 14 maanden na de datum van afgifte van de beschikking tot subsidieverlening:

  • a.

    een overeenkomst tussen degene aan wie de grond toebehoort en Gedeputeerde Staten, tot stand komt waarin is opgenomen:

    • i.

        de verplichting van degene aan wie de grond toebehoort de desbetreffende landbouwgrond niet te gebruiken of te doen gebruiken met het oog op de uitoefening van de landbouw, en overigens datgene na te laten wat de ontwikkeling of instandhouding van het betrokken pakket op de desbetreffende grond in gevaar brengt of verstoort;

    • ii.

        dat die verplichting zal overgaan op degenen die de grond onder bijzondere titel zullen verkrijgen en ook dat degene die van de rechthebbende een recht tot gebruik verkrijgen hieraan gebonden zijn, en;

  • b.

    dat de overeenkomst zal worden ingeschreven in de openbare registers. De kosten voor inschrijving in de openbare registers komen voor rekening van de provincie.

5.4.4 Betaling

Artikel 80

Bij een beschikking wordt door Gedeputeerde Staten, na afloop van ieder jaar, binnen 8 weken, de (jaarlijkse) bijdrage voor opbrengstderving als voorschot én overeenkomstig artikel 73 uitbetaald, tenzij de aanvrager in het voorafgaande jaar de verplichtingen als bedoeld in artikel 78, of enig ander voorschrift in de beschikking tot subsidieverlening niet heeft nageleefd.

 Artikel 81

De subsidie voor de inzet van grond wordt, in het geval deze is gebaseerd op waardedaling als bedoeld in artikel 71, sub a vastgesteld op de in de beschikking genoemde bijdrage tenzij niet is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 79.

In geval de vergoeding is gebaseerd op opbrengstderving als bedoeld in artikel 71, sub b, wordt de subsidie voor de inzet van grond, vastgesteld overeenkomstig artikel 77. Indien niet is voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 78, sub a, wordt op de bijdrage in mindering gebracht:

  • a.

    100%, indien de inzet van grond voor meer dan 20% niet is gerealiseerd of teniet wordt gedaan;

  • b.

    tweemaal het percentage waarmee de inzet van grond niet is gerealiseerd of teniet is gedaan, indien de inzet van grond voor minder dan 20%, maar voor meer dan 10% niet is gerealiseerd of teniet wordt gedaan;

  • c.

    het percentage waarmee de inzet van grond niet is gerealiseerd of teniet is gedaan, indien de inzet van grond voor minder dan 10% niet is gerealiseerd of teniet wordt gedaan.

5.5 Cursussen en training

5.5.1 Algemeen

Artikel 82

Vervallen

Artikel 83

Vervallen

5.5.2 Subsidieverlening en -vaststelling

Artikel 84

Vervallen

Artikel 85

Vervallen

5.5.3 Voorwaarden en verplichtingen

Artikel 86

Vervallen

5.5.4 Betaling

Artikel 87

Vervallen

Artikel 88

Vervallen

5.6 Wijziging en intrekking

Artikel 89

Een verzoek tot wijziging van de beschikking voor aanleg, onderhoud en/ of inzet van grond kan worden gedaan met het oog op het willen vergroten van het terrein of element waarvoor de verbintenis is aangegaan.

Artikel 90

Een verzoek als bedoeld in artikel 89 kan gedurende het tijdvak van de beschikking éénmaal per jaar worden gedaan, met uitzondering van het eerste jaar, en kan voor subsidieverlening in aanmerking komen, indien:

  • a.

    de uitbreiding gunstig is wat de toepassing van de betrokken maatregel betreft;

  • b.

    de uitbreiding is gerechtvaardigd uit het oogpunt van de aard van de verbintenis, de duur van de resterende looptijd en de omvang van de extra oppervlakte;

  • c.

    de uitbreiding geen afbreuk doet aan een doeltreffende controle op de naleving van de voor de steunverlening geldende voorwaarden.

Artikel 91

  • 1

    In het geval, bedoeld in artikel 90, sub a, zijn de bepalingen omtrent maatvoering (lengte, breedte, oppervlak), zoals opgenomen in de voorschriften van het desbetreffende pakket, voor het toe te voegen terrein of element, niet van toepassing.

  • 2

    De artikelen 1 en 34 tot en met 40 zijn overeenkomstig van toepassing in het geval van artikel 90, sub a.

Artikel 92

De subsidie voor onderhoud en inzet van grond, als bedoeld in artikel 89, wordt in afwijking van artikel 61, sub a, en artikel 69, naar evenredigheid verleend en vastgesteld voor het resterende deel van het tijdvak waarvoor reeds subsidie was verleend.

Artikel 93

In geval op grond van de onderhavige subsidieregeling subsidie is verleend ten behoeve van een terrein of element, waarvan het duurzaam gebruiksrecht van de subsidieontvanger overgaat op een derde gedurende het tijdvak genoemd in de beschikking, dan wordt met ingang van de dag waarop het recht is overgegaan, de subsidieverlening ingetrokken, voor zover deze betrekking heeft op:

  • a.

    aanleg als bedoeld in paragraaf 5.2;

  • b.

    onderhoud als bedoeld in paragraaf 5.3;

  • c.

    inzet van grond - waardedaling - als bedoeld in artikel 71, sub a;

  • d.

    inzet van grond - opbrengstderving - als bedoeld in artikel 71, sub b.

Artikel 94

In geval van intrekking uit hoofde van:

  • a.

    artikel 93, sub a, b en d, wordt in afwijking van artikel 65, sub a en artikel 78, sub a, de te verlenen subsidie aan de subsidieontvanger, ambtshalve vastgesteld over het tijdvak tot aan het moment van overdracht, en naar evenredigheid ten opzichte van de subsidiebijdrage als genoemd in de beschikking;

  • b.

    artikel 93, sub c, wordt de subsidie vastgesteld op de totale bijdrage voor waardedaling als genoemd in de beschikking, en uitbetaald aan de huidige subsidieontvanger.

Artikel 95

In uitzondering op artikel 93 kan in geval subsidie is verleend voor aanleg, onderhoud of de inzet van grond, en het duurzaam gebruiksrecht van een terrein of element gaat gedurende het tijdvak van de subsidieontvanger over op een derde, de desbetreffende beschikking worden gewijzigd in een beschikking aan deze derde, indien deze, uiterlijk 8 weken na de datum waarop het recht is overgegaan, in een gericht schrijven aan het Centraal Administratie Kantoor, verklaart te treden in de aan de subsidieverlening verbonden rechten en plichten, waarvan de wijziging uit hoofde van dit artikel van kracht zal zijn.

Artikel 96

In geval subsidie is verleend met betrekking tot een terrein of element, waarvan het duurzaam gebruiksrecht berust bij een natuurlijk persoon die komt te overlijden gedurende het tijdvak waarover subsidie is verleend, gaat de desbetreffende subsidieverlening over op de wettelijke erfgenamen dan wel de gerechtigde bij testament, tenzij deze uiterlijk drie maanden na het overlijden schriftelijk verzoeken om vaststelling en stopzetting. Dit verzoek wordt gedaan aan het Centraal Administratie Kantoor, via de veldcoördinatie.

Artikel 97

Stopzetting als bedoeld in artikel 96, en vaststelling van de subsidiebijdrage vindt plaats, met ingang van de dag, volgend op de dag van overlijden en op overeenkomstige wijze als bedoeld in artikel 94.

Artikel 98

In geval subsidie is verleend in het kader van de onderhavige subsidieregeling met betrekking tot grond die wordt onteigend of wordt verkocht aan een overheidsdienst ten behoeve van de realisatie van een maatschappelijk doel, gedurende het tijdvak waarover subsidie is verleend, wordt de desbetreffende subsidieverlening ingetrokken met ingang van de dag waarop het besluit tot onteigening of verkoop van de betrokken grond onherroepelijk is.

Artikel 99

In geval van intrekking uit hoofde van artikel 98, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld over het tijdvak tot aan het moment waarop het besluit tot onteigening of verkoop onherroepelijk werd, en conform artikel 92.

Artikel 100

Onverschuldigd betaalde subsidies en voorschotten worden teruggevorderd vermeerderd met de wettelijke rente tot de datum van ontvangst van de teruggevorderde bedragen. De wettelijke rente wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugbetalingsverplichting aan degene die de subsidie ontvangen heeft en de terugbetaling of verrekening.

5.7 werken ten algemene nutte

Artikel 101

Indien sprake is van een werk ten algemene nutte, als gevolg waarvan niet meer aan verplichtingen uit de subsidieverlening kan worden voldaan, wordt de te verlenen subsidie aan de subsidieontvanger, ambtshalve vastgesteld over het tijdvak tot aan het moment waarop niet meer aan de verplichting kan worden voldaan, en naar evenredigheid ten opzichte van de subsidiebijdrage als genoemd in de beschikking.

Artikel 102

Een aanvraag tot wijziging van een beschikking tot subsidieverlening die leidt tot verkleining van het areaal van de aanvrager ten behoeve waarvan subsidie wordt verstrekt wordt slechts gehonoreerd indien de verkleining het gevolg is van de uitvoering van een werk van algemene nutte.

Artikel 103

Indien sprake is van een werk ten algemene nutte met een tijdelijk karakter kan een ontheffing worden verkregen voor het nakomen van verplichtingen als genoemd in de beschikking tot subsidieverlening;

  • a.

    voor een periode van 6 maanden, tenzij een ontheffing voor langere periode redelijk is;

  • b.

    en indien een verzoek tot tijdelijke ontheffing voor aanvang van het werk schriftelijk is gedaan bij Centraal Administratie Kantoor.

Artikel 104

Indien sprake is van een tijdelijke ontheffing als bedoeld in artikel 103, wordt de subsidiebijdrage aan het einde van het tijdvak bij de subsidievaststelling naar evenredigheid verlaagd.

6. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 105

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze subsidieregeling bepaalde worden door Gedeputeerde Staten, aan te wijzen personen of instanties belast.

Artikel 106

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd, al dan niet onder het stellen van nadere voorwaarden, artikelen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing gelet op het belang daarvan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 107

Voor beschikkingen afgegeven op basis van de Subsidieregeling het Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant, gebaseerd op opbrengstderving, geldt de verplichting van artikel 16 van de Subsidieverordening niet.

Artikel 108

Subsidie op grond van deze subsidieregeling kan eerst formeel worden verstrekt nadat de Commissie van de Europese Gemeenschappen ingevolge de artikelen 87 en 88 EG verklaart geen bezwaar te hebben tegen de toepassing van deze subsidieregeling.

Artikel 109

Het ‘Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant Onderdeel Diensten’ wordt ingetrokken. Op aanvragen om subsidie en subsidies die verleend of vastgesteld zijn op grond van die subsidieregeling, blijft die subsidieregeling van toepassing.

Artikel 110

Deze subsidieregeling treedt in werking met ingang van de dag, volgend op die, waarop zij in het Provinciaal Blad wordt gepubliceerd.

Artikel 111

Deze subsidieregeling kan worden aangehaald de subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant.

's-Hertogenbosch, 16 december 2008

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter J.R.H. Maij-Weggen

de secretaris drs. W.G.H.M. Rutten