• Geldig sinds 28 december 2018.

    Print deze versie:

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingInstellingsbesluit van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent gemeenschappelijk orgaan rekenkamer Gemeenschappelijke regeling Zuidelijke Rekenkamer Noord-Brabant en Limburg 2018
CiteertitelGemeenschappelijke regeling Zuidelijke Rekenkamer Noord-Brabant en Limburg 2018
Vastgesteld doorprovinciale staten
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Gemeenschappelijke regeling Zuidelijke Rekenkamer Noord-Brabant en Limburg 2013.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet gemeenschappelijke regelingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

28-12-201801-01-2018nieuwe regeling

14-12-2018

stcrt-2018-73998

4451544

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Instellingsbesluit van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent gemeenschappelijk orgaan rekenkamer Gemeenschappelijke regeling Zuidelijke Rekenkamer Noord-Brabant en Limburg 2018

Provinciale Staten van Noord-Brabant,

 

gelezen het voorstel van het Presidium d.d. 12 november 2018,

 

overwegende dat Provinciale Staten de Gemeenschappelijke Regeling voor de Zuidelijke Rekenkamer wensen te actualiseren,

 

overwegende dat het, gezien de omvang van de wijzigingen, de voorkeur heeft de Gemeenschappelijke Regeling Zuidelijk Rekenkamer Noord-Brabant en Limburg 2013 in te trekken en te vervangen door een nieuwe regeling;

 

besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    De rekenkamer: het gemeenschappelijke orgaan, als bedoeld in artikel 2 van deze regeling;

  • b.

    De deelnemende provincies: de provincies Noord-Brabant en Limburg;

  • c.

    Provinciale Staten: Provinciale Staten van de aan de regeling deelnemende provincies;

  • d.

    Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de aan de regeling deelnemende provincies.

Artikel 2 Gemeenschappelijk orgaan Zuidelijke Rekenkamer

  • 1.

    Er is een gemeenschappelijk orgaan: Zuidelijke Rekenkamer Noord-Brabant en Limburg, nader aan te duiden als Zuidelijke Rekenkamer.

  • 2.

    Voor de personele kosten is de kassiersfunctie ten aanzien van de rekenkamer belegd bij de Provincie Noord-Brabant.

Artikel 3 Taak en bevoegdheden rekenkamer

  • 1.

    De rekenkamer is een onafhankelijk orgaan.

  • 2.

    Het gemeenschappelijke orgaan heeft, als vastgelegd in hoofdstuk XIA van de Provinciewet, tot taak het onderzoeken van de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van de door het provinciebestuur gevoerde bestuur, niet zijnde de controle van de jaarrekening die jaarlijks door de accountant wordt verricht.

  • 3.

    Onverminderd de bevoegdheid van de rekenkamer, als vastgelegd in hoofdstuk XIA van de Provinciewet, is de rekenkamer bevoegd ten dienste van haar onderzoek advies van deskundigen in te winnen.

Artikel 4 Publiek- en privaatrechtelijke rechtshandelingen

  • 1.

    Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant dragen er zorg voor dat aan de voorzitter van de rekenkamer de bevoegdheid wordt toegekend te besluiten tot publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen ter uitvoering van de aan de rekenkamer opgedragen taak, voor zover betrekking hebbend op de financiële bedrijfsvoering van de rekenkamer.

  • 2.

    De Commissaris van de Koning in Noord-Brabant draagt er zorg voor, dat aan de voorzitter van de rekenkamer de bevoegdheid wordt toegekend tot vertegenwoordiging bij het verrichten van publieksrechtelijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen ter uitvoering van de aan de rekenkamer opgedragen taak.

  • 3.

    De voorzitter van de rekenkamer kan de directeur/secretaris machtigen de bevoegdheden, als bedoeld in het eerste en tweede lid, uit te oefenen.

Artikel 5 Samenstelling en benoeming bestuursleden rekenkamer

  • 1.

    Overeenkomstig artikel 79c, lid 1 van de Provinciewet benoemen Provinciale Staten de leden van de rekenkamer voor de duur van 6 jaar.

  • 2.

    Het bestuur van de rekenkamer bestaat uit drie leden, daaronder begrepen het door Provinciale Staten, op bindende voordracht van het bestuur van de rekenkamer, tot voorzitter benoemde lid.

  • 3.

    Voor de werving van een nieuw bestuurslid stelt de programmaraad vanuit zijn midden een selectiecommissie in, waar ook de plaatsvervangende leden lid van kunnen zijn.

  • 4.

    De programmaraad stelt de voorzitter van de selectiecommissie aan. Bij gelijke stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

  • 5.

    De selectiecommissie raadpleegt de programmaraad over de profielschets. De zittende bestuursleden en de directeur-secretaris zijn adviseur van de selectiecommissie.

  • 6.

    De bestuursleden van de rekenkamer kiezen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter.

  • 7.

    Provinciale Staten besluiten maximaal eenmaal tot herbenoeming van het desbetreffende bestuurslid.

  • 8.

    Voordat de leden van de rekenkamer de eed of belofte, als bedoeld in artikel 79g van de Provinciewet afleggen, overleggen zij aan Provinciale Staten een door hen ondertekende verklaring vermeldende alle openbare betrekkingen en andere functies die zij vervullen.

  • 9.

    Op de website van de rekenkamer is voor de zittende bestuursleden een actueel overzicht vermeld van openbare betrekkingen en andere functies die zij vervullen.

  • 10.

    Het afleggen van de eed of belofte, als bedoeld in het zevende lid, geschiedt in de vergadering van Provinciale Staten van die deelnemende provincie die als laatste een besluit neemt over de benoeming van de leden van de rekenkamer.

Artikel 6 Tijdelijk ontslag bestuursleden rekenkamer

  • 1.

    Provinciale Staten verlenen aan een bestuurslid op diens verzoek tijdelijk ontslag, indien het bestuurslid wegens ziekte, zwangerschap of overige moverende redenen niet in staat is het lidmaatschap uit te oefenen.

  • 2.

    Provinciale Staten beslissen op een verzoek tot tijdelijk ontslag zo spoedig mogelijk. Een beslissing tot tijdelijk ontslag bevat de dag van ingang van het ontslag.

  • 3.

    Gedurende de periode van tijdelijk ontslag, geniet het bestuurslid geen bezoldiging. Provinciale Staten benoemen een vervanger voor de plek die is opengevallen als gevolg van een tijdelijk ontslag als bedoeld in dit artikel.

  • 4.

    De tijdelijke vervanging eindigt wanneer het tijdelijk ontslagen bestuurslid de plek weer inneemt.

Artikel 7 Rechtspositie leden rekenkamer

  • 1.

    De leden en de voorzitter van de rekenkamer genieten een bezoldiging ter grootte van tien, respectievelijk twintig procent van de bezoldiging van een gedeputeerde, als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de Provinciewet.

  • 2.

    De leden en de voorzitter van de rekenkamer ontvangen voor de overige aan de uitoefening van hun functie verbonden kosten een onkostenvergoeding ter grootte van tien, respectievelijk twintig procent van de onkostenvergoeding die een gedeputeerde van de Provincie Noord-Brabant op grond van artikel 43, tweede lid, van de Provinciewet ontvangt.

  • 3.

    De leden van de rekenkamer ontvangen voor de noodzakelijk gemaakte reis- en verblijfkosten een vergoeding overeenkomstig de Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden van de provincie Noord-Brabant.

  • 4.

    De uitgaven, gedaan overeenkomstig het eerste tot en met derde lid, komen ten laste van de middelen van de rekenkamer.

  • 5.

    In afwijking van het tweede lid, geniet een lid dan wel de voorzitter geen bezoldiging gedurende de periode dat Provinciale Staten het desbetreffende lid of de voorzitter krachtens artikel 79d van de Provinciewet op non-activiteit stellen.

  • 6.

    Indien de non-activiteit anders dan door ontslag is geëindigd, kunnen Provinciale Staten besluiten de niet genoten geldelijke vergoeding alsnog geheel of gedeeltelijk uit te betalen.

Artikel 8 Bureau van de rekenkamer

  • 1.

    Er is een bureau van de rekenkamer.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant benoemen op bindende voordracht van het bestuur van de rekenkamer de ambtenaren die nodig zijn voor een goede uitoefening van de werkzaamheden van de rekenkamer

  • 3.

    Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant benoemen op bindende voordracht van het bestuur van de rekenkamer een van de ambtenaren, bedoeld in het tweede lid, in de functie van directeur-secretaris.

  • 4.

    De kosten die voortvloeien uit de benoemingen, bedoeld in het vorige lid, komen ten laste van de middelen van de rekenkamer.

  • 5.

    De directeur-secretaris van de rekenkamer is belast met de dagelijkse leiding van het bureau van de rekenkamer.

  • 6.

    De directeur-secretaris is verantwoording schuldig aan het bestuur van de rekenkamer.

  • 7.

    De overige ambtenaren, die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer, zijn ter zake van die werkzaamheden uitsluitend verantwoording schuldig aan de directeur-secretaris.

  • 8.

    Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant ontslaan, op bindende voordracht van het bestuur van de rekenkamer, ambtenaren van de rekenkamer uit hun functie.

  • 9.

    De Collectieve Arbeidsvoorwaarden Provincies en overige aanverwante regelingen, zoals die gelden voor de ambtenaren in dienst van de Provincie Noord-Brabant, zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaren, bedoeld in het tweede lid van dit artikel, tenzij in deze regeling nadrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 9 Begroting van de rekenkamer

  • 1.

    Provinciale Staten stellen, na overleg met de rekenkamer, voor een periode van zes jaar een vast bedrag per jaar taakstellend beschikbaar voor een goede uitvoering van de in artikel 3 het tweede lid omschreven taak.

  • 2.

    De rekenkamer stelt jaarlijks, met inachtneming van de beschikbaar gestelde middelen, bedoeld in het eerste lid, voor 15 juli een jaarbegroting voor het komende jaar vast en stuurt deze ter kennisname aan Provinciale Staten.

  • 3.

    Op basis van de ingediende begroting van de rekenkamer worden op 100% voorschotbasis door de deelnemende provincies de middelen van het komende begrotingsjaar beschikbaar gesteld.

  • 4.

    De deelnemende provincies delen in gelijke mate in de te bevoorschotten middelen en stellen jaarlijks voor 31 december hun aandeel in de bevoorschotting beschikbaar aan de rekenkamer.

  • 5.

    Artikel 48, vijfde lid, juncto eerste, derde en vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, die de procedure voor het naar voren brengen van zienswijzen op de ontwerpbegroting van de rekenkamer regelt, is niet van toepassing op wijzigingen van de begroting indien deze wijzigingen kunnen worden gerealiseerd binnen de in het eerste lid bedoelde middelen.

  • 6.

    De rekenkamer mag, ten behoeve van de uitvoering van de in artikel 3 omschreven taak, beschikken over een bedrijfsreserve ter grootte van maximaal 15% van de jaarlijkse bijdrage.

  • 7.

    Indien blijkt dat dat in enig jaar de totale lasten lager zijn dan de voor dat jaar ter beschikking gestelde middelen en de bedrijfsreserve de maximale omvang heeft bereikt, vloeit het overschot in gelijke mate terug naar de deelnemende provincies.

  • 8.

    De deelnemende provincies dragen in gelijke mate de financiële consequenties die voortkomen uit personele aangelegenheden binnen het gemeenschappelijke orgaan zoals onvrijwillig ontslag of langdurig verzuim.

Artikel 10 Verantwoording van de rekenkamer

  • 1.

    Rekening houdende met het gestelde in artikel 8, delen de deelnemende provincies in gelijke mate in de feitelijke kosten van de rekenkamer.

  • 2.

    Jaarlijks declareert de rekenkamer vóór 1 april de werkelijk gemaakte kosten uit het voorgaande begrotingsjaar bij de deelnemende provincies op basis van in het eerste lid van dit artikel bedoelde verdeling.

Artikel 11 Inhoudelijke verslaglegging

  • 1.

    Jaarlijks brengt de rekenkamer ter kennis van Provinciale Staten:

    • a.

      voor 1 april het verslag, bedoeld in artikel 186, derde lid, van de Provinciewet;), en

    • b.

      voor 1 november een werkprogramma voor het komende jaar.

  • 2.

    In het verslag, bedoeld in het eerste lid, onder a, schenkt de rekenkamer naast haar werkzaamheden eveneens aandacht aan de implementatie van de besluiten, die door Provinciale Staten over haar aanbevelingen zijn genomen.

Artikel 12 Programmaraad rekenkamer

  • 1.

    Er is een programmaraad voor de rekenkamer.

  • 2.

    De programmaraad bestaat uit drie Statenleden per deelnemende provincie, te benoemen door en uit Provinciale Staten.

  • 3.

    Per deelnemende provincie benoemen Provinciale Staten tevens een plaatsvervangend lid van de programmaraad.

  • 4.

    De programmaraad heeft de zittingsduur van Provinciale Staten.

  • 5.

    De leden kiezen uit hun midden een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter van de programmaraad.

  • 6.

    De leden van de programmaraad van elk van de deelnemende provincies worden ondersteund door hun respectievelijke griffier of een daartoe door de griffier aangewezen medewerker van de deelnemende provincie.

  • 7.

    De leden nemen zonder last zitting in de programmaraad.

  • 8.

    De programmaraad heeft als taak:

    • a.

      het aan de rekenkamer doen van aanbevelingen over het door de rekenkamer voorgenomen werkprogramma;

    • b.

      het voor de leden van de rekenkamer op verzoek fungeren als klankbord.

    • c.

      het geven van advies aan Provinciale Staten inzake de begroting voor het komende begrotingsjaar en de inhoudelijke en bedrijfsmatige verantwoording over het afgelopen begrotingsjaar van de rekenkamer.

    • d.

      Het richting Provinciale Staten fungeren als ambassadeur voor de onderzoeken van de rekenkamer.

  • 9.

    Voor de vergaderingen van de programmaraad is er een reglement van orde.

Artikel 13 Werkwijze van de rekenkamer

  • 1.

    Provinciale Staten van elk van de deelnemende provincies kunnen via de programmaraad een onderwerp voor onderzoek door de rekenkamer voordragen.

  • 2.

    De rekenkamer bepaalt zelf, gehoord de programmaraad, naar welke onderwerpen zij onderzoek verricht en welke methodiek zij daarbij hanteert.

  • 3.

    Een provincie kan de rekenkamer verzoeken ten behoeve van deze provincie aanvullende onderzoeken te verrichten.

  • 4.

    De kosten van aanvullende activiteiten die de rekenkamer op grond van het derde lid verricht, komen volledig voor rekening van de desbetreffende provincie.

  • 5.

    In het werkprogramma wordt per onderwerp aangegeven:

    • a.

      de motivatie voor het opnemen van het onderwerp;

    • b.

      het beoogd instrument;

    • c.

      de eventueel extra noodzakelijke randvoorwaarden;

    • d.

      een indicatieve planning.

  • 6.

    Ten behoeve van de wijze waarop de rekenkamer haar werkzaamheden uitvoert, stelt de rekenkamer een onderzoeksprotocol vast.

  • 7.

    Dit onderzoeksprotocol wordt ter kennisname gebracht van Provinciale Staten.

Artikel 14 Archiefzorg rekenkamer

Op de zorg voor de archiefbescheiden van de rekenkamer is de Archiefverordening van de Provincie Noord-Brabant 1996, voor zover betrekking hebbend op de zorg voor de archiefbescheiden van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15 Toetreding en uittreding provincies

  • 1.

    Toetreding tot deze gemeenschappelijke regeling staat slechts open voor provincies.

  • 2.

    Toetreding van nieuwe deelnemers behoeft de instemming van Provinciale Staten, die daaraan voorwaarden kunnen verbinden.

  • 3.

    Elke deelnemende provincie kan bij besluit van Provinciale Staten van die provincie besluiten tot uittreden.

  • 4.

    Van een besluit als bedoeld in het voorgaande lid wordt uiterlijk drie maanden vóór het einde van het kalenderjaar kennis gegeven aan de overige deelnemers.

  • 5.

    De uittreding vindt niet eerder plaats dan op 31 december van het jaar volgend op de datum van het in het derde lid bedoelde uittredingsbesluit.

  • 6.

    Provinciale Staten bepalen in onderling overleg de financiële en overige gevolgen van de uittreding.

  • 7.

    Indien het overleg, bedoeld in het zesde lid, niet leidt tot overeenstemming, leggen Provinciale Staten het geschil voor een bindend advies voor aan een onafhankelijke commissie.

  • 8.

    Provinciale Staten wijzen elk een onafhankelijke deskundige aan als lid van de in het vorige lid bedoelde commissie van advies, die tezamen een derde deskundige als voorzitter aanwijzen.

Artikel 16 Wijziging, intrekking en opheffing

  • 1.

    Provinciale Staten kunnen besluiten tot wijziging of intrekking van deze regeling.

  • 2.

    Provinciale Staten kunnen besluiten tot opheffing van het gemeenschappelijke orgaan.

  • 3.

    Ter regeling van de financiële en personele gevolgen van de opheffing voor de provincies, stellen Provinciale Staten een liquidatieplan op.

  • 4.

    Bij het ontbreken van overeenstemming over het liquidatieplan is artikel 15, zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17 Evaluatie

  • 1.

    Provinciale Staten evalueren het functioneren van het gemeenschappelijke orgaan binnen iedere zes jaar na instelling ervan in 2004.

  • 2.

    De programmaraad organiseert halverwege de in het eerste lid genoemde periode een tussenevaluatie over het functioneren van het gemeenschappelijk orgaan.

  • 3.

    De eerstvolgende tussenevaluatie, als bedoeld in het derde lid, wordt afgerond in 2019.

Artikel 18 Intrekking

De Gemeenschappelijke regeling Zuidelijke Rekenkamer Noord-Brabant en Limburg 2013 en aangepast op 3 juli 2014 wordt ingetrokken.

Artikel 19 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad van de Provincie Noord-Brabant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018.

Artikel 20 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Zuidelijke Rekenkamer Noord-Brabant en Limburg 2018.

 

’s-Hertogenbosch, 14 december 2018

Provinciale Staten van Noord Brabant,

de voorzitter,

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de griffier,

drs. J.A. Deneer (plv)