• Geldig sinds 01 september 2009.
    Geldig tot 21 juli 2016.

    Print deze versie:

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Subsidieverordening jeugdbeleid Noord-Brabant 2009

Provinciale Staten van Noord-Brabant

Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten d.d. 7 april 2009, nr. 15/09 A inzake Subsidieverordening jeugdbeleid Noord-Brabant 2009;

Gelet op artikel 143 van de Provinciewet;

Gelet op artikel 41 van de Wet op de jeugdzorg;

Gelet op titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

Gezien het advies van de Commissie ZWC d.d. 29 mei 2009;

Overwegende dat de provincie jaarlijks van het Rijk een uitkering ontvangt ten behoeve van de jeugdzorg;

Overwegende dat Provinciale Staten bij verordening regels dienen vast te stellen omtrent de subsidiëring van de jeugdzorg;

Overwegende dat volgens de Wet op de jeugdzorg in ieder geval subsidie wordt verleend voor de taken van Bureau Jeugdzorg, voor de uitvoering van jeugdzorg door zorgaanbieders en voor de werkzaamheden van de cliëntvertrouwenspersonen;

Overwegende dat Provinciale Staten het provinciaal beleidskader Brabant investeert in jeugd 2009-2012 hebben vastgesteld op 7 november 2008, waarin is aangegeven dat het jeugdbeleid is gericht op de kerndoelen ‘goede en efficiënte hulp’ en ‘stelsel in balans’;

Overwegende dat Provinciale Staten naast de hiervoor genoemde wettelijk verplichte subsidiëring eveneens een subsidiegrondslag willen bieden voor subsidies ten behoeve van overige activiteiten die passen binnen het provinciaal jeugdbeleid zoals cliëntparticipatie, innovatie in de jeugdzorg en aansluiting met andere zorgvoorzieningen voor jeugdigen;

Overwegende dat Provinciale Staten met de hiervoor genoemde subsidies willen bijdragen aan de doelstelling van de jeugdzorg om belemmeringen in de ontwikkeling van jeugdigen en hun opvoeding op te lossen, te verminderen of te compenseren, zodat een gezonde, evenwichtige uitgroei van jeugdigen tot volwassenen plaatsvindt, die zij zelfstandig of met steun van basisvoorzieningen kunnen volbrengen.

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN   

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Bureau Jeugdzorg: Bureau Jeugdzorg in de provincie Noord-Brabant.

  • b.

    HKZ-certificering jeugdzorg: certificering voor jeugdzorg door de Stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling Zorgsector.

  • c.

    indicatiebesluit: besluit als bedoeld in artikel 6 Wet op de jeugdzorg, waarin door Bureau Jeugdzorg is aangegeven dat een cliënt aanspraak heeft op jeugdzorg ingevolge de Wet op de jeugdzorg.

  • d.

    meerjarenafspraak: subsidieafspraak, geldend voor meerdere jaren, waarbij de subsidieontvanger expliciet heeft ingestemd met de subsidievoorwaarden.

  • e.

    zorgaanbod: diverse vormen van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, sub b, van de Wet op de jeugdzorg en de artikelen 2 tot en met 6 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.

Artikel 2. Reikwijdte

  • 1

    Subsidies worden verstrekt voor activiteiten op het terrein van de jeugdzorg, welke volgens de Wet op de jeugdzorg worden gefinancierd met subsidie van de provincie.

  • 2

    Subsidies kunnen eveneens worden verstrekt voor activiteiten die passen binnen het provinciaal jeugdbeleid, zoals benoemd in het provinciaal beleidskader jeugd en het jaarlijks door Gedeputeerde Staten vast te stellen uitvoeringsprogramma jeugd. 

Artikel 3. Delegatie

  • 1

    Provinciale Staten stellen jaarlijks in het kader van de begrotingsbehandeling de budgetten vast die voor subsidiëring beschikbaar zijn.

  • 2

    Door Gedeputeerde Staten kunnen met inachtneming van de desbetreffende begrotingsposten, gespecificeerd naar de desbetreffende subsidiecategorieën, subsidieplafonds worden vastgesteld.

  • 3

    Door Gedeputeerde Staten kunnen krachtens hierbij verleende delegatie van verordenende bevoegdheid nadere regels, dan wel beleidsregels worden gesteld betreffende:

     

    • a.

      De precisering van de subsidiabele activiteiten;

    • b.

      de bekostigingssystematiek;

    • c.

      de procedure inzake toetsing van zorgaanbieders, die nog geen jeugdzorg uitvoeren op basis van subsidie van de provincie Noord-Brabant;

    • d.

      de precisering van vereisten aan het jeugdzorgaanbod;

    • e.

      de uitwerking van het beoordelingskader voor de subsidieaanvragen en de prestatie-indicatoren die worden gehanteerd;

    • f.

        de wijze waarop subsidie wordt verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, tweede lid;

    • g.

      de uiterste data waarop subsidie-aanvragen, aanvragen tot vaststelling van subsidie en tussentijdse rapportages moeten zijn ingediend;

    • h.

      vormvoorschriften voor de subsidie-aanvraag, de verantwoording, de accountantscontrole, de aanvraag tot vaststelling van subsidie, tussentijdse rapportages en andere over te leggen documenten;

    • i.

        voorwaarden die worden verbonden aan subsidieverlening, zoals afschrijvingstermijnen en registratievereisten;

    • j.

        de toetsing van beheers- en beleidsplannen betreffende bestemmingsreserves.

  • 4

    Door of namens Gedeputeerde Staten kan subsidie worden verleend op grond van deze verordening, voor zover de in de provinciebegroting voor dat doel opgenomen gelden toereikend zijn en met inachtneming van door Provinciale Staten ter zake gestelde beperkingen.

  • 5

    De bevoegdheid van Gedeputeerde Staten als bedoeld in het vierde lid omvat mede het nemen van de volgende besluiten:

     

    • a.

      vaststelling van subsidies;

    • b.

      intrekking of wijziging van subsidiebeschikkingen;

    • c.

      verlening van voorschotten;

    • d.

      betaling van voorschotten of subsidiebedragen;

    • e.

      betaling van subsidiebedragen in gedeelten;

    • f.

        opschorting van de verplichting tot betaling van voorschotten of subsidiebedragen;

    • g.

      terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten en subsidiebedragen;

    • h.

      alle overige terzake van subsidiëring te nemen uitvoeringsbesluiten, waaronder het beslissen op bezwaarschriften tegen subsidiebesluiten.

  • 6

    Gedeputeerde Staten kunnen de bevoegdheden als bedoeld in het vierde en vijfde lid, met uitzondering van beslissingen op bezwaarschriften, mandateren aan koepelorganisaties of verdeelinstellingen en aan bestuursorganen werkzaam op het desbetreffende beleidsterrein.

Artikel 4. Verplichtingen ter voorkoming kruissubsidiëring

De subsidieontvanger, die tevens economische activiteiten verricht die niet met publieke middelen worden gefinancierd, houdt een boekhouding aan waarin vermogens van publieke en private herkomst afzonderlijk verantwoord worden.

Artikel 5. Baten- en lastenstelsel en begrotingsvoorbehoud

  • 1

    Indien subsidie wordt aangevraagd voor activiteiten die plaatsvinden in meerdere kalenderjaren, wordt in de aanvraag vermeld in welk jaar welk deel van de prestaties geleverd wordt.

  • 2

    De subsidieontvanger stelt Gedeputeerde Staten onverwijld schriftelijk in kennis van stagnatie of wijzigingen in de uitvoering of andere feiten waardoor de uitvoering in gevaar komt, wordt vertraagd of wordt versneld.

  • 3

    Indien de subsidie-ontvanger in een subsidiejaar minder prestaties heeft kunnen realiseren dan waarvoor subsidie is verleend, deelt de subsidieontvanger dit schriftelijk mee aan Gedeputeerde Staten voor 31 januari van het jaar, volgend op het subsidiejaar.

  • 4

    Het doorschuiven van prestaties of activiteiten en de hieraan gebonden niet bestede middelen naar een volgend jaar is niet toegestaan, tenzij Gedeputeerde Staten hier toestemming voor hebben gegeven.

  • 5

    Indien een subsidieontvanger prestaties of activiteiten en de hieraan gebonden middelen wil doorschuiven naar een volgend jaar, kan hij hiervoor een aanvraag indienen bij Gedeputeerde Staten tot uiterlijk 31 januari van het jaar volgend op het subsidiejaar met daarbij een inhoudelijke en financiële door het bestuur gewaarmerkte rapportage voorzien van een bestuursverklaring.

  • 6

    Voorzover een subsidie wordt verleend ten laste van een begroting die nog niet door Provinciale Staten is goedgekeurd, gebeurt dit onder voorbehoud van goedkeuring van de begroting door Provinciale Staten.

Artikel 6. Bestemmingsreserves 

  • 1

    Het vormen van bestemmingsreserves is toegestaan op voorwaarde dat er een beheers- en beleidsplan aan ten grondslag ligt dat is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten.

  • 2

    Het beheers- en beleidsplan dient deel uit te maken van de subsidieaanvraag.

  • 3

    Het beheers- en beleidsplan wordt zo mogelijk in samenhang met een meerjarenafspraak vastgesteld.

  • 4

    De maximumhoogte van de bestemmingsreserve is afhankelijk van de aangegeven maximumstand in het beheers- en beleidsplan.

  • 5

    In geval van ontoelaatbare toevoegingen van overschotten aan reserves vindt terugvordering dan wel verrekening van verstrekte subsidies of voorschotten plaats.

 Artikel 7. Egalisatiereserve

  • 1

    Bureau Jeugdzorg en zorgaanbieders vormen een subsidie-egalisatiereserve indien zij beschikken over positieve exploitatiesaldi, voor zover bestaande uit provinciale jeugdzorgsubsidie.

  • 2

    De subsidie-egalisatiereserve mag alleen worden besteed om eventuele exploitatietekorten betreffende jeugdzorg in andere subsidiejaren te dekken.

  • 3

    Indien de subsidie-egalisatiereserve niet toereikend is om een exploitatietekort te dekken, dan wordt het resterende exploitatietekort in een termijn van maximaal 5 jaren ten laste van de exploitatie afgeschreven.

  • 4

    De subsidie-egalisatiereserve van jeugdzorgaanbieders bedraagt maximaal 10% van de voor dat jaar vastgestelde provinciale jeugdzorgsubsidie.

  • 5

    De subsidie-egalisatiereserve van Bureau Jeugdzorg bedraagt maximaal 5% van de voor dat jaar vastgestelde provinciale jeugdzorgsubsidie.

  • 6

    Indien de subsidie-egalisatiereserve in enig jaar meer bedraagt dan het hiervoor genoemde maximum, dan wordt het meerdere boven dit maximum in mindering gebracht op de provinciale jeugdzorgsubsidie. 

Artikel 8. Vermogensvorming

  • 1

    In de gevallen bedoeld in artikel 4:41, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht, is de subsidieontvanger aan de provincie Noord-Brabant een vergoeding verschuldigd, welke bij afzonderlijke beschikking van Gedeputeerde Staten wordt vastgesteld.

  • 2

    De vergoeding bedraagt maximaal het aandeel van de provincie in de vermogensvorming.

  • 3

    Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de economische waarde van de eigendommen en de andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van eigendommen wordt uitgegaan van het bedrag, dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen.

  • 4

    Indien de bepaling van de waarde als bedoeld in het vorige lid een onroerende zaak betreft, geschiedt die waardebepaling door één of drie door Gedeputeerde Staten in overleg met de subsidieontvanger aan te wijzen onafhankelijke deskundigen.

  • 5

    Gedeputeerde Staten kunnen op een daartoe strekkend verzoek van de subsidieontvanger besluiten dat geen vergoeding is vereist, indien de activiteiten of werkzaamheden van de subsidieontvanger worden overgenomen en voortgezet door een rechtpersoon met een gelijke of nagenoeg gelijke doelstelling en de activa en passiva tegen boekwaarde worden overgenomen.

  • 6

    Ingeval sprake is van ontbinding van een rechtspersoon die subsidie heeft ontvangen, dan wel van naar het oordeel van Gedeputeerde Staten kennelijke beëindiging van de activiteiten waarbij de instelling naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet in staat is de eventueel resterende gelden of (on)roerende zaken in overeenstemming met de doelstelling van de subsidieontvanger aan te wenden, wordt het positieve liquidatiesaldo bij voorrang ter beschikking gesteld aan de provincie Noord-Brabant, indien en voor zover een eventueel batig saldo van de door een accountant als bedoeld in artikel 2:393, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek opgestelde (liquidatie)rekening dat toelaat.

Artikel 9. Meerjarenafspraak

  • 1

    Gedeputeerde Staten kunnen met een subsidieontvanger een meerjarenafspraak maken ten behoeve van de continuïteit van de jeugdzorg.

  • 2

    Een meerjarenafspraak kan worden gemaakt voor een periode van maximaal vier jaar.

  • 3

    In geval van een meerjarenafspraak wordt subsidie verstrekt per kalenderjaar, rekening houdend met de met de aanvrager gemaakte meerjarenafspraak.

  • 4

    Voorafgaand aan de periode waarvoor de meerjarenafspraak wordt gemaakt, sturen Gedeputeerde Staten de aanvrager, zonodig na voorafgaand overleg, een concept meerjarenafspraak waarin tenminste is opgenomen:

    • a.

      de hoogte van het budget voor het eerste jaar van de periode waarop de meerjarenafspraak betrekking heeft;

    • b.

      een omschrijving van de doelstelling en activiteiten waarvoor de meerjarenafspraak geldt, aangevuld met een aanduiding van de omvang van de door de aanvrager te verrichten activiteiten en bijbehorende prestaties;

    • c.

      de wijze waarop de hoogte van het subsidiebedrag wordt bepaald;

    • d.

      overige voorwaarden en verplichtingen waaronder subsidieverstrekking zal plaatshebben.

  • 5

    Indien de aanvrager instemt met de concept meerjarenafspraak, zendt hij deze ondertekend terug.

  • 6

    Indien de aanvrager niet instemt met de concept meerjarenafspraak, kan hij vóór een in dat concept aangegeven datum en op een daarbij aangegeven wijze zijn zienswijze kenbaar maken.

Artikel 10. Wijziging of beëindiging meerjarenafspraak

  • 1

    Gedeputeerde Staten kunnen besluiten tot tussentijdse wijziging of beëindiging van de meerjarenafspraak voor het resterende gedeelte van de overeengekomen periode, ingeval:

    • a.

      de financiële positie van de Provincie daartoe aanleiding geeft of de hoogte van de uitkering van het Rijk aan de provincie betreffende jeugdzorg;

    • b.

      uit tussenliggende rapportages of anderszins blijkt dat de subsidieontvanger niet of in onvoldoende mate voldoet aan de in de meerjarenafspraak opgenomen voorwaarden;

    • c.

      uit deskundige informatie blijkt dat geen sprake is van verantwoorde zorg;

    • d.

      de subsidieontvanger is of wordt opgeheven of verkeert in faillissement of surséance van betaling is verleend;

    • e.

        zich zodanige andere ontwikkelingen voordoen, dat van de provincie redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat de meerjarenafspraak in stand blijft.

  • 2

    Een besluit ingevolge dit artikel wordt niet genomen dan nadat de subsidieontvanger in de gelegenheid is gesteld op een door Gedeputeerde Staten aangegeven wijze en vóór een daarbij aangegeven datum zijn zienswijze kenbaar te maken.

  • 3

    Tussentijdse wijziging of beëindiging van de meerjarenafspraak is naast de gevallen als bedoeld in het eerste lid mogelijk:

    • a.

      indien door de subsidieontvanger daarom wordt verzocht ingeval van een calamiteit, waaronder in dit verband wordt verstaan een situatie, waarin door plotseling opkomende bijzondere omstandigheden de subsidieontvanger voor zodanige financiële problemen wordt gesteld, dat het voortbestaan van de activiteiten of de subsidieontvanger in gevaar komt;

    • b.

      op grond van één of meer in de meerjarenafspraak opgenomen voorwaarden of verplichtingen.

  • 4

    Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de termijnbetalingen aan te passen ingeval van tussentijdse wijziging of beëindiging van de meerjarenafspraak.

Artikel 11. Intrekking of wijziging

  • 1

    Gedeputeerde Staten kunnen de beschikking tot subsidieverlening intrekken of wijzigen op de gronden zoals genoemd in artikel 4:48 Algemene wet bestuursrecht.

  • 2

    Gedeputeerde Staten kunnen de beschikking tot subsidievaststelling intrekken of wijzigen op de gronden zoals genoemd in artikel 4:49 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 12. Voorschotten

  • 1

    Gedeputeerde Staten kunnen vooruitlopend op de vaststelling van de subsidie besluiten om de verleende subsidie als voorschot uit te betalen.

  • 2

    In de beschikking tot verlening van de subsidie wordt, indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid als bedoeld in het eerste lid, vermeld:

    • a.

      het totale voorschotbedrag;

    • b.

      het aantal termijnen;

    • c.

      de diverse termijnbedragen;

    • d.

      wanneer de voorschotten worden uitbetaald.

HOOFDSTUK II. BUREAU JEUGDZORG       

Artikel 13. Subsidiabele activiteiten

  • 1

    Gedeputeerde Staten verlenen subsidie aan Bureau Jeugdzorg ten behoeve van de uitvoering van de taken van Bureau Jeugdzorg, zoals genoemd in de Wet op de Jeugdzorg.

  • 2

    Subsidie wordt alleen verleend voorzover de taken als bedoeld in het vorige lid worden uitgevoerd ten behoeve van jeugdigen die bij aanvang van de bemoeienis van Bureau Jeugdzorg, duurzaam verblijven in de provincie Noord-Brabant. 

  • 3

    Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan Bureau Jeugdzorg ten behoeve van experimenten, zoals bedoeld in artikel 1, sub k, van de Wet op de Jeugdzorg.

  • 4

    Gedeputeerde Staten kunnen, naast de gevallen als bedoeld in het tweede en derde lid, subsidie verlenen aan Bureau Jeugdzorg voor overige activiteiten die passen binnen het provinciaal jeugdbeleid zoals weergegeven in het provinciaal beleidskader jeugd of het jaarlijks door Gedeputeerde Staten vast te stellen uitvoeringsprogramma jeugd.  

Artikel 14. Bekostiging

  • 1

    Het subsidiebedrag wordt bepaald op basis van de hoeveelheid uitgevoerde taken en activiteiten en de behaalde prestaties.

  • 2

    Gedeputeerde Staten stellen de tarieven vast voor de taken en activiteiten van Bureau Jeugdzorg.

Artikel 15. Vereisten aan Bureau Jeugdzorg

  • 1

    De bestuursstructuur van Bureau Jeugdzorg voldoet aan de volgende eisen, welke zijn vastgelegd in de statuten:

     

    • a.

      Bureau Jeugdzorg heeft een raad van toezicht, die tot taak heeft het houden van toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken;

    • b.

      de raad van toezicht heeft de bevoegdheid tot het benoemen, schorsen en ontslaan van de leden van het bestuur;

    • c.

      de raad van toezicht is zodanig samengesteld dat de leden ten opzichte van elkaar en de dagelijkse en algemene leiding van Bureau Jeugdzorg onafhankelijk kunnen opereren;

    • d.

      Bureau Jeugdzorg legt inzichtelijk de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de raad van toezicht en de dagelijkse leiding vast, alsmede de wijze waarop interne conflicten tussen beide organen worden geregeld. 

  • 2

    De bedrijfsvoering van Bureau Jeugdzorg voldoet aan de volgende eisen:

     

    • a.

      Bureau Jeugdzorg heeft de bevoegdheden betreffende de bedrijfsvoering schriftelijk vastgelegd;

    • b.

      Bureau Jeugdzorg heeft schriftelijk en inzichtelijk vastgelegd hoe de verschillende taken zijn georganiseerd;

    • c.

      in de financiële administratie van Bureau Jeugdzorg zijn ontvangsten en betalingen duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming.

Artikel 16. Subsidie-aanvraag

  • 1

    Bureau Jeugdzorg dient vóór een door Gedeputeerde Staten te bepalen datum van het jaar, voorafgaand aan het subsidiejaar, een aanvraag in.

  • 2

    De aanvraag tot subsidie gaat tenminste vergezeld van de volgende op het subsidiejaar betrekking hebbende bescheiden en informatie:

     

    • a.

      een begroting als bedoeld in artikel 4:63 Algemene wet bestuursrecht;

    • b.

      een activiteitenplan als bedoeld in artikel 4:62 Algemene wet bestuursrecht, waarbij de geraamde aantallen jeugdigen per activiteit worden vermeld, alsmede de kwaliteitsdoelstellingen voor het komende subsidiejaar;

    • c.

      het meerjarenbeleidsplan voor de periode waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft;

    • d.

      een opgave van het bedrag waarvoor subsidie wordt gevraagd, voorzien van een onderbouwing van dit bedrag;

    • e.

      een beheers- en beleidsplan ten aanzien van bestemmingsreserves en een opgave van de omvang van de egalisatiereserve jeugdzorg.

Artikel 17. Beoordeling subsidieaanvragen

  • 1

    Subsidie aan Bureau Jeugdzorg wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan de vereisten zoals gesteld in artikel 15 en voorzover aannemelijk is dat Bureau Jeugdzorg de in de aanvraag genoemde taken en activiteiten zal uitvoeren met inachtneming van alle in en bij de Wet op de jeugdzorg en andere van toepassing zijnde regelgeving gestelde eisen en verplichtingen.

  • 2

    Indien de aanvraag van Bureau Jeugdzorg het vastgestelde subsidieplafond te boven gaat, maken Gedeputeerde Staten een afweging tussen de verschillende aangevraagde taken en activiteiten op basis van de volgende criteria:

     

    • a.

      de mate waarin de Wet op de Jeugdzorg de uitvoering van taken dwingend voorschrijft;

    • b.

      de mate waarin de taken en activiteiten passen binnen de prioriteiten die door Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten zijn gesteld;

    • c.

      de mate waarin wordt ingespeeld op de ontwikkelingen in de jeugdzorg.

Artikel 18. Subsidieverlening

  • 1

    De beschikking tot subsidieverlening aan Bureau Jeugdzorg vermeldt in ieder geval:

     

    • a.

        de taken en activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend;

    • b.

      de tarieven voor deze taken en activiteiten;

    • c.

      het totaal verleende subsidiebedrag en de wijze waarop dit bedrag is opgebouwd;

    • d.

      de prestaties die Bureau Jeugdzorg dient te behalen.

  • 2

    Gedeputeerde Staten kunnen voorwaarden verbinden aan de beschikking tot subsidieverlening.

  • 3

    Gedeputeerde Staten beschikken op de subsidieaanvraag vóór 1 januari van het jaar waarvoor de subsidie is aangevraagd of, indien dit niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk daarna.

  • 4

    Indien Gedeputeerde Staten later dan 1 januari beschikken, doen zij hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan Bureau Jeugdzorg onder vermelding van de reden hiervoor en het tijdstip moment waarop de beschikking tegemoet kan worden gezien.

Artikel 19. Verplichtingen

  • 1

    Bureau Jeugdzorg voert een zodanige administratie dat op ieder moment betrouwbare informatie kan worden geleverd betreffende:

    • a.

      gegevens over de jeugdigen;

    • b.

      gegevens over de uitvoering van jeugdzorg door zorgaanbieders;

    • c.

      financiële gegevens;

    • d.

      gegevens over de omvang van de uitgeoefende taken.

  • 2

    Van alle financiële mutaties zijn schriftelijke bewijsstukken aanwezig en onderbouwingen van berekeningen.

  • 3

    Het boekjaar van Bureau Jeugdzorg is gelijk aan het kalenderjaar.

  • 4

    Indien gedurende het subsidiejaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de begrote en werkelijke uitgaven en inkomsten, doet Bureau Jeugdzorg daarvan onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.

  • 5

    Bureau Jeugdzorg draagt in ieder geval zorg voor voldoende verzekering tegen de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid, brand en diefstal.

  • 6

    Bureau Jeugdzorg behoeft toestemming van Gedeputeerde Staten voor de in artikel 4:71, eerste lid Algemene wet bestuursrecht genoemde handelingen.

  • 7

    Gedeputeerde Staten kunnen Bureau Jeugdzorg ontheffing verlenen van de verplichting als genoemd in het zesde lid.

  • 8

    Bureau Jeugdzorg voldoet aan verzoeken van Gedeputeerde Staten tot het verstrekken van informatie.

Artikel 20. Verantwoording

  • 1

    Bureau Jeugdzorg stelt jaarlijks een jaarverslag vast, met daarin een inhoudelijke en een financiële verantwoording over de besteding van de subsidie in het voorafgaande subsidiejaar.

  • 2

    De inhoudelijke verantwoording in het jaarverslag bestaat in ieder geval uit:

     

    • a. een activiteitenverslag als bedoeld in artikel 4:80 Algemene wet bestuursrecht;

    • b.een rapportage over de uitvoering van het kwaliteitsbeleid.

  • 3

    De financiële verantwoording in het jaarverslag bestaat uit een jaarrekening als bedoeld in artikel 2:361 Burgerlijk Wetboek.

  • 4

    In de jaarrekening wordt in ieder geval opgenomen:

     

    • a.

      het financiële verslag van de raad van bestuur;

    • b.

      de balans met toelichting;

    • c.

      de resultatenrekening met toelichting, waarin afwijkingen ten opzichte van de begroting worden verklaard;

    • d.

      een algemeen overzicht van de personeelskosten, waarbij apart wordt vermeld de salariëring en eventueel andere beloningsbestanddelen van de raad van bestuur en de raad van toezicht;

    • e.

      een overzicht van activiteiten waarvoor Bureau Jeugdzorg geen provinciale subsidie ontvangt, alsmede de daarbij behorende kosten en opbrengsten;

    • f.

        een verslag van de raad van toezicht;

    • g.

      de accountantsverklaring volgens het door Gedeputeerde Staten voorgeschreven model;

    • h.

      het aantal jeugdigen dat zich in het subsidiejaar bij Bureau Jeugdzorg heeft gemeld, alsmede een specificatie van het aantal jeugdigen per taak van Bureau Jeugdzorg, zoals benoemd in de subsidiebeschikking;

    • i.

        het totale aantal indicatiebesluiten, als bedoeld in artikel 6 van de Wet op de jeugdzorg, dat Bureau Jeugdzorg heeft afgegeven in het subsidiejaar, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar de verschillende zorgaanspraken genoemd in deze indicatiebesluiten.

  • 5

    Het jaarverslag wordt vastgesteld door de raad van bestuur van Bureau Jeugdzorg en wordt goedgekeurd door de raad van toezicht.

  • 6

    Bureau Jeugdzorg verstrekt periodieke voortgangsrapportages aan Gedeputeerde Staten, tenminste per kwartaal of zoveel vaker als door Gedeputeerde Staten wordt voorgeschreven.

  • 7

    Bureau Jeugdzorg draagt ervoor zorg dat de accountant, die de accountantsverklaring opstelt, meewerkt aan door of namens de provincie in te stellen onderzoeken naar de door de accountant verrichte controlewerkzaamheden.

Artikel 21. Subsidievaststelling

  • 1

    Bureau Jeugdzorg dient een aanvraag tot vaststelling van subsidie in bij Gedeputeerde Staten voor de door Gedeputeerde Staten vastgestelde uiterste datum voor het indienen van deze aanvraag.

  • 2

    De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van het jaarverslag van Bureau Jeugdzorg, waarin een inhoudelijke en financiële verantwoording over de besteding van de subsidie is opgenomen en waarmee wordt voldaan aan de wettelijke verantwoordingsvereisten.

  • 3

    Gedeputeerde Staten stellen de subsidie vast binnen 3 maanden na de uiterste indieningsdatum voor de aanvraag tot vaststelling of, indien dit niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk daarna.

  • 4

    Indien Gedeputeerde Staten niet binnen 3 maanden kunnen beschikken, doen zij hiervan voor afloop van de termijn schriftelijk mededeling aan Bureau Jeugdzorg, onder vermelding van de reden van vertraging en het moment waarop de beschikking tegemoet kan worden gezien.    

HOOFDSTUK III. JEUGDZORGAANBOD

Artikel 22. Subsidiabele activiteiten

  • 1

    Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan zorgaanbieders voor de uitvoering van jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de Wet op de jeugdzorg, zoals nader omschreven in de artikelen 2 tot en met 6 van het uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.

  • 2

    Subsidie wordt alleen verleend voor jeugdzorg aan cliënten met een daartoe strekkend indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant of een besluit dat met een indicatiebesluit gelijk wordt gesteld.

  • 3

    In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten met andere provincies een regeling overeenkomen, inhoudende dat gesubsidieerde zorgaanbieders een beperkt gedeelte van de door de provincie Noord-Brabant gesubsidieerde jeugdzorg mogen verlenen aan cliënten uit een andere provincie, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

     

    • a.

      het betreft wederzijdse afspraken met andere provincie, zodat Brabantse cliënten naar evenredigheid een beroep kunnen doen op jeugdzorg door een door een andere provincie gesubsidieerde zorgaanbieder;

    • b.

      de afspraak betreft maximaal 10% van het totale subsidiebedrag dat Gedeputeerde Staten per jaar aan een zorgaanbieder verlenen voor de uitvoering van jeugdzorg;

    • c.

        de cliënt kan niet binnen 13 weken na de indicatiestelling zijn aanspraak tot gelding brengen bij een zorgaanbieder die wordt gesubsidieerd door de provincie waar de cliënt duurzaam verblijft;

    • d.

        een eventuele afwijking van het tweede lid wordt vastgelegd in de subsidiebeschikkingen waarop deze betrekking heeft.

  • 4

    Gedeputeerde Staten kunnen eveneens subsidie verlenen aan een zorgaanbieder voor de uitvoering van experimenten, zoals bedoeld in artikel 1 sub k van de Wet op de jeugdzorg.

Artikel 23. Bekostiging

  • 1

    Het subsidiebedrag voor de uitvoering van jeugdzorg wordt bepaald op basis van de hoeveelheid uitgevoerde jeugdzorg en de behaalde prestaties.

  • 2

    Gedeputeerde Staten stellen de tarieven vast voor de diverse vormen van jeugdzorg.

Artikel 24. Vereisten aan zorgaanbieders

  • 1

    Een zorgaanbieder voldoet aan de vereisten die aan zorgaanbieders worden gesteld in de Wet op de jeugdzorg en in deze verordening, alsmede in hierop gebaseerde nadere regelgeving.

  • 2

    De zorgaanbieder is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, gevestigd in de Europese Economische Ruimte, die jeugdzorg kan bieden waarop ingevolge de Wet op de jeugdzorg aanspraak bestaat.

  • 3

    De zorgaanbieder beschikt over een verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

  • 4

    De bestuursstructuur van de zorgaanbieder voldoet aan de volgende eisen, welke zijn vastgelegd in de statuten:

     

    • a.

      er is een orgaan dat toezicht houdt op het beleid van de dagelijkse of algemene leiding van de instelling en deze met raad en daad terzijde staat;

    • b.

      geen persoon kan tegelijk deel uitmaken van het toezichthoudend orgaan en de dagelijkse en algemene leiding;

    • c.

      het toezichthoudend orgaan is zodanig samengesteld dat de leden ten opzichte van elkaar en de dagelijkse en algemene leiding van de instelling onafhankelijk kunnen opereren;

    • d.

      de zorgaanbieder legt inzichtelijk de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het toezichthoudend orgaan en de dagelijkse of algemene leiding vast, alsmede de wijze waarop interne conflicten tussen beide organen worden geregeld.

  • 5

    De bedrijfsvoering van de zorgaanbieder voldoet aan de volgende eisen:

     

    • a.

      de zorgaanbieder heeft de bevoegdheden betreffende de bedrijfsvoering schriftelijk vastgelegd;

    • b.

      de zorgaanbieder heeft schriftelijk en inzichtelijk vastgelegd hoe de zorgverlening georganiseerd wordt;

    • c.

      de jeugdzorgactiviteiten van de zorgaanbieder worden financieel onderscheiden van andere activiteiten van de zorgaanbieder;

    • d.

      in de financiële administratie van de zorgaanbieder zijn ontvangsten en betalingen duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming.

  • 6

    De zorgaanbieder verkeert in een gezonde financiële positie en de solvabiliteit bedraagt tenminste 10%, inhoudende dat het eigen vermogen tenminste 10% bedraagt ten opzichte van het vreemd vermogen.

  • 7

    De zorgaanbieder beschikt over een HKZ-certificering voor jeugdzorg.

  • 8

    Gedeputeerde Staten kunnen een zorgaanbieder onder voorwaarden een tijdelijke ontheffing verlenen van het vereiste van HKZ-certificering voor jeugdzorg.

  • 9

    De zorgaanbieder werkt actief samen met Bureau Jeugdzorg, andere jeugdzorgaanbieders, onderwijs en andere zorgvoorzieningen voor jeugdigen.

Artikel 25. Nieuwe zorgaanbieders

  • 1

    Zorgaanbieders die nog geen subsidie ontvangen voor de uitvoering van jeugdzorg, dienen voorafgaand aan de indiening van een subsidie-aanvraag aan te tonen dat zij voldoen aan de vereisten aan zorgaanbieders, als genoemd in artikel 24.

  • 2

    Gedeputeerde Staten beoordelen of subsidieverlening aan een nieuwe zorgaanbieder wenselijk is, gelet op het provinciaal jeugdbeleid en het provinciale streefbeeld van het jeugdzorgaanbod.

  • 3

    Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om voor een periode van maximaal drie jaar de subsidieverstrekking te beperken tot de reeds gesubsidieerde zorgaanbieders, wanneer dit noodzakelijk is voor een goed functioneren van het provinciaal jeugdbeleid. 

Artikel 26. Vereisten aan zorgaanbod

  • 1

    Naast de wettelijke vereisten aan de kwaliteit van het zorgaanbod, zoals genoemd in de artikelen 24, 25 en 26 van de Wet op de jeugdzorg, dient het zorgaanbod te voldoen aan de volgende vereisten:

     

    • a.

      De accommodaties voor de uitvoering van jeugdzorg voldoen aan de van toepassing zijnde veiligheidsvoorschriften.

    • b.

      De uitvoering van de jeugdzorg vindt plaats in de minst ingrijpende vorm, zo dicht mogelijk bij de plaats waar de cliënt duurzaam verblijft en gedurende een zo kort mogelijke periode, zoals benoemd in artikel 31, vierde lid van de Wet op de jeugdzorg.

    • c.

      De uitvoering van jeugdzorg vindt plaats in Nederland.

    • d.

      Gedeputeerde Staten kunnen aan een zorgaanbieder ontheffing verlenen om een gedeelte van de jeugdzorg tijdelijk in het buitenland te laten plaatsvinden, mits dit een inhoudelijke meerwaarde heeft en de zorgaanbieder de veiligheid en de kwaliteit voldoende kan waarborgen.

  • 2

    Gedeputeerde Staten kunnen advies vragen aan deskundigen op het  terrein van jeugdzorg bij de beoordeling of het zorgaanbod voldoet aan de hieraan gestelde vereisten, zoals genoemd in de Wet op de jeugdzorg, daarop gebaseerde regelgeving en het eerste lid van dit artikel.  

Artikel 27. Subsidieaanvraag

  • 1

    Een zorgaanbieder dient vóór een door Gedeputeerde Staten te bepalen datum van het jaar, voorafgaand aan het subsidiejaar, een aanvraag in.

  • 2

    De aanvraag gaat tenminste vergezeld van de volgende op het subsidiejaar betrekking hebbende bescheiden en informatie:

     

    • a.

      een opgave van het bedrag waarvoor subsidie wordt aangevraagd, voorzien van een onderbouwing van dit bedrag;

    • b.

      een begroting als bedoeld in artikel 4:63 Algemene wet bestuursrecht;

    • c.

      een activiteitenplan als bedoeld in artikel 4:62 Algemene wet bestuursrecht;

    • d.

      het meerjarenbeleidsplan voor de periode waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft;

    • e.

      een beheers- en beleidsplan ten aanzien van bestemmingsreserves en een opgave van de omvang van de egalisatiereserve jeugdzorg;

Artikel 28. Beoordeling subsidieaanvragen

  • 1

    Subsidieverlening kan, naast de in artikel 4:25 en 4:35 Algemene wet bestuursrecht geregelde gevallen, worden geweigerd wanneer:

     

    • a.

      het zorgaanbod niet voldoet aan de vereisten genoemd in de Wet op de jeugdzorg en artikel 26 van deze verordening;

    • b.

      het zorgaanbod niet past binnen de verwachte provinciale vraag naar jeugdzorg en het door de provincie gevoerde jeugdbeleid;

    • c.

      de zorgaanbieder niet voldoet aan de vereisten als genoemd in de Wet op de jeugdzorg, daarop gebaseerde regelgeving en artikel 24 van deze verordening.

    • d.

      Gedeputeerde Staten gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid als bedoeld in artikel 25, derde lid.

  • 2

    Indien de subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten een afweging tussen de verschillende aanvragen op basis van de volgende criteria:

     

    • a.

      de mate waarin het zorgaanbod past in de ontwikkeling van de vraag naar jeugdzorg;

    • b.

      de kwaliteit van het zorgaanbod;

    • c.

      de hoeveelheid ervaring van de zorgaanbieder met het uitvoeren van jeugdzorg waarop ingevolge de Wet op de jeugdzorg aanspraak bestaat;

    • d.

      het tarief waarvoor het zorgaanbod kan worden geleverd;

    • e.

      de mate waarin de zorgaanbieder in voorgaande jaren goede prestaties heeft geleverd bij de uitvoering van jeugdzorg;

    • f.

        evenwichtige spreiding van het jeugdzorgaanbod over de provincie Noord-Brabant;

    • g.

      continuïteit van de zorgverlening en de mate waarin met betrekking tot de aanvragers rekening dient te worden gehouden met meerjarenafspraken en het bepaalde in artikel 4:51 Algemene wet bestuursrecht;

    • h.

      verantwoorde mate van groei met nieuwe zorgaanbieders of nieuw zorgaanbod;

    • i.

      een efficiënte besteding van de beschikbare middelen en het tegengaan van te veel versnippering van het beschikbare budget;

    • j.

      de mate waarin de subsidie past binnen de prioriteiten die zijn gesteld bij het jeugdzorgbeleid van de provincie.

  • 3

    Gedeputeerde Staten kunnen advies vragen aan deskundigen bij de beoordeling van subsidieaanvragen.

Artikel 29. Subsidieverlening

  • 1

    De beschikking tot subsidieverlening voor de uitvoering van jeugdzorg vermeldt in ieder geval:

     

    • a.

      de jeugdzorgactiviteiten, waarvoor subsidie wordt verleend;

    • b.

      het maximale subsidiebedrag en de wijze waarop dit bedrag is opgebouwd;

    • c.

      de tarieven die zijn vastgesteld voor de jeugdzorgactiviteiten;

    • d.

      de prestaties die de zorgaanbieder dient te realiseren.

  • 2

    In geval van toekenning van subsidie aan een nieuwe zorgaanbieder, die nog geen subsidierelatie heeft met de provincie betreffende de uitvoering van jeugdzorg, geschiedt de subsidietoekenning onder de voorwaarde dat het eerste toezicht door de Inspectie Jeugdzorg na start zorg leidt tot een voldoende positieve beoordeling.

  • 3

    Gedeputeerde Staten beschikken op de subsidieaanvraag voor 1 januari van het jaar waarvoor de subsidie is aangevraagd of, indien dit niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk daarna.

  • 4

    Indien Gedeputeerde Staten later dan 1 januari beschikken, doen zij hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de zorgaanbieder, onder vermelding van de reden hiervoor en het tijdstip waarop de beschikking wordt verwacht.

Artikel 30. Verplichtingen

  • 1

    De zorgaanbieder voert een zodanige administratie dat op ieder moment betrouwbare informatie kan worden geleverd betreffende:

     

    • a.

      gegevens over de jeugdigen;

    • b.

      financiële gegevens;

    • c.

      gegevens over de omvang van uitgevoerde zorg;

  • 2

    Van alle financiële mutaties zijn schriftelijke bewijsstukken aanwezig en onderbouwingen van berekeningen.

  • 3

    Het boekjaar van de zorgaanbieder is gelijk aan het kalenderjaar.

  • 4

    Indien gedurende het subsidiejaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten en de begrote uitgaven en inkomsten, doet de zorgaanbieder daarvan onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.

  • 5

    De zorgaanbieder zorgt voor een voldoende verzekering tegen de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid, brand, diefstal en andere risico’s.

  • 6

    De zorgaanbieder behoeft toestemming van Gedeputeerde Staten voor het aangaan van de volgende handelingen, genoemd in artikel 4:71, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht:

     

    • a.

      het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;

    • b.

      het wijzigen van de statuten;

    • c.

      het ontbinden van de rechtspersoon;

    • d.

      het doen van aangifte tot faillissement of het aanvragen van surséance van betaling.

  • 7

    De zorgaanbieder behoeft eveneens toestemming van Gedeputeerde Staten voor:

     

    • a.

      het aangaan van een fusie;

    • b.

      het uitbesteden van zorgverlening aan een andere instelling.

  • 8

    Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting om toestemming te vragen voor de handelingen als genoemd in het zesde en zevende lid van dit artikel.

  • 9

    De zorgaanbieder voldoet aan een verzoek van Gedeputeerde Staten tot het leveren van informatie. 

Artikel 31. Verantwoording

  • 1

    De zorgaanbieder stelt jaarlijks een jaarverslag vast, met daarin een inhoudelijke en een financiële verantwoording over de besteding van de subsidie in het voorafgaande subsidiejaar. Een verslag van de raad van toezicht maakt onderdeel uit van het jaarverslag.

  • 2

    De inhoudelijke verantwoording in het jaarverslag bestaat in ieder geval uit:

     

    • a.

      een activiteitenverslag als bedoeld in artikel 4:80 Algemene wet bestuursrecht;

    • b.

      een rapportage over de uitvoering van het kwaliteitsbeleid.

  • 3

    De financiële verantwoording in het jaarverslag bestaat uit een jaarrekening, als bedoeld in artikel 2:361 Burgerlijk Wetboek.

  • 4

    In de jaarrekening wordt in ieder geval opgenomen:

     

    • a.

      het financiële verslag van de raad van bestuur;

    • b.

      de balans met toelichting;

    • c.

      de resultatenrekening met toelichting, waarin afwijkingen ten opzichte van de begroting worden verklaard;

    • d.

      een algemeen overzicht van de personeelskosten, waarin een aparte vermelding van de salariëring en eventueel andere beloningsbestanddelen van de afzonderlijke leden van de raad van bestuur en de raad van toezicht;

    • e.

      een overzicht van de financiële gevolgen van activiteiten waarvoor de zorgaanbieder geen provinciale subsidie ontvangt;

    • f.

        een verslag van de raad van toezicht;

    • g.

      de accountantsverklaring volgens het door Gedeputeerde Staten voorgeschreven model;

    • h.

      de totale hoeveelheid jeugdzorg die is verleend;

    • i.

        het totale aantal jeugdigen aan wie jeugdzorg is verleend.

  • 5

    Het jaarverslag wordt vastgesteld door het bestuur van de zorgaanbieder en wordt goedgekeurd door de raad van toezicht.

  • 6

    De zorgaanbieder verstrekt periodieke voortgangsrapportages aan Gedeputeerde Staten, tenminste per kwartaal of zoveel vaker als door Gedeputeerde Staten wordt voorgeschreven.

  • 7

    De zorgaanbieder draagt ervoor zorg dat de accountant, die de accountantsverklaring opstelt, meewerkt aan door of namens de provincie in te stellen onderzoeken naar de door de accountant verrichte controlewerkzaamheden.

Artikel 32. Subsidievaststelling

  • 1

    De zorgaanbieder dient een aanvraag tot vaststelling van subsidie in bij Gedeputeerde Staten na afloop van het jaar waarvoor de subsidie is verleend. Gedeputeerde Staten bepalen de uiterste datum waarop deze aanvraag moet zijn ingediend.

  • 2

    De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van het jaarverslag van de zorgaanbieder, waarin de inhoudelijke en financiële verantwoording over de besteding van de subsidie is opgenomen en waarmee wordt voldaan aan de wettelijke verantwoordingsvereisten.

  • 3

    Gedeputeerde Staten stellen de subsidie vast binnen 3 maanden na de uiterste indieningsdatum voor de aanvraag tot vaststelling of, indien dit niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk daarna.

  • 4

    Indien Gedeputeerde Staten niet kunnen beschikken binnen de hiervoor genoemde termijn van 3 maanden, doen Gedeputeerde Staten hiervan voor afloop van de termijn schriftelijk mededeling aan de zorgaanbieder, onder vermelding van de reden van vertraging en het moment waarop de beschikking tegemoet kan worden gezien.    

HOOFDSTUK IV. VERTROUWENSPERSONEN 

Artikel 33. Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten verlenen subsidie aan een door hen aangewezen rechtspersoon ten behoeve van de werkzaamheden van de vertrouwenspersonen, die de rechtspersoon beschikbaar stelt voor de cliënten van Bureau Jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders.

Artikel 34. Bekostiging

  • 1

    Het subsidiebedrag wordt bepaald op basis van de hoeveelheid uitgevoerde activiteiten en de behaalde prestaties.

  • 2

    Gedeputeerde Staten stellen de tarieven vast voor de activiteiten van de vertrouwenspersonen.

Artikel 35. Subsidie-aanvraag

  • 1

    Subsidie kan worden aangevraagd tot een door Gedeputeerde Staten te bepalen uiterste indieningsdatum in het jaar, voorafgaand aan het subsidiejaar.

  • 2

    De subsidieaanvraag gaat tenminste vergezeld van de volgende op het subsidiejaar betrekking hebbende bescheiden en informatie:

     

    • a.

      een opgave van het bedrag waarvoor subsidie wordt gevraagd, voorzien van een onderbouwing van dit bedrag;

    • b.

      een activiteitenplan als bedoeld in artikel 4:62 Algemene wet bestuursrecht;

    • c.

      een begroting als bedoeld in artikel 4:63 Algemene wet bestuursrecht.

  • 3

    Indien de aanvrager voor het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar geen subsidie heeft aangevraagd, gaat de aanvraag eveneens vergezeld van:

     

    • a.

      een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd, en

    • b.

      de laatst opgemaakte jaarrekening, dan wel de balans en de staat van baten en lasten en de toelichting daarop of, indien deze documenten ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag, voorzien van een schriftelijke verklaring van een accountant omtrent de getrouwheid onderscheidenlijk een mededeling inhoudende dat van onjuistheden niet is gebleken. 

Artikel 36. Beoordeling subsidieaanvragen

  • 1

    Subsidieverlening kan, naast de in artikel 4:25 en artikel 4:35 Algemene wet bestuursrecht geregelde gevallen, worden geweigerd indien de werkzaamheden niet ten goede komen aan de cliënten van Bureau Jeugdzorg of de cliënten van door de provincie Noord-Brabant gesubsidieerde jeugdzorgaanbieders.

  • 2

    Indien een aanvraag het vastgestelde subsidieplafond te boven gaat, maken Gedeputeerde Staten een afweging tussen de verschillende aangevraagde activiteiten, op basis van de volgende criteria:

     

    • a.

      de mate waarin de wet de uitvoering van de activiteiten dwingend voorschrijft;

    • b.

      de mate waarin de activiteiten passen binnen de prioriteiten die door Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten zijn gesteld;

    • c.

      de mate waarin wordt ingespeeld op ontwikkelingen in de jeugdzorg. 

Artikel 37. Subsidieverlening

  • 1

    De beschikking tot subsidieverlening vermeldt in ieder geval:

     

    • a.

      de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend;

    • b.

      het subsidiebedrag en de wijze waarop dit bedrag is opgebouwd;

    • c.

      de prestaties die de subsidie-ontvanger dient te realiseren.

  • 2

    Gedeputeerde Staten kunnen aan een subsidiebeschikking voorwaarden en verplichtingen verbinden.

  • 3

    Gedeputeerde Staten beschikken op de aanvraag binnen 3 maanden na de uiterste indieningsdatum of, indien dit niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk daarna.

  • 4

    Indien Gedeputeerde Staten later beslissen dan binnen 3 maanden, dan doen zij hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de aanvrager, onder vermelding van de reden hiervoor en het tijdstip waarop de beschikking tegemoet kan worden gezien.

Artikel 38. Subsidievaststelling

  • 1

    De subsidieontvanger dient een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten na afloop van de periode waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2

    Gedeputeerde Staten bepalen de uiterste datum waarop deze aanvraag moet zijn ingediend.

  • 3

    De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat tenminste vergezeld van:

    • a.

      een activiteitenverslag als bedoeld in artikel 4:80 Algemene wet bestuursrecht;

    • b.

      een jaarrekening als bedoeld in artikel 2:361 Burgerlijk Wetboek of een financieel verslag als bedoeld in artikel 4:76 Algemene wet bestuursrecht met een accountantsverklaring, indien de verleende subsidie € 50.000,-- of meer bedraagt;

    • c. een financieel verslag als bedoeld in artikel 4:76 Algemene wet bestuursrecht, gewaarmerkt door het bestuur van de subsidieontvanger inclusief een bestuursverklaring, indien de verleende subsidie minder bedraagt dan € 50.000,--.

  • 4

    In geval van een subsidie boven € 50.000,-- zorgt de subsidieontvanger ervoor dat de accountant in zijn verklaring aangeeft of de aan de subsidie verbonden verplichtingen zijn nageleefd.

  • 5

    Indien Gedeputeerde Staten een accountantsprotocol hebben voorgeschreven betreffende de reikwijdte en de intensiteit van de accountantscontrole, dan zorgt de subsidieontvanger ervoor dat de accountantsverklaring wordt opgesteld conform het accountantsprotocol.

  • 6

    De subsidieontvanger zorgt ervoor dat de accountant, die de accountantsverklaring opstelt, meewerkt aan door of namens de provincie in te stellen onderzoeken naar de door de accountant verrichte controlewerkzaamheden.

  • 7

    Gedeputeerde Staten beschikken op de aanvraag binnen 3 maanden na de uiterste indieningsdatum of, indien dit niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk daarna.

  • 8

    Indien Gedeputeerde Staten later beschikken dan binnen 3 maanden, dan doen zij hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de aanvrager, onder vermelding van de reden hiervoor en het tijdstip waarop de beschikking tegemoet kan worden gezien.

HOOFDSTUK VI. SLOTBEPALINGEN

Artikel 39. Toepasselijkheid afdeling 4.2.8 Awb

Het bepaalde in afdeling 4.2.8 van de Awb is op deze verordening van toepassing ten aanzien van per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen, voor zover daar in deze verordening niet van wordt afgeweken.

Artikel 40. Hardheidsclausule

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd in individuele gevallen bepalingen bij of krachtens deze verordening buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken, voor zover toepassing gelet op het belang van het jeugdbeleid zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 41. Intrekking

  • 1

    De Subsidieverordening Jeugdzorg Provincie Noord-Brabant 2005 wordt ingetrokken.

  • 2

    Als gevolg van de intrekking als genoemd in het eerste lid, vervallen de volgende uitvoeringsregelingen:

    • a.

      Subsidieregeling jeugdzorg Noord-Brabant;

    • b.

      Beleidsregel Subsidies Noodverband Jeugdzorg Noord-Brabant 2006.

Artikel 42. Overgangsrecht  

  • 1

    Deze verordening is niet van toepassing op subsidies die voor de datum van inwerkingtreding zijn verleend of vastgesteld.

  • 2

    Aanvragen die zijn ingediend en waarop op het moment van inwerkingtreding nog niet is beslist, worden geacht op basis van deze verordening te zijn ingediend.

Artikel 42. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op een door Gedeputeerde Staten te bepalen tijdstip.

Artikel 43. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Subsidieverordening jeugdbeleid Noord-Brabant 2009.

 ’s-Hertogenbosch, 5 juni 2009

Provinciale Staten voornoemd,

 de voorzitter                                                    de griffier

J.R.H. Maij-Weggen                                        Drs. E.M.W.J. Wöltgens

 

1.       Algemene toelichting

1.1     Aanleiding

De Wet op de jeugdzorg (WJZ) is het wettelijk kader voor de jeugdzorg. Deze wet legt de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg voor een belangrijk deel bij de provincies. Voor de financiering van de jeugdzorg ontvangen de provincies een doeluitkering van het Rijk.

 De Wet op de jeugdzorg geeft de provincie de volgende taken:

 De Wet op de jeugdzorg geldt sinds 1 januari 2005. In dat kader werden destijds door Provinciale Staten van Noord-Brabant vastgesteld:-         het provinciaal beleidskader jeugdzorg Noord-Brabant 2005-2008 en;-         de Subsidieverordening Jeugdzorg Provincie Noord-Brabant 2005. Provinciale Staten hebben afgelopen najaar het nieuwe provinciaal beleidskader jeugdbeleid 2009-2012 vastgesteld. In het beleidskader is aangekondigd dat er ook een nieuwe subsidieverordening jeugdbeleid zou komen, als instrument voor de uitvoering van het geactualiseerde beleid.

 De Wet op de jeugdzorg wordt op onderdelen aangepast. Er wordt een extra hoofdstuk aan de wet toegevoegd betreffende de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor Centra voor jeugd en gezin. Daarnaast vervalt de verplichting voor Bureau Jeugdzorg om in de indicatiebesluiten de omvang van de benodigde zorg weer te geven. De provincie moet bij de subsidiëring rekening houden met deze wetswijzigingen.

 1.2     Beoogd effect

 De subsidieverlening voor jeugdzorg is belangrijk om de twee kerndoelen van het provinciaal jeugdbeleid[1]te bereiken:

 De subsidieverordening is een instrument om deze doelen te bereiken. De nieuwe verordening geeft een bredere juridische grondslag dan de oude verordening uit 2005. De oude verordening richt zich specifiek op de wettelijk bepaalde subsidieverlening aan Bureau Jeugdzorg, zorgaanbieders en cliënt-vertrouwenspersonen. De nieuwe verordening maakt het ook mogelijk om subsidie te verlenen voor de aansluiting met andere zorgvoorzieningen voor jeugdigen, zoals de centra voor jeugd en gezin[2]. De bedoeling is om bij te dragen aan een stelsel in balans, door opvoedproblemen het liefst in een vroeg stadium aan te pakken, om te voorkomen dat later zwaardere zorg nodig is (conform het principe ‘licht waar mogelijk, zwaar waar nodig’).

 1.3     Argumenten voor de nieuwe subsidieverordening jeugdbeleid

 De provincie is al een aantal jaren bezig met aanpassingen bij de subsidieverlening voor jeugdzorg. In 2006 werd besloten dat de provincie zich bij de subsidieverlening zou gaan richten op: [3]. Sinds 2006 is hiermee een start gemaakt onder de vigerende subsidieverordening, met name bij de ‘flexibele’ subsidies jeugdzorg.

 In vervolg op het nieuwe beleidskader 2009-2012 geeft de nieuwe subsidieverordening niet alleen een grondslag voor de wettelijk verplichte subsidiëring voor jeugdzorg, maar ook voor andere activiteiten die passen in het provinciaal jeugdbeleid. Het beleidskader 2009-2012 noemt met name cliëntparticipatie, innovatie, nazorg en aansluiting tussen jeugdzorg en andere zorgvoorzieningen voor jeugdigen, zoals centra voor jeugd en gezin.

 Hieronder volgt een toelichting op de eerder genoemde uitgangspunten voor aanpassing van de subsidiesystematiek voor de jeugdzorg:-         Financiering op resultaat/ outputfinanciering;-         Vraag naar jeugdzorg bepalend voor subsidieverlening;-         Flexibiliteit en continuïteit nodig. Daarnaast wordt aandacht besteed aan verbetering van kwaliteit.

 - Financiering op resultaat, ‘outputfinanciering’ De provincie wil sturen op de resultaten die worden bereikt met de subsidies. In de nieuwe verordening is vastgelegd dat het subsidiebedrag voor zorgaanbieders wordt gebaseerd op de werkelijk gerealiseerde hoeveelheid zorg én gerealiseerde prestaties. Eerder werd de subsidie voornamelijk gebaseerd op de beschikbare capaciteit van de zorgaanbieder. Het beschikbare subsidiebudget is nooit oneindig, maar de provincie wil in ieder geval wachtlijsten bestrijden en zorgen dat alle jeugdigen met een aanspraak op jeugdzorg tijdig de benodigde zorg kunnen krijgen. Daarvoor is het essentieel om te sturen op de prestaties betreffende uitstroom en doelmatigheid, zodat ook nieuwe jeugdigen tijdig zorg kunnen krijgen. De wetswijziging die inhoudt dat Bureau Jeugdzorg niet meer de omvang van de zorg hoeft vast te leggen in het indicatiebesluit, maakt het nog meer noodzakelijk om te sturen op doelmatigheid bij de zorgverlening.

 - Vraag naar jeugdzorg bepalend voor subsidieverlening Gedeputeerde Staten hebben de verantwoordelijkheid om er voor te zorgen dat jeugdigen hun aanspraak op jeugdzorg tot gelding kunnen brengen bij een door de provincie gesubsidieerde zorgaanbieder. De provincie stelt daarom jaarlijks een prognose op van de verwachte vraag naar jeugdzorg in het komende jaar. Die prognose van de vraag is bepalend bij de subsidieverlening voor het zorgaanbod.

 - Flexibiliteit en continuïteit nodig De provincie wil voldoende flexibiliteit om bij de subsidieverlening adequaat te kunnen reageren op ontwikkelingen in de jeugdzorg. De provincie wil vooral die zorgaanbieders subsidiëren die goede prestaties leveren met een zorgaanbod dat goed aansluit op ontwikkelingen in de vraag naar jeugdzorg.   Hier staat tegenover dat er ook behoefte is aan voldoende continuïteit bij de subsidieverlening van het zorgaanbod. Zo moeten zorgaanbieders investeren in huisvesting en personeel, waarbij een bepaalde mate van continuïteit wenselijk is. Voor de cliënt is continuïteit in het zorgaanbod ook van belang, zodat hij niet van de ene naar de andere zorgaanbieder wordt gestuurd. De nieuwe verordening geeft een mogelijkheid voor Gedeputeerde Staten om meerjarenafspraken te maken met zorgaanbieders, waarin afspraken kunnen worden gemaakt over continuïteit, gecombineerd met afspraken over te behalen prestaties.

 - Verbetering van kwaliteit De provincie zet stevig in op verbetering van kwaliteit in de jeugdzorg. Dit komt terug in verschillende onderdelen van de nieuwe subsidieverordening. Bij de vereisten aan zorgaanbieders is aangegeven dat ze moeten beschikken over een bestuursstructuur met een onafhankelijke raad van toezicht en een bedrijfsvoering die helder en inzichtelijk is vastgelegd. Subsidieaanvragen van zorgaanbieders worden onder meer beoordeeld op de kwaliteit van het zorgaanbod en op de prestaties die in voorgaande jaren zijn behaald. Gedeputeerde Staten bepalen jaarlijks de prestatie-indicatoren waarop zorgaanbieders moeten rapporteren, zoals doelrealisatie en cliënttevredenheid. De provincie kan ook innovatieve projecten subsidiëren om de kwaliteit van de jeugdzorg te verbeteren, zoals de ontwikkeling of implementatie van nieuwe wetenschappelijk bewezen (evidence based) methodieken.

 2.       Artikelsgewijze toelichting

 2.1     Algemene bepalingen

 Artikel 2. Reikwijdte

Lid 1 De subsidieverlening op grond van deze verordening betreft in de eerste plaats de wettelijk bepaalde subsidiëring van de jeugdzorg door provincies (art. 41 WJZ), namelijk:-         subsidie voor wettelijke taken Bureau Jeugdzorg;-         subsidie voor uitvoering jeugdzorg door zorgaanbieders;-         subsidie voor de werkzaamheden van de cliëntvertrouwenspersonen. Deze categorieën van subsidieverlening zijn nader uitgewerkt in de hoofdstukken II, III en IV van deze verordening.

 Lid 2 Deze subsidieverordening geeft in de tweede plaats een juridische grondslag voor subsidieverlening betreffende overige activiteiten die passen binnen het jeugdbeleid van de provincie. Het jeugdbeleid van de provincie wordt voornamelijk weergegeven in het provinciaal beleidskader jeugd en de uitvoeringsprogramma’s jeugdzorg. In het provinciaal beleidskader ‘Brabant investeert in jeugd’ 2009-2012 is aangegeven dat de provincie onder meer wil inzetten op: cliëntparticipatie, innovatie, nazorg en aansluiting tussen jeugdzorg en andere zorgvoorzieningen voor jeugdigen, zoals Centra voor jeugd en gezin.

 Artikel 3. Delegatie

Lid 3 Provinciale Staten geven aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om nadere regels, dan wel beleidsregels te stellen betreffende de in dit artikellid genoemde onderwerpen. De ontwikkelingen in de jeugdzorg gaan snel en er is veel in ontwikkeling. Hierbij valt te denken aan aanpassingen betreffende de financieringssystematiek, Centra voor jeugd en gezin, ontwikkeling en invoering van prestatie-indicatoren, ontwikkeling van evidence based methodieken, enzovoort. Het is van belang dat de provincie hier snel en adequaat op kan reageren. Dit kan via nadere regels, dan wel beleidsregels door Gedeputeerde Staten vast te stellen.  

Gedeputeerde Staten kunnen de activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen nader omschrijven. Dit kan vooral nuttig zijn voor activiteiten als genoemd in artikel 2, tweede lid van deze verordening, namelijk activiteiten die passen in het provinciaal jeugdbeleid en bijdragen aan een goede zorg voor jeugdigen.

In de artikelen 14 en 23 is aangegeven dat het subsidiebedrag wordt bepaald op basis van de gerealiseerde activiteiten en prestaties en de daarvoor vastgestelde tarieven. Gedeputeerde Staten kunnen hier nog nadere regels over stellen, bijvoorbeeld welke bekostigingseenheden worden onderscheiden en welke tarieven hiervoor worden vastgesteld. 

De vereisten aan het zorgaanbod zijn vastgelegd in artikel 26 van deze verordening. Gedeputeerde Staten kunnen nader uitwerken hoe de toetsing aan deze vereisten zal plaatsvinden, alsmede hoe de toetsing van nieuwe zorgaanbieders zal plaatsvinden.

: In artikel 28 is het beoordelingskader voor subsidieaanvragen van zorgaanbieders opgenomen. Gedeputeerde Staten kunnen de genoemde beoordelingscriteria nader uitwerken. Zo kunnen Gedeputeerde Staten jaarlijks aangeven welke prestatie-indicatoren worden gehanteerd. Deze zullen geleidelijk worden ingevoerd, omdat de instrumenten om de prestaties te meten voor een deel al gereed zijn (cliënttevredenheidstoets), maar voor een ander deel nog in ontwikkeling zijn (meten van doelrealisatie).

: Gedeputeerde Staten kunnen bij nadere regels vaststellen op welke wijze subsidie wordt verstrekt voor andere jeugdzorgactiviteiten, dan die waarvoor de provincie op grond van de Wet op de jeugdzorg subsidie dient te verlenen. Dit betreft bijvoorbeeld subsidie voor innovatie in de jeugdzorg of subsidie voor samenwerking tussen provinciale geïndiceerde jeugdzorg en overige voorzieningen voor jeugdigen, zoals centra voor jeugd en gezin.

Lid 6 Dit artikellid biedt de mogelijkheid voor Gedeputeerde Staten om bijvoorbeeld de subsidieverlening voor korte enkelvoudige trajecten jeugdhulp (ambulant) te mandateren aan Bureau Jeugdzorg of colleges van B&W. 

 Artikel 7. Egalisatiereserve 

Lid 4: Indien een zorgaanbieder beschikt over positieve exploitatiesaldi, bestaande uit provinciale jeugdzorgsubsidie, mag hij deze toevoegen aan een egalisatiereserve jeugdzorg tot een maximale egalisatiereserve jeugdzorg van 10 % ten opzichte van de voor dat jaar vastgestelde provinciale jeugdzorg-subsidie. De zorgaanbieder kan hiermee een beperkte ‘buffer’ opbouwen voor jaren waarin sprake is van een exploitatietekort betreffende de jeugdzorg.

Lid 5 Bureau Jeugdzorg mag positieve exploitatiesaldi, bestaande uit provinciale jeugdzorgsubsidie, toevoegen aan een egalisatiereserve jeugdzorg tot een maximale egalisatiereserve jeugdzorg van 5% ten opzichte van de voor dat jaar vastgestelde provinciale jeugdzorgsubsidie. De maximale egalisatiereserve bij Bureau Jeugdzorg is naar verhouding lager dan bij zorgaanbieders. De achtergrond hiervan is dat Bureau Jeugdzorg een wettelijke ‘monopoliepositie’ heeft als enige Bureau Jeugdzorg in de provincie en jaarlijks kan rekenen op provinciale subsidie voor de uitvoering van haar taken. Dit in tegenstelling tot de zorgaanbieders, die te maken hebben met enige concurrentie van andere zorgaanbieders, waarbij het subsidievolume in de loop der jaren sterker kan variëren. 

 Artikel 9. Meerjarenafspraak

Het is wenselijk dat Gedeputeerde Staten meerjarenafspraken kunnen maken met jeugdzorgaanbieders ten behoeve van de continuïteit in de uitvoering van jeugdzorg. De uitvoering van jeugdzorg vergt immers flinke investeringen van jeugdzorgaanbieders, in het bijzonder voor de diverse vormen van verblijf, waarbij investeringen in huisvesting nodig zijn. Gedeputeerde Staten krijgen daarom de bevoegdheid om meerjarenafspraken te maken met zorgaanbieders betreffende het te verwachten subsidievolume in de komende jaren. Dit zal worden gecombineerd met prestatie-afspraken met de zorgaanbieders.

 Artikel 10. Wijziging of beëindiging meerjarenafspraak

In artikel 10 is aangegeven dat zich omstandigheden kunnen voordoen, die er toe moeten leiden dat de meerjarenafspraak tussentijds wordt gewijzigd of beëindigd. Indien bijvoorbeeld de Inspectie Jeugdzorg constateert dat bij een bepaalde zorgaanbieder geen sprake is van verantwoorde zorg, dan zal dit er logischerwijs toe leiden dat de provincie de subsidieverlening aan die zorgaanbieder zal beëindigen. Indien de provincie met die zorgaanbieder in een meerjarenafspraak is overeengekomen dat de zorgaanbieder gedurende een bepaalde periode kan rekenen op voortzetting van de subsidie, is in een dergelijke omstandigheid voortijdige beëindiging van de meerjarenafspraak mogelijk.

 2.2     Bureau Jeugdzorg

 Artikel 13. Subsidiabele activiteiten 

Lid 1 Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie aan Bureau Jeugdzorg ten behoeve van de door Bureau Jeugdzorg uit te voeren taken ingevolge de Wet op de jeugdzorg (artt. 5 t/m 12 WJZ). Dit betreft samengevat de volgende wettelijke taken:  -         De toegangstaak/ indicatiestelling: bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen en zo ja, een indicatiebesluit opstellen (Bureau Jeugdzorg doet niet alleen de indicatiestelling voor de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de Wet op de jeugdzorg, maar doet ook de indicatiestelling voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ) voor jeugdigen);-         Casemanagement: de cliënt bijstaan bij het tot gelding brengen van zijn aanspraak op zorg en het volgen van de verleende zorg.-         Jeugdbescherming: het uitoefenen van voogdij, voorlopige voogdij en gezinsvoogdij;-         Jeugdreclassering;-         Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK);-         Kindertelefoon-         Advisering, deskundigheidsbevordering en afstemming t.a.v. algemene voorzieningen voor jeugdigen.

 Lid 3 De Wet op de jeugdzorg bepaalt dat Gedeputeerde Staten ook subsidie kunnen verlenen aan Bureau Jeugdzorg voor het uitvoeren van experimenten. De Wet op de jeugdzorg verstaat onder experiment: ‘het ontwikkelen en in de praktijk beproeven van nieuwe en het verbeteren van bestaande methoden, werkvormen of hulpmiddelen ten behoeve van het functioneren van bureaus jeugdzorg en van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat’.

Artikel 16. Subsidieaanvraag

Lid 2: Bureau Jeugdzorg dient bij haar activiteitenplan de kwaliteitsdoelstellingen voor het komende jaar op te nemen. Artikel 13 van de Wet op de jeugdzorg benoemt kwaliteitseisen voor de taken van Bureau Jeugdzorg, zoals doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte uitvoering van deze taken. De provincie wil dat Bureau Jeugdzorg per subsidiejaar haar kwaliteits-doelstellingen concretiseert en aangeeft welke resultaten worden nagestreefd.  

 Artikel 18. Subsidieverlening

De provincie zal in de subsidiebeschikking voor Bureau Jeugdzorg vastleggen welke prestaties Bureau Jeugdzorg dient te behalen op de verschillende prestatie-indicatoren. Dit zal enerzijds prestaties van Bureau Jeugdzorg zelf betreffen (bv. cliënttevredenheid en bedrijfsvoering) en anderzijds de relatie van Bureau Jeugdzorg met de omgeving (intersectorale samenwerking, bijv. met centra voor jeugd en gezin)

 Artikel 20. Verantwoording

Lid 2 Bureau Jeugdzorg moet de besteding van de provinciale subsidie in haar jaarverslag inhoudelijk verantwoorden door middel van een activiteitenverslag als bedoeld in artikel 4:80 van de Algemene wet bestuursrecht en een rapportage over de uitvoering van het kwaliteitsbeleid. Bureau Jeugdzorg dient hierbij aan te geven in hoeverre de gestelde kwaliteitsdoelen zijn behaald.  Naast deze verantwoordingsverplichtingen op grond van deze verordening, heeft Bureau Jeugdzorg ook reeds de wettelijk verplichting (art. 14 WJZ) om jaarlijks een verslag ter openbare inzage te leggen, waarin zij verantwoording aflegt over het beleid dat zij in het afgelopen kalenderjaar heeft gevoerd bij de uitvoering van haar taken, alsmede van de kwaliteit van de uitvoering van deze taken. 

 2.3     Jeugdzorgaanbod

 Artikel 22. Subsidiabele activiteiten

Lid 1 Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de uitvoering van jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de Wet op de jeugdzorg. In het uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg (artikel 2) is aangegeven dat de aanspraak op jeugdzorg ingevolge de Wet op de jeugdzorg bestaat uit jeugdhulp, verblijf of observatiediagnostiek.

Lid 2 Een cliënt heeft slechts aanspraak op jeugdzorg ingevolge de Wet op de jeugdzorg als het Bureau Jeugdzorg dat werkzaam is in de provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat de cliënt op die zorg is aangewezen (art. 3 lid 3 WJZ).

Lid 3 De provincies hebben bij de inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg de zogenoemde 10%-regeling afgesproken, inhoudende dat zorgaanbieders tot maximaal 10% van het door een provincie gesubsidieerde jeugdzorgaanbod mogen besteden aan zorg voor jeugdigen uit een andere provincie. Het ligt voor de hand dat deze 10% regeling komt te vervallen, zodra de aangepaste financiering naar aanleiding van het advies van de heer Kaiser is ingevoerd. Dit artikellid is opgenomen, voorzover de provincies toch de 10% regeling of een soortgelijke regeling in stand willen houden.  

Lid 4 Artikel 41 lid 2 van de Wet op de jeugdzorg bepaalt dat Gedeputeerde Staten ook subsidie kunnen verlenen aan een zorgaanbieder ten behoeve van experimenten. Deze wet verstaat onder experiment: ‘het ontwikkelen en in de praktijk beproeven van nieuwe en het verbeteren van bestaande methoden, werkvormen of hulpmiddelen ten behoeve van het functioneren van bureaus jeugdzorg en van jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat’ (art. 1 sub k WJZ).Met een dergelijke subsidie kunnen Gedeputeerde Staten dus innovatie in de jeugdzorg bevorderen.

 Artikel 25. Nieuwe zorgaanbieders

Lid 2 Provinciale Staten hebben in het provinciaal beleidskader ‘Brabant investeert in jeugd’ 2009-2012 (blz. 31) aangegeven wat het streefbeeld is van het provinciale jeugdzorgaanbod.

Lid 3 De provincie Noord-Brabant heeft de afgelopen drie jaar 6 nieuwe zorgaanbieders toegelaten, in 2008 werden 14 zorgaanbieders gesubsidieerd voor de uitvoering van jeugdzorg. Dit betekent een groot aantal zorgaanbieders ten opzichte van andere provincies. Gezien de benodigde toetsing van nieuw zorgaanbod, de behoefte aan continuïteit in het aanbod en de tijd die nodig is om nieuw zorgaanbod in gang te zetten, kan het wenselijk zijn om niet ieder jaar opnieuw kansen te bieden aan nieuwe zorgaanbieders, maar dit tijdelijk te kunnen begrenzen. 

 Artikel 28. Beoordeling subsidieaanvragen

Lid 2, sub b De kwaliteit van het zorgaanbod kan onder meer blijken uit het gebruik van evidence based methodieken, bevindingen van deskundigen zoals de Inspectie Jeugdzorg en Bureau Jeugdzorg, uitkomsten van benckmark-onderzoek en dergelijke.

Lid 2, sub e Er wordt landelijk ingezet op de invoering van prestatie-indicatoren in de jeugdzorg. Deze hebben bijvoorbeeld betrekking op de mate van doelrealisatie, doelmatigheid en cliënttevredenheid. De provincie wil goede prestaties belonen bij de verdeling van het beschikbare subsidiebudget.

 2.4     Vertrouwenspersonen  

 Artikel 33

De cliëntvertrouwenspersonen zijn werkzaam bij een onafhankelijke organisatie, de Stichting Zorgbelang. De cliëntvertrouwenspersonen zijn beschikbaar voor de cliënten van Bureau Jeugdzorg en van zorgaanbieders.

 Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter                                            de secretaris

 

 J.R.H. Maij-Weggen                               drs. W.G.H.M. Rutten

 

 

 

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingSubsidieverordening jeugdbeleid Noord-Brabant 2009
CiteertitelSubsidieverordening jeugdbeleid Noord-Brabant 2009
Vastgesteld doorprovinciale staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpjeugdzorg, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

De Subsidieverordening Jeugdzorg Provincie Noord-Brabant 2005 wordt ingetrokken.

Als gevolg van de intrekking vervallen de volgende uitvoeringsregelingen: a. Subsidieregeling jeugdzorg Noord-Brabant; b. Beleidsregel Subsidies Noodverband Jeugdzorg Noord-Brabant 2006.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Provinciewet, art. 143
  2. Wet op de jeugdzorg, art. 41
  3. Algemene wet bestuursrecht, titel 4.2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Subsidieregeling jeugdbeleid Noord-Brabant 2009

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-09-200921-07-2016nieuwe regeling

05-06-2009

Provinciaal Blad, 2009, 36

15/09