• Geldig sinds 16 juli 2020.
    Geldig tot 21 oktober 2020.

    Print deze versie:
  • Overige versies

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 7 juli 2020, houdende regels omtrent de verstrekking van bijdragen ten behoeve van het verbeteren van de milieucondities bodem, water en lucht en de kwaliteit van de leefomgeving in de zuidoostelijke zandgronden (Bijdrageregeling interbestuurlijk programma Zuidoostelijke zandgronden Limburg Noord-Brabant)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

Gelet op artikel 2 van de Algemene bijdrageverordening Noord-Brabant;

 

Overwegende dat het IPO op 14 februari 2018 namens de provincie Noord-Brabant de samenwerkingsovereenkomst Interbestuurlijk Programma heeft ondertekend, met als doel de samenwerking tussen het Rijk, gemeenten, provincies en waterschappen te verbeteren en afspraken te maken over gezamenlijke ambities en heldere regels voor samenwerking op basis van gelijkwaardigheid en wederkerigheid;

 

Overwegende dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij brief van 20 maart 2020 middelen heeft toegezegd voor de uitvoering van het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland voor het onderdeel Zuidoostelijke zandgronden, met als doel de milieucondities bodem, water en lucht en de kwaliteit van de leefomgeving in die gebieden te verbeteren;

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Interbestuurlijk Actieprogramma Zuidoostelijke zandgronden: actieprogramma van mei 2019 waarin de gezamenlijke opgaven op het platteland van de Zuidoostelijke zandgronden zijn beschreven in het kader van interbestuurlijke samenwerking;

Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland: programma waarin door het Rijk en medeoverheden urgente maatschappelijke opgaven voor het platteland zijn geformuleerd en waarvoor op 14 februari 2018 interbestuurlijke samenwerkingsafspraken werden ondertekend;

project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in de tijd en gericht op een specifiek eindresultaat;

werkgroep Interbestuurlijk Programma Zuidoostelijke zandgronden: ambtelijke werkgroep onder de stuurgroep bestuurlijk overleg gebiedssamenwerking Zuidoostelijke zandgronden;

stuurgroep bestuurlijk overleg gebiedssamenwerking Zuidoostelijke zandgronden: gecombineerd bestuurlijk overleg over het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland voor de Zuidoostelijke zandgronden en het nationale omgevingsvisiegebied De Peel;

Zuidoostelijke zandgronden: gebied van Oost-Brabant, Noord-Limburg en Midden-Limburg, aangegeven op bijlage 3, behorende bij deze regeling.

Artikel 2 Doelgroep

Een bijdrage op grond van deze regeling kan worden aangevraagd door:

  • a.

    gemeente ’s-Hertogenbosch;

  • b.

    waterschap Aa en Maas;

  • c.

    gemeente Venray;

  • d.

    gemeente Eersel;

  • e.

    gemeente Bladel;

  • f.

    gemeente Deurne.

Artikel 3 Activiteiten die in aanmerking komen voor een bijdrage

Een bijdrage kan worden verstrekt voor projecten gericht op het verbeteren van de milieucondities bodem, water en lucht en de kwaliteit van de leefomgeving in de Zuidoostelijke zandgronden, uitgewerkt in het Interbestuurlijk Actieprogramma Zuidoostelijke Zandgronden, opgenomen in bijlage 1 behorende bij deze regeling.

Artikel 4 Vereisten voor een bijdrage

Om voor een bijdrage in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project vindt plaats binnen het werkgebied van de Zuidoostelijke zandgronden;

  • b.

    het project is gericht op het verbeteren van de milieucondities bodem, water en lucht en de kwaliteit van de leefomgeving in de Zuidoostelijke zandgronden, uitgewerkt in het Interbestuurlijk Actieprogramma Zuidoostelijke zandgronden;

  • c.

    de bijdrageaanvrager overlegt een positief advies van de stuurgroep Bestuurlijk overleg gebiedssamenwerking Zuidoostelijke zandgronden;

  • d.

    indien er sprake is van een te verwachte stikstofreductie monitort de bijdrageontvanger het effect van het project op de reductie van de stikstofdepositie, blijkend uit een monitoringsplan;

  • e.

    het project kan binnen 3 jaar na verlening van de bijdrage worden afgerond;

  • f.

    de bijdrageaanvrager is, blijkens een communicatieplan, bereid:

    • 1°.

      alle kennis die tijdens het project wordt opgedaan te borgen;

    • 2°.

      tussentijds actief over het project te communiceren met derden en de werkgroep Interbestuurlijk Programma Zuidoostelijke zandgronden;

    • 3°.

      tijdens het project een inhoudelijke bijdrage te leveren aan het Interbestuurlijk Actieprogramma Zuidoostelijke zandgronden op regionaal niveau en het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland op landelijk niveau;

    • 4°.

      na afloop van het project de tijdens het project opgedane kennis en de uitkomsten van het project met derden te delen;

Artikel 5 Kosten die in aanmerking komen voor een bijdrage

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de bijdrage komen alle kosten voor een bijdrage in aanmerking.

Artikel 6 Kosten die niet in aanmerking komen voor een bijdrage

In afwijking van artikel 5 komen de volgende kosten niet voor een bijdrage in aanmerking:

  • a.

    kosten gemaakt voor 1 oktober 2019;

  • b.

    kosten voor de aankoop van onroerend goed of machines;

  • c.

    kosten voor de aankoop van dierrechten, stikstofrechten of fosfaatrechten;

  • d.

    reguliere bedrijfsvoeringskosten van de bijdrageaanvrager;

  • e.

    reguliere bedrijfsvoeringskosten van eventuele deelnemers aan het project;

  • f.

    btw die op grond van de Wet op de Omzetbelasting 1968 verrekenbaar kan zijn;

  • g.

    btw die op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds compensabel kan zijn.

Artikel 7 Vereisten aanvraag bijdrage

Een aanvraag voor een bijdrage:

  • a.

    wordt ingediend van 1 september 2020 tot en met 29 oktober 2020;

  • b.

    wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier;

  • c.

    bevat het projectplan waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1°.

      op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

      de aanleiding en het doel van het project;

    • 3°.

      de ambities, activiteiten en bijbehorende prestaties binnen het project;

    • 4°.

      voor zover van toepassing een beschrijving van de samenwerkingspartners en de samenwerkingsstructuur;

    • 5°.

      wie de eindbegunstigde is of wie de eindbegunstigden zijn van de bijdrage;

    • 6°.

      het startmoment en verdere planning van het project;

    • 7°.

      een sluitende en realistische begroting met een kostenraming en dekkingsplan.

Artikel 8 Bijdrageplafond

Gedeputeerde Staten stellen het bijdrageplafond voor de periode, genoemd in artikel 7, onder a, vast op € 3.811.003.

Artikel 9 Hoogte van de bijdrage

De hoogte van de bijdrage betreft 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van het bedrag per gemeente, opgenomen in bijlage 2, behorende bij deze regeling.

Artikel 10 Verdelingswijze

De bijdrage wordt verdeeld op grond van de verdeling afgesproken in de stuurgroep bestuurlijk overleg gebiedssamenwerking Zuidoostelijke zandgronden, opgenomen in bijlage 2, behorende bij deze regeling.

Artikel 11 Verplichtingen van de bijdrageontvanger

  • 1.

    De bijdrageontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

      hij monitort het effect van het project op de reductie van de stikstofdepositie, voor zover er sprake is van een stikstofreductie;

    • b.

      hij rondt het project af binnen 3 jaar na verlening van de bijdrage;

    • c.

      hij voert het communicatieplan, bedoeld in artikel 4, onder f, uit;

    • d.

      hij houdt de activiteiten die tot stand zijn gekomen met een provinciale bijdrage tenminste 5 jaar na vaststelling van de bijdrage in stand, tenzij Gedeputeerde Staten hiervoor ontheffing verlenen;

    • e.

      hij zorgt ervoor dat de zaak die tot stand is gekomen met een provinciale bijdrage niet binnen een periode van 5 jaar na realisering daarvan vervreemd, verhuurd of met hypotheek of andere zakelijke rechten wordt bezwaard, dan wel geheel of gedeeltelijk aan de in de aanvraag omschreven bestemming onttrokken wordt, tenzij Gedeputeerde Staten hiervoor ontheffing verlenen;

    • f.

      vermeldt in de publicaties met betrekking tot de te financieren activiteit dat de activiteit geheel of gedeeltelijk met financiële steun van de provincie Noord-Brabant is of wordt gerealiseerd;

    • g.

      hij overlegt jaarlijks een voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de bijdrage wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt.

  • 2.

    Indien het project wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden afgerond binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, onder d, en de subsidieontvanger verlenging van die termijn wenselijk acht, kan hij uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten tot verlenging met maximaal 1 jaar.

  • 3.

    Een verzoek om ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt door de subsidieontvanger gemotiveerd en schriftelijk ingediend bij Gedeputeerde Staten.

Artikel 12 Verantwoording

De bijdrageontvanger toont bij de aanvraag tot vaststelling van de bijdrage aan dat de activiteiten waarvoor de bijdrage is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de bijdrage verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten, met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde model bestuursverklaring.

Artikel 13 Bevoorschotting en betaling

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 100% van het verleende bijdragebedrag.

  • 2.

    Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt in twee keer betaald, waarbij het eerste deel 10% en het tweede deel 90% bedraagt.

  • 3.

    Het eerste deel wordt binnen zes weken na verlening betaald en het tweede deel op 20 december 2020.

Artikel 14 Vaststelling

De bijdrage wordt verleend en op aanvraag vastgesteld op grond van artikel 12, onder c, van de Algemene bijdrageverordening Noord-Brabant.

Artikel 15 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden uiterlijk 2023 aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en effecten van deze regeling in de praktijk.

Artikel 16 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 17 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Bijdrageregeling interbestuurlijk programma Zuidoostelijke zandgronden Limburg Noord-Brabant.

 

’s-Hertogenbosch, 7 juli 2020

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris

drs. M.J.A. van Bijnen MBA

Bijlage 1 behorende bij artikel 3 van de Bijdrageregeling interbestuurlijk programma Zuidoostelijke zandgronden Limburg Noord-Brabant

 

Interbestuurlijk Actieprogramma Zuidoostelijke zandgronden

 

 

 

 

INTERBESTUURLIJK ACTIEPROGRAMMA ZUIDOOSTELIJKE ZANDGRONDEN

 

 

Inhoudsopgave

 

Hoofdstuk 1 Gedeelde ambities en urgenties

Hoofdstuk 2 Versterken van de interbestuurlijke samenwerking

Hoofdstuk 3 De proeftuinen – versnelde realisatie van concrete projecten

  • 3.1 AgroProeftuin de Peel

    3.2 Living Lab Vredepeel

    3.3 Levende Beerze

    3.4 Innovatiepark De Vlier

    3.5 Troprijt/Kroonvennen.

Hoofdstuk 4 Financiële uitwerking

 

 

Samenvatting

De gezamenlijke aanpak van opgaven op het (vitale) platteland is van groot belang en dat geldt bij uitstek in de zuidoostelijke zandgronden. Dit gebied kenmerkt zich door droge zandgronden met een intensieve landbouw. Het is een gebied met veel potentie, gunstig gepositioneerd voor de handel en de bevolking typeert zich door een pioniersgeest.

De intensieve landbouw in dit gebied levert grote economische kansen, maar heeft ook een aantal schaduwzijden. De draagkracht van het landschap is onvoldoende om het intensieve gebruik aan te kunnen. Dat is nu al zo en door de transities bij landbouw, klimaat, energie en natuur zal de verandering zich nog verder doorzetten. Maar ook door trends zoals digitalisering en robotisering en de veranderende relatie stad en land. Er spelen uitdagingen rondom de veranderingen van de landbouw, de biodiversiteit staat onder druk en kwaliteit van bodem en water zijn matig tot slecht door het intensieve (landbouwkundige) gebruik en er is maatschappelijke onrust door geuroverlast en onzekerheid over gezondheidseffecten. Tegelijkertijd neemt de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied af onder meer door stallen die leeg komen te staan. Deze hebben ook een aantrekkende werking op ondermijnende activiteiten in het buitengebied. Sociaal hebben deze veranderingen ook grote impact op de saamhorigheid van de mensen die in het gebied wonen. De impact en het tempo van die veranderingen neemt de komende jaren alleen maar toe. Hierdoor staan we voor een samenhangend geheel van sociale, economische en ecologische opgaven. Deze kunnen alleen samen en in samenhang worden opgepakt.

Bij alle innovaties, pilotgebieden, samenwerkingsinitiatieven ervaren de partijen die richting willen geven aan die veranderingen echter tal van belemmeringen die het “in goede banen leiden” niet gemakkelijker maken. Initiatieven die nieuwe zaken uittesten lopen soms aan tegen regelgeving die op bestaande praktijken is toegespitst en daardoor kan knellen met de nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast blijft opschaling van succesvolle pilots achter.

Een oorzaak hiervan is dat verschillende initiatieven/samenwerkingsverbanden onderling weinig contact hebben, waardoor dubbeling plaatsvindt en gegenereerde kennis onvoldoende benut wordt. Het gaat daarbij in eerste instantie om de belemmering die er in resulteert dat de verschillende overheden soms niet voldoende samen optrekken en beleid/ strategie onvoldoende op elkaar afstemmen. Het gaat ook om het ontbreken van een op de urgente opgaven toegespitst instrumentarium. En daarbij ook het ontbreken van experimenteerruimte om innovaties toe te passen die juist nodig zijn om een verandering in gang te zetten.

IBP Vitaal Platteland - Zuidoostelijke zandgronden wil deze belemmeringen identificeren en wil kijken hoe die kunnen worden weggenomen. Het programma biedt een driejarige impuls die de samenwerking tussen overheden en andere partijen versterkt. Exemplarisch voor die samenwerking zijn de gezamenlijke ambities van de overheden vanuit een inhoudelijk perspectief op de meest urgente opgaven van de zuidoostelijke zandgronden. In dit plan zijn de vier overheidslagen vertegenwoordigd: gemeenten, waterschappen, provincies en ministeries.

Concreet willen we met dit actieprogramma als vier overheden:

  • 1.

    De interbestuurlijke samenwerkingen versterken

  • 2.

    Inzetten op proeftuinen

Het in zetten op zowel samenwerking als fysieke projecten biedt ons de mogelijkheid om te leren van directe uitvoering en het geleerde vervolgens ook direct weer te kunnen toepassen. De gekozen proeftuinen sluiten aan op de unieke opgaves in het gebied. Ze zijn dan ook gedeeltelijk overlappend maar ook weer uniek van elkaar. Dit biedt een extra kans voor het lerend vermogen en het versterken van de diverse ontwikkelingen.

 

Met dit actieprogramma willen we inzetten op twee inhoudelijke thema’s die van groot belang zijn voor het gebied zuidoostelijke zandgronden:

  • 1.

    Omgevingskwaliteit (schone lucht, gezonde en veilige leefomgeving, biodiversiteit, ruimtelijke inpassing van concrete opgaven zoals de energietransitie)

  • 2.

    Kringlooplandbouw met specifiek ook aandacht voor mest(bewerking)

In de volgende hoofdstukken wordt eerst de gezamenlijke ambitie van de werkgroep beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 2 beschreven hoe deze ambitie vorm krijgt. In hoofdstuk 3 worden de verschillende proeftuinen beschreven en in hoofdstuk 4 is de financiële onderbouwing van dit actieprogramma uitgewerkt.

 

 

Hoofdstuk 1Gedeelde ambities en urgenties

Introductie

Het actieprogramma is opgesteld door een werkgroep van vier overheden. Omdat het actieprogramma provinciegrens overstijgend is, gaat dit in totaal om acht partijen:

  • Provincie Limburg

  • Provincie Noord-Brabant

  • Waterschap Limburg

  • Waterschap Aa & Maas

  • Vertegenwoordiging van de Noord-Limburgse gemeentes door gemeente Peel & Maas

  • Vertegenwoordiging van de Zuidoost-Brabantse gemeentes door de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant

  • Vertegenwoordiging van de Noordoost-Brabantse gemeentes door de regionale samenwerking Noordoost Brabant

Met al deze partijen is actief meegeschreven aan het actieprogramma.

Gebiedsomschrijving en de gekozen urgenties

De Zuidoostelijke zandgronden is een relatief jong ontginningsgebied. Pas na de tweede wereldoorlog worden de laatste woeste gronden ontgonnen. Door de grootschalige toepassing van (kunst)mest is het mogelijk de schrale zandgronden om te zetten in geschikte landbouwgrond. Na de oorlog komen vanuit heel Nederland ondernemers naar het gebied. Tegenwoordig is de derde generatie aan het werk en is de diversiteit van bedrijfstypen enorm. Door de import zijn ondernemers minder met hun grond, herkomst en familie verbonden en was de bereidheid om van bedrijfstype te veranderen groter dan in de rest van Nederland. Het ondernemerschap en de flexibiliteit zien wij als kans voor dit gebied. Het gebied wordt gekenmerkt door overwegend grote kavels en bouwblokken in de kern, natuurgebieden aan de flanken en relatief jonge dorpskernen met een sterke sociale structuur. Deze karakteristiek willen we behouden en versterken.

Het gebied staat echter vooral bekend om zijn grootschalige intensieve varkenshouderij en de bijbehorende megastallen die onderwerp van discussie zijn. Veertig procent van onze varkens leeft in de zuidoostelijke zandgronden, terwijl dat gebied in oppervlak maar twee procent van Nederland beslaat. Daardoor staat de omgevingskwaliteit van het gebied al jaren onder druk. Ook is er de laatste decennia breed besef ontstaan de intensieve veehouderij tot gezondheidsrisico’s kan leiden. Onder de steeds grotere groep burgers die op het platteland zijn komen wonen heerst onrust en ongenoegen over aantasting van hun gezondheid en leefklimaat. Daarnaast staat het verdienmodel van de sector onder druk. De afgelopen jaren zijn veel ondernemers (25%) gestopt en de verwachting is dat de komende jaren nog vele bedrijven zullen volgen.

Niet alleen de intensieve veehouderij, maar ook de intensivering van gewassen levert problemen op. Door toenemende drainage bij nat weer en beregening bij droog weer en klimaatverandering vormt verdroging een grote bedreiging voor het gebied. De afhankelijkheid van zowel aanvoerwater als grondwater moet verminderd worden, om ecologische en economische schade te beperken.

Tenslotte kan en mag het huidige systeem van de zuidoostelijke zandgronden niet los gezien worden van de rest van de wereld. We importeren plantaardige eiwitten die we in een efficiënt systeem omzetten naar dierlijke eiwitten die weer geëxporteerd worden. In deze omzetting is Nederland erg goed, we zijn zelfs koploper. Echter, deze omzetting gaat gepaard met erg veel schade aan de omgeving en ook de agrarisch ondernemer verdient er weinig aan. Zowel people, planet als profit zijn niet gebaat bij dit systeem. Dit kan en moet anders.

 

 

FIGUUR 1 LANDSCHAPSKENMERKEN

Vanuit bovengeschetste gebiedsomschrijving zien wij twee urgente opgaven die we willen oppakken binnen het IBP VP:

1.Vergroten van de omgevingskwaliteit van het gebied

De omgevingskwaliteit in het gebied staat onder druk. Er ligt een opgave om de huidige natuurgebieden te verbeteren, fysieke omgeving te verbeteren en er liggen kansen om de verbinding tussen de dorpskernen en agrarische gebied verder te versterken.

Met onze aanpak en projecten willen we aan de volgende zaken concreet bijdragen:

  • Versterken economische en vitaliteit en ruimtelijke kwaliteit van het gebied; door een toenemend aantal stoppende bedrijven komen in toenemende mate stallen en bedrijfsblokken leeg te staan. Dit zorgt voor verloedering en ongewenste activiteiten in het buitengebied.

  • Verbeteren fysieke omgeving; door intensivering van teelten en veehouderij staan een groot aantal zaken flink onder druk de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, de bodem, luchtkwaliteit, natuur en biodiversiteit. Daarnaast zijn zaken als klimaatmitigatie en adaptatie (piekbuien en droogte) zaken die daar ook hun uitwerking op hebben en waar in de fysieke ruimte rekening mee gehouden moet worden. De afgelopen jaren hebben diverse inspanningen al de vruchten afgeworpen. Echter zijn extra inspanningen nodig. De aanpak en samenwerking i.k.v. het IBP kan dit versnellen

  • Verbeteren van de landschappelijke kwaliteiten in het gebied. De landschappelijke kwaliteit neemt af en daardoor staat ook de recreatieve waarde van de regio onder druk. De belangrijke natuur en landschappelijke waarden liggen aan de flanken van het gebied. Met name hierin, maar ook in verbindingen in de kern van het gebied wordt geïnvesteerd.

 

 

2. Bevorderen van kringlooplandbouw in het gebied

Dé grootste opgave in het gebied is de transitie naar een voedselproductie gebaseerd op de principes van kringlooplandbouw. In een stelsel van kringlooplandbouw gebruiken akkerbouw, veehouderij en tuinbouw in de eerste plaats grondstoffen uit elkaars ketens en reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie en voedingsketens. Het motto is: lokaal wat kan, regionaal of internationaal wat moet. Resten uit de agrarische sector en de voedselketen (gewasresten, voedselresten, procesafval, mest, compost) worden opnieuw benut of verwerkt tot nieuwe (hulp)producten. Kringloopbedrijven verbruiken zo min mogelijk energie en gebruiken zo veel mogelijk hernieuwbare energie of ook hier reststromen van bijvoorbeeld warmte uit andere processen. Daarmee werken we aan een toekomstbestendige landbouw. In het gebied van de zuidoostelijke zandgronden geldt deze opgave in het bijzonder voor de varkenshouderij.

Het realiseren van die ambitie vraagt om een gezamenlijke aanpak. Het gaat dan om het realiseren van ‘slimme’ varkensketens, het mogelijk maken van proeftuinen met innovatieve locaties en projecten, het betrekken van burgers bij nieuwe innovatieve oplossingen voor de intensieve varkenshouderij.

Er zijn al toonaangevende voorbeelden op dit vlak. Echter zien we kansen in het creëren van een extra impuls voor deze maar ook van nieuwe initiatieven/ innovaties/ samenwerkingen, het zorgen voor samenhang en het borgen van doorontwikkeling/ uitrol van gewenste innovaties.

Verder willen we bijdragen aan het verder verduurzamen en toekomstbestendig maken van verschillende agrarische sectoren in het gebied. Er zit een enorme drive en pioniersgeest bij de meeste relatief jonge bedrijven. Er zijn vele ondernemers die economisch een positieve bijdrage leveren aan de landelijke economie en die ook oog hebben voor innovatie. Deze is de laatste jaren bij de meeste ondernemers gericht op verdere optimalisatie maar wij willen deze ook gebruiken om deze drive in te zetten om de sectoren te verduurzamen.

2.a Mest(bewerking)

Organische mest is een waardevolle grondstof die gebruikt kan worden voor het verbeteren van de bodem, het laten groeien van planten, het opwekken van energie, maar ook voor maken van andere producten zoals bijvoorbeeld plastic of vervangers. Voor het inzetten van organische mest als waardevolle grondstof is bewerking van de mest nodig voor een optimale toepasbaarheid van de mest. Dit is noodzakelijk om verliezen naar bodem en lucht te voorkomen. Voorwaarden bij bewerking en toepassing is het emissie-loos toepassen, op zowel op de boerderij, bij de bewerking, en de toepassing als meststof op het land. Een gezamenlijke aanpak van het mestvraagstuk is de sleutel in het zetten van een grote stap richting kringlooplandbouw, die kunstmest vrij is!

In de Provincie Brabant is door de vier regio’s en provincie het uitgangspunt van mest als waardevolle grondstof uitgewerkt in een gezamenlijke mestvisie. Met de mestvisie als uitgangspunt, inzicht in de hoeveelheid mest en bewerkingsbehoefte, uitgewerkte kwaliteitseisen voor mestbewerking, worden in 2019 en 2020 scenario’s ontwikkeld voor mestbewerking die moeten leiden tot een gedragen locatiebeleid. Het traject Brabant Bemest Beter richt zich op het verbeteren van de kringloop. Via het sluiten van kringlopen is de ambitie om de volgende doelen bereiken:

  • Een kleinere klimaatimpact van de Brabantse landbouw door minder gebruik van kunstmest en door opslag van CO2 in de bodem.

  • Een vitale en vruchtbare bodem en voorkomen van verlies van meststoffen.

  • Een verbetering van de kwaliteit van het (grond)water, van de waterhuishouding en de natuur.

  • Versterking van het verdienmodel van de Brabantse agrarische sector.

  • Interbestuurlijke richting-bepaling over de mogelijkheden van inzet van juridische, belastingtechnische en andere instrumenten om de gewenste doelen te bereiken.

 

In het kader van het IBP VP ligt de kans om hierin ook samen met Limburg en het Rijk op te trekken, en vooral van elkaar te leren en zo voor totale ‘probleemgebied’ in Nederland de noodzakelijke kaders op dit urgente dossier te zetten.

 

 

Hoofdstuk 2 Versterken van de interbestuurlijke samenwerking

 

De kracht van de samenwerking in kader van het interbestuurlijk programma zien we allereerst in de samenwerking tussen de overheden. Samenwerking tussen overheden moet in samenhang op verschillende niveaus gebeuren. De samenwerking geven we vorm op de volgende drie niveaus:

1. Beleidstrajecten delen en opschalen. Het delen en eventueel opschalen van interessante beleidstrajecten die in de verschillende deelgebieden (provincie, regio, waterschap, gemeente) lopen, beleidsinnovatie. Het kan dan gaan om het opschalen van het beleidstraject rondom mest dat in Brabant loopt en dat mogelijk ook interessant is voor Limburg (of andere veedichte gebieden). Of over de manier waarop wordt samengewerkt en afspraken gemaakt met maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en onderwijs/ kennisinstellingen.

De twee jaar IBPVP worden gebruikt om het beleidstraject voor mest in het gehele gebied aan elkaar te koppelen. De voor en nadelen van de Limburgse en Brabantse aanpak worden gedeeld en zo nodig geharmoniseerd.

Een tweede actiepunt is het actiegericht maken en zoeken naar de juiste schaal voor samenwerking tussen de overheden en de maatschappelijke organisaties. In het manifest “Brabants Mozaïek in ontwikkeling” zijn intenties uitgesproken voor de komende jaren. Deze moeten worden geconcretiseerd.

2. Gebiedservaring delen. Van elkaar te leren door het bij elkaar brengen van gebieden of (sub)regio’s (meer dan die in hoofdstuk 6 benoemd worden) binnen Zuid Oost Nederland die bezig zijn met bovenstaande drie urgente opgaven en inzichtelijk te maken hoe die elkaar kunnen versterken en evt. gezamenlijk ondervonden knelpunten kunnen oplossen. Daarbij wordt voor onderdelen ook de relatie gelegd met andere ‘Vitaal Platteland gebieden’ waar vergelijkbare problematieken spelen. Onderwerpen die voor kennisuitwisseling in aanmerking komen zijn bijvoorbeeld de omschakeling van stoppende agrarische bedrijven naar een andere functie (m.n. belemmeringen a.g.v. de huidige wet- en regelgeving), en de problemen die innoverende agrariërs ondervinden bij het van de grond brengen van hun initiatieven (experimenteerruimte i.r.t. wet- en regelgeving).

Gedurende de looptijd van het IBPVP worden zes bijeenkomsten in het gebied georganiseerd, waarbij we bij elkaar in de keuken kijken en de tops en flops van de bereidingswijze van gebiedsgerichte gerechten uitwisselen.

In het gebied lopen momenteel verschillende trajecten die aanpalend zijn aan IBPVP, denk hierbij aan:

  • Warme sanering varkenshouderij

  • NOVI Perspectiefgebied

  • Ondersteunende maatregelen versnelling transitie veehouderij (Brabant)

Dit zijn grootschalige trajecten waar veel (overheids)geld in om gaat. Het is van belang om ook van deze trajecten te leren, ook met name tussen overheden.

3. Praktijkinnovaties van proeftuinen delen en vermenigvuldigen. In de proeftuinen (zie hoofdstuk 3) lopen we aan tegen tal van belemmeringen die we in beeld brengen. Het gaat dan over financiering (valley of death), onvoldoende ruimte om af te wijken van de regels. We organiseren bijeenkomsten die de proeftuinen samenbrengen voor samenhang en opschaling van kansrijke innovatieve projecten en voor het bevorderen/ vergroten van experimenteerruimte.

 

 

 

 

Hoofdstuk 3 De proeftuinen – versnelde realisatie van concrete projecten

In het gebied van de Zuidoostelijke zandgronden zijn verschillende concrete proeftuinen waar projecten en innovaties die bijdragen aan de gestelde ambities/ doelstellingen voor het gebied: transitie van de landbouw naar kringlooplandbouw, het bevorderen van omgevingskwaliteit en duurzame mestbewerking (zie 2.). In het voorgaande hoofdstuk is beschreven dat we binnen dit programma de onderlinge samenwerking willen versterken en willen leren van lopende innovatie trajecten. Daarnaast willen we de concrete bestaande proeftuinen voorzien van een extra impuls, die verder gaat dan het “leeraspect”.

Hieronder zijn de proeftuinen beschreven die nu in beeld zijn en uitgewerkt voor zover dat nu mogelijk is. De proeftuinen verkeren in verschillende stadia van uitwerking. Proeftuinen kunnen gaandeweg het IBP-traject concreter worden in de uitwerking, inclusief de behoefte aan ondersteuning en middelen vanuit IBP. Ook kan het zijn dat er zich nog nieuwe interessante proeftuinen aandienen. Gelet op het beoogde “dynamisch programmeren” (zie hoofdstuk 4) moet hier dan flexibel op ingespeeld kunnen worden.

De verzameling van proeftuinen is zodanig gekozen dat er meerwaarde ontstaat. Partijen hebben elkaar hier nodig en staan voor vergelijkbare opgaven, die als ze meer in samenhang worden aangepakt extra diepgang krijgen, doelmatiger zijn en meer slagkracht krijgen. Bovendien wordt door inzet van de interbestuurlijke aanpak al op korte termijn (binnen de lopende regeerperiode) de praktische uitvoerbaarheid versneld. De maatschappelijke opgaven binnen de gebieden zijn urgent en de gekozen aanpak heeft effect op de doelstellingen die zijn benoemd. De interbestuurlijke aanpak als een overheid vergroot de kansrijkheid om de doelstellingen van het gebied op proeftuinniveau te halen, maar betekent tegelijkertijd dat er

kennisuitwisseling, opschaling van beleidstrajecten, vermenigvuldiging en mainstream maken van de gekozen benaderingswijze kan plaatsvinden. Dat is winst voor de proeftuin, het gehele zuidoostelijke zandgebied, maar ook voor andere veedichte gebieden in Nederland.

FIGUUR 2 DE LOCATIE VAN DE 5 PROEFTUINEN

 

 

3.1 AgroProeftuin de Peel

Strategie en doelstelling

De regio Noordoost-Brabant werkt inmiddels 5 jaar aan de ontwikkeling van AgroProeftuin de Peel als circulair voorbeeldgebied voor de duurzame primaire voedselproductie van de toekomst, dat zowel provinciaal als (inter)nationaal onderscheidend is. De AgroProeftuin is een samenwerking van ondernemers, overheden en onderwijs-en kennisinstellingen binnen Agrifood Capital, de triple-helix organisatie van de regio Noordoost-Brabant.

 

AgroProefgebied de Peel heeft te maken met de problemen en uitdagingen zoals in hoofdstuk 1 benoemd. Onvoldoende draagkracht van natuur en landschap door de intensieve veehouderij, water- en ecosystemen die onder druk staan, de maatschappelijke weerstand en onrust als gevolg van geuroverlast en gezondheidsrisico’s door de grote veedichtheid. De intensieve veehouderij staat hierdoor voor de uitdaging te vernieuwen en te transformeren in een sector waar sprake is van een duurzame kringloopproductie van dierlijke en plantaardige eiwitten. Sector en regio zoeken daarvoor naar nieuwe verdienmodellen en economische dragers. Ook om de leefbaarheid en sociale cohesie in het gebied op peil te houden.

Om aan deze maatschappelijke uitdagingen tegemoet te komen is er voor de AgroProeftuin een strategie ontwikkeld waarbij ingezet wordt op een transitie naar een kringlooplandbouw. Het sluitend maken van de keten is een majeure opgave waar overheden, onderwijs-en kennisinstellingen, agrarische ondernemers en de toeleverende industrie samen aan werken. Als eerste spoor wordt in AgroProeftuin de Peel op bedrijfsniveau geëxperimenteerd met het circulair maken van eiwitproductie en een zero emissie veehouderij. Een belangrijke tweede spoor is het werken aan herstel van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Herstel van natuur- en watersystemen, verbetering van de bodem, tegengaan van verdroging en het vergroten van de biodiversiteit staan daarbij centraal. Het derde spoor is gericht op sociale innovatie. Met bewoners in het gebied en maatschappelijke organisaties werken we aan een ‘blijfklimaat’, waarbij behoud van de leefbaarheid in het gebied een belangrijke opgave is. Samen met bewoners wordt ook gewerkt aan het ontwikkelen van draagvlak voor de noodzakelijke transities in de veehouderij. Niet in de laatste plaats door agrariërs te helpen in de transitie van hun bedrijfsvoering of in het stoppen met hun bedrijf. Tegelijkertijd is er een uitgebreid programma om opleidingen toe te spitsen op de nieuwe uitdagingen die de kringlooplandbouw stelt. De innovatieaanpak in AgroProeftuin de Peel kenmerkt zich door vanuit doelstellingen en randvoorwaarden ontwikkeling door ondernemers weer mogelijk te maken. In de samenwerking met het onderwijs en overheden zorgt dit voor de gewenste positieve dynamiek.

 

Momenteel wordt aan hand van vier centrale speerpunten projecten ontwikkeld en gerealiseerd:

  • 1.

    Duurzame kringlooplandbouw met de innovatiesporen transitie veehouderij, alternatieve eiwitproductie en biomassateelt en verwaarding. (in relatie tot inperken negatieve effecten op de lucht, bodem, water)

  • 2.

    Bodemverbetering en droogtebestrijding met het sluiten van de kringloop door het benutten van organische (afval)reststromen voor lokale compostering, bodemmaatregelen/-proeven en monitoring. (ook in relatie tot het verbeteren van de waterkwaliteit door vermindering van uitspoeling en bronaanpak)

  • 3.

    Natuurontwikkeling in verbinding met gezondheid en economie met 30-54 hectare natuur en extra landschaps-/natuurontwikkeling aan de randen van het gebied en op verschillende manieren bijdragen aan vergroten van biodiversiteit.

  • 4.

    Energieneutrale productie

 

Bijdrage IBP VP aan AgroProeftuin de Peel

Het IBP draagt bij aan AgroProeftuin de Peel via de volgende onderdelen: opschaling en ondersteuning van projecten die kansrijk zijn om met bestuurlijke samenwerking en middelen meer continuïteit/impact/versnelling te geven. Er is een basis gelegd met uitvoeringsprojecten die hiermee uitgebouwd wordt. Daarnaast helpt de samenwerking bij het vinden en betrekken van meer vernieuwers door het uitwisselen van ervaringen met Zuidoost-Brabant en Limburg. Zo zijn de andere proeftuinen in de Zuidelijke Zandgronden ook bezig met projecten op het gebied van kringlooplandbouw, vernieuwende teelten met verbetering van de biodiversiteit en biomassateelt en -verwaarding.

Natuurrealisatie

De vijf Noordoostelijke peelgemeenten en het waterschap Aa en Maas hebben met het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) afgesproken om 30-54 hectare natuur in het peelgebied te ontwikkelen. Daar zitten een aantal opgaven bij die door grondposities lastig te realiseren zijn. In samenwerking met de ZLTO en met ondersteuning van het IBP wil de AgroProeftuin dit proces via een ruilverkavelingsproject versnellen. Daarnaast zien we kansen om bovenop deze 54 hectare natuurontwikkeling vanuit het IBP aan de gang te gaan met verbetering van de omgevingskwaliteit en vergroten van de biodiversiteit aan de randen van de Peel. En ook in het vergroten van de biodiversiteit door de inpassing in de agrarische bedrijfsvoering; zo loopt er momenteel in de proeftuin een proef rondom akkerrandenbeheer.

Proeflocaties, projecten en opschaling

De AgroProeftuin ondersteunt en ontwikkelt momenteel meerdere vernieuwende proeflocaties in de regio, op overheidsgrond (35 hectare) en op bestaande bedrijfslocaties. Op alle proeflocaties zijn het verbeteren van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit randvoorwaarden waarbinnen ondernemers aan de slag gaan. Het IBP ondersteunt en versnelt deze loketfunctie door onder andere de bestuurlijke samenwerking die nodig is om proeflocaties voor elkaar te krijgen. Met bijvoorbeeld experimenteerruimte en door ondersteuning bij de kosten voor procesmanagement, communicatie, vergroten maatschappelijk draagvlak en betrokkenheid, monitoring, pacht en kennisuitwisseling.

De eerste proeflocatie heeft een omvang van 35 hectare. Hier vinden momenteel 14 teeltproeven plaats die worden uitgevoerd door een samenwerking van agrariërs met uiteenlopende bedrijven in de keten en diverse kennis- en onderwijsinstellingen. De proeven richten zich op drie onderdelen: eiwit van eigen bodem, biomassa als grondstof en het vergroten van de biodiversiteit.

Naast teeltproeven faciliteert AgroProeftuin de Peel proefstal(len) vanuit het speerpunt transitie veehouderij, waaronder emissiearme huisvestingssystemen en duurzame mestbewerking. Een te ontwikkelen consortium kan een nieuw concept binnen de gestelde randvoorwaarden ontwikkelen voor deze of een nabij gelegen en aan de proeflocatie verbonden locatie.

De ontwikkeling van een tweede proeflocatie wordt momenteel voorbereid. Het gaat hier om de herontwikkeling van een VAB-locatie tot proefboerderij op het vlak van het sluiten van kringlopen. . De ambitie is om eveneens een broedplaats voor lokaal ondernemerschap en kennisontwikkeling te creëren.

Het waterschap start in 2019 met een gebiedspilot om samen met agrarische ondernemers een aanpak ter bevordering van de waterkwaliteit te ontwikkelen.

AgroProefuin de Peel communiceert als loket met ondernemers en omgeving, met als doel het genereren van nieuwe projecten, maatschappelijke acceptatie en gebiedsactivering. Dat gebeurt via een website, media-aandacht, sociale-mediaberichten, bijeenkomsten en een ‘Tour de Peel’ voor ondernemers, inwoners en contacten vanuit de provincie, het rijk en de EU.

Dynamisch programmeren

In AgroProeftuin de Peel hebben we de afgelopen jaren geïnvesteerd in het vullen van onze projectenportefeuille door het signaleren, stimuleren en uitwerken van kansen die zich van onderop voortdoen en het verzilveren daarvan op het juiste moment (i.r.t de juiste doelstellingen en randvoorwaarden, beschikbare middelen, subsidies). De aangehaalde projecten zijn de initiatieven die momenteel concreet in beeld dan wel in ontwikkeling of uitvoering zijn. Daarnaast is de AgroProeftuin met zijn partners voortdurend bezig met het ontplooien van nieuwe kansen. In het IBP zien wij een extra stimulans om juist ook deze nieuwe kansen versneld te verzilveren.

 

3.2 Living Lab Vredepeel

Het Living Lab Regio Vredepeel (LLV) gaat op zoek naar systeem innovaties om de productie nog efficiënter te maken terwijl tegelijk alle duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de VN in acht worden genomen. In de Peel zijn de belangrijkste uitdagingen in dit kader de uitstoot van methaan, het overschot aan nitraat en fosfaat, het tekort aan organische stof, verticale integratie en de relatie met de overheid.

LLV bouwt voort op het traject dat vorig najaar is afgerond en waar er in samenspraak met diverse overheden (provincie, waterschap, gemeente Venray) en ondernemers (een melkveehouder, een akkerbouwer, twee varkenshouders en een kippenhouder) uit de regio een beslissingsmodel is ontwikkeld van waaruit inmiddels de eerste investeringen in innovaties gedaan worden.

  • 1.

    De REMEDy stal waarin emissies van ammoniak, methaan en fijn stof vergaand worden gereduceerd. In 2019 zal met de bouw van een prototype worden begonnen.

  • 2.

    De mestraffinage. In 2019 zal de eerste trap van deze installatie in bedrijf worden genomen, die gedroogde en gehygieniseerde rundermestpellets produceert, die gemakkelijk in de regio kunnen worden afgezet maar ook geëxporteerd kunnen worden. In de volgende fase zal de installatie ook varkens-, kippenmest en andere organische producten verwerken. In de mestpellets kan de samenstelling van mineralen en verschillende kwaliteiten organische stof op maat worden aangepast.

  • 3.

    Samenwerking door akkerbouw- en veehouderijbedrijven, lokaal, regionaal en internationaal om waar mogelijk circulaire precisie landbouw te implementeren en door doelgerichte bemesting de kwaliteit van de bodem (m.n. het organische stof gehalte) te verbeteren het geen leidt tot hogere productiviteit en betere milieuprestaties.

  • 4.

    Structurele samenwerking met de lokale en regionale overheid om deze innovaties in te bedden in lokale en regionale omgevingsplannen, waarbij via ruilverkaveling en ruimtelijke ordening de hogere opbrengsten van grond gebruikt wordt om andere gronden uit productie te halen en in te zetten voor ander maatschappelijke doelen, zoals biodiversiteit, recreatie, landschapskwaliteit en energieproductie.

  • 5.

    Samenwerking met kennisinstellingen, bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties om te komen tot een gedragen landschapsontwikkelingsplan voor Vredepeel, waarin de doelen van duurzame ontwikkeling en de uitwerking ervan in termen van circulaire landbouw, natuurinclusieve landbouw en resource use efficieny in regionale en lokale overeenkomsten worden geformuleerd.

 

Vrebamelkvee investeert in de komende vijf jaar €60 mln in de uitbreiding van de veestapel en in melkverwerking tot consumenten eindproducten en farmaceuticals op het eigen bedrijf. Uit de groei van de revenuen die resulteren uit deze investeringen worden de investeringen in de REMEdy-stal, de mestraffinage en circulaire precisie landbouw gefinancierd die €26 mln bedragen. Deze innovaties moeten gestalte krijgen binnen de regio. Daartoe moet deels al bestaande samenwerking verder worden ontwikkeld: met andere landbouwbedrijven, met de lokale en regionale overheden, metkennisinstellingen en met maatschappelijke organisaties en burgers. Dat is de kern van het Living Lab Regio Vredepeel. De initiatiefnemers hopen met het creëren van een transparant en op innovaties gericht Living Lab experimenteerruimte te kunnen creëren waarin de bovenstaande innovaties in de praktijk getoetst kunnen worden. Op 4 april jongstleden is de eerste bijeenkomst van het Living Lab geweest waarin ondernemers, burgers, politici, ambtenaren en kenniswerkers voorstellen verder ontwikkeld hebben.

Waarom is er aanvulling vanuit IBP VP nodig?

  • Het IBP kan kansen bieden voor kennisuitwisseling tussen de diverse proeftuinen en de samenwerking met de overheid.

  • Er is behoefte aan experimenteerruimte op meerdere vlakken vanuit diverse overheden.

  • Er is behoefte aan input van de overheid als kennisdrager maar ook als wetgevende overheid en handhaving en hoe daar mee om te gaan.

 

Onderzoekers van Wageningen University & Research (WUR), van Wageningen Metropolitan Food Cluster (een spinn-off van Wageningen University & Research die zich richt op het creëren van innovaties op basis van de Wageningse kennis) hebben in nauw overleg met ondernemers en andere belanghebbenden na 4 april de eerste aanzet gemaakt voor het bijbehorende kennisontwikkelingstraject. Dit bestaat in de komende twee jaren uit drie onderdelen:

Ontwikkeling en operationalisering van kennis m.b.t. de REMEDy stal (innovatie 1).

  • Advisering in het aanlooptraject voor de realisatie van de Remedy-stal: leveren onderbouwende informatie voor vergunningverlening, technische adviezen stalontwerp en aanpak optimalisatie-onderzoek;

  • In samenspraak met initiatiefnemers opstellen meetplan voor het uitvoeren van emissieonderzoek aan de nieuw te bouwen Remedy-stal;

  • Aanleg in de onderzoeksstal van een bedrijfsmonitoringsysteem gebaseerd op een grid van gassensoren voor continue (24/7) monitoring van stalconcentraties en emissies van ammoniak, methaan, koolzuurdioxide en potentiele risico-gassen die zich kunnen ophopen door recirculatie;

  • Uitvoeren serie 48-uurs emissiemetingen gedurende 12 maanden met erkende meetmethoden voor het vaststellen van emissiefactoren voor ammoniak en methaan conform RVO-meetprotocol.

  • Kalibratie en optimalisatie van het continue bedrijfsmonitoringssysteem, analyse en rapportage van de resultaten richting opdrachtgever.

  • Ondersteunen van optimaliseringsonderzoek stalsysteem in de vorm van aanvullende metingen, experimenten en technische advisering.

  • Demonstratie/overdracht meet- en onderzoeksresultaten met stakeholders voor implementatie resultaten richting praktijk.

 

Ontwikkelen en operationaliseren van kennis m.b.t. circulaire landbouw (innovaties 2 en 3)

Uitgangspunt hierbij is het beter documenteren van kringloopprocessen die nu reeds plaatsvinden in de regio. Ongeveer de helft van het voer in het melkveebedrijf is ruwvoer (gras, mais) dat op het bedrijf zelf wordt geproduceerd. De andere helft is krachtvoer (tarwe) en rest- en bijproducten uit de humane voedselproductie die van buiten worden aangevoerd. De eerste kringloop is de grondgebonden productie van ruwvoer in het melkveebedrijf waarvoor de mest van dat bedrijf wordt gebruikt. De tweede kringloop is het mestoverschot van het melkveebedrijf dat door de groenteteler wordt gebruikt, die op zijn beurt rest en bijproducten uit de groenteverwerking terug levert aan het melkveebedrijf. De derde kringloop (die sluit op wereldschaal) zijn alle voercomponenten die van buiten de regio worden aangevoerd en de mest die wordt geëxporteerd. Deze kringloopprocessen zullen beter worden gedocumenteerd via een veldgerichte benadering met intensieve contacten met boeren en andere landgebruikers met als doel de processen beter op elkaar af te stemmen en te verbeteren. De kringloopprocessen bestaan uit een aantal componenten:

  • De kringloop van organische stof via toediening van dierlijke mest ( in de toekomst pellets vanuit het TAURUS systeem, zie figuur voor LLV) of plantenresten aan de bodem waarbij niet alleen de gewasproductie wordt verhoogd maar ook de bodemkwaliteit. Hierbij wordt een regionale benadering gevolgd.

  • De kringloop van Stikstof (N) via uitspoeling en ammoniak emissie.

  • De kringloop van fosfaat (P). Hierbij kan P uit dierlijke mest uitspoelen naar oppervlaktewater en daar eutrofiëring veroorzaken of via het grondwater.

  • De kringloop van broeikasgassen, waarbij voornamelijk methaan (CH4) in de toekomst in de Remedy stal zal worden afgevangen en in energie zal worden omgezet. Ook CO2 en NH3 zullen worden afgevangen, waarmee emissie naar het milieu wordt verlaagd.

 

De kennisontwikkeling vindt in 4 stappen plaats:

  • Stap 1: Het gedetailleerd vaststellen van de actuele toestand via metingen i.p.v. modellen:

    • Bepaling van het organische stofgehalte van alle percelen binnen LLV. Stratificatie per bodemeenheid.

    • Het meten van het nitraatgehalte in grondwater in het gebied in alle percelen.

    • Meten van P (en N) –concentraties in oppervlaktewater. Beoordeling van de waterkwaliteit op basis van bestaande ecologische criteria. Het inschatten van stroompatronen van grondwater en waarneming van oppervlakkige afstroming die ook tot verontreiniging van oppervlaktewater kan leiden.

    • Meten van ammoniakdepositie in enkele natuurgebieden en NH3-emissies vanuit stallen.

    • Opbrengst metingen van gras en mais schatten dan wel meten op de percelen.

  • Stap 2: Interpretatie van de actuele toestand

    • Per bodemeenheid de range van organische stofgehalten vaststellen en identificeren van de bodemeenheden waar %C verhoogd kan worden.

    • Kaart maken waarop de kwaliteit van het grondwater is aangegeven in ruimtelijke zin. Mogelijk seizoensaspecten benoemen.

    • Kaart maken die relaties aangeeft tussen bodems en P adsorberende eigenschappen als functie van stroompatronen naar oppervlaktewater.

    • Gemeten N deposities relateren aan de waargenomen vegetatie in natuurgebieden en deze gegevens koppelen aan resultaten elders in zandgebieden, waar soortgelijke metingen zijn verricht.

    • Opbrengsten relateren aan soort bodem en bemestingsregime.

  • Stap 3: Integratie deelsystemen en formulering van optimaliseringsmogelijkheden

    • De diverse nutrientstromen met elkaar in verband brengen; sterkte-zwakte analyse uitvoeren.

    • Aangeven waar aanpassingen met meest effectief zijn om het kringloopaspect het duidelijkst zichtbaar te maken, waarbij ook bedrijfseconomische aspecten aandacht verdienen.

  • Stap 4: Operationalisering in nauw overleg met boeren en landgebruikers.

    • Aanpassingen in het management op basis van onderzoeksresultaten: introductie van precisietechnieken om bemesting met mestpellets te optimaliseren en gebruik van kunstmest te minimaliseren. Focussen op subgebieden en bodems waar gebruik het meest effectief zal zijn en boeren dienovereenkomstig voorlichten.

    • Natuurontwikkeling stimuleren en specificeren op locaties waar positieve resultaten op basis van ( ook elders) verricht onderzoek het meest effectief zullen zijn.

    • De operationalisering samenvatten in termen die overdracht naar andere gebieden kan vergemakkelijken.

 

Ontwikkeling en operationalisering van kennis m.b.t. omgevingsplannen en landschapsontwikkeling (innovaties 4 en 5)

Anders dan bij de voorgaande innovaties gaat het hier om afspraken tussen stakeholders waarin niet alleen fysieke aspecten aan de orde zijn maar waarbij ook afspraken tussen belangengroepen, politieke keuzes en voorkeuren van (groepen) burgers aan de orde zijn. Hiertoe worden 5 co-design workshops georganiseerd in de regio met deelnemers vanuit kennisinstellingen, overheden, bedrijven en maatschappelijke groepen om op basis van de opgedane kennis uit de voorgenoemde innovaties in de loop van de tijd wordt ingebracht om:

  • Experimenteerruimtes te definiëren en te bewerkstelligen

  • De innovaties en verworven kennis toe te passen in de regionale en lokale omgevingsvisie en omgevingsplannen

  • Te werken aan ruimtelijke ordenings- en landinrichtingsvoorstellen ter verbetering van ruimtelijke kwaliteit.

 

Hoe draagt het project bij aan de doelen van het IBP VP?

  • Er is een publiek private samenwerking die samen aan de slag willen om de kwaliteiten van de regio te versterken.

  • Er is al samenwerking met 3 overheden die actief betrokken worden bij het project in de volgende fase moet daar ook de landelijke overheid nog bij.

  • Er wordt gekeken naar de kwaliteiten en de opgave in het gebied

  • Er is in grote mate aansluiting op de landelijke visie van LNV ivm kringlopen zoveel mogelijk sluiten.

  • Er is ook veel aandacht voor zaken die een grote bijdrage kunnen leveren aan de doelen uit het klimaatakkoord.

 

3.3 Levende Beerze

De integrale gebiedsontwikkeling Levende Beerze is nu een aantal jaren in uitvoering. Het project Levende Beerze is de doorstart van de door de landelijke politiek beëindigde Robuuste Ecologische Verbindings Zone, beoogde realisatiedatum 31-12-2021.

De planvorming en uitvoering is bestuurlijk vastgelegd in de Samenwerkingsovereenkomst Levende Beerze. Het uitvoeringsprogramma geeft uitwerking aan de drie gebiedsurgenties, te weten:

  • Het realiseren van een robuust ecologisch raamwerk wat gericht is op herstel van watersysteem;

  • Versterking leefbaarheid buitengebied;

  • Versterking ruimtelijke kwaliteit Kempen en omgeving Brainport.

 

Ambities Levende Beerze

Afgelopen jaren hebben we als samenwerkende overheden al veel ervaring opgedaan om de gebiedsinitiatieven te faciliteren. De samenleving staat te trappelen om deze transitie zelfstandig op te pakken en vraagt om slimme ondersteuning van samenwerkende overheden. Hiervoor functioneren de overheden als aanjager van de ‘transitiemotor’. Waarbij de samenleving en overheid functioneert als één netwerk. Het resultaat moet zijn dat de Kempen, als onderdeel van de Brainportregio, weer gaat ondernemen met het landschap! We zeggen niet hoe het moet, maar laten zien dat het kan!

 

FIGUUR 3. ORGANISATIE TRANSITIEMOTOR

 

Het is inzet om abstracte mondiale thema’s zoals biodiversiteit, energie, klimaat, landbouw en veerkrachtige regio’s participatief te vertalen naar concrete lokale agendapunten die met elkaar een eenheid vormen. In de gebiedsontwikkeling van de Levende Beerze worden deze mondiale thema’s concreet vertaald naar een vijftal gebiedsinitiatieven (B5), welke vanuit het Huis van de Brabantse Kempen ondersteund wordt door de samenwerkende overheden. Door alle deelnemers wordt permanent geschakeld tussen verschillende belangen en wordt onderling een appèl gedaan op ieders individuele verantwoordelijkheid. Dagelijkse zorgen worden omgezet in perspectieven voor morgen. We ontwikkelen een stevige basis om verder door te pakken naar tastbare resultaten. De focus ligt op:

  • Omgevingskwaliteit

    De Kempische beekdalen en het aangrenzende landschap kenmerken zich van oudsher door een fijnmazige structuur. Deze structuur geeft een bijzondere kwaliteit aan de Brainportregio wat de woonkwaliteit en de toeristische en daarmee de economische potentie van het gebied vergroot.

  • Klimaatadaptatie

    In de Brabantse Omgevingsvisie is het ‘klimaatproof maken’ van Brabant als Ruimte voor Water en klimaatrobuuste beekdalen één van de vier maatschappelijke hoofdopgaven.

  • Transitie landbouw

    De landbouw zit in een transitiefase en denkt volop na over de toekomst. Door verschuivingen in de wereldmarkt en actuele regelgeving staat ieder bedrijf voor de keuze hoe hij verder gaat met zijn bedrijf. Het beekdal, als ecologische en landschappelijke drager in het Kempisch landschap, biedt kansen voor de agrariër die kiest voor natuur inclusieve landbouw. De landcoöperatie Dal van de Kleine Beerze –opgestart in 2016- kan in die transitie een belangrijke bijdrage leveren.

  • Natuur en wateropgaven

    De Kleine Beerze is gelegen binnen het Natura 2000-gebied Kempenland West. Voor de beek geldt een instandhoudings- en uitbreidingsopgave. Naast de N2000-opgave gelden de doelen vanuit Kader Richtlijn Water (KRW). Gebiedsdelen zijn als Natte Natuur Parel benoemd en opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant.

De Kempen in transitie

De Levende Beerze werkt in de Kempen als een transitiemotor voor ecologie, economie en leefbaarheid. Het is een proeftuin waarin de ervaringen met andere gebieden in de Kempen worden gedeeld. In de Kempen wordt samengewerkt om andere gebiedsontwikkelingen tot een succes te maken!

 

FIGUUR 4. KEMPEN IN TRANSITIE

Bijdrage IBP VP doelen vanuit proeftuin Levende Beerze

  • We delen onze ervaringen en de lessen die we hebben geleerd. De Levende Beerze als proeftuin bezit een formule, die op de andere proeftuinen uitgerold kan worden.

  • De innovatieve publiek private samenwerking in het gebied (overheid en landcoöperatie Dal van de kleine Beerze) om natuurinclusieve landbouw te realiseren.

  • Integrale gebiedsbenadering (gehele stroomgebied Kleine Beerze).

  • Ambities passen in doelen van IBP: landschappelijke kwaliteit, klimaatadaptatie, natuurinclusieve landbouw.

  • Het realiseren van een slim Kempisch ‘landschap’ (ecologisch/economisch/sociaal) als onderdeel van de Brainportregio.

  •  

Gevraagde ondersteuning vanuit IBP VP:

  • Integrale gebiedsaanpak versterken door interbestuurlijke samenwerking (gemeente(n), waterschap, provincie), vanuit de multihelix gedachten.

  • In deze proeftuin – waarin dynamisch programmeren een belangrijke rol speelt – zullen wij de samenwerking met de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB) versterken.

  • Faciliteren en versterken gebiedsinitiatieven zoals het doorontwikkeling landcoöperatie naar gebiedscoöperatie, als onderdeel van de transitiemotor voor het gehele gebied.

  • Leren van andere proeftuinen (halen).

  • Resultaten van de transitie in de landbouw (en specifiek natuurinclusieve landbouw) uitdragen naar andere gebieden (brengen en opschalen).

  • Financiële ondersteuning.

 

 

 

3.4 Innovatiepark De Vlier

 

Stichting Innovatiepark De Vlier is een samenwerkingsverband van vier varkensbedrijven in het Primair Agrarisch Gebied van Deurne. De doelstelling van de stichting is om door samenwerking en een gebiedsgerichte aanpak van milieudoelstellingen de varkensbedrijven toekomstbestendig te maken.

Ambities zijn geformuleerd ten aanzien van onder meer het streven naar nul-emissie, het energieneutraal produceren en het sluiten van mineralenkringlopen. Ook het realiseren van maximale transparantie wordt gezien als onderdeel van het toekomstbestendig maken van de bedrijven. Daarom wil Innovatiepark De Vlier komen tot een procedure voor monitoring en registratie van de werkelijke emissies naar het gebied.

Innovatiepark De Vlier heeft een haalbaarheidsstudie laten uitvoeren. Een eerste doel was om antwoord te krijgen op de vraag in hoeverre via andere maatregelen en voorzieningen dan end of pipe-oplossingen zoals luchtwassers invulling kan worden gegeven aan de ambitie ‘nul-emissie’. Vastgesteld is dat via opvang van mest in een ammoniak- en geurarme vloeistof naar verwachting kan worden voldaan aan de emissie-eisen met betrekking tot ammoniak zoals opgenomen in verordening Natuurbescherming Noord-Brabant. Hierbij neemt tevens de gezamenlijke emissie van geur, methaan en fijnstof af en verbetert het stalklimaat. Aangetoond is verder dat het treffen van een gezamenlijke voorziening voor emissiereductie en verwerking van alle mest (o.a. via een stelsel van pijpleidingen) bedrijfseconomisch gunstiger is dan wanneer de maatregelen en voorzieningen per bedrijf afzonderlijk worden gerealiseerd.

Een tweede doel van de haalbaarheidsstudie was om in kaart te brengen welke juridische mogelijkheden er bestaan om de beoogde samenwerking en de gebiedsgerichte benadering van de milieudoelstellingen te kunnen faciliteren.

Geconstateerd is dat de Omgevingswet de mogelijkheid biedt om (milieu)doelstellingen op gebiedsniveau vast te stellen, en daarmee het juridisch kader voor het vergunnen van de beoogde samenwerking op gebiedsniveau. Echter, de Omgevingswet wordt naar verwachting pas in 2021 van kracht. De ondernemers kunnen daar niet op wachten, omdat zij op basis van de verordening Natuurbescherming Noord-Brabant reeds eind 2019 besluiten moeten nemen ten aanzien van maatregelen om de ammoniakemissie te reduceren. De Crisis- en herstelwet biedt nu reeds de mogelijkheid om vooruitlopend op de Omgevingswet te komen tot doelvoorschriften voor het gebied. Ook dit traject is echter lastig realiseerbaar in de beperkte tijd tot eind 2019 en levert bovendien eveneens vergunningstechnische uitdagingen. In overleg met de provincie Noord-Brabant en de gemeente Deurne is besloten om te onderzoeken of binnen de mogelijkheden van de huidige wet- en regelgeving een weg gevonden kan worden voor vergunningverlening voor de beoogde samenwerking van de individuele ondernemers van dit initiatief.

De plannen van Innovatiepark De Vlier omvatten de volgende innovatieve aspecten:

  • De integratie van mestverwerking en emissiereductie voor een samenwerkingsverband van meerdere bedrijven is nog niet eerder gerealiseerd;

  • Vergunningverlening op basis van gebiedsafspraken is nieuw en vraagt om een nieuwe vorm van samenwerking tussen overheid, bedrijven en omgeving;

  • Betaalbare systemen voor real time monitoring van veehouderij emissies zijn in ontwikkeling, zodat uitrol op grote schaal mogelijk wordt. Ten behoeve van de metingen en de vertaling naar doelvoorschriften moeten meetprotocollen en algoritmen worden ontwikkeld.

Bijdrage van de proeftuin Innovatiepark De Vlier aan de IBP VP-doelen:

  • Proeftuin, uniek in opzet en aanpak, als voorbeeld voor andere gebieden;

  • Integrale aanpak veranderopgaven in proeftuingebied;

  • Samenwerking tussen de diverse overheden (ook Rijk wordt hierbij betrokken);

  • Vergroting omgevingskwaliteit (van proeftuingebied)

  • Bevordering brongericht beleid en kringlooplandbouw (mineralen/mest, nul-emissie)

  • Verduurzaming mestbewerking

Gevraagde ondersteuning vanuit IBP VP:

  • Meedenken/medewerking juridisch kader voor doelvoorschriften op gebiedsniveau (i.r.t. vergunningverlening)/experimenteerruimte;

  • Meedenken/onderzoek opzet procedure monitoring en registratie emissies;

  • Financiële bijdrage voor onder andere procesbegeleiding, communicatie, opzet monitoring

 

 

 

3.5 Troprijt/Kroonvennen

 

De gemeente Bladel en Reusel-De Mierden zijn verantwoordelijk voor het beheer, instandhouding, ontwikkeling van beoogd gebied Troprijt/Kroonvennen (‘Proeftuin’).

De transitie van het landelijk gebied zorgt voor nieuwe opgaven op het gebied van landbouw, natuur en nieuwe vormen van economische dragers voor het buitengebied. Inzet is de kloof tussen landbouw en natuur te verkleinen, door middel van extensievere en experimentele vormen van landbouw en natuurbeheer. Als nieuwe economische dragers komen recreatie en de opwekking van hernieuwbare energie op dit moment vooral als kansrijk naar voren. Daarnaast speelt vanwege het veranderend klimaat, de opgave voor klimaatadaptatie. In het zuiden van Bladel, nabij de Kroonvennen, komen deze onderwerpen samen. In Bladel ligt 27 hectare aan reguliere landbouwgrond die aansluiten op ca. 30 hectare in Reusel-De Mierden. Met de komst van het initiatief om windmolens te plaatsen naast de A67 – windpark de Pals ontstaan nieuwe mogelijkheden. De winst van deze molens wordt gedeeltelijk gebruikt om de kwaliteit van het omliggende gebied te verbeteren.

Kansen en opgaven

In het gebied zijn een aantal kansen en opgaven op verschillende thema’s te zien:

  • Ecologie en abiotische situatie

    Het natuurgebied ligt binnen een groter complex van heide en bos. Er liggen ook vennen zoals het Kroonven. Dit type natuurgebied is gevoelig voor verdroging en verzuring. De kwaliteit voldoet nog niet aan de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en de natuurdoelen. Minder emissies op bodem en grondwater dragen bij aan het behalen van die doelstelling.

  • Klimaatadaptatie

    Het gebied kan een belangrijke functie vervullen in de waterhuishouding. Door klimaatverandering is nu al sprake van intensievere regenbuien en langere perioden van droogte. Dat zorgt enerzijds voor wateroverlast en anderzijds voor droogte. Beter vasthouden van water, in natuurgebieden op hoge zandgronden zoals deze, kan leiden tot minder wateroverlast benedenstrooms. Het gebied staat nu al bekend als inzijgingsgebied, maar kan deze functie nog niet optimaal vervullen.

  • Recreatie

    Het projectgebied wordt ook veelvuldig gebruikt voor recreatie. De belevingswaarde van het gebied wordt nu nog negatief beïnvloed door de aanwezigheid van reguliere landbouw in het gebied. Denk onder andere aan de slechte staat van zandpaden. Extensivering biedt kansen voor recreatie.

  • Veiligheid en bereikbaarheid

    Door het gebied heen liggen vele zandpaden die gebruikt worden door recreanten, bosbeheerders, landbouwvoertuigen. Het intensieve gebruik zorgt er in delen van het jaar voor dat het gebied onbereikbaar wordt. Bladel zou graag kiezen voor een structurele oplossing; het extensiveren van het gebruik.

  • Nieuwe agrarische verdienmodellen

    Er is in de omgeving vanuit de agrarische sector vraag naar alternatieve verdienmodellen. De traditionele wijze van landbouw heeft voor steeds meer ondernemers niet de voorkeur. Er is concrete vraag naar weidegrond die geschikt is als extensief hooiland of voor het inscharen van vee.

Conclusie en Plan

Op dit moment is het agrarisch gebruik al ondergeschikt geraakt aan het gebruik voor natuur-, milieu-, klimaat en recreatiedoelstellingen. Extensiveren van de landbouwgronden is dan ook wat de gemeente Bladel voornemens is. Concreet betekent dit dat sommige percelen als natuur worden ingericht. Er blijft de mogelijkheid om een aantal percelen te gebruiken voor begrazing en/of hooien. Dit zou bijdragen aan de onttrekking van voedingsstoffen aan de bodem en geeft agrarisch ondernemers de kans om extensieve landbouw te bedrijven. Hiervoor is ook al concrete interesse getoond vanuit lokale veehouders. Er is dan ook al overleg gevoerd over de mogelijkheden. Concreet komt in ieder geval 10 maar maximaal 45 ha grond vrij voor extensieve landbouw met beweiding of hooilandbeheer. Landbouw en natuur wordt hiermee geïntegreerd.

Rolverdeling en financiering

De gemeente Bladel neemt de realisatie van deze gebiedsontwikkeling op zich. De uitvoering wordt samen met agrariërs en de initiatiefnemer voor windpark de Pals opgepakt. Hierbij krijgen andere betrokken partijen, zoals agrariërs, natuurorganisaties, het nabijgelegen landgoed en Waterschap de Dommel de kans om mee te denken. De proeftuin sluit aan bij trajecten:

  • Klimaatakkoord en lokale Energiestrategie; vanwege de opwekking van duurzame energie

  • Programma Verduurzaming Veehouderij; met lokale veehouderijen wordt gewerkt aan het beschikbaar maken van een deel van de gronden voor het extensiveren van hun bedrijfsvoering. Dit komt ten goede aan – onder andere – het welzijn van hun vee en sluiten van mineralenkringlopen.

  • Bodemprogramma; de huidige vorm van landbouw in het gebied heeft nadelige effecten op grondwaterkwaliteit, waterbuffering, biodiversiteit en gaat gepaard met het gebruik van kunstmest en drijfmest. Na ontwikkeling van het gebied zal alleen nog sprake zijn van landbouw waar geen mestgift wordt toegepast behalve eventuele mest van ingeschaard vee. De grondwaterputten worden verwijderd en sloten gedempt waardoor beter water vastgehouden wordt in dit waterinzijgingsgebied. Door de nieuwe inrichting en beheer gaat de (bodem)biodiversiteit erop vooruit.

  • Actieprogramma’s landbouw en natuur, Kaderrichtlijn Water en Deltaplan Agrarisch Waterbeheer; er wordt voortaan beter water vastgehouden in dit hooggelegen waterinzijgingsgebied en de waterkwaliteit gaat vooruit.

  • Deltaplan Ruimtelijke adaptatie; dit project is gekoppeld aan het klimaatadaptatieplan van de gemeente wat in ontwikkeling is. Hier wordt ingezet op – onder andere – beter vasthouden van water op de hooggelegen gebieden. Het betreffende projectgebied is het hoogstgelegen gebied van de gemeente en functioneert nu al gedeeltelijk als waterinzijgingsgebied.

Bijdrage aan IBP VP-doelen van de proeftuin Troprijt/Kroonvennen:

  • Innovatief is het inzetten van en deel van de opbrengst van de windenergie voor verbetering van de omgevingskwaliteit van het gebied.

  • Door extensivering van de bestaande landbouw ontstaat ruimte voor

  • Nieuwe economische dragers (1) recreatie (2) opwekking hernieuwbar energie (windmolens) en (3) extensieve en alternatieve vormen van landbouw.

  • De integrale aanpak maakt het mogelijk in een gebied meerdere opgaven te realiseren (nieuwe natuuromgevingskwaliteit, KRW, klimaatadaptatie).

Gevraagde ondersteuning vanuit IBP VP:

  • Opschalen naar ander gebied bijvoorbeeld aanpalend in Reusel (interbestuurlijke samenwerking gemeenten, provincie).

  • Promoten en ondersteunen van deze manier van integraal koppelen van opgaven in één gebied, die nauw aansluit bij de werkvorm zoals die onder de nieuwe Omgevingswet wordt beoogd.

  • Invulling van klimaatadaptatie in landelijk gebied (kennis, onderzoek, monitoring).

  • Communicatie naar de omgeving, andere proeftuinen (opschaling)

  • Financiële ondersteuning

 

 

Hoofdstuk 4 Financiële uitwerking

Gezamenlijk gebiedsgericht dynamisch programmeren

De uitvoeringsagenda en de allocatie van middelen aan projecten is dynamisch. Dit noemen wij ‘dynamisch programmeren’. Bij het dynamisch programmeren vind je elkaar op de inhoud en richting (attractieve gezamenlijke agenda), zet je inhoud om in meerdere projecten en maak je projecten ‘uitvoeringsgereed’. Op het moment dat er nieuw geld komt voor het programma volg je een afgesproken proces om tot een allocatie van geld aan de projecten te komen en kan tot (verder) uitvoeren van die projecten worden overgegaan.

Het dynamisch programmeren werkt daarmee omgekeerd aan ‘potjes najagen’. ‘Potjes najagen’ gaat ervanuit dat partijen elkaar pas opzoeken als er geld is. ‘Potjes najagen’ heeft (o.a.) het risico in zich van ongecoördineerde ad hoc samenwerking, onsamenhangende projecten en dubbelingen.

Partners kunnen richting elkaar comfort creëren door zich uit te spreken over de richting van toekomstige investeringsbedragen. Hetzij in kwalitatieve zin, hetzij in kwantitatieve zin door het opnemen van concrete reserveringen. De invulling van de bedragen kan dan later volgen.

Om het dynamisch programmeren goed zijn werk te kunnen laten doen is het van groot belang om hiervoor bekendheid en draagvlak te creëren. We organiseren daarom bijeenkomsten met de vier overheden en anderen waar het principe van dynamische programmeren aan de orde komt. En een aantal themagerichte bijeenkomsten over gebiedsgericht werken, grondstrategie, koppelen van instrumenten en gezamenlijke inzet van € en FTE’s. In het gebied lopen tal van initiatieven die bijdragen aan de aanpak van de problematiek. Gedreven door beleidsontwikkelingen op rijks, provinciaal, lokaal niveau, maar zeker ook vanuit innovatiekracht van ondernemers maar ook door de huidige problematiek en urgenties in de intensieve veehouderij. Specifiek voor dit gebied is dat er een sterk regionaal netwerk is (met oa gemeenten en het waterschap) dat het voortouw neemt op deze thema’s.

We kiezen voor de aanpak zoals weergegeven in onderstaand schema. We zien twee urgenties voor dit gebied, zoals beschreven in hoofdstuk 1, deze zijn in de figuur aangegeven in donkerrood. Dit is belangrijkste input voor zowel het samenwerken en opschalen op drie verschillende niveaus (donkerblauw) als de verschillende proeftuinen (groen). De urgenties zijn hiervoor de inhoudelijke lijm. De beschreven aanpak in hoofdstuk 2 en 3 zijn daarom parallelle sporen, die onderling met elkaar verweven zijn. Hierbij is het belangrijk om bij de verschillende innovaties en/of pilots in beeld te krijgen of het mogelijk is om de pilot of innovatie op grotere schaal uit te rollen. Vervolgens kan er gekeken worden wat er voor dat opschalen nodig is van onder andere de vier overheden. Voor de proeftuinen wordt gekeken hoe indien gemeenten, waterschappen, provincies en rijksoverheid samen optrekken, belemmeringen kunnen worden weggenomen. De kennis die wordt opgedaan wordt breed verspreid. Daarnaast moeten het gebied Zuidoostelijke zandgronden natuurlijk in een breder perspectief plaatsen en ook zorgen dat we blijven leren en afstemmen met andere (IBP VP)-gebieden en proeftuinen.

FIGUUR 6. SCHEMA ACTIEPROGRAMMA

 

Financiering

Om de ambities in het actieprogramma waar te kunnen maken is er naast een goede samenwerking ook financiering benodigd. Als samenwerkende overheden zorgen we dat het actieprogramma wordt ge(co)financierd. Eén van de financieringsbronnen is de €40 m rijksbijdrage uit de envelop ‘natuur en waterkwaliteit’. Daarnaast dragen andere betrokken overheden op verschillende manieren bij. De beide provincies zorgen voor een bedrag aan cofinanciering en er zit cofinanciering vanuit verschillende partijen in de proeftuinen. In de paragraaf cofinanciering zal dit verder worden toegelicht.

Interbestuurlijke samenwerking

Bij interbestuurlijke samenwerking is het van belang dat in eerste instantie overheden, maar maatschappelijke organisaties, elkaar weten te vinden. Voor het samenwerken op verschillende niveaus zijn is in onderstaande tabel een indicatie van de kosten opgenomen. Natuurlijk is samenwerking altijd een middel om inhoudelijke opgaves en doelen te bereiken.

TABEL 1 FINANCIELE INDICATIEN INTERBESTUURLIJKE SAMENWERKING

Onderwerp

Kosten in euros voor 3 jaar

Bijdrage vanuit IBP VP

Beleidstrajecten delen, verdiepen en opschalen en samen optrekken met maatschappelijke organisaties

€100.000

€50.000

Thema mest

300.000

150.000

Gebiedservaring delen en versterken en manier van werken uitwisselen (bvb dynamisch programmeren)

€250.000

€125.000

Innovaties delen, vermenigvuldigen en mainstream maken

€150.000

€75.000

Totaal

€800.000

€400.000

 

Proeftuinen

Voor de proeftuinen wordt gekeken hoe vanuit de samenwerking van gemeenten, waterschappen, provincies en rijksoverheid samen optrekken, belemmeringen kunnen worden weggenomen. De kennis die wordt opgedaan wordt breed verspreid. Als samenwerkende overheden willen we aan de slag met de in hoofdstuk 2 genoemde drie deelrichtingen om te zorgen dat het actieprogramma vorm krijgt. In de tabel hieronder is de totale begroting van de proeftuinen en de vraag aan IBP VP te zien. In de laatste paragrafen van dit actieprogramma wordt de financiering van de separate proeftuinen verder toegelicht.

Tabel 2. Totaal gevraagde cofinanciering proeftuinen

Proeftuin

Indicatie totale kosten

Bijdrage IBP VP

3.1 Agroproeftuin de Peel

€54.390.000,-

€1.570.000

3.2 Living Lab Vredepeel

€26.000.000

€1.000.000

3.3 Levende Beerze

€20.000.000 (globaal)

€3.000.000

3.4 Innovatiepark De Vlier

€3.417.500

€392.500

3.5 Troprijt/Kroonvennen

€2.529.000

€500.000

TOTAAL gevraagde bedrag

€6.462.000

 

Cofinanciering

Beide provincies kunnen toezeggingen doen voor cofinanciering in 2019. De provincie Noord-Brabant kan in 2019 maximaal €350.000 labelen aan het actieprogramma. Bij de provincie Limburg gaat dit om maximaal €200.000. De voorwaarde hierbij is wel dat deze bijdragen ook daadwerkelijk in 2019 worden besteed. Beide provincies zijn voornemens om ook de overige jaren het actieprogramma te cofinancieren, maar kunnen niet vooruitlopen op de coalitieonderhandelingen. Er is veel commitment van de betrokken overheden, die bereid zijn om de looptijd van dit actieprogramma voldoende capaciteit beschikbaar te stellen. De cofinancierig van de provincies kan onder meer worden ingezet op het onderdeel verbeteren van bestuurlijke samenwerking. Op het onderdeel mest binnen het verbeteren van de bestuurlijke samenwerking (€150.000, zie tabel 1) zit al cofinanciering van de regio Noordoost Brabant en de provincie Noord-Brabant.

De proeftuinen zijn vrijwel geheel gecofinancierd. De cofinanciering van de IBP VP bijdrage (€1.570.000 mln) in Agroproeftuin de Peel is geborgd vanuit de begroting van de regio Noordoost Brabant, de begroting van AgriFood Capital, projectbijdrage van waterschap Aa en Maas, projectbijdragen van de Provincie Noord-Brabant en betrokken ondernemers bij projecten in voorbereiding en uitvoering.

De financiering voor het Living Lab Vredepeel bestaat voor het grootste gedeelte uit fysieke investeringen, die deels met financiering zijn geborgd vanuit publieke en private partijen. Er wordt vanuit IBP VP €1 mln cofinanciering gevraagd op het ontwikkelen van kennis en op proceskosten rondom de investeringen (in totaal €1.670.000). Het deel van de financiering is nog niet geborgd, hiervoor wordt cofinanciering gezocht bij provincie Limburg, gemeente, waterschap en private partijen.

 

De cofinanciering voor de Proeftuin Levende Beerze (sec) (€17 mln) is meer dan geborgd door de reeds beschikbare middelen in de onderliggende projecten. De cofinanciering is afkomstig van alle betrokken organisaties: provincie Noord-Brabant, Waterschap De Dommel, gemeente Eersel, gemeente Oirschot e.a. Ook voor de uitrol van de proeftuin Levende Beerze in de hele Kempen is cofinanciering beschikbaar, maar omdat hier nog geen vastgelegde afspraken onder liggen is dit nog niet concreet in beeld te brengen.

De cofinanciering van innovatiepark de Vlier is geborgd, door onder andere de gemeente Deurne.

De financiering voor proeftuin Toprijt/Kroonvennen wordt gedragen door windmolenpark Pals en komt voor een deel vanuit het GOB (groenontwikkelfonds Brabant).

 

 

 

 

1. AgroProeftuin de Peel

De AgroProeftuin de Peel vormt een belangrijk onderdeel in de (door)ontwikkeling van een agrofood ecosysteem in Noordoost-Brabant dat de gehele voedselketen behelst. Naast het primaire proefgebied in de Peel gaat het om schakels in de keten op locaties daaromheen, zoals bijvoorbeeld de Verspillingsfabriek in Veghel, een Ontwikkel- en expertisecentrum voor duurzame eiwitten op een nog nader te bepalen locatie en relevante Talent- en Ondernemerschapsontwikkeling in de gehele regio. De totaal beoogde programmabegroting in de periode 2019-2023 is vooralsnog geraamd op €54mln. Deze begroting bestaat uit zowel proceskosten, projectontwikkeling/-uitvoering en investeringskosten op de drie inhoudelijke sporen zoals ook in hoofdstuk 3 toegelicht. Binnen alle drie deze sporen zitten onderdelen die aansluiten bij de doelstellingen van het IBP en in dit projectplan gestelde doelen voor de zuidoostelijke zandgronden, deze zijn groen gemarkeerd.

TABEL 3. DE DRIE SPOREN VAN AGROPROEFTUIN DE PEEL

Spoor 1 transitie intensieve veehouderij

Slimme keten/precisiesystemen

€ 14.000.000,-

Slimme keten/mestverwaarding en terugdringen emissies

€ 14.000.000,-

Open Data & A.I. Value Centre Agri&Food

€ 2.300.000,-

Ontwikkel en Expertisecentrum Eiwit

€ 6.000.000,-

Proeflocaties door ondernemers zoals de locatie Beers

€ 500.000,-

No Waste Three Sixty/ Verspillingsfabriek

€ 3.500.000,-

Subtotaal

€ 40.300.000,-

Spoor 2 transitie omgevingskwaliteit

Gebiedsfonds integrale gebiedsaanpak (o.a. uitbreiding en herstel fysieke omgeving en proeflocaties kringlooplandbouw )

€ 7.000.000,-

Klimaat (bodem-, natuur- en herstel watersystemen)

€ 2.250.000,-

Subtotaal

€ 9.250.000,-

Spoor 3 sociale innovatie

Talentontwikkeling

€ 1.545.000,-

Ondernemerschap

€ 1.320.000,-

Burgerparticipatie

€ 125.000,-

Leefbaarheid en innovatie

€ 1.400.000,-

Communicatie en kennisplatform

€ 450.000,-

Subtotaal

€ 4.840.000,-

Totaal

€ 54.390.000,-

 

De in de volgende tabel uiteengezette investeringen binnen de IBP VP aanvraag vallen onder de tabel hierboven groen gemarkeerde onderdelen. We vragen het IBP voornamelijk bij te dragen aan projectontwikkeling en uitvoering. De grote investeringskosten voor bijvoorbeeld stalsystemen en mestbewerking, maar ook natuurontwikkeling laten we buiten beschouwing. We zetten daarvoor in op andere (rijks)stromen/ middelen.

TABEL 4. BESCHIKBARE COFINANCIERING

 

Raming looptijd IBPVP 3 jaar 2019- 2021

Bijdrage IBPVP

Type kosten IBP VP ondersteuning

Bodemverbetering gericht op tegengaan uitspoeling, droogtebestrijding en verhoging organische stof

€500.000

€250.000

Verbreding compostcoöperatie, verspreiding kennis, bodemverbeterende maatregelen en voucherregeling.

Verbreding en opschaling resultaten lopende projecten zoals duurzame maisteelt en sorghum.

Natuurontwikkeling, natuurinclusieve landbouw en verhogen biodiversiteit

€700.000

€350.000

Ruilverkavelingsproject, planontwikkeling kwaliteitsverbetering, ondersteuning agroforestry en akkerrandenbeheer.

Integraal Gebiedsfonds

€500.000

€250.000

Kosten grond en fysieke investeringen.

Gebiedspilot kaderrichtlijn water

€500.000

€250.000

Proceskosten, voeren gesprekken, ontwikkelen methodiek, monitoring op bedrijfsniveau.

Proeflocatie Middenpeelweg

€220.000

€110.000

Monitoring, projectontwikkeling en kennisuitwisseling.

Proefstalontwikkeling gericht op beperking emissies en bevorderen kringlooplandbouw

€600.000

€300.000

Kennis en procesbegeleiding voor circulaire conceptontwikkeling. Dialoog omgeving inclusief metingen. Communicatietraject.

Beers proeflocatie

€120.000

€60.000

Planontwikkeling en communicatie.

Totaal

€3.140.000

€1.570.000

 

Zowel de provincie Noord-Brabant, samenwerkende overheden (gemeenten en waterschap), het onderwijs en ondernemers in de regio Noordoost Brabant dragen substantieel bij aan de realisering van de doelen in de proeftuin. De cofinanciering van de IBP VP bijdrage is geborgd vanuit de begroting van de regio Noordoost Brabant, de begroting van AgriFood Capital, projectbijdrage van waterschap Aa en Maas, projectbijdragen van de Provincie Noord-Brabant en betrokken ondernemers bij projecten in voorbereiding en uitvoering.

Daarnaast zijn ook de investeringskosten voor nieuwe natuur geborgd vanuit het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB), gemeenten en waterschap Aa en Maas.

2. Living Lab Vredepeel

 

De totale investering, op de vijf genoemde innovaties uit hoofdstuk 3.2 bedraagt €26 miljoen, waarvan het grootste deel fysieke investeringen zijn. Van de 26 mln wordt €1.670.000 ingezet op het ontwikkelen van kennis en op proceskosten rondom de investeringen (zie onderstaande tabel voor verdere financiële toelichting), hiervoor wordt een bijdrage van 1 mln gevraagd vanuit het IBP VP.

Budget

Ontwikkeling en operationalisering van kennis m.b.t. de REMEDy stal (innovatie 1)

Advisering aanloop en meetplan

€10.000

Aanleg meetinstallatie en realisatie bedrijfsmonitoring

€50.000

Uitvoering bedrijfsmonitoring en metingen emissiefactor

€150.000

Optimaliseringsonderzoek

€150.000

Demonstratie

€40.000

Procesmanagement, communicatie en integratie Living Lab

€80.000

Totaal

€480.000

Ontwikkelen en operationaliseren van kennis m.b.t. circulaire landbouw (innovaties 2 en 3) (kennisontwikkeling in 4 stappen)

Stap 1: Het gedetailleerd vaststellen van de actuele toestand via metingen i.p.v. modellen.

€360.000

Stap 2: Interpretatie van de actuele toestand

€300.000

Stap 3: Integratie deelsystemen en formulering van optimaliseringsmogelijkheden

€120.000

Stap 4: Operationalisering in nauw overleg met boeren en landgebruikers.

€110.000

Totaal

€890.000

Ontwikkeling en operationalisering van kennis m.b.t. omgevingsplannen en landschapsontwikkeling (innovaties 4 en 5)

5 co-design workshops organiseren in de regio met deelnemers vanuit kennisinstellingen, overheden, bedrijven en maatschappelijke groepen.

€300.000

Totaal 5 innovaties

€1.670.000

Bijdrage vanuit IBP VP

€1.000.000

 

3. Levende Beerze

De samenwerkende overheden investeren veel geld in de gebiedsurgenties. Voor het uitbreidingsvoorstel NNB is het provinciaal Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) van kracht. Hierin zijn grond en middelen voor NNB-realisatie ondergebracht en concrete projecten kunnen worden ingediend. In geval van realisatie van Rijks EHS zal 85% vanuit het fonds betaald worden, bij Provinciale EHS is het subsidie aandeel 50%. Bij verkoop van overheidsgronden aan particulieren die de gronden willen beheren als natuur geldt een beginsel van gelijkberechtiging. Brabants Landschap heeft toegezegd Rijks-NNB in eigendom te willen nemen en 15% uit eigen middelen te financieren. Bij realisatie van de provinciale NNB dient het resterende deel (50%) door derden te worden gefinancierd.

Vanuit het IBP vragen we voor de komende 3 jaar 3 miljoen euro: €1.080.000 voor de Proeftuin Levende Beerze (sec) en €1.920.000voor de uitrol van Levende Beerze in de (hele) Kempen. Zie de tabellen met toelichting hieronder. In algemene zin is de IBP VP bijdrage bedoeld om als overheden het organiseren van de lokale participatie te kunnen faciliteren om de transitie van het gebied vanuit De Levende Beerze op gang te brengen. Een globale indicatie van de totale omvang van de IBP VP aanvraag uit De Kempen (dus Levende Beerze en uitrol in de hele Kempen) is 20 miljoen euro. De gevraagde bijdrage is dan 15 % van het totaal.

TABEL 5. FINANCIERING PROEFTUIN LEVENDE BEERZE (SEC)

Proeftuin Levende Beerze

Toelichting

Kosten

Proeftuin: Integrale gebiedsontwikkeling (Big 5)

Procesbegeleiding Big 5

Procesbegeleiding ONNB

Programmamanagement

€540.000

Proeftuin: Panorama plus: Netwerkbijeenkomsten/ gebiedsbijeenkomsten

Opstellen Interactieve kaart/Panorama plus: Inwoners, bedrijven en organisaties geven aan waar en hoe zij de kwaliteit van hun leefomgeving willen versterken.

Faciliteren van de 5 gebieden in de Levende Beerze. Diverse initiatiefnemers; Heemkunde, Land- coöperatie, Dorpsoverleggen, Landart ea.

€200.000

Proeftuin: Communicatie

Proeftuin communicatie. Netwerkcommunicatie. Interactieve website Levende Beerze: De praktijk in uitvoering is zichtbaar. In samenwerking met alle betrokken organisaties

€160.000

Proeftuin:

Faciliteren nieuwe netwerken

Skills LAB’s

Organisatie: Skills LAB’s

  • Skills LAB natuur inclusief boeren (vervolg)

  • Doe-het-zelf-klimaatadaptatie-aanpakken

  • Maatschappelijke plus op landgebruik

  • Nieuwe netwerken/initiatieven in het gebied

€60.000

Transitie landbouw: Ondernemen met het landschap / slimme voedsellandschappen

  • Projectteam (8 x per jaar)

  • Uitvoeringscommissie (4 x per jaar)

  • Grondoverleg (6x per jaar)

€25.000

Totaal (ex BTW) (gevraagd vanuit IBP VP)

€1.080.000

Proeftuin - Uren

60%

€648.000

Proeftuin - Directe kosten

40%

€432.000

 

TABEL 6. FINANCIERING UITROL VAN DE PROEFTUIN LEVENDE BEERZE IN DE KEMPEN

Proeftuin Slimme Landschappen in de Kempen

Toelichting

Kosten

Klimaatadaptatie/transitielandbouw: De formule van Proeftuin de Levende Beerze (Integrale gebiedsontwikkeling) uitrollen in De Kempen

Uitrollen Proeftuin Levende Beerze in hele Stroomgebied de Dommel

Delen, leren en uitrollen van de integrale aanpak, programma en procesbegeleiding (Big 5) en de projectstructuur en grondbank in de Levende Beerze en de uitrol Proeftuin Levende Beerze in 4 andere integrale gebiedsopgaven in het stroomgebied van De Dommel.

€1.500.000

KempenGoed:

Aanleg voedselbossen*

Aanleg 200 ha nieuwe voedselbossen

KempenGoed wil in samenwerking met BMF in de Kempen 200 ha. (particulier en overheids) bos omvormen tot voedselbos de Kempen.

€60.000

Versterken

Marktoriëntatie & talentontwikkeling (ex) agrarische ondernemers

Ondernemerschap & Leiderschap

Training, opleiding, groepsbegeleiding en individuele ondersteuning. i.s.m. bedrijfsleven en onderwijs gericht op nieuwe vormen van bedrijvigheid op basis van talentontwikkeling.

€60.000

Rurale ontwikkeling in de Brainport metropoolregio:

Slimme formules zichtbaar maken

[zie: Oplegger]

Slimme landschappen in Brainport metropoolregio De Kempen

De kracht van innovatie en samenwerking in netwerken in Brainport regio De Kempen zichtbaar maken.

Transitie naar kringlooplandbouw, klimaatadaptatie en productie van duurzame energie. Slimme interacties tussen ondernemers, het landschap en de stad. Innovatie in nieuwe netwerken. De slimme voorbeelden voor de toekomst zijn nu al zichtbaar. Transitieversnellers; Nieuwe ontmoetingen en kansen voor kennisdeling. Sharing in grote evenementen als Dutch Technology Week, Dutch AgriFoodWeek, Dutch Design Week, Landschapstriënnale.

Landschapspark De Kempen; Versterken van (internationale) verbindingen (o.a. Belgische Kempen en Van Gogh National Park) en netwerken.

€300.000

Totaal (ex BTW) (gevraagd vanuit IBP VP)

1.920.000

Proeftuin – Uren

60%

€1.152.000

Proeftuin - Directe kosten

40%

€768.000

Totaal Levende Beerze (sec) en uitrol De Kempen gevraagd vanuit IBP VP

3.000.000

 

 

 

4. Innovatiepark De Vlier

 

In de onderstaande tabel wordt de (co)financiering van innovatiepark de Vlier toegelicht. De financiering van deze proeftuin, naast de vraag aan IBP VP is geborgd, onder andere met middelen vanuit de gemeente Deurne.

 

 

 

 

5. Troprijt/Kroonvennen

De gemeente Bladel neemt de realisatie van deze gebiedsontwikkeling op zich. De uitvoering wordt samen met agrariërs en de initiatiefnemer voor windpark de Pals opgepakt. Hierbij krijgen andere betrokken partijen, zoals agrariërs, natuurorganisaties, het nabijgelegen landgoed en Waterschap de Dommel de kans om mee te denken.

De kosten zullen voornamelijk bestaan uit de aankoop en inrichting van (voormalig) landbouwpercelen. Deze kavels worden omgezet naar natuurdoeltypen N12.02 (Kruiden en faunarijk grasland) of N11.01 (Droog schraalland).

De kosten worden deels begroot vanuit de winst van windpark de Pals. Er wordt ook aanspraak gemaakt op het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB). Er blijft dan een bedrag over van afgerond €500.000 waarvoor subsidie aangevraagd wordt vanuit IBP Vitaal Platteland. De uiteindelijke kostenraming is sterk afhankelijk van de ontwikkeling van grondprijzen en zou daarom ook hoger uit kunnen vallen.

TABEL 8. FINANCIERING PROEFTUIN TROPRIJT/KROONVENNEN

Uitgaven

ha

Bedrag

Inkomsten

Bedrag

Aankoop t.b.v. wettelijke compensatie

6,82

€379.500,-

Aankoopbudget initiatiefnemer windmolenpark de Pals

€379.500,-

Inrichting t.b.v. wettelijke compensatie

8,8

€39.384 ,-

Inrichtingsbudget initiatiefnemer windmolenpark de Pals

€39.384,-

Aankoop t.b.v. natuurversterking

35,79

€1.975.650,-

Inrichtingsbudget initiatiefnemer windmolenpark de Pals

€290.616,-

Inrichting t.b.v. natuurversterking

51,67

€513.735,-

Subsidie afwaardering GOB

€ 1.126.625,-

Subsidie inrichtingsbijdrage GOB

€ 223.642,-

Gevraagde bijdrage IBP Vitaal Platteland

€ 469.002,-

TOTAAL Uitgaven

€2.528.769

TOTAAL Inkomsten

€ 2.528.769

 

De Provincie Noord-Brabant moet goedkeuring verlenen voor de uiteindelijke begroting, in verband met de besteding van compensatiebedragen vanuit de windmolens.

 

 

Bijlage 2 behorende bij artikel 9 en artikel 10 van de Bijdrageregeling interbestuurlijk programma Zuidoostelijke zandgronden Limburg Noord-Brabant

 

Hoogte van de bijdrage:

 

Begunstigde

Naam proeftuin

LNV bijdrage (incl. BTW)

Verstrekt via opdrachten

Bijdrage (incl. BTW)

1

Gemeente Den Bosch

AgroProeftuin de Peel

792.000

66.497

725.503

2

Waterschap Aa en Maas

Regio Noordoost

150.000

150.000

3

Gemeente Venray

Living Lab Vredepeel

600.000

600.000

4

Gemeente Eersel

Levende Beerze

1.800.000

1.800.000

5

Gemeente Bladel

Troprijt /Kroonvennen

300.000

300.000

6

Gemeente Deurne

Innovatiepark de Vlier

235.500

235.500

Totaal:

3.877.500

66.497

3.811.003

 

 

Bijlage 3 behorende bij artikel 1 van de Bijdrageregeling interbestuurlijk programma Zuidoostelijke zandgronden Limburg Noord-Brabant

 

Gebiedsaanduiding Zuidoostelijke zandgronden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toelichting behorende bij de Bijdrageregeling interbestuurlijk programma zuidoostelijke zandgronden Limburg Noord-Brabant

 

 

1. Algemeen deel

 

1.1Achtergrond

Door de transitie van het buitengebied in Noord-Brabant en Limburg is een aantal urgente maatschappelijke opgaven ontstaan die een gezamenlijke aanpak vragen van alle betrokken overheden. Het Rijk heeft hiertoe het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland opgesteld. De integrale aanpak voor natuur, landbouw en kwaliteit van de leefomgeving in het landelijk gebied is hierin samengebracht. Eén van de gebieden betreft de Zuidoostelijke zandgronden. Het opgestelde actieprogramma voor dit gebied beoogt om in verscheidene proeftuinen te experimenteren met nieuwe oplossingsrichtingen. De bijdrageregeling maakt het mogelijk om een financiële bijdrage te leveren aan de verschillende projecten.

 

1.2 Juridisch kader

Het juridisch kader van deze bijdragen wordt gevormd door de Algemene bijdrageverordening en deze bijdrageregeling. Provinciale Staten hebben in artikel 2 van de Algemene bijdrageverordening Noord-Brabant aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid gedelegeerd om nadere regels in de vorm van bijdrageregelingen vast te stellen voor het verstrekken van bijdragen op diverse beleidsterreinen. Voorwaarde is dat de ontvangers uitsluitend publiekrechtelijk rechtspersonen zijn.

In deze bijdrageregeling met betrekking tot de Zuidoostelijke zandgronden is maatwerk voor de specifieke doelgroep en de te verstrekken bijdragen vastgelegd, zodat Gedeputeerde Staten over een snel en flexibel instrumentarium beschikken.

 

2. Artikelsgewijs deel

 

Artikel 2 Doelgroep

Onder a Gemeente ‘s-Hertogenbosch

De gemeente ’s-Hertogenbosch is de penvoerder van de regio Noordoost Brabant.

 

Artikel 4 Vereisten voor een bijdrage

Onder a Binnen het werkgebied van de Zuidoostelijke zandgronden

Omdat de Zuidoostelijke zandgronden ook deels in de provincie Limburg zijn gelegen, komen de projecten en de kennis en ervaring die wordt opgedaan op de zandgronden uiteraard ook ten goede aan de provincie Limburg.

Het kan zo zijn dat het project wordt uitgevoerd op het grondgebied van de provincie Limburg, maar omdat het om dezelfde zandgronden gaat, komen de projecten en de opgedane kennis en ervaring op de zandgronden toch ten goede aan de provincie Noord-Brabant.

Onder d Monitoringsplan

Het monitoringsplan is alleen verplicht indien er sprake is van een te verwachte stikstofreductie binnen het project. Het monitoringsplan bevat een omschrijving hoe de stikstofreductie in beeld wordt gebracht en wordt bijgehouden gedurende de loop van het project. Het monitoringsplan is vormvrij en mag ook een paragraaf in het projectplan zijn.

Onder f Communicatieplan

Een van de doelen van het actieprogramma is om kennis te delen en van elkaar te leren binnen de Zuidoostelijk zandgronden en met andere gebieden in het landelijk programma Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland. In het communicatieplan dienen proeftuinen aan te geven hoe ze alle kennis gaan borgen, welke kennis zij verwachten te kunnen delen met andere proeftuinen en andere partijen en op welke wijze, maar ook welke vragen zij hebben aan andere proeftuinen. Het communicatieplan is vormvrij en mag ook een paragraaf in het projectplan zijn.

 

Artikel 11 Verplichtingen van de bijdrageontvanger

Eerste lid Algemeen

Indien de bijdrageaanvrager in deze regeling niet de eindbegunstigde is van de bijdrage dient hij er uiteraard zorg voor te dragen dat aan de Europese regels voor staatssteun wordt voldaan. Deze verplichting geldt reeds rechtstreeks op basis van het Europese recht en is derhalve niet als verplichting opgenomen in artikel 11.

Onder g Instandhoudingsplicht

De bijdrageontvanger heeft de verplichting tot instandhouding van het project of de activiteiten, tenzij Gedeputeerde Staten van oordeel zijn dat ontheffing van deze verplichting gerechtvaardigd is. De verplichting houdt in dat de bijdrageontvanger deugdelijk beheer en onderhoud moet voeren en de activiteit geen belangrijke wijzigingen mag ondergaan die raken aan de aard of uitvoeringsvoorwaarden van die activiteit. De instandhoudingsplicht geldt tot en met 5 jaar na vaststelling van de bijdrage. Tijdens de instandhoudingsplicht hebben Gedeputeerde Staten de mogelijkheid een controlebezoek te houden om te beoordelen of de instandhoudingsverplichting wordt nageleefd. Bij het uitvoeren van proeftuinen en experimenten is er een mogelijkheid dat het experiment mislukt of gaandeweg bijgesteld moet worden. In dat geval kan de bijdrageontvanger tijdig een verzoek om ontheffing van deze verplichting indienen bij Gedeputeerde Staten.

Onder h Wijzigen rechtstoestand

De rechtstoestand van zaken die met een provinciale bijdrage tot stand zijn gekomen dient dus in principe 5 jaar onveranderd te blijven, tenzij Gedeputeerde Staten menen dat ontheffing van deze verplichting gerechtvaardigd is. De benodigde ontheffing van Gedeputeerde Staten betreft alle zaken, zowel roerende als onroerende. Bij roerende zaken gaat het om alle verplaatsbare zaken, bijvoorbeeld inventaris of bouwstoffen, maar ook zonnepanelen die zonder veel schade gedemonteerd kunnen worden. Onroerende zaken zijn gebouwen of werken die duurzaam met de grond zijn verbonden, bijvoorbeeld woningen, een brug, sporthal of winkelpanden, maar ook grond, delfstoffen en beplanting. De juridische toestand van onroerende zaken, zoals welke zakelijke rechten in de vorm van eigendom, erfdienstbaarheid, erfpacht, opstal, vruchtgebruik, appartementsrecht, pand of hypotheek erop rusten, is opgenomen in het Kadaster.

Onder j Voortgangsverslag

Het voortgangsverslag is vormvrij.

 

Artikel 12 Bestuursverklaring

De verantwoording vindt plaats op basis van een bestuursverklaring van de bijdrageontvanger over het totaal van kosten en baten van de prestatie. Hiervoor maakt de bijdrageontvanger gebruik van de daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde bestuursverklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten. Het gaat daarbij om een globaal overzicht waaruit blijkt dat de gefinancierde activiteit heeft plaatsgevonden met daaraan verbonden kosten; dus geen gedetailleerde kostenverantwoording. Een volledige en diepgaande prestatieverantwoording is dus ook niet nodig. Volstaan kan worden met een beknopte toelichting op de prestatie.

De opgave van de gerealiseerde baten en lasten leidt tot het totale bijdragebedrag. Hierdoor worden detaildiscussies over onderliggende financiële posten voorkomen. Als de kosten lager zijn dan begroot, wordt de bijdrage lager vastgesteld en eventueel teruggevorderd. Als de kosten hoger uitvallen, wordt ten hoogste het maximaal verleende bijdragebedrag uitgekeerd. Als de activiteiten niet volledig zijn uitgevoerd maar het bedrag wel is besteed, is het aan Gedeputeerde Staten of het gehele bijdragebedrag wordt uitgekeerd.

 

 

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

 

de voorzitter

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

 

de secretaris

drs. M.J.A. van Bijnen MBA

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingRegeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 7 juli 2020, houdende regels omtrent de verstrekking van bijdragen ten behoeve van het verbeteren van de milieucondities bodem, water en lucht en de kwaliteit van de leefomgeving in de zuidoostelijke zandgronden (Bijdrageregeling interbestuurlijk programma Zuidoostelijke zandgronden Limburg Noord-Brabant)
CiteertitelBijdrageregeling interbestuurlijk programma Zuidoostelijke zandgronden Limburg Noord-Brabant
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Noord-Brabant/637121/CVDR637121_1.html

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

16-07-202021-10-2020nieuwe regeling

07-07-2020

prb-2020-4593

C2264403/4705397