• Geldig sinds 13 juni 2020.

    Print deze versie:

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingRegeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant, houdende regels omtrent subsidies ten behoeve van het stimuleren van de landschappelijke kwaliteit van het Brabantse buitengebied (Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant)
CiteertitelSubsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Noord-Brabant/CVDR92483/CVDR92483_2.html

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

13-06-2020nieuwe regeling

02-06-2020

prb-2020-3652

C2263892/ 4700693

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant, houdende regels omtrent subsidies ten behoeve van het stimuleren van de landschappelijke kwaliteit van het Brabantse buitengebied (Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

 

Gezien het advies van de Adviescommissie Catalogus Groenblauwe Diensten;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten de landschappelijke kwaliteit van het Brabantse buitengebied willen behouden en versterken en het wenselijk achten hiertoe een subsidieregeling vast te stellen;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten tevens tot doel hebben daarbij samen te werken met de gemeenten en waterschappen in de provincie Noord-Brabant en dat deze samenwerking bestaat uit de inzet van financiële middelen door zowel de provincie Noord-Brabant als de gemeenten en waterschappen;

 

Overwegende dat het beschikbaar te stellen budget en de thema’s waarvoor dit budget beschikbaar is, keuzes zijn die gemeenten en waterschappen op grond van hun autonomie maken;

 

Overwegende dat deze subsidieregeling is opgesteld binnen het kader van de Catalogus Groenblauwe Diensten en daarmee valt binnen de Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (PbEU 2014, C 204);

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

actieve landbouwer: landbouwer die bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven met zijn bedrijf waarvan landbouwactiviteit de hoofdactiviteit is;

Catalogus Groenblauwe Diensten: set van steunmaatregelen waaraan de Europese Commissie met het goedkeuringsbesluit SA.44848 goedkeuring heeft verleend;

element: element zoals omschreven in bijlage 3 bij deze regeling;

EVZ: ecologische verbindingszone, zijnde een gebied waarbinnen natuur- en landschapselementen zijn of worden gerealiseerd, gericht op het verbinden van natuurgebieden, en dat is opgenomen en begrensd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant;

grote onderneming: onderneming die niet aan de criteria, bedoeld in bijlage I bij de landbouwgroepsvrijstellingsverordening voldoet;

Kaderrichtlijn Water: Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEU 2000, L 327);

landbouwgrond: grond waarop enige vorm van landbouw wordt of onmiddellijk kan worden uitgeoefend;

landbouwsteunkader: Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (PbEU 2014, C 204);

NatuurnetwerkBrabant: samenhangend netwerk van natuurgebieden, dat van nationaal en internationaal belang is en het veiligstellen van ecosystemen als doel heeft, en is opgenomen en begrensd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant;

verordening 1305/2013: Verordening (EU) 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

verordening 1306/2013: Verordening (EU) 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

verordening 1307/2013: Verordening (EU) 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PbEU 2013, L 347).

Artikel 2 Doelgroep

  • 1.

    Subsidie op grond van deze regeling kan worden aangevraagd door:

    • a.

      landbouwers;

    • b.

      terreinbeherende organisaties;

    • c.

      particuliere grondbeheerders die actief zijn in de land- en bosbouwsector;

    • d.

      een samenwerkingsverband van partijen, genoemd onder a tot en met c;

    • e.

      een samenwerkingsverband van een grondeigenaar en een of meerdere van de partijen, genoemd onder a tot en met c.

  • 2.

    Indien een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, onder d en e , geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband, waarbij dit, indien aanwezig, een deelnemer met rechtspersoonlijkheid is; en

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband, blijkend uit een samenwerkingsverklaring.

Artikel 3 Subsidievorm

Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    het wijzigen van de functie van de grond van landbouwgrond naar natuur ten behoeve van een element, in combinatie met een of meer activiteiten, genoemd in onderdeel b tot en met i;

  • b.

    het verbeteren van de recreatieve ontsluiting van het buitengebied over agrarische gronden;

  • c.

    het versterken van de landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit in het agrarisch cultuurlandschap;

  • d.

    het instandhouden en het goede beheer van bestaande elementen;

  • e.

    het instandhouden van groen erfgoed;

  • f.

    het vasthouden en bergen van water;

  • g.

    het versterken van biodiversiteit ten behoeve van boerenlandvogels en insecten;

  • h.

    het verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater;

  • i.

    het ecologisch beheren van waterkeringen.

Artikel 5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het project wordt uitgevoerd op grond gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant, met uitzondering van EVZ’s;

  • b.

    de grond waarop het project wordt uitgevoerd binnen het geldende bestemmingsplan de bestemming bouwvlak of de bestemming wonen heeft of is gelegen binnen 10 meter van die bestemming;

  • c.

    voor het project reeds subsidie is verstrekt op grond van deze of een andere subsidieregeling;

  • d.

    reeds voor indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project;

  • e.

    op de grond waarop het project betrekking heeft verplichtingen rusten op grond van deze regeling of enige andere regeling op grond waarvan een subsidie is verstrekt met betrekking tot agrarisch natuurbeheer of natuurbeheer;

  • f.

    het project reeds uitgevoerd dient te worden op grond van verplichtingen op basis van wetgeving, regelgeving, een convenant of andere afspraken;

  • g.

    de subsidieaanvrager een grote onderneming is;

  • h.

    de subsidieaanvrager niet aan de relevante Unienormen of nationale wet- en regelgeving voldoet, zoals wet- en regelgeving met betrekking tot dieren, planten, volksgezondheid, sanitair, ethiek of milieu, en op basis daarvan de productie hoe dan ook moet stopzetten;

  • i.

    de subsidieaanvrager een onderneming in financiële moeilijkheden is als bedoeld in de Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014, C 249);

  • j.

    ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.

Artikel 6 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      het project past binnen de landschapstypenkaart, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;

    • c.

      de in het project opgenomen elementen passen binnen de daarvoor aangewezen gebieden, opgenomen op de themagebiedenkaart in bijlage 2 bij deze regeling;

    • d.

      de in het project opgenomen elementen voldoen aan de beschrijving en vereisten, opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling;

    • e.

      bij de aanvraag wordt gevoegd:

      • 1°.

        een omschrijving van de desbetreffende elementen;

      • 2°.

        een aanduiding van de omvang van de desbetreffende elementen uitgedrukt in stuks, strekkende meters of vierkante meters;

      • 3°.

        het ingevulde aanvraagformulier, bedoeld in artikel 12 van de Algemene subsidieverordening, opgenomen in bijlage 7 bij deze regeling;

    • f.

      de subsidieaanvrager heeft voor minimaal zes jaar, te rekenen vanaf het moment van de subsidieaanvraag, het gebruiksrecht over de grond waarop het project betrekking heeft.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de subsidieaanvrager beschikt over het volle eigendom van de grond waarop het project betrekking heeft;

    • b.

      de functie van de grond wordt gewijzigd van landbouwgrond naar natuur ten behoeve van de elementen;

    • c.

      het project is gericht op een of meer van de activiteiten genoemd in artikel 4, onder b tot en met i;

    • d.

      eventuele betrokken productiecapaciteit wordt gesloopt of onherroepelijk gesloten;

    • e.

      de grond waarop het project betrekking heeft:

      • 1°.

        is ten minste 5 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aantoonbaar landbouwkundig in gebruik, blijkend uit de Basisregistratie Gewaspercelen;

      • 2°.

        is gelegen binnen een EVZ; of

      • 3°.

        wordt gebruikt voor de realisatie van een wandelpad over boerenland.

  • 3.

    Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat het project gericht is op de aanleg en het beheer of het enkele beheer van het element wandelpad over boerenland.

  • 4.

    Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder c, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat het project gericht is op de aanleg en het beheer van een van de volgende elementen:

    • a.

      houtwal of houtsingel;

    • b.

      elzensingel;

    • c.

      bossingel of bosje;

    • d.

      struweelhaag;

    • e.

      knip- of scheerheg;

    • f.

      bomenrij of solitaire boom;

    • g.

      knotboom;

    • h.

      hoogstamboomgaard;

    • i.

      struweelrand;

    • j.

      poel of klein historisch water;

    • k.

      natuurvriendelijke oever;

    • l.

      botanische hooilandrand in combinatie met het beheer van een element, genoemd onder a tot en met g;

    • m.

      wilde bijenrand op grasland in combinatie met het beheer van een element, genoemd onder a tot en met g.

  • 5.

    Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder d, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat het project gericht is op het beheer van een van de volgende elementen:

    • a.

      houtwal of houtsingel;

    • b.

      elzensingel;

    • c.

      bossingel of bosje;

    • d.

      hakhoutbosje;

    • e.

      griendje;

    • f.

      struweelhaag;

    • g.

      knip- of scheerheg;

    • h.

      bomenrij of solitaire boom;

    • i.

      knotboom;

    • j.

      hoogstamboomgaard;

    • k.

      struweelrand;

    • l.

      poel of klein historisch water;

    • m.

      natuurvriendelijke oever;

    • n.

      botanische weiderand in combinatie met het beheer van een element, genoemd onder a tot en met i.

  • 6.

    Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder e, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op het beheer van een van de volgende elementen:

      • 1°.

        houtwal of houtsingel;

      • 2°.

        elzensingel;

      • 3°.

        bossingel of bosje;

      • 4°.

        hakhoutbosje;

      • 5°.

        griendje;

      • 6°.

        struweelhaag;

      • 7°.

        knip- of scheerheg;

      • 8°.

        bomenrij of solitaire boom;

      • 9°.

        knotboom;

      • 10°.

        hoogstamboomgaard;

      • 11°.

        poel of klein historisch water;

    • b.

      het element was reeds aanwezig voor 1950 en is tot op heden aanwezig geweest.

  • 7.

    Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder f, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op de aanleg en het beheer of het enkele beheer van een van de volgende elementen:

      • 1°.

        natuurvriendelijke oever;

      • 2°.

        infiltratiegreppel;

      • 3°.

        waterbergingsvoorziening;

    • b.

      het project is in overeenstemming met de Kaderrichtlijn Water en de maatregelenprogramma's van de actuele stroomgebiedbeheerplannen.

  • 8.

    Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder g, in aanmerking te komen, voldaan aan een van de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op de aanleg en het beheer van een van de volgende elementen:

      • 1°.

        botanische hooilandrand;

      • 2.

        wilde bijenrand op grasland; of

    • b.

      het project is gericht op het beheer van een van de volgende elementen:

      • 1°.

        botanische hooilandrand;

      • 2°.

        wilde bijenrand op grasland;

      • 3°.

        wintervoedselrand op bouwland;

      • 4°.

        wilde bijenrand op bouwland;

      • 5°.

        patrijzenrand op bouwland;

      • 6°.

        bloemblok voor akkervogels op bouwland.

  • 9.

    Onverminderd het eerste en achtste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder g, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat de grond waarop het project betrekking heeft ten minste 5 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aantoonbaar landbouwkundig in gebruik is, blijkend uit de Basisregistratie Gewaspercelen.

  • 10.

    Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder h, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op de aanleg en het beheer van een van de volgende elementen:

      • 1°.

        natuurvriendelijke oever;

      • 2°.

        infiltratiegreppel;

      • 3°.

        poel en klein historisch water;

      • 4°.

        houtwal en houtsingel;

      • 5°.

        elzensingel;

      • 6°.

        knotboom;

      • 7°.

        bomenrij en solitaire boom;

      • 8°.

        botanische hooilandrand in combinatie met de aanleg van een element, genoemd onder 1° tot en met 7°;

      • 9°.

        wilde bijenrand op grasland in combinatie met de aanleg van een element, genoemd onder 1° tot en met 7°.

    • b.

      het project is in overeenstemming met de Kaderrichtlijn Water en de maatregelenprogramma's van de actuele stroomgebiedbeheerplannen.

  • 11.

    Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder i, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op het beheer van botanische hooilandrand of wilde bijenrand op grasland;

    • b.

      het project is in overeenstemming met de Kaderrichtlijn Water en de maatregelenprogramma's van de actuele stroomgebiedbeheerplannen.

  • 12.

    Onverminderd het eerste tot en met elfde lid wordt, indien het project betrekking heeft op de aanleg dan wel de aanleg en het beheer van een element, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is erop gericht dat de aanleg binnen een jaar na verlening van de subsidie kan worden afgerond;

    • b.

      de aanvraag bevat:

      • 1°.

        een beplantingslijst;

      • 2°.

        een inrichtingsplan; en

      • 3°.

        een sluitende en realistische begroting;

    • b.

      het inrichtingsplan, bedoeld in onderdeel b, onder 2°, bevat:

      • 1°.

        de locatieaanduiding van het project;

      • 2°.

        een schaalgrote van maximaal 1:10.000;

      • 3°.

        een legenda;

      • 4°.

        een topografische ondergrond;

      • 5°.

        een kadastrale aanduiding.

Artikel 7 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder a, komt in aanmerking de waardevermindering van de grond, welke wordt vastgesteld op maximaal 85% van de regioprijs van de grond zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.

  • 2.

    Voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder b tot en met i, komen in aanmerking de volgende kosten:

    • a.

      de normbedragen, genoemd in bijlage 5 en 6 bij deze regeling;

    • b.

      legeskosten tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele kosten;

    • c.

      bodemkundig of archeologisch onderzoek, voor zover wettelijk verplicht voor het project tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele kosten.

Artikel 8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 7 komen kosten voor uitvoering van wettelijke taken, regelingen, convenanten of afspraken niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 9 Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen worden ingediend van 11 juni 2020 tot en met 15 november 2020.

Artikel 10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode, genoemd in artikel 9, vast op:

  • a.

    € 20.000, voor projecten in de gemeente Alphen en Chaam;

  • b.

    € 50.000, voor projecten in de gemeente Asten;

  • c.

    € 15.000, voor projecten in de gemeente Baarle-Nassau;

  • d.

    € 20.000, voor projecten in de gemeente Bladel;

  • e.

    € 8.000, voor projecten in de gemeente Dongen;

  • f.

    € 10.000, voor projecten in de gemeente Geldrop-Mierlo;

  • g.

    € 25.000, voor projecten in de gemeente Gilze en Rijen;

  • h.

    € 15.000, voor projecten in de gemeente Halderberge;

  • i.

    € 3.000, voor projecten in de gemeente Helmond;

  • j.

    € 25.000, voor projecten in de gemeente Heusden;

  • k.

    € 22.000, voor projecten in de gemeente Hilvarenbeek;

  • l.

    € 25.000, voor projecten in de gemeente Laarbeek;

  • m.

    € 20.000, voor projecten in de gemeente Meierijstad;

  • n.

    € 25.000, voor projecten in de gemeente Nuenen;

  • o.

    € 15.000, voor projecten in de gemeente Waalwijk;

  • p.

    € 20.000, voor projecten in de gemeente Zundert.

Artikel 11 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 24.999.

  • 2.

    In het geval dat subsidie onder de Catalogus Groenblauwe Diensten met andere subsidie voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt gecumuleerd, worden de krachtens de onderhavige regeling toe te kennen bedragen zodanig beperkt dat het totale subsidiebedrag niet hoger is dan de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten, het maximale subsidiebedrag uit deze regeling, de maximale steunintensiteiten en het maximale steunbedrag op grond van de toepasselijke Europese voorschriften.

Artikel 12 Verdelingswijzen

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2.

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 4.

    De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen van hoog naar laag worden gerangschikt in volgorde van trekking.

  • 5.

    Subsidie wordt verdeeld over opeenvolgende aanvragen in de rangschikking die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 13 Subsidieverlening

  • 1.

    Subsidie als bedoeld in artikel 4, onder a, wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat tussen de provincie Noord-Brabant en de subsidieontvanger binnen 24 maanden na de subsidieverlening een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek wordt gevestigd, waarin in ieder geval wordt opgenomen dat degene die het terrein toebehoort, beheert of degene die beschikt over het recht van erfpacht:

    • a.

      de desbetreffende grond na aanvang van de aanleg van de elementen niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond;

    • b.

      de met subsidie aangelegde elementen beheert overeenkomstig de voorschriften opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling;

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in artikel 4, onder b tot en met i, wordt verleend voor een periode van zes aaneengesloten jaren.

Artikel 14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    De subsidieontvanger:

    • a.

      legt de elementen aan binnen een jaar na verlening van de subsidie;

    • b.

      verleent medewerking ten aanzien van de uitvoering van controles; en

    • c.

      voert het project uit conform de voorschriften, opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling;

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 4, onder a, de volgende verplichtingen:

    • a.

      hij wijzigt de functie van de grond waarop het project betrekking heeft binnen vierentwintig maanden na verlening van de subsidie en wel zodanig dat nadelige milieueffecten worden voorkomen; en

    • b.

      hij houdt de cultuurgrond in een goede landbouw- en milieuconditie overeenkomstig titel VI, hoofdstuk I, van Verordening 1306/2013 en de toepasselijke uitvoeringsbepalingen tot het moment dat die in natuur wordt omgezet, waarbij in ieder geval:

      • 1°.

        elementen in stand worden gelaten, inclusief, in voorkomend geval, heggen, vijvers, greppels, bomenrijen, bomengroepen of geïsoleerde bomen, akkerranden en terrassen;

      • 2°.

        het snoeien van heggen en bomen verboden is in de vogelbroedperiode.

  • 3.

    Indien het project wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden afgerond binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, onder a, kan de subsidieontvanger uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten tot verlenging met maximaal tweemaal een periode van maximaal zes maanden.

Artikel 15 Actieve landbouwer

Voor de subsidieontvanger die een actieve landbouwer is gelden de volgende aanvullende bepalingen:

  • a.

    Indien de subsidie afhankelijk is van een aantal hectaren, dient de subsidieontvanger de volgende voorschriften, inzake areaalgerelateerde betalingen overeenkomstig artikel 47 van verordening 1305/2013 en in op grond van die bepaling aangenomen gedelegeerde handelingen, na te leven:

    • 1°.

      indien hetzij het onder een verbintenis vallende volledige areaal, of een deel ervan, hetzij het gehele bedrijf aan een andere persoon wordt overgedragen gedurende de looptijd van die verbintenis, kan de verbintenis of het deel ervan dat met de areaaloverdracht overeenstemt, voor de resterende looptijd door die andere persoon worden overgenomen of kan zij vervallen, en wordt geen terugbetaling verlangd voor de periode waarin de verbintenis daadwerkelijk is nagekomen;

    • 2°.

      indien een begunstigde een aangegane verbintenis niet verder kan nakomen omdat zijn bedrijf of een deel daarvan wordt herverkaveld of binnen een ruilverkaveling van overheidswege of een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde ruilverkaveling valt, nemen Gedeputeerde Staten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verbintenis aan de nieuwe bedrijfssituatie worden aangepast.

    • 3°.

      Indien de aanpassing genoemd onder 1° en 2° onmogelijk is, eindigt de verbintenis en wordt geen terugbetaling verlangd voor de periode waarin de verbintenis daadwerkelijk is nagekomen.

  • b.

    Enkel in gevallen van overmacht en de in artikel 2 van verordening 1306/2013 bedoelde uitzonderlijke omstandigheden stellen Gedeputeerde Staten, overeenkomstig artikel 4:46, tweede lid, van de Awb, de subsidie niet lager vast en hoeft de subsidieontvanger de ontvangen subsidie derhalve niet terug te betalen.

  • c.

    De uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld onder b zijn:

    • 1°.

      de begunstigde is overleden;

    • 2°.

      de begunstigde is langdurig arbeidsongeschikt geworden;

    • 3°.

      het bedrijf is zwaar getroffen door een ernstige natuurramp;

    • 4°.

      de veehouderijgebouwen op het bedrijf zijn door een ongeluk verloren gegaan;

    • 5°.

      al het vee of alle landbouwgewassen van de begunstigde of een gedeelte ervan zijn getroffen door respectievelijk een epizoötie of een plantenziekte;

    • 6°.

      het volledige bedrijf of een groot deel daarvan is onteigend, indien deze onteigening op de dag van indiening van de aanvraag niet was te voorzien.

  • d.

    Gedeputeerde Staten wijzigen de beschikking tot verlening van subsidie indien de volgende wet- en regelgeving wijzigt:

    • 1°.

      de krachtens titel VI, hoofdstuk I, van verordening 1306/2013 vastgestelde toepasselijke dwingende normen, uitgewerkt in bijlage 3 en 4 bij de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB;

    • 2°.

      de krachtens artikel 4, eerste lid, onderdeel c, onder ii en iii, van verordening 1307/2013 vastgestelde toepasselijke criteria en minimumactiviteiten; en

    • 3°.

      de toepasselijke minimumvereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en andere toepasselijke dwingende voorschriften, uitgewerkt in bijlage 3 bij de Beleidsregel verlagen subsidie POP.

  • e.

    Indien de subsidiebeschikking de programmeringsperiode voor plattelandsontwikkeling 2014-2020 overschrijdt, wijzigen Gedeputeerde Staten de beschikking overeenkomstig het voor de volgende programmeringsperiode geldende rechtskader.

  • f.

    Gedeputeerde Staten trekken de beschikking ambtshalve in zodra de subsidieontvanger de in de voorgaande leden bedoelde aanpassingen niet aanvaardt. De subsidie wordt ambtshalve verlaagd tot het bedrag dat overeenstemt met de periode tot het einde van de looptijd van de beschikking.

Artikel 16 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

  • a.

    een activiteitenverslag;

  • b.

    foto- of videomateriaal van de situatie voor en na het project;

  • c.

    indien van toepassing een notariële akte;

  • d.

    een financieel verslag.

Artikel 17 Bevoorschotting en betaling

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 100%.

  • 2.

    Het voorschot met betrekking tot subsidie voor aanleg wordt in een keer betaald.

  • 3.

    Het voorschot met betrekking tot subsidie voor beheer wordt in zes gelijke gedeelten betaald gedurende de looptijd van het project.

Artikel 18 Vaststelling

Gedeputeerde Staten stellen de subsidie vast op basis van prestaties en normbedragen per eenheid of daadwerkelijke gemaakte kosten, indien aangegeven.

Artikel 19 Transparantie

Gedeputeerde Staten maken binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend:

  • a.

    de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.7, onderdeel 128, onder a en b, van het landbouwsteunkader; en

  • b.

    de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.7, onderdeel 128, onder c ,van het landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan:

    • 1°.

      € 60.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie; of

    • 2°.

      € 500.000 voor begunstigden in de sectoren van de verwerking van landbouwproducten, de afzet van landbouwproducten, de bosbouwsector of activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen.

Artikel 20 Intrekking

De Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant wordt ingetrokken.

Artikel 21 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 22 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant.

’s-Hertogenbosch, 2 juni 2020

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris

drs. M.J.A. van Bijnen MBA

Bijlage 1, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, van de Subsidieregeling stimuleringskader landschap Noord-Brabant  

Bijlage 2, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, van de Subsidieregeling stimuleringskader landschap Noord-Brabant  

 

 

 

 

 

 

Bijlage 3, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder d, van de Subsidieregeling stimuleringskader landschap Noord-Brabant  

Definities

Vrij liggend: als 75% of meer van de randlengte van het element grenst aan bouw- of grasland of er een afstand tussen elementen is van tenminste 5 meter.

 

Cyclisch beheer: Beheer dat volgens een bepaalde regelmaat uitgevoerd moet worden om de verschijningsvorm van het landschapselement in stand te houden. Tot cyclisch beheer behoren ondermeer: het knotten van knotbomen, het afzetten van een hout-/elzensingel, het opschonen van een poel.

 

Diameter: de doorsnee van een boom of struik gemeten door de omtrek van de boom op een meter van het maaiveld te meten en te delen door π (3,14159)

 

Maaiveld: is bovenkant van niet afgegraven bodem

 

Natte oppervlakte: oppervlakte van zichtbaar water

 

L1: Houtwal en houtsingel

Afbakening

  • Een houtwal of houtsingel is een vrij liggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken.

  • Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en natuurlijke waarde door het element als hakhout te beheren en het periodiek afzetten van het element (cyclisch beheer). De cyclus varieert tussen de 10 en 25 jaar.

  • Een houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed.

  • Elzensingels bestaande uit een enkele rij horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype Elzensingel.

  • Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Dijken

  • Oeverwal

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Op locatie van aanplant is de afgelopen 5 jaar geen bos of struweel aanwezig geweest.

  • Aanplant met 2- en/of 3 jarig inheems bosplantsoen.

  • Plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter.

  • Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt.

Beheervoorschriften

  • Ten minste 75% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd. De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden).

  • Snoeiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de periode tussen 1 november en 15 maart; takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in het element.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Specifieke beheervoorschriften

  • L1b : Elementen langer dan 100 m worden in minimaal twee fasen afgezet. Ca. 50% van het element wordt het ene jaar afgezet en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later afgezet.

  • L1b: Het element dient gedurende de contractperiode te worden afgezet.

Aan te vragen pakketten

  • L1a: Jaarlijks beheer

  • L1b: Cyclisch beheer; element afzetten in contractperiode

 

 

L2: Elzensingel

Afbakening

  • Een elzensingel is een vrij liggend lijnvormig en aaneengesloten éénrijig landschapselement dat grotendeels bestaat uit zwarte els.

  • Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en natuurlijke waarde dit wordt bereikt door het element als hakhout te beheren en het periodiek af te zetten (cyclisch beheer). De cyclus varieert tussen de 6 en 21 jaar.

  • Een elzensingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 3 meter breed..

  • Losse bomenrijen horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype bomenrij/solitaire boom.

  • Windsingels om boomgaarden en kwekerijen die geschoren worden, horen niet tot dit beheertype.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Op locatie van aanplant is de afgelopen 5 jaar geen bos of struweel aanwezig geweest.

  • Aanplant met 2- en/of 3 jarig inheems bosplantsoen.

  • Minimaal 100 stuks planten per 100 meter elzensingel aanplanten.

  • Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de rij indien perceel beweid wordt.

Beheervoorschriften

  • Tenminste 75% van de lengte van het element wordt als hakhout beheerd. De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden).

  • Snoeiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de periode tussen 1 november en 15 maart; takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Specifieke beheervoorschriften

  • L2b: Elzensingels langer dan 100 meter worden in minimaal twee fasen afgezet. Ca. 50% van het element wordt het ene jaar afgezet en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later afgezet.

  • L2b: Elzensingel dient gedurende de contractperiode te worden afgezet.

Aan te vragen pakketten

  • L2a: Jaarlijks beheer

  • L2b: Cyclisch beheer bij > 75% bedekking; element afzetten in contractperiode

 

L3: Bossingel en bosje

Afbakening

  • Een bossingel is een vrij liggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken.

  • Het doel van het beheer van het element is het behoud van natuurlijke waarde en boskwaliteit dit kan worden bereikt door de buitenrand (pleksgewijs) periodiek worden afgezet en gesnoeid

  • Doel van het onderhoud is het behoud van het ecosysteem en indien nodig herstel hiervan.

  • Een bossingel is minimaal 25 meter lang en heeft een breedte van maximaal 20 meter.

  • Een bosje is een vrij liggend vlakvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken.

  • Een bosje is minimaal 200 m2 en maximaal 5.000 m2 groot.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg bossingel

  • Op locatie van aanplant is de afgelopen 5 jaar geen bos of struweel aanwezig geweest.

  • Aanplant met 2- en/of 3 jarig inheems bosplantsoen.

  • Plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter.

  • Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt.

Beheervoorschriften

  • Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.

  • Het element wordt voor maximaal 80% beheerd als bos met opgaande bomen.

  • Randen van het element worden als hakhout beheerd (minimaal 20% hakhout).

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het element bevestigd worden.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Specifieke beheervoorschriften

  • L3b: Buitenrand van singel of bosje dient gedurende de contractperiode pleksgewijs te worden afgezet.

Aan te vragen pakketten

  • L3a: Jaarlijks beheer

  • L3b: Cyclisch beheer; pleksgewijs hakhout afzetten in contractperiode

     

 

L4: Hakhoutbosje

Afbakening

  • Een hakhoutbos(je) is een vrij liggend vlakvormig landschapselement, met inheemse bomen en/of struiken dat als hakhout wordt beheerd door periodiek afzetten van het element (cyclisch beheer).

  • Een hakhoutbosje is minimaal 100 m2 en maximaal 5.000 m2 groot. De minimale lengte is 25 meter en maximale breedte 50 meter.

  • Met langzaamgroeiende soorten wordt bedoeld dat de zomereik dominant is.

  • Doel van het beheer van het element is het behoud van de traditionele hakhoutcultuur en ecologische waarde wordt een hakhoutbosje bij overwegend langzaam groeiende soorten wordt dit gedaan door om de 15 tot 25 jaar het element af te zetten (cyclisch beheer).

  • Met snelgroeiende soorten wordt bedoeld dat zwarte els en/of gewone es dominant zijn.

  • Doel van het beheer van het element is het behoud van de traditionele hakhoutcultuur en ecologische waarde wordt een hakhoutbosje bij overwegend snelgroeiend soorten wordt dit gedaan door om de 10 tot 20 jaar het element af te zetten (cyclisch beheer).

  • Kleine vrij liggende bosjes zonder hakhoutbeheer of met een zeer beperkte vorm van hakhoutbeheer behoren tot het beheertype Bossingel en bosje.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Op locatie van aanplant is de afgelopen 5 jaar geen bos of struweel aanwezig geweest.

  • Aanplant met 2- en/of 3 jarig inheems bosplantsoen.

  • Plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter.

  • Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt.

Beheervoorschriften

  • Minimaal 80% van het bosje wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet in de periode tussen 1 november en 15 maart.

  • De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden).

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Japanse duizendknoop, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het element bevestigd worden.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Specifieke beheervoorschriften

  • L4b: Bosje met langzaam groeiende soorten dient gedurende de contractperiode te worden afgezet.

  • L4c: Bosje met snelgroeiende soorten dient gedurende de contractperiode te worden afgezet.

Aan te vragen pakketten

  • L4a: Jaarlijks beheer

  • L4b: Cyclisch beheer langzaamgroeiende soorten; element afzetten in contractperiode

  • L4c: Cyclisch beheer snelgroeiende soorten; element afzetten in contractperiode

 

 

L5: Griendje

Afbakening

  • Een griendje is een vrij liggend vlakvormig landschapselement met inheemse wilgensoorten.

  • Het doel van het beheer van het element is het behoud en de instandhouding van de karakteristieke uitstraling en de ecologische waarde. Dit wordt gereikt door het element periodiek af te zetten. De cyclus varieert tussen de 3 en 5 jaar.

  • Het griendje is minimaal 100 m2 en maximaal 5.000 m2 groot. De minimale lengte is 25 meter en maximale breedte 50 meter.

  • Grienden die machinaal gemaaid worden behoren niet tot dit beheertype.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Beekdal en broekontginning

  • Oeverwal

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Op locatie van aanplant is de afgelopen 5 jaar geen bos of struweel aanwezig geweest.

  • Aanplant met 2- 3 jarige onbewortelde wilgenstek.

  • Plantverband van minimaal 1,15 m x 1,25 meter of 1,50 m x 1,00 en maximaal 2,00 m x 2,00 meter.

  • Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt.

Beheervoorschriften

  • Het element bestaat uit inheemse wilgensoorten en wordt geheel als hakhout beheerd en afgezet in een cyclus van tenminste éénmaal per 5 jaar en maximaal éénmaal per 3 jaar. 

  • Snoeiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de periode tussen 1 november en 15 maart; takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het element bevestigd worden.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Aan te vragen pakketten

  • L5a: Jaarlijks beheer

  • L5b: Cyclisch beheer; element afzetten in contractperiode

 

 

L6: Struweelhaag

Afbakening

  • Een struweelhaag is een vrij liggend lijnvormig landschapselement van ca. 3 meter breed met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken.

  • Een struweelhaag is minimaal 25 meter lang.

  • Hagen die minimaal eenmaal per 3 jaar worden gesnoeid horen tot het beheertype Knip- of scheerheg.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Oeverwal

  • Langstraatontginning

  • Uiterwaarden

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Aanplant met 2- en/of 3 jarig bosplantsoen, waarvan 50% bestaat uit doorndragende struiken, uitgezonderd.

  • Het betreft een één- of tweerijig element.

  • Plantafstand in de rij bij 1 rij minimaal 0,25 meter en maximaal 0,40 meter en bij twee rijen plantafstand in de rij minimaal 0,50 m en maximaal 1,00 meter en afstand tussen rijen minimaal 0,50 m en maximaal 1,00 meter.

  • Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt.

  • In het gebied van de ‘Maasheggen’ dient minimaal 70% te bestaan uit meidoorn (één- en tweestijlige) eventueel aangevuld met andere gebiedseigen soorten.

Beheervoorschriften

  • Terugsnoeiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken aan de zijkanten mogen maximaal 1 maal per 3 jaar worden teruggesnoeid.

  • Na het snoeien heeft de haag een hoogte van tenminste 1,00 meter en een breedte van tenminste 0,8 meter.

  • Het gebruik van een klepelmaaier is niet toegestaan, uitgezonderd het snoeiwerk van zijkanten langs wegen.

  • Het snoeien kan gecombineerd worden met het vlechten van de haag.

  • Het snoeihout moet afgevoerd worden. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het element bevestigd worden.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Specifieke beheervoorschriften

  • L6b, L6c: Haag wordt ten minste een keer terug gezet gedurende de contractperiode.

  • L6b, L6c: Struweelhagen langer dan 100 meter worden in minimaal twee fasen beheerd. Ca. 50% van het element wordt het ene jaar beheerd en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later beheerd.

Aan te vragen pakketten

  • L6a: Jaarlijks beheer

  • L6b: Cyclisch beheer; snoeien in contractperiode (cyclus 5-7 jaar)

  • L6c: Cyclisch beheer; snoeien in contractperiode (cyclus > 12 jaar)

 

L7: Knip- of scheerheg

Afbakening

  • Een knip- of scheerheg is een vrij liggend lijnvormig landschapselement, met een aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen en/of struiken, dat wordt geknipt of geschoren.

  • Een knip- of scheerheg is minimaal 25 meter lang , 1,5 meter breed en maximaal 3 meter hoog.

  • Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oeverwal

  • Uiterwaarden

  • Oude zandontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Aanplant 2-en/of 3 jarig inheems bosplantsoen

  • Het betreft een éénrijig element.

  • Plantafstand : 4 stuks per meter

Beheervoorschriften

  • Knip- en/of scheerwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart.

  • De beheereenheid wordt in een cyclus van minimaal eenmaal per 3 jaar en maximaal eenmaal per jaar gesnoeid (geknipt/geschoren) Na het knippen of scheren heeft de heg een minimale hoogte van 0,8 meter.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Aan te vragen pakketten

  • L7a: Jaarlijks scheren

  • L7b: Tweemaal scheren in contractperiode

 

L8: Bomenrij en solitaire boom

Afbakening

  • Een bomenrij/solitaire boom is een vrij liggend landschapselement van inheemse loofbomen dat niet kan worden gerangschikt onder andere beheertypes van deze subsidieregeling.

  • Bedoeld worden solitaire bomen of bomen in een groep of rij staande op of langs landbouwgrond. Lanen behoren ook tot dit beheertype.

  • Bomen die een onderdeel vormen van een ander beheertype van deze subsidieregeling of deel uitmaken van een bomenrij als bedoeld in dit beheertype kunnen niet als solitaire boom of verzameling van solitaire bomen aangevraagd worden.

  • De bomenrij is minimaal 50 meter lang en 3 meter breed en bestaat uit minimaal 8 bomen per 100 meter.

  • Vlakvormige boomweides, knotbomen en windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Dijken

  • Oeverwal

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Er is geen spraken van herplantverplichting

  • Aanplant van inheemse laanbomen, mimimaal maat 10-12.

  • Plantafstand in de rij minimaal 8 meter en maximaal 12,5 meter.

Beheervoorschriften

  • Gedurende de contractperiode worden de bomen minimaal éénmaal gesnoeid. Na het snoeien beslaat de kroon minimaal 50% van de lengte van de boom.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het element bevestigd worden.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Aan te vragen pakketten

  • L8a: Cyclisch beheer diameter < 20 cm; snoeien in contractperiode

  • L8b: Cyclisch beheer diameter 20-60 cm; snoeien in contractperiode

  • L8c: Cyclisch beheer diameter > 60 cm; snoeien in contractperiode

 

L9: Knotboom

Afbakening

  • Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,5 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot).

  • Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke eigenschap van het element. Ten behoeve daarvan worden de knotboom cyclisch geknot.

  • De knotcyclus varieert tussen de 3 en 5 jaar voor wilg en populier en 7-15 jaar voor eik, es, els, haagbeuk, veldesdoorn en berk.

  • Knotbomen worden aangetroffen als solitaire boom, in rijen of in kleine groepen. Een kleine groep bestaat uit maximaal 20 bomen.

  • Vlakvormige elementen met knotbomen, behoudens kleine groepen, horen niet tot dit beheertype maar kunnen mogelijk gerangschikt worden onder het beheertype Hakhoutbosje of Griendje mits voldaan wordt aan de eisen van deze beheertypen.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Dijken

  • Zeekleigebied

  • Oeverwal

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Langstraat ontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Er is geen spraken van herplantverplichting

  • Aanplant inheemse soorten die als knotboom beheerd kunnen worden (schietwilg, gewone es, zwarte els, populier, haagbeuk, veldesdoorn, inlandse eik en berk).

  • Plantafstand in de rij minimaal 5 en maximaal 10 meter.

  • Voor wilg kan een 3 jarige onbewortelde stek met een lengte van ca. 2,5 meter gebruikt worden.

  • Andere soorten worden geplant als laanbomen met maat 10-12 of dikker.

Beheervoorschriften

  • Knotwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart; veldesdoorn en berk alleen tussen 1 november en 1 december.

  • De stam van een knotboom wordt minimaal op een hoogte van 1,5 meter boven maaiveld afgezet (geknot).

  • Gedurende de contractperiode wordt de knotboom minimaal éénmaal geknot .

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het element bevestigd worden.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Specifieke beheervoorschriften

  • Knotbomenrijen van meer dan 30 stuks worden in minimaal twee fasen geknot. Ca. de helft van de knotbomenrij wordt het ene jaar geknot en de andere helft wordt minimaal 2 jaar later geknot.

Aan te vragen pakketten

  • L9a: Cyclisch beheer diameter < 20 cm; knotten in contractperiode

  • L9b: Cyclisch beheer diameter 20-60 cm; knotten in contractperiode

  • L9c: Cyclisch beheer diameter > 60 cm; knotten in contractperiode

 

 

L10: Hoogstamboomgaard

Afbakening

  • Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,5 meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie (geen gazon).

  • Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 fruitbomen met een diameter > 10 cm op 130 cm boven maaiveld en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 150 bomen per hectare.

  • De hoogstamboomgaard heeft een oppervlakte van maximaal 0,5 hectare.

  • Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnoten.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Oeverwal

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Er is geen spraken van herplantverplichting

  • Aanplant inheemse fruitbomen met minimale maat 8-10.

  • Plantafstand minimaal 10 x 10 meter en maximaal 15 x 15 meter.

  • Rond jonge bomen boomkorf aanbrengen indien perceel wordt beweid.

  • Minimale afstand tussen boomgaarden van aanvrager bedraagt 100 meter.

Beheervoorschriften

  • Indien het appel of peer betreft wordt de boom tenminste eenmaal in de contractperiode gesnoeid in de periode 1 juli tot 15 maart. Voor andere soorten is enkel vorm- of onderhoudsnoei nodig.

  • De stam van de hoogstamfruitboom mag niet beschadigd worden door vee. Het raster mag niet aan de boom bevestigd worden. Jonge bomen in een weiland met vee zijn voorzien van een boomkorf.

  • De onderbegroeiing wordt jaarlijks beweid, of de boomgaard wordt jaarlijks gemaaid waarbij het maaisel wordt afgevoerd.

  • Bemesting met ruige mest van rundvee en bekalking is toegestaan.

  • Bij bemesten van de boomgaard, grondbewerking en maaiwerkzaamheden worden de fruitbomen en wortels niet beschadigd

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Aan te vragen pakketten

  • L10a: Cyclisch beheer diameter > 10 cm: snoeien in contractperiode

 

 

L11: Struweelrand

Afbakening

  • Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een mozaïek van struweel (bramen en/of andere inheemse bomen of struiken) en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die zich spontaan kan ontwikkelen.

  • Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en ecologische waarde. Dit wordt bereikt door onderhoud te plegen zoals het maaien, snoeien, uitdunnen en kappen van bomen.

  • Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door inheemse bomen en/of struiken.

  • De struweelrand kan langs een bosrand of een landschapselement liggen maar ook vrij in het veld, bijvoorbeeld langs een perceelsrand.

  • De rand is minimaal 25 meter lang en maximaal 12 meter breed.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Dijken

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Struweelrand kan zich spontaan ontwikkelen als landbouwgrond uit productie wordt genomen. Rand kan ingezaaid worden met kruidenmengsel en 20% van de oppervlakte kan beplant worden met inheemse struiken.

Beheervoorschriften

  • Periodiek wordt de begroeiing gemaaid en/of afgezet.

  • 50% van de oppervlakte van de rand bestaande uit een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden mag periodiek gemaaid worden met een cyclus van maximaal éénmaal per 5 jaar. Het maaisel wordt afgevoerd.

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd tussen 15 juli en 15 maart en het afzetten van struweel wordt alleen verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.

  • Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Aan te vragen pakketten

  • L11a: Jaarlijks beheer

  • L11b: Cyclisch beheer; afzetten struweel

 

 

L12: Poel en klein historisch water

Afbakening

  • Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of regenwater.

  • Alleen een poel groter dan 200 m2 mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert en ‘geen afwatering’ een risico voor omgeving kan veroorzaken. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied.

  • Het element heeft een oppervlakte van minimaal 100 en maximaal 5000 m2.

  • Vijvers die een onderdeel zijn van een park- of tuinaanleg en sloten vallen niet onder dit beheertype.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veen ontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Open beemdengebied

  • Zeekleigebied

  • Oeverwal

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Oppervlakte van een nieuwe poel gemeten vanaf insteek talud met maaiveld is maximaal 500 m2. Oppervlakte inclusief landbiotoop is maximaal 700 m2. Diepte poel maximaal 1,70 meter.

  • Taluds minimaal 1:3.

  • De laagste grondwaterstand van de locatie waar de poel wordt aangelegd is niet dieper dan 1,30 cm onder het maaiveld.

  • Landbiotoop rond poel en droog gedeelte van de oevers mag ingezaaid worden met mengsel met inheemse kruiden of voorzien van kruidenrijk hooi/maaisel.

  • Voor poelen (‘basisbiotoop’) die aangelegd worden t.b.v. de boomkikker geldt maximaal 2000 m², een diepte van maximaal 1,5 meter en taludverhoudingen van 1:8 tot 1: 10.

Beheervoorschriften

  • Minimaal de helft van het natte oppervlakte van de poel bestaat in de periode 15 maart tot 15 juni uit open water. De waterdiepte van de in de diepste delen van de poel is minimaal 0,5 m in de periode tussen 1 oktober en 1 april.

  • Een incidentele droogval is toegestaan in de periode 15 juni tot 15 november.

  • Voor behoud van voldoende open water wordt het element periodiek opgeschoond/gebaggerd.

  • Maximaal 20% van de oppervlakte van de oevers bestaat uit opslag van bomen of struiken. Het teveel aan opslag wordt verwijderd.

  • Vertrapping van de oevers bij het gebruik van het element als veedrinkpoel wordt voorkomen. Bij het gebruik als veedrinkpoel is minimaal de helft van de oeverlengte uitgerasterd.

  • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan

  • Er mogen geen vissen worden uitgezet of gekweekt.

  • Er mogen geen gedomesticeerde watervogels in de poel worden gehouden.

  • Er mogen geen uitheemse waterplanten in de poel worden aangeplant.

  • De poel wordt niet gebruikt voor hemelwateropvang van daken en erven.

  • Maaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.

  • Er vindt geen wateronttrekking plaats, behalve ten behoeve van het drenken van vee op aangrenzende percelen.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Aan te vragen pakketten

  • L12a: Jaarlijks beheer poel < 175 m2; jaarlijks oever maaien

  • L12b: Cyclisch beheer poel< 175 m2; opschonen /baggeren in contractperiode

  • L12c: Jaarlijks beheer poel > 175 m2; jaarlijks oever maaien

  • L12d: Cyclisch beheer poel > 175 m2; opschonen/baggeren in contractperiode

 

 

L13: Natuurvriendelijke oever 

Afbakening

  • Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs een bestaande waterloop, in de vorm van een drasberm, plasberm of flauw talud (minimaal 1:3) met een begroeiing van inheemse kruidachtige planten. De oeverbegroeiing kan overwegend uit riet bestaan (rietoever) of uit diverse grassen en kruiden (graskruidenoever).

    De oever heeft een minimale lengte van 25 meter en een breedte van tenminste 3 meter en maximaal 10 meter

Element past binnen landschapstype(n):

  • Beekdal en broekontginning

  • Open beemdengebied

  • Zeekleigebied

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Een natuurvriendelijke oever wordt aangelegd in de vorm van een drasberm, plasberm of een flauw talud

  • Bij peilgestuurde gebieden:

    • °

      wordt de plasberm uitgegraven tot 50 cm onder tot 10 boven het zomerpeil.

    • °

      wordt drasberm uitgegraven tot 10 cm onder tot 10 boven het zomerpeil.

    • °

      is een flauw talud minimaal 1:3 of flauwer. Het talud wordt uitgegraven vanaf de slootbodem tot het maaiveld

  • Bij vrij afwaterende gebieden:

    • °

      ligt de bodem van de oever boven de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterpeil).

Beheervoorschriften

  • De beheereenheid wordt in een cyclus van minimaal éénmaal per 2 jaar en maximaal éénmaal per jaar gemaaid. Maaiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 oktober en 1 maart.

  • Maximaal 20% van de oppervlakte van het element bestaat uit struweel. Teveel aan struweel wordt verwijderd.

  • De beheereenheid wordt niet beweid.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan.

  • Er mogen geen wijzigingen aangebracht worden in het profiel van de natuurvriendelijke oever

Aan te vragen pakketten

  • L13a: Graskruidenoever; jaarlijks maaien

  • L13b: Rietoever; eenmaal per 2 jaar maaien

 

L14: Infiltratiegreppel

Afbakening

  • Een infiltratiegreppel is een greppel die niet in directe verbinding staat met het oppervlaktewatersysteem.

  • De greppel ligt evenwijdig aan een A-waterloop en begint op minimaal 2 en maximaal 10 meter afstand vanaf de insteek van de waterloop.

  • De greppel heeft een bovenbreedte van minimaal 1,30 meter en lengte van minimaal 25 meter.

  • De greppel kan niet liggen in een zone/strook die gereserveerd is voor onderhoud van de A-waterloop.

  • De greppel mag niet worden aangelegd in beschermde grondwaterwingebieden.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Beekdal en broekontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Infiltratiegreppel/-zone wordt aangelegd in de vorm van (brede) sloot met een bovenbreedte van minimaal 1,30 en een gemiddelde diepte van 0,40-0,50 meter.

Beheervoorschriften

  • De infiltratiegreppel wordt minimaal eenmaal per 2 jaar uitgemaaid zodat de greppel een bovenbreedte van minimaal 1,30 meter en een diepte van 50 cm behoud.

  • Het maaisel mag niet verwerkt worden in het element.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het element bevestigd worden.

  • Er mogen geen wijzigingen aangebracht worden in het profiel van de greppel.

Aan te vragen pakketten

  • L14a: Jaarlijks beheer

 

L15: Waterbergingsvoorziening

Afbakening

  • Een waterbergingsvoorziening is een laagte met een kruidachtige begroeiing of broekbos of een ondiepe plas die tijde van hoge waterstanden extra water kan bergen.

  • Een waterbergingsvoorziening heeft een oppervlakte van maximaal 5000 m2.

Element past binnen landschapstype(n): 

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Zeekleigebied

  • Oeverwal

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Open beemdengebied

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Een waterbergingsvoorziening wordt aangelegd in de vorm van een natte laagte die na enige tijd droogvalt of een ondiepe plas met permanent water.

  • Eisen voor peilgestuurde gebieden

    • -

      Bij een natte laagte of broekbos ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening tot 10 cm onder tot 10 cm boven het zomerpeil.

    • -

      Bij een ondiepe plas ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening tot 100 cm onder het zomerpeil.

  • Eisen voor vrij afwaterende gebieden

    • -

      Bij een natte laagte of broekbos in vrij afwaterende gebieden ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening op de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterpeil).

  • Om waterbergingsmogelijkheden te maximaliseren kunnen kunstwerken (stuw, knijpduiker) toegepast worden. Een kunstwerk is noodzakelijk als afwatering plaatsvindt naar een sloot of waterloop.

Beheervoorschriften

  • De beheereenheid wordt niet beweid.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan.

  • Lozen van “niet organische stoffen” en ander ‘afval’ is ook niet toegestaan.

  • Toepassen van meststoffen is niet toegestaan.

  • Infiltratie van water via pijpleiding(en) naar grondwater is niet toegestaan.

  • De beheereenheid wordt niet beschadigd door werkzaamheden op aangrenzende gronden.

  • Zwerfvuil wordt ten minste één keer per jaar verwijdert.

Specifiekebeheervoorschriften

  • L15a: De beheereenheid wordt éénmaal per jaar gemaaid. Maaiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 oktober en 1 maart. Het maaisel wordt afgevoerd.

  • L15b: Minimaal de helft van het natte oppervlakte van de plas bestaat in de periode 15 maart tot 15 juni uit open water. Een incidentele droogval is toegestaan in de periode 15 juni tot 15 november. Maximaal 20% van de oppervlakte van de oevers bestaat uit opslag van bomen of struiken. Oevers worden jaarlijks gemaaid.

  • L15c: Minimaal 80% van het broekbos wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet in de periode tussen 1 november en 15 maart. De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden). Snoeihout moet afgevoerd worden uit de beheereenheid. Element wordt in contractperiode afgezet.

Aan te vragen pakketten

  • L15a: Waterbergingsvoorziening- Natte laagte

  • L15b: Waterbergingsvoorziening- Ondiepe plas

  • L15c: Waterbergingsvoorziening- Broekbos; element afzetten in contractperiode

 

G1: Botanische weiderand

Afbakening

  • De rand ligt op grasland langs een landschapselement (L-type) of langs een waterloop met een KRW-doelstelling.

  • Een botanische weiderand is een rand op grasland die beweid wordt en niet wordt bemest (behoudens mest van het weidende vee) en waar minimaal 4 indicatorsoorten in voorkomen in het groeiseizoen..

  • Een botanische weiderand heeft een minimale lengte van 25 meter en een breedte van minimaal 3 en maximaal 6 meter

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Open beemdengebied

  • Oeverwal

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Indien in de rand 4 indicatorsoorten aanwezig zijn kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden.

  • Indien er geen 4 indicatorsoorten in de rand voorkomen wordt de rand eenmalig ingezaaid met een zaadmengsel waarin minimaal de volgende indicatorsoorten in opgenomen zijn: duizendblad, knoopkruid, gewone margriet, gewone rolklaver, witte klaver.

Beheervoorschriften

  • De rand wordt niet bemest (behoudens mest van weidend vee).

  • De rand mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid. Doorzaai is, na overleg en advies van de veldcoördinator, toegestaan om de kruidenrijkdom te vergroten.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

Aan te vragen pakketten

  • G1a: Jaarlijks beheer

 

G2: Botanische hooilandrand

Afbakening

  • Een botanische hooilandrand is een rand op grasland die gehooid wordt, niet wordt bemest en waar minimaal 4 indicatorsoorten in voorkomen in het groeiseizoen.

  • Een botanische hooilandrand heeft een minimale lengte van 25 meter en een breedte van minimaal 3 en maximaal 6 meter m.u.v. randen op dijken en in natuurelementen langs ecologische verbindingszones. Deze randen mogen een breedte hebben tot maximaal 25 meter.

  • Een permanente botanische hooilandrand is een rand waarvoor een vergoeding voor grondwaardedaling voor het uit productie nemen van landbouwgrond is ontvangen.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Open beemdengebied

  • Zeekleigebied

  • Dijken in zeekleigebied

  • Oeverwal

  • Uiterwaarden

  • Komgebied

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Indien in de rand 4 indicatorsoorten aanwezig zijn kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden.

  • Indien er geen 4 indicatorsoorten in de rand voorkomen wordt de rand eenmalig ingezaaid met een zaadmengsel waarin minimaal de volgende indicatorsoorten in opgenomen zijn: duizendblad, knoopkruid, gewone margriet, gewone rolklaver, witte klaver

  • In geval van een bijdrage voor grondwaardedaling kan de rand worden geplagd. Na plaggen kan kruidenrijk maaisel worden opgebracht of worden ingezaaid met een zaadmengsel.

Beheervoorschriften

  • De rand wordt gemaaid na 1 juli en het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd.

  • De rand wordt niet beweid.

  • De rand wordt niet bemest.

  • De rand mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid. Doorzaai is, na overleg en advies van de veldcoördinator, toegestaan om de kruidenrijkdom te vergroten.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

Specifieke beheervoorschriften

  • G2a onder voorwaarde dat perceel 5 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aantoonbaar landbouwkundig in gebruik waren (blijkend uit de Basisregistratie Gewaspercelen) dan wel aansluit op eerdere beheerperiode voor groenblauwe diensten.

  • G2a onder voorwaarde dat er op de grond geen kwalitatieve verplichting rust voor de instandhouding van het element

  • G2a het pakket kan niet wordt aangevraagd in combinatie met en aanvraag voor functiewijziging voor betreffend grond.

Aan te vragen pakketten

  • G2a: Jaarlijks beheer agrarische grond

  • G2b: Jaarlijks beheer natuurgrond

 

G3: Wilde bijenrand op grasland

Afbakening

  • Een wilde bijenrand is een rand op grasland die niet beweid en bemest wordt, gefaseerd wordt beheerd en waar minimaal 4 indicatorsoorten in voorkomen.

  • Een wilde bijenrand heeft een minimale lengte van 25 meter en een breedte van minimaal 6 en maximaal 12 meter m.u.v. randen op dijken en in natuurelementen langs ecologische verbindingszones . Deze randen mogen een breedte hebben tot maximaal 25 meter.

  • Een permanente wilde bijenrand op grasland is een rand waarvoor een vergoeding voor grondwaardedaling voor het uit productie nemen van landbouwgrond is ontvangen.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Open beemdengebied

  • Zeekleigebied

  • Dijken

  • Oeverwal

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Indien in de rand al 4 indicatorsoorten aanwezig zijn kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden.

  • Indien er geen 4 indicatorsoorten in de rand voorkomen wordt de rand eenmalig ingezaaid met een zaadmengsel waarin minimaal de volgende indicatorsoorten in opgenomen zijn: duizendblad, knoopkruid, gewone margriet, gewone rolklaver, witte klaver.

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

  • In geval van een bijdrage voor grondwaardedaling kan de rand worden geplagd. Na plaggen kan kruidenrijk maaisel worden opgebracht of worden ingezaaid met een zaadmengsel.

Beheervoorschriften

  • Het gewas wordt jaarlijks 1 keer gemaaid en het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd.

  • De eerste maaibeurt is tussen 1 juli en 1 augustus en bij deze maaibeurt wordt 50% van de beheereenheid niet gemaaid en blijft overstaan.

  • De tweede maaibeurt is tussen 15 september en 15 november en dan wordt het deel dat nog niet gemaaid is gemaaid. Het overige deel blijft staan.

  • Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid. Doorzaai/herinzaai is, na overleg en advies van de veldcoördinator, toegestaan om de kruidenrijkdom te vergroten.

  • De rand wordt niet bemest.

  • De rand wordt niet beweid.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

Specifieke beheervoorschriften

  • G3a onder voorwaarde dat perceel 5 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aantoonbaar landbouwkundig in gebruik waren (blijkend uit de Basisregistratie Gewaspercelen) dan wel aansluit op eerdere beheerperiode voor groenblauwe diensten.

  • G3a onder voorwaarde dat er op de grond geen kwalitatieve verplichting rust voor de instandhouding van het element

  • G3a het pakket kan niet wordt aangevraagd in combinatie met en aanvraag voor functiewijziging voor betreffend grond.

Aan te vragen pakketten

  • G3a: Jaarlijks beheer agrarische grond

  • G3b: Jaarlijks beheer natuurgrond 

 

B1: Wintervoedselrand op bouwland

Afbakening

  • Een wintervoedselrand ligt langs bouwland en wordt jaarlijks ingezaaid met een wintervoedselmengsel dat voor 90% uit granen bestaat.

  • De rand blijft in de winter overstaan.

  • De rand heeft een minimale lengte van 25 meter en een breedte van minimaal 6 en maximaal 12 meter.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Zeekleigebied

  • Komgebied

  • Oeverwal

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • De rand wordt jaarlijks ingezaaid met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

Beheervoorschriften

  • De rand wordt jaarlijks tussen 16 maart en 30 april ingezaaid met in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid. Er wordt ingezaaid met niet ontsmet zaaizaad.

  • Er wordt een rustperiode in acht genomen van 15 mei tot 1 maart van het daarop volgende jaar. In de rustperiode vinden in de beheereenheid geen bewerkingen plaats.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Er wordt geen bagger of slootmaaisel op de beheereenheid opgebracht.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad.

  • De beheereenheid mag om de 2 jaar bemest worden met vaste/ruige rundermest.

Specifieke voorwaarde

  • B1a betreft aanvragen in de volgende landschapstypen: Zeekleigebied, Komgebied, Oeverwal en Uiterwaarden.

  • B1b betreft aanvragen in de volgende landschapstypen: Oude zandontginning, Jonge zand- en/of veenontginning en Langstraatontginning.

Aan te vragen pakketten

  • B1a: Jaarlijks beheer op kleigrond

  • B1b: Jaarlijksbeheer op zandgrond

 

B2: Wilde bijenrand op bouwland

Afbakening

  • Een wilde bijenrand ligt langs bouwland en bestaat voor 100% uit een meerjarig kruidenmengsel.

  • De rand wordt gefaseerd beheerd.

  • De rand heeft een minimale lengte van 25 meter en een breedte van minimaal 6 en maximaal 12 meter.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Zeekleigebied

  • Oeverwal

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • De rand wordt eenmalig ingezaaid met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

Beheervoorschriften

  • Het gewas wordt jaarlijks 1 keer gemaaid en het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd.

  • De eerste maaibeurt is tussen 1 juli en 1 augustus en bij deze maaibeurt wordt 50% van de beheereenheid niet gemaaid en blijft overstaan.

  • De tweede maaibeurt is tussen 15 september en 15 november en dan wordt het deel dat nog niet gemaaid is gemaaid. Het overige deel blijft staan.

  • De rand wordt niet bemest.

  • De rand wordt niet beweid.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

  • Er wordt geen bagger of slootmaaisel op de beheereenheid opgebracht.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

Specifieke voorwaarde

  • B2a betreft aanvragen in de volgende landschapstypen; Zeekleigebied, Komgebied, Oeverwal en Uiterwaarden.

  • B2b betreft aanvragen in de volgende landschapstypen: Oude zandontginning, Jonge zand- en/of veenontginning en Langstraatontginning.

Aan te vragen pakketten

  • B2a: Jaarlijks beheer op kleigrond

  • B2b: Jaarlijks beheer op zandgrond

 

B3: Patrijzenrand op bouwland

Afbakening

  • Een patrijzenrand ligt op bouwland en bestaat voor 50% uit een meerjarig laagblijvend graskruidenmengsel en 50% van de rand wordt jaarlijks ingezaaid met een wintervoedselmengsel.

  • De rand heeft een minimale lengte van 25 meter en een breedte van 12 meter.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Zeekleigebied

  • Komgebied

  • Oeverwal

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Graskruidenstrook eenmalig inzaaien met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • Wintervoedselstrook jaarlijks inzaaien met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

Beheervoorschriften

  • De rand wordt niet beweid.

  • Er wordt geen bagger of slootmaaisel op de beheereenheid opgebracht.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • De rand bestaat uit twee even grote, evenwijdig lopende stroken te weten de:

    • °

      Graskruidenstrook

      • Deze strook wordt jaarlijks minimaal 1 en maximaal 2 keer gemaaid en het maaisel wordt binnen 14 dagen na het maaien afgevoerd. De eerste maaibeurt is na 1 juli. Het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd.

      • Deze strook wordt niet bemest.

      • Deze strook wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

    • °

      Wintervoedselstrook

      • De strook wintervoedsel wordt jaarlijks ingezaaid en niet geoogst.

      • Er wordt een rustperiode in acht genomen van 15 mei tot 1 maart van het daaropvolgende jaar. In de rustperiode vinden in de beheereenheid geen bewerkingen plaats.

      • Deze strook wordt niet gebruikt als pad.

      • Deze strook mag om de 2 jaar bemest worden met vaste/ruige rundermest.

Specifieke voorwaarde

  • B3a betreft aanvragen in de volgende landschapstypen; Zeekleigebied, Komgebied, Oeverwalen Uiterwaarden.

  • B3b betreft aanvragen in de volgende landschapstypen: Oude zandontginning, Jonge zand- en/of veenontginning en Langstraatontginning.

Aan te vragen pakketten

  • B3a: Jaarlijks beheer op kleigrond

  • B3b: Jaarlijks beheer op zandgrond

 

B4: Bloemenblok voor akkervogels op bouwland

Afbakening

  • Een bloemenblok ligt op bouwland en 50% van de oppervlakte wordt jaarlijks geploegd en opnieuw ingezaaid.

  • De beheereenheid grenst niet aan bos en doorgaande wegen.

  • Eenbloemenblok heeft een minimale lengte van 25 meter en is maximaal 0,5 hectare groot en minimaal 18 meter breed.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Zeekleigebied

  • Komgebied

  • Oeverwal

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • De rand wordt ingezaaid met en in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

Beheervoorschriften

  • In april van het eerste jaar wordt de beheereenheid volledig ingezaaid met in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • In de volgende 5 jaar wordt in april beurtelings de helft van de beheereenheid ondergewerkt en opnieuw ingezaaid met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel met zaaidichtheid

  • De beheereenheid wordt niet gemaaid of beweid.

  • De beheereenheid mag gedeeltelijk 1 keer per jaar worden bemest, en wel het gedeelte dat wordt

  • Geploegd/geklepeld en opnieuw wordt ingezaaid. Indien er bemest wordt is alleen rundermest toegestaan. Andere vormen van dierlijke mest en kunstmest zijn niet toegestaan;

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Er wordt geen bagger of slootmaaisel op de beheereenheid opgebracht.

  • De beheereenheid wordt niet gebruikt als pad.

Specifieke voorwaarde

  • B4a betreft aanvragen in de volgende landschapstypen: Zeekleigebied, Komgebied, Oeverwal enUiterwaarden.

  • B4b betreft aanvragen op landschapstypen: Oude zandontginning, Jonge zand- en/of veenontginning en Langstraatontginning

Aan te vragen pakketten

  • B4a: Jaarlijks beheer op kleigrond

  • B4b: Jaarlijks beheer op zandgrond

 

W1: Wandelpad over boerenland

Afbakening

  • Een wandelpad over boerenland is een toegankelijk pad voor wandelaars dat over landbouwgrond loopt.

  • Het wandelpad heeft een breedte van minimaal 1 en maximaal 3 meter.

  • Het wandelpad vormt een onderdeel van een doorgaande wandelstructuur.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Open beemdengebied

  • Zeekleigebied

  • Dijken in zeekleigebied

  • Oeverwal

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Het wandelpad sluit aan op bestaande routestructuren.

  • Het wandelpad wordt aangeduid met bewegwijzering.

  • Het wandelpad wordt ingezaaid met een laagblijvend grasmengsel als het pad wordt aangelegd op bouwland.

Beheervoorschriften

  • Het wandelpad moet 364 dagen per jaar opengesteld zijn van zonsopgang tot zonsondergang.

  • Het wandelpad bestaat uit gras en wordt zodanig beheerd dat een goede begaanbaarheid gewaarborgd is.

  • De begroeiing is maximaal 20 cm hoog.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

Aan te vragen pakketten

  • W1: Jaarlijks beheer

     

Lijst inheemse soorten, indicator soorten en zaadmengsels

Inheemse soorten

Bosplantsoen bomen en struiken:: Een van de volgende soorten: Wilde appel(Malus sylvestris); Ruwe berk (Betula pendula); Zachte berk (Betula pubescens); Aalbes (Ribes rubrum); Zwarte bes (Ribes nigrum); Beuk (Fagus Sylvatica); Bosroos (Rosa arvensis); Eglantier(Rosa rubiginosa); Zomereik (Quercus robur); Wintereik (Quercus petrea); Zwarte els (Alnus glutinosa); Gewone es (Fraxinus excelsior); Gagel (Miryca gale); Gelderse roos (Viburnum opulus); Haagbeuk (Carpinus betulus); Hazelaar (Corylus avellana); Heggeroos (Rosa corymbifera); Hondsroos (Rosa canina); Hulst (Ilex aquifolium); Steelk iep (Ulmus laevis); Kardinaalsmuts (Euonymus europaeus); Tamme kastanje (Castanea sativa); Zoete kers (Prunus avium); Rode kornoelje (Cornus sanguinea); Gele kornoelje (Cornus mas); Kraagroos (Rosa agrestis); Krenteboompje (Amelanchier lamarckii);Wilde liguster (Ligustrum vulgare); Kleinbladige linde (Tilia cordata); Hollandse Linde (Tilia vulgaris);Lijsterbes (Sorbus aucuparia); Eenstijlige Meidoorn (Crataegus monogyna);Tweestijlige Meidoorn (Crataegus laevigata);Mispel (Mespilus germanica);;Wilde Peer (Pyrus pyraster);Sleedoorn (Prunus spinosa);Veldesdoorn (Acer campestre);Gewone Vlier (Sambucus nigra);Bergvlier (Sambucus racemosa);Inheemse Vogelkers (Prunus padus);Vuilboom (Rhamnus frangula);Wegedoorn (Rhamnus catharticus); Amandel Wilg (Salix triandra);Bittere wilg (Salix purpurea);Boswilg (Salix caprea); Grauwe wilg (Salix cinerea);Katwilg (Salix viminalis); Geoorde wilg (Salix aurita);Kraakwilg (Salix fragilis); Kruipwilg (Salix repens); Laurierwilg (Salix pentandra); Schietwilg (Salix alba)

Laanbomen: Een van de volgende bomen: Grauwe abeel (Populus canescens*); Ruwe berk (Betula pendula); Beuk (Fagus sylvatica); Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus*);; Haagbeuk (Carpinus betulus); Iep, diverse klonen (Ulmus*); Tamme Kastanje (Castanea sativa); Zoete Kers (Prunus avium); Kleinbladige Linde (Tilia cordata*); Grootbladige Linde (Tilia platyphyllos); Hollandse Linde (Tilia vulgaris); Noot (Juglans regia); Zwarte Populier (Populus nigra*) ; Populier‘Canadapopulier’ (Populus x canadensis*); Schietwilg (Salix alba); Inheemse Hoogstamfruitbomen

*Bij deze soorten worden de volgende cultivars als inheems aangemerkt: Populus canescens ‘De Moffart en Witte van Haamstede’; Acer pseudeplatanus ‘ Negenia en Rotterdam’Ulmus ‘Dodoens Clusius en Lobel’; Tilia cordata ‘ Erecta en Roelvo’; Tilia vulgaris ‘Pallida’; Populus x canadensis ‘div. cultivars’; Populus nigra ‘div. cultivars m.u.v. Italica’; Salix alba ‘ Liempde, Belders’.

 

Hoogstamfruitbomen: Diverse soorten appels, peren, pruimen en kersen

 

Indicatorsoorten voor de beheerpakketten botanische weiderand, botanische hooilandrand en wilde bijenrand op grasland

Duizendblad; Madeliefje; Pinksterbloem; Knoopkruid; Hoornbloemsoorten (o.a. gewone hoornbloem); Cichorei; Kale jonker; Streepzaadsoorten; Wilde peen; Walstrosoorten; Ooievaarsbeksoorten; Hertshooisoorten; Gewoon biggenkruid; Leeuwentandsoorten (o.a. herfstleeuwetand); Gewone margriet; Rolklaversoorten (o.a. gewone rolklaver en moerasrolklaver); Echte koekoeksbloem; Wederiksoorten; Smalle weegbree; Potentilla soorten; Brunel; Boterbloemsoorten (m.u.v. blaartrekkende boterbloem); Zuringsoorten (m.u.v. Ridderzuring); Grasmuur; Boerenwormkruid; Paardenbloem; Klaversoorten (o.a. witte en rode klaver); Ereprijssoorten; Wikkesoorten (m.u.v voederwikke)

 

Zaadmengsels

Botanische weiderand: Duizendblad, Knoopkruid, Gewone margriet, Gewone rolklaver, Witte klaver.

 

Botanische hooilandrand: Duizendblad, Knoopkruid, Gewone margriet, Gewone rolklaver, Rode klaver.

 

Wintervoedselrand op bouwland: 90% bestaat uit de volgende samenstelling: Zomertarwe (korte soort) (Triticum) 50%; Zomergerst (korte soort) (Hordeum distochon)25%; Triticale (Triticale x triticale) 10%; Boekweit (Fagopyrum esculentum)10%.

 

Patrijzenrand op bouwland:

onderdeel Bloemen: Gewone rolklaver 30%; Witte klaver 5% en Rood zwenkgras en/of veldbeemdgras 65%

onderdeel Wintervoedselstrook: Bestaat voor 90% uit: Zomertarwe (korte soort) (Triticum) 50%; Zomergerst (korte soort) (Hordeum distochon)25%; Triticale (Triticale x triticale) 10%; Boekweit (Fagopyrum esculentum)10%.

 

Bloemenblok voor akkervogels op bouwland:

Boekweit (Fagopyrum esculentum) 20%; Vlas (Linum usitatissimum) 19%; Zonnebloem (Helianthus annuus)8%; Haver (Avena sativa)8%; Bladramanas (Raphanus sativus) 8%; Oude rogge (Secale multicaule) 8%; Bladkool (Brassica oleracea) 7%; Venkel (Foeniculum vulgare) 6%; Grote kaardebol (Dipsacus fullonum) 6%; Chicorei(Cichorium intybus) 5%; Honingklaver (Melilotus officinalis)3%; Luzerne Medicago sativa 2%

 

Bijlage 4, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Subsidieregeling stimuleringskader landschap Noord-Brabant  

De regioprijs is gebaseerd op door het Kadaster berekende kengetallen betreffende de agrarische grondmarkt in Noord-Brabant.

De methode om te komen tot de zogenaamde regioprijs bestaat uit drie stappen, te weten:

  • 1.

    De provincie Noord-Brabant wordt ingedeeld volgens de 10 CBS66 landbouwgebieden Noord-Brabant. Deze geografische indeling van het Centraal Bureau Statistieken is algemeen erkend in Nederland en wordt door het Kadaster gebruikt (zie kaartje hieronder). Deze verdeling houdt in dat Nederland is opgedeeld in 66 landbouwgebieden, 10 daarvan bestrijken het oppervlakte van de provincie Noord-Brabant

  • 2.

    Per landbouwgebied zijn door het Kadaster de bruikbare agrarische transacties uit de 2 voorafgaande gehele kalenderjaren gegroepeerd. De berekende kengetallen beslaan de periode 01-10-2016 t/m 30-09-2018. Verder is door het Kadaster per landbouwgebied voor deze agrarische transacties een statistische spreiding uitgevoerd voor de grondprijs op basis van het totaal verhandelde oppervlak.

  • 3.

    Op basis van de gegevens van het Kadaster wordt geadviseerd om de waarde aan te houden welke gelijk staat aan 75% grens van deze statistische spreiding per landbouwgebied.

     

Voor de berekening van de grondprijscijfers worden de volgende selecties uitgevoerd:

  • koper exploiteert een landbouwbedrijf;

  • grasland (incl snijmais), bouwland;

  • zakelijk recht is volle eigendom;

  • geen opstallen;

  • geen reguliere pachtovereenkomst of erfpacht;

  • geen familierelatie;

  • oppervlak perceel groter dan 0,25 ha;

  • de koopsom is groter dan 1 euro

Na toepassing van deze selecties, worden de verhandelde percelen met extreem hoge en lage prijzen volgens een statistische methodiek uitgesloten.

Bijlage 5, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Subsidieregeling stimuleringskader landschap Noord-Brabant  

bedrag per eenheid exclusief BTW

bedrag per eenheid inclusief BTW

Eenheid

Aanleg beplantingen

Laanboom en hoogstamfruitboom maat 10-12

€ 66,74

€ 76,77

stuks

Eenjarige bewortelde stek en 3 jarige wilgenpoten

€ 11,21

€ 13,14

stuks

Bosplantsoen; conventioneel geteeld en autochtone-herkomst (excl. (dijk)taluds)

€ 1,60

€ 1,85

stuks

Bosplantsoen; conventioneel geteeld en autochtone-herkomst op (dijk)taluds

€ 2,16

€ 2,52

stuks

Aanbrengen rasters ter bescherming van beplanting

Plaatsen veeraster; palen op 4 meter afstand en 2 puntdraden

€ 4,10

€ 4,95

meter

Plaatsen elektrisch veeraster; palen op 10 meter afstand en 2 draden

€ 3,18

€ 3,84

meter

Plaatsen schapenraster; palen op 3 meter en zwaar gelijkmatig ursusgaas van 100 cm hoogte

€ 10,07

€ 12,18

meter

Plaatsen boomkorf; type schaap

€ 20,14

€ 24,37

stuks

Plaatsen boomkorf; type rund

€ 39,69

€ 48,02

stuks

Aanbrengen recreatieve voorzieningen

Klaphekje van inlands eiken of tamme kastanje

€ 500,00

€ 605,00

stuks

Toruniquette

€ 352,50

€ 426,53

stuks

Overstapje dubbel

€ 193,13

€ 233,68

stuks

markeringspaal

€ 27,85

€ 33,70

stuks

Openstellingsbord

€ 99,00

€ 119,79

stuks

Informatiepaneel

€ 706,25

€ 854,56

stuks

Boomstambrug 3meter

€ 1.890,00

€ 2.286,90

stuks

Boomstambrug 5 meter

€ 3.300,00

€ 3.993,00

stuks

boomstambriug 7,5 meter

€ 4.500,00

€ 5.445,00

stuks

boomstambrug 10 meter

€ 5.700,00

€ 6.897,00

stuks

zitbank 2 meter breed

€ 380,00

€ 459,80

stuks

Grondverzet

ontgraven en verwerken grond tbv aanleg poel, natuurvriendelijke oever, infiltratiegreppel, waterbergingsvoorziening

€ 4,55

€ 5,51

m3

ontgraven en verwerken bouwvoor t.b.v. ontwikkeling schraalland

€ 4,55

€ 5,51

m3

Inzaaien botanische hooilandrand en wilde bijenrand op grasland

aanschaf en inzaaien graskruidenmengsel

€ 1.516,67

€ 1.835,17

ha.

 

Bijlage 6, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Subsidieregeling stimuleringskader landschap Noord-Brabant  

Tarieven 2020

Beheerpakket

vergoeding

Eenheid

periodiek

L1a

Houtwal en houtsingel - jaarlijks beheer

€ 1.267,61

ha.

p/jr

L1b

Houtwal en houtsingel - cyclisch beheer

€ 23.945,63

ha.

per keer

L2a

Elzensingel - jaarlijks beheer

€ 0,54

meter

p/jr

L2b

Elzensinge - cyclisch beheer > 75% bedekking

€ 10,53

meter

per keer

L3a

Bossingel en bosje - jaarlijks beheer

1775,02248

ha.

p/jr

L3b

Bossingel en bosje - cyclisch beheer

€ 12.796,94

ha.

per keer

L4a

Hakhoutbosje - jaarlijks beheer

€ 152,22

ha.

p/jr

L4b

Hakhoutbosje- cyclisch beheer langzaamgroeiende soorten

€ 11.446,66

ha.

per keer

L4c

Hakhoutbosje - cyclisch beheer snelgroeiende soorten

€ 14.911,31

ha.

per keer

L5a

Griendje - jaarlijks beheer

€ 228,33

ha.

p/jr

L5b

Griendje - cyclisch beheer

€ 11.262,51

ha.

per keer

L6a

Struweelhaag - jaarlijks beheer

€ 1,08

meter

p/jr

L6b

Struweelhaag - cyclisch beheer (cyclus 5-7 jaar)

€ 3,31

meter

per keer

L6c

Struweelhaag - cyclisch beheer (cyclus > 12 jaar)

€ 7,06

meter

per keer

L7a

Knip- of scheerheg - jaarlijks scheren/knippen

€ 0,96

meter

p/jr

L7b

Knip- of scheerheg - Tweemaal scheren

€ 0,89

meter

p/jr

L8a

Bomenrij en solitaire boom - cyclisch beheer diameter < 20 cm

€ 15,10

stuks

per keer

L8b

Bomenrij en solitaire boom - cyclisch beheer diameter 20-60 cm

€ 30,36

stuks

per keer

L8c

Bomenrij en solitaire boom - cyclisch beheer diameter > 60 cm

€ 65,52

stuks

per keer

L9a

Knotboom - cyclisch beheer diameter < 20 cm

€ 16,50

stuks

per keer

L9b

Knotboom - cyclisch beheer diameter 20-60 cm

€ 51,57

stuks

per keer

L9c

Knotboom - cyclisch beheer diameter > 60 cm

€ 64,57

stuks

per keer

L10a

Hoogstamboomgaard - cyclisch beheer

€ 42,89

stuks

per keer

L11a

Struweelrand - jaarlijks beheer

€ 448,32

ha.

p/jr

L11b

Struweelrand - cyclisch beheer

€ 8.137,00

ha.

per keer

L12a

Poel en klein historisch water - jaarlijks beheer < 175 m2

€ 53,90

stuks

p/jr

L12b

Poel en klein historisch water - cyclisch beheer < 175 m2

€ 337,17

stuks

per keer

L12c

Poel en klein historisch water - jaarlijks beheer > 175 m2

€ 148,33

stuks

p/jr

L12d

Poel en klein historisch water - cyclisch beheer > 175 m2

€ 1.064,45

stuks

per keer

L13a

Natuurvriendelijkeoever - Graskruidenoever

€ 0,86

meter

p/jr

L13b

Natuurvriendelijkeoever - Rietoever

€ 0,63

meter

p/jr

L14a

Infiltratiegreppel - jaarlijks beheer

€ 0,85

meter

p/jr

L15a

Waterbergingsvoorziening- natte laagte

€ 1.196,34

ha.

p/jr

L15b

Waterbergingsvoorziening- Ondiepe plas

€ 731,31

ha.

p/jr

L15c

Waterbergingsvoorziening- Broekbos

€ 1.497,20

ha.

p/jr

W1a

Wandelpad over boerenland - jaarlijks beheer

€ 1,12

meter

p/jr

G1a

Botanische weiderand - jaarlijks beheer

€ 1.206,16

ha.

p/jr

G2a

Botanische hooilandrand - agrarisch beheer

€ 1.532,03

ha.

p/jr

G2b

Botanische hooilandrand - natuurbeheer

€ 947,21

ha.

p/jr

G3a

Wilde bijenrand op grasland - agrarisch beheer

€ 1.761,83

ha.

p/jr

G3b

Wilde bijenrand op grasland - naturbeheer

€ 947,21

ha.

p/jr

B1a

Wintervoedsel - klei

€ 2.530,39

ha.

p/jr

B1b

Wintervoedsel - zand

€ 2.012,46

ha.

p/jr

B2a

Wilde bijenrand op bouwland - klei

€ 2.530,38

ha.

p/jr

B2b

Wilde bijenrand op bouwland - zand

€ 2.012,65

ha.

p/jr

B3a

Patrijzenrand - klei

€ 2.530,38

ha.

p/jr

B3b

Patrijzenrand - zand

€ 2.012,65

ha.

p/jr

B4a

Bloemblok voor akkervogels - klei

€ 2.530,38

ha.

p/jr

B4b

Bloemblok voor akkervogels - zand

€ 2.012,65

ha.

p/jr

 

Bijlage 7, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, onder 3°, van de Subsidieregeling stimuleringskader landschap Noord-Brabant  

[Bijlage 7 betreft het Aanvraagformulier Subsidieregeling Stimuleringsregeling Landschap Noord-Brabant en is daarom als externe bijlage bij deze regeling verwerkt. Het aanvraagformulier is aan de linkerkant te downloaden.]

 

Toelichting behorende bij de Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant  

I. Algemeen

 

Rechtskader

Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in de subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten en ook bevat de Asv algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht.

Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Asv noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.

 

De projecten

Met deze regeling geven Gedeputeerde Staten blijk van waardering en het belang van het landelijke gebied om zijn natuur, om zijn cultuurlandschap en als oase van rust en ruimte voor de burger, waarbij de natuur en het landschap niet alleen als productiefactor voor voedsel worden gezien, maar ook als een maatschappelijke dienst vanwege hun belevingswaarde en toekomstwaarde. Om deze reden willen Gedeputeerde Staten de kwaliteit van natuur en landschap onderhouden en verbeteren en daarbij een bovenwettelijke inspanning van grondeigenaren en –gebruikers stimuleren.

 

De gemeentelijke samenwerking

De provincie wenst met deze regeling niet alleen de aanleg en het onderhoud van landschapselementen te stimuleren, maar ook de gemeenten en waterschappen uit de provincie hierbij te betrekken. Door henzelf middelen te laten inzetten, wil de provincie commitment krijgen van hen. Welk bedrag zij daarvoor beschikbaar willen stellen, wenst de provincie over te laten aan de gemeente zelf, om zo aan te sluiten bij de gemeentelijke autonomie (artikel 124, eerste lid, van de Grondwet en artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet) en het begrotingsrecht van de gemeenteraad (artikel 189, eerste lid, van de Gemeentewet). Of en hoeveel budget de gemeenten beschikbaar stellen en voor welke thema’s zijn zaken waarover zij zelf beslissen, aansluitend bij de lokale omstandigheden en voorkeuren. De provincie wil, door het bedrag te verdubbelen, de gemeenten een ‘incentive’ geven om bij te dragen en zo de betrokkenheid van de gemeenten belonen en samenwerking bevorderen. Daarnaast voert de provincie de regeling uit, zodat de gemeenten en waterschappen administratief ontlast worden. Deze samenwerking is verder uitgewerkt in samenwerkingsovereenkomsten.

 

Staatssteun - Catalogus Groenblauwe Diensten

 

Deze regeling is gebaseerd op de Catalogus Groenblauwe Diensten 2018 (hierna: catalogus). De catalogus bevat een grote hoeveelheid mogelijke maatregelen met maximumvergoedingen. De catalogus is door de Europese Commissie goedgekeurd in het goedkeuringsbesluit referentienummer SA.44848 (2017/N), In het besluit geeft de Europese Commissie aan dat indien steun wordt verleend volgens de catalogus er geen sprake is van staatssteun. Dit goedkeuringsbesluit maakt integraal onderdeel uit van de catalogus. Uit dit besluit volgt dat de catalogus valt onder de Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (PbEU 2014, C 204) (hierna: landbouwsteunkader). De toetsing of een regeling conform de catalogus is opgesteld wordt gedaan door de Adviescommissie Catalogus Groenblauwe Diensten. Door de goedkeuring van deze adviescommissie hoeft een regeling niet afzonderlijk gemeld te worden bij de Europese Commissie. De Adviescommissie Catalogus Groenblauwe Diensten heeft positief geoordeeld over deze regeling. Hierdoor valt deze regeling onder de catalogus en hoeft deze regeling niet afzonderlijk voor goedkeuring te worden aangemeld.

Voor de landbouwsector is Verordening (EU) nr.702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L193/1) (de landbouwvrijstellingsverordening) een verordening die ook vaak wordt gebruikt om subsidie staatssteunproof te maken. De landbouwvrijstellingsverordening bestaat naast het landbouwsteunkader en wordt bij deze regeling in zijn geheel niet gebruikt.

Om de goedkeuring te bemachtigen legt de Europese Commissie de subsidieverstrekker op om een aantal bepalingen in de regeling op te nemen. Dit zijn niet altijd bepalingen die opgelegd worden aan de subsidieontvanger maar dienen ertoe de Europese Commissie zekerheid te verschaffen dat aan het goedkeuringsbesluit wordt voldaan.

Op grond van deze subsidieregeling kan subsidie worden aangevraagd voor projecten zoals omschreven in artikel 4. Gelet op artikel 1, onder g, Asv wordt onder project verstaan een “activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in de tijd en gericht op een specifiek eindresultaat”. Een projectsubsidie is gelet op artikel 1, onder h, Asv een “subsidie in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen, verleend voor een eenmalig project van een subsidieaanvrager, ten behoeve van de geheel of gedeeltelijke dekking van de begroting van dat project”. Verder blijkt uit artikel 9, eerst lid, onder b, Asv dat een aanvraag een eenmalig project betreft. Hieruit volgt ook dat de bedragen genoemd in artikel 11 gelden voor een aanvraag, dus voor een project.

 

II. Artikelsgewijs

 

Artikel 5 weigeringsgronden

De weigeringsgronden in dit artikel komen in aanvulling op de weigeringsgronden uit artikel 4:25 en 4:35 Awb en de weigeringsgronden uit artikel 8 Asv.

 

Onder b

Indien de grond gelegen is in een EVZ dan wordt subsidie niet geweigerd. Ook als de grond de status heeft van NNB-EVZ wordt subsidie niet geweigerd.

 

Onder d en f

Uit de weigeringsgronden in onderdeel d en f blijkt dat niet tweemaal subsidie kan worden verstrekt voor hetzelfde project of voor twee verschillende projecten welke worden uitgevoerd op hetzelfde stuk grond. Indien een aanvrager meerdere stukken grond heeft en voor elk stuk grond een apart project heeft, dan kan aan dezelfde aanvrager meer dan eenmaal subsidie worden verstrekt.

 

Onder j

Deze weigeringsgrond is overeenkomstig randnummer 26 van het landbouwsteunkader waarin steun wordt beoordeeld overeenkomstig de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden.

 

Artikel 6

De landschapskaarten, genoemd in artikel 6, eerste lid, onder a, zijn tot stand gekomen op basis van geomorfologische informatie met een handmatige verwerking en waar nodig op basis van gebiedsinformatie. Hierbij is de provincie geadviseerd door het Coördinatiepunt Landschapsbeheer Brabant. Deze kaart is te vinden in Bijlage 1.

 

De themagebiedenkaarten, genoemd in artikel 6, eerste lid, onder b, zijn tot stand gekomen op basis van de door gemeenten en waterschappen geadviseerde themagebieden. Gemeenten en waterschappen verplichten zich tot het bijdragen aan de regeling voor de door hun geadviseerde gebieden. Dit is vastgelegd in samenwerkingsovereenkomsten met de desbetreffende gemeente en het desbetreffende waterschap. De themagebiedenkaarten zijn te vinden in bijlage 2.

 

De benoemde thema’s in de themagebiedenkaarten corresponderen met de subsidiabele activiteiten als omschreven in artikel 4, en wel als volgt:

Functiewijziging is omschreven in onderdeel a, zijnde; het wijzigen van de functie van de grond van landbouwgrond naar natuur of groen ten behoeve van de elementen in combinatie met een of meer activiteiten, genoemd in onderdeel b tot en met i;

Beleving is omschreven in onderdeel b, zijnde; het verbeteren van de recreatieve ontsluiting van het buitengebied over agrarische gronden;

Landschapsontwikkeling is omschreven in onderdeel c, zijnde; het versterken van de landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit in het agrarisch cultuurlandschap;

Landschapsbeheer is omschreven in onderdeel d, zijnde; het instandhouden en het goede beheer van bestaande elementen;

Cultuurhistorie is omschreven in onderdeel e, zijnde; het instandhouden van groen erfgoed;

Klimaatadaptatie is omschreven in onderdeel f, zijnde; het vasthouden en bergen van water;

Boerenlandvogels en bijen is omschreven onderdeel g, zijnde; het versterken van biodiversiteit ten behoeve van boerenlandvogels en insecten;

Waterkwaliteit en ecologie is omschreven in onderdeel h, zijnde; het verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater;

Waterkeringen is omschreven in onderdeel i, zijnde; het ecologisch beheren van waterkeringen.

 

Bij de vereisten uit artikel 6 wordt zichtbaar welke elementen, zoals omschreven in bijlage 3 van deze regeling, corresponderen met de desbetreffende themagebiedenkaart, opgenomen in bijlage 2 van deze regeling:

Functiewijziging artikel 6 lid 2

Beleving artikel 6 lid 3

Landschapsontwikkeling artikel 6 lid 4

Landschapsbeheer artikel 6 lid 5

Cultuurhistorie artikel 6 lid 6

Klimaatadaptatie artikel 6 lid 7

Boerenlandvogels en bijen artikel 6 lid 8 en 9

Waterkwaliteit en ecologie artikel 6 lid 10

Waterkeringen artikel 6 lid 11

In bijlage 3 zijn alle elementen omschreven. In de omschrijving is ook te vinden in welk type landschap deze elementen passen.

In artikel 6 is te lezen aan welke thema of thema’s een element kan bijdragen. Afhankelijk van het thema is het mogelijk een aanvraag in te dienen voor aanleg en beheer of alleen voor beheer. Beheer kan in sommige gevallen nog verder worden gespecificeerd in bijlage 3. Dit resulteert in aan te vragen pakketten.

Er is een viewer voor aanvragers waarin de landschapskaart en de themakaarten te zien zijn en informatie wordt gegenereerd voor aan te vragen pakketten. In de viewer voor aanvragers zijn stedelijk gebied en Natuurnetwerk Brabant niet zichtbaar. De redenen hiervoor zijn dat er geen elementen zijn welke karakteristiek zijn voor stedelijk gebied en dat projecten gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant op grond van artikel 5, onder b, uitgezonderd zijn van subsidie.

 

Zevende lid, onder b, tiende lid, onder b, en elfde lid, onder b

Dit vereiste is opgenomen bij de projecten die vallen onder Cluster VI, Cluster Blauwe diensten op landbouwgronden van de Catalogus Groen Blauwe Diensten. In het goedkeuringsbesluit hebben de Nederlandse autoriteiten ingestemd met de voorwaarden dat maatregelen in cluster VI bijdragen aan de Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEU 2000, L 327) (Kaderrichtlijn Water) en dat maatregelen moeten voldoen aan de voorschriften uit de maatregelenprogramma’s van de stroomgebiedbeheerplannen die zijn opgesteld door de Nederlandse overheid om de milieudoelstellingen van de Kaderrichtlijn Water te verwezenlijken.

Meer informatie over het beleid en de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water is te vinden op:

https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/kaderrichtlijn-water/ Hier staan ook de stroomgebiedbeheerplannen.

Waterkwaliteitsportaal verzamelt, beheert en ontsluit gegevens voor de Kaderrichtlijn Water (KRW). Ook de waterschappen zijn te raadplegen voor meer informatie over de maatregelen.

 

Twaalfde lid, onder b

Indien er geen beplanting wordt aangelegd, wordt dit op de beplantingslijst aangegeven.

 

Artikel 7 Subsidiabele kosten

Eerste lid

Bij functiewijziging wordt de waardevermindering van de grond gesubsidieerd. Het gaat dan om grond die wordt omgezet naar natuur of grond met natuurfunctie, waarbij de waarde van de grond daalt.

De subsidiabele kosten voor waardevermindering zijn opgenomen in bijlage 4 en zijn gebaseerd op een getaxeerde gemiddelde grondprijs per zone van de landbouwgebieden in de periode oktober 2016 tot oktober 2018.

Indien de waardevermindering minder blijkt te zijn dan 85% van de regioprijs van de grond zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling wordt het percentage lager vastgesteld.

 

Tweede lid

Ook legeskosten en kosten voor bodemkundig of archeologsich onderzoek vallen gedeeltelijk onder de subsidiabele kosten. Alle overige subsidiabele kosten bestaan uit lumpsum bedragen en zijn opgenomen als normbedragen in bijlage 5 en 6 bij deze regeling.

 

Artikel 8 Niet-subsidiabele kosten

BTW

Overeenkomstig artikel 11 Asv, is verrekenbare BTW niet subsidiabel.

 

Artikel 12 Verdelingswijzen

Voor het bepalen van de onderlinge rangschikking dient een aanvraag volledig te zijn. Voor het bepalen van het wel of niet in behandeling nemen van de aanvraag geldt de primaire aanvraagdatum.

 

Artikel 13 Subsidieverlening

Uit artikel 6, tweede lid, onder a, vloeit voort dat de subsidieontvanger de eigenaar is van de grond. De eigenaar is na het vestigen van de kwalitatieve verplichting verplicht om de kwalitatieve verplichtingen op te leggen aan een eventuele beheerder van de grond of de erfpachter.

 

Artikel 14, tweede lid, , onder b,

De nationale overheid, zoals de rijksoverheid of de provincie moeten op grond van artikel 94 van Verordening (EU) 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

(Verordening 1306/2013) na te leven minimumnormen vaststellen op basis van bijlage II van die verordening voor een goede landbouw- en milieuconditie van de grond. De provincie Noord-Brabant heeft de minimumnormen vastgesteld op de verplichtingen opgenomen in onderdeel 1° en 2° ook verplichtingen die zijn opgenomen in bijlage 3 worden opgelegd ten behoeve van een goede landbouw- en milieuconditie van de cultuurgrond.

Artikel 15 Actieve landbouwer

In het geval van agromilieuklimaat-verbintenissen is er sneller sprake van staatssteun. Om deze reden legt de Europese Commissie voor actieve landbouwers een aantal aanvullende bepalingen op die de provincie Noord- Brabant moet uitvoeren.

Onderdeel a

Deze bepaling geeft aan wanneer de provincie Noord-Brabant geen terugbetaling zal vorderen van subsidiegelden voor activiteiten die gedeeltelijk zijn nagekomen. Dit is het geval indien er sprake is van een bedrijfsovername of een herverkaveling en de beschikking over kan worden genomen door de nieuwe eigenaar van de grond

Onderdelen b en c

In deze bepalingen wordtaangegeven hoe invulling wordt gegeven aan de discretionaire bevoegdheid op grond van art 4:46, tweede lid Awb om subsidie al dan niet lager vast te stellen indien verplichtingen niet worden nagekomen.

Op grond van artikel 17 Asv geldt dat als de subsidieontvanger de gesubsidieerde activiteit niet, niet geheel of niet tijdig volgens alle daaraan verbonden verplichtingen verricht, hij dit verplicht dient te melden bij Gedeputeerde Staten.

Onderdeel d

Verordening (EU) 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU 2013, L 347) (Verordening 1305/2013) bepaalt dat agromilieu- en klimaatbetalingen slechts mogen worden verleend voor verbintenissen die verder gaan dan de zogenoemde baseline. Artikel 28, lid 3, van verordening 1305/2013 biedt het kader om te bepalen wat de baseline is:

  • 1.

    de relevante dwingende normen zoals bedoeld in titel VI, hoofdstuk I, van verordening 1306/2013;

  • 2.

    de relevante criteria en minimumactiviteiten zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, onder c), ii) en iii), van verordening 1307/2013; en

  • 3.

    relevante minimumvereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en andere ter zake relevante dwingende voorschriften die bij nationaal recht zijn vastgesteld. Al deze dwingende voorschriften worden in het programma omschreven.

Dit artikel geeft aan dat indien vanuit Europa wijzigingen worden doorgevoerd waardoor de baseline wijzigt, dit gevolgen zal hebben voor afgegeven subsidies. Gedeputeerde Staten worden in die gevallen door Europa verplicht de beschikking aan te passen, zodanig dat de subsidie weer conform de baseline is.

Opgemerkt wordt dat de wettelijk vastgestelde nationale eisen breder zijn dan de randvoorwaarden. Indien nationale wetgeving verder gaat dan de minimumnorm die voortvloeit uit artikel 93 van verordening 1306/2013, dan worden de minimum eisen van de baseline verhoogd zodat deze overeenkomen met nationale norm. Opgemerkt wordt dat een beperkt aantal nationaal vastgelegde wettelijke eisen soms strenger zijn dan de Randvoorwaarden Gemeenschappelijk landbouw beleid (GLB). Dit doet zich met name voor bij de bepalingen ten aanzien van de identificatie en registratie van dieren en bij de dierenwelzijnseisen.

 

De baselinevoorwaarden worden op grond van Nederlandse wet- en regelgeving als volgt ingevuld:

  • -

    de beheereisen zoals opgenomen in bijlage 3 bij artikel 3.1, onderdeel a, bij de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB

  • -

    de eisen ten aanzien van een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) zoals opgenomen in bijlage 4, bij artikel 3.1, onderdeel b, bij de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB;

Deze baselinevoorwaarden zijn ook opgenomen in bijlage 3 bij Beleidsregel verlagen subsidie pop.

 

Artikel 19 Transparantie

Dit artikel gaat over de verplichting van subsidieverleners met betrekking tot verleende subsidies die vallen onder het landbouwsteunkader. De verplichting houdt in dat Gedeputeerde Staten verplicht zijn om een aantal gegevens van de verleende subsidie die staatssteun bevat en door het landbouwsteunkader wordt goedgekeurd te publiceren op een uitgebreide staatssteunwebsite op nationaal of regionaal niveau. Dit om te voorkomen dat staatssteun alsnog onrechtmatig wordt gezien. Het gaat hierbij om:

  • 4.

    de volledige tekst van de steunregeling en de uitvoeringsbepalingen daarvoor of de rechtsgrond voor de individuele steun, of een link daarnaar;

  • 5.

    de identiteit van de steunverlenende autoriteit of autoriteiten;

  • 6.

    de identiteit van de individuele begunstigde, de vorm en het bedrag van de steun voor elke begunstigde, de datum waarop de steun is toegekend, het soort onderneming (kmo of grote onderneming), de regio (op NUTS 2-niveau) waarin de begunstigde is gevestigd, en de voornaamste economische sector waarin de begunstigde actief is (op NACE-groepsniveau).

Het artikel in deze regeling herhaalt die verplichting en verleent, in onderdeel b, een ontheffing voor de publicatie van de gegevens genoemd onder c.

Alleen de steun die meer bedraagt dan de bedragen zoals die hier zijn genoemd, dienen op te worden genomen in een zogenaamd Transparancy Aid Module-register (TAM-register). Deze gegevens worden door de provincie doorgegeven aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

 

 

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

 

de secretaris

drs. M.J.A. van Bijnen MBA