• Geldig sinds 25 december 2002.

    Print deze versie:

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingBeleidsnota Wegenbeheer, Module A2, Voorzieningen voor openbaar en collectief vervoer
CiteertitelBeleidsnota Wegenbeheer, Module A2, Voorzieningen voor openbaar en collectief vervoer
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpruimtelijke ordening, verkeer en vervoer
Eigen onderwerpverkeer en vervoer, wegen

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Algemene wet bestuurstrecht, art. 4:81

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

25-12-2002nieuwe regeling

19-12-2002

Provinciaal Blad, 2002, 209

Onbekend.

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsnota Wegenbeheer, Module A2, Voorzieningen voor openbaar en collectief vervoer

De Gedeputeerde Staten stellen de Beleidsnota wegenbeheer - voorzieningen voor openbaar en collectief vervoer vast.

 

§ 1 Inleiding

De provincie voert een ondersteunende en stimulerende rol bij de realisering van nieuwe voorzieningen ten behoeve van het openbaar of collectief vervoer, zoals bushalteplaatsen en carpoolplaatsen. Dat gebeurt in nauwe samenwerking met de betrokken gemeente en het openbaar vervoersbedrijf. Afspraken over de aard en omvang van de aan te leggen voorzieningen en over de verdeling van taken, kosten en verantwoordelijkheden, zijn noodzakelijk voorafgaand aan de uitvoering van de werken. Daartoe worden overeenkomsten gesloten met de betrokken gemeente en met het openbaar vervoersbedrijf. In de voorzieningen voor het openbaar vervoer is een onderscheid tussen enkelvoudige bushaltes en omvangrijke voorzieningen (busbaan, overstapstation met carpoolplaats e.d.).

§ 2 Enkelvoudige bushaltes.

De aanleg van halteplaatsen, de plaatsing van abri's, verlichting etc. laat de provincie "meeliften" bij de uitvoering van werken aan haar wegen. Ook kan een situatie bestaan, waarbij de provincie, als het provinciaal openbaar vervoerbeleid dat vereist, voorzieningen aan of langs haar wegen realiseert zonder dat sprake is van andere reconstructiewerken. Het onderhoud van de opstelplaats van de bus wordt in principe door en voor rekening van de provincie uitgevoerd. Het onderhoud van de bijkomende lokale voorzieningen zoals voetgangersperron, abri, fietsenstalling, verlichting, afvalvoorzieningen etc. is niet zozeer een taak voor de wegbeheerder. Het ligt meer in de rede dat dit onderhoud uitgevoerd wordt door en voor rekening van de betrokken gemeente.

§ 3 Omvangrijke voorzieningen.

De functie van de provincie bestaat voornamelijk uit het stimuleren en initiëren van projecten en kan tot gevolg hebben dat de provincie participeert in de financiering van de aanleg van de voorzieningen. Bij de uitvoering van onderdelen van het provinciaal beleid zoals jaarlijks wordt vastgelegd in notities "Projecten Mobiliteit", neemt de provincie een deel van de aanlegkosten voor haar rekening.

Betrokkenheid gemeenten.

In het algemeen zal in de overeenkomst met de gemeente worden vastgelegd dat zij de zorg draagt voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van het busstation met alle daarbij behorende voorzieningen (wachtruimte, parkeergelegenheid, fietsenstallingen, taxistandplaatsen etc.). Uitgangspunt hierbij is dat de partij die het beheer en onderhoud op zich neemt ook de zorg draagt voor de voorbereiding en uitvoering. Voorzieningen aan de provinciale weg zelf (in- en uitvoegstroken en opstelplaatsen) worden door de provincie gerealiseerd. Dit geldt tevens voor voorzieningen aan provinciale verkeersregelinstallaties ten behoeve van een vlotte doorstroming van het openbaar vervoer (VETAG-systeem). Deze worden altijd door de provincie aangelegd, beheerd en onderhouden. Voorts zal de provincie de aanleg op zich willen nemen indien een bepaald project ten behoeve van het openbaar vervoer efficiënt gecombineerd kan worden met een provinciaal project.

Betrokkenheid openbaar vervoermaatschappijen.

De provincie wil voorkomen dat er geld wordt geïnvesteerd in een werk dat - door een wijziging in de lijnvoering - na korte tijd niet meer gebruikt wordt. Van het openbaar vervoersbedrijf wordt dan ook een garantie verlangd dat de voorziening gedurende een bepaalde termijn in gebruik zal zijn. De bedoelde termijn wordt gekoppeld aan de hoogte van de provinciale bijdrage (I), inclusief BTW, in de werken:

  • -

    5 jaar als I minder is dan € 45.378,--;

  • -

    10 jaar als I ligt tussen de € 45.378,-- en € 453.780,--;

  • -

    15 jaar als I meer is dan € 453.780,--.

Indien de vervoersmaatschappij uit eigen beweging de exploitatie van de voorziening binnen die termijn staakt, is de vervoersmaatschappij gehouden tot het aan de provincie terugbetalen van een percentage van de provinciale investering. De hoogte van het terug te betalen bedrag wordt gerelateerd aan het aantal jaren dat de voorziening eerder wordt gestaakt dan de overeengekomen termijn. Voorbeeld: een vervoersmaatschappij die het gebruik van een voorziening na 3 jaar beëindigt, terwijl de provincie € 226.890,-- bijdroeg, is gehouden tot het terugbetalen van 7/10 van € 226.890,--. Ook worden dan de kosten voor het verwijderen van de voorziening geheel of gedeeltelijk in rekening gebracht. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven kan, in overleg tussen partijen, een regeling worden getroffen op grond waarvan de te betalen vergoeding lager is dan hierboven aangegeven. Deze garantieregeling wordt vastgelegd in een overeenkomst. Op grond van deze overeenkomst neemt de provincie de verplichting op zich zoveel mogelijk rekening te houden met de belangen van het openbaar vervoersbedrijf. Tegelijkertijd worden met het betrokken openbaar vervoersbedrijf afspraken over de aard en omvang van het specifiek project vastgelegd.

§ 4 Carpoolplaatsen.

In het Carpoolplaatsenplan Noord-Brabant zijn de uitgangspunten inzake de aanleg, financiering en het beheer en onderhoud aangegeven. In genoemde nota is bepaald dat het beheer en onderhoud van een carpoolplaats berust bij de beheerder van de weg waarop de carpoolplaats is aangesloten. Voordat een carpoolplaats wordt aangelegd, is het sluiten van een overeenkomst tussen de aanlegger en de toekomstige onderhoudsplichtige voor wat betreft aanleg, financiering, eigendom, beheer en onderhoud, noodzakelijk.

Aldus besloten in de vergadering van 19 december 2002