Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende het verstrekken van subsidie ter stimulering van projecten voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving (Subsidieregeling provinciaal milieu- en waterplan Noord-Brabant)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Overwegende dat Provinciale Staten op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 ‘sámen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant’ hebben vastgesteld;

Overwegende dat Provinciale Staten in dat plan de doelen hebben opgenomen voor een gezonde en veilige leefomgeving,

Overwegende dat Gedeputeerde Staten streven naar verbetering van de economie en vitaliteit op de Brabantse zandgronden wat betreft het leef- en vestigingsklimaat, door zorg te dragen voor een robuuste en klimaatbestendige zoetwatervoorziening voor met name landbouw en natuur;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de maatregelen die nodig zijn om de instandhoudingsdoelen voor Natura2000 te realiseren;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§ 1 Klimaatrobuuste zoetwatervoorziening hoge zandgronden waterschappen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     Deltaplan Hoge Zandgronden: regionale uitwerking van het Deltaprogramma Zoetwater;

  • b.

     EHS: Ecologische Hoofdstructuur;

  • c.

     KRW: Kaderrichtlijn Water;

  • d.

     PAS: Programmatische Aanpak Stikstof;

  • e.

     waterschappen: de waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta.

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door waterschappen.

Artikel 1.3 Subsidievorm

  • 1

     Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2

     Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende projectsoorten die bijdragen aan een meer klimaatbestendige zoetwatervoorziening:

  • a.

     kansen en innovaties;

  • b.

     robuuste watersystemen.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien de subsidieaanvrager voor het project reeds provinciale subsidie heeft ontvangen;

Artikel 1.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

     het project is gericht op maatregelen, die:

    • 1°.

       zijn gericht op de zoetwatervoorziening;

    • 2°.

       worden uitgevoerd in het beheergebied van het Deltaplan hoge zandgronden, opgenomen in bijlage 1;

  • b.

     het project draagt bij aan:

    • 1°.

       een maatschappelijk gewenst voorzieningenniveau voor voldoende schoon water;

    • 2°.

       een op langere termijn klimaatbestendig, economisch vitaal en ecologisch leefbaar gebied;

    • . een brede maatschappelijke coalitie om de doelen in onderdeel c, onder een en twee, integraal en duurzaam te realiseren;

  • c.

     het project betreft maatregelen die aanvullend zijn op de maatregelen die de subsidieaanvrager reeds op basis van wettelijke taken of afspraken in het kader van de KRW, EHS of de PAS uitvoert;

  • d.

     het project draagt bij aan een of meer van de volgende andere beleidsdoelen:

    • 1°.

       het streven naar een vitale bodem, door de bodemvruchtbaarheid, de biodiversiteit en het herstelvermogen van de bodem te verbeteren;

    • 2°.

       het bereiken van de doelstellingen in de KRW in 2027;

    • 3°.

       het terugbrengen van de wateroverlast tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau;

    • 4°.

       het versterken van de regionale economie en de vitaliteit van het platteland;

    • 5°.

       het versterken van duurzame ketens en een economisch rendabele landbouw in het kader van agrofood;

    • 6°.

       het sluiten van de ketens in het kader van de circulaire economie.

  • e.

     het project betreft een klimaatrobuuste uitvoering van fysieke maatregelen in watersystemen

  • f.

     de uitvoering bedoeld onder d, heeft betrekking op een of meerdere van de volgende fysieke maatregelen:

    • 1°.

       efficiënter beregenen;

    • 2°.

        conservering door vergroting van grondwatervoeding op perceelsniveau;

    • 3°.

       het robuust inrichten van beekdalen door het aanpassen van de drainagebasis, het aanpassen van het peilbeheer en tijdelijke waterberging op het maaiveld;

    • 4°.

       het vasthouden van water in natuurgebieden;

  • g.

     het project heeft geen betrekking op PAS- of KRW-maatregelen;

  • h.

     aan het project ligt een projectplan ten grondslag, waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1°.

       op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

       een sluitende begroting.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten voor hydrologische maatregelen in beken op het gebied van verhang, stroomsnelheid, voeding, watervoerendheid, overstromingsfrequentie, peilfluctuatie en insnijding;

  • b.

     kosten voor morfologische maatregelen in beken, op het gebied van profielvorm, tracévorm, substraat, sedimentatie en erosie en transporterend vermogen;

  • c.

     kosten voor verhoging van de grond- en oppervlaktewaterstand of ter versterking van de kwel;

  • d.

     kosten voor stremming van de afvoer, met als doel het vasthouden van water en de bevordering van infiltratie;

  • e.

     kosten voor het verhogen van de drainagebasis;

  • f.

     kosten voor het hydrologisch isoleren van watergangen of gebieden;

  • g.

     kosten voor het verminderen van grondwateronttrekkingen;

  • h.

     kosten voor aanleg en inrichting van monitoring;

  • i.

     kosten voor maatregelen ter voorkoming van schade aan bebouwing als gevolg van vernattingsmaatregelen;

  • j.

     kosten voor nadeelcompensatie door het waterschap in verband met:

    • 1°.

       landbouwkundige opbrengstvermindering door natschade als gevolg van vernattingsmaatregelen;

    • 2°.

       schade, bedoeld onder i;

  • k.

     kosten van grondverwerving buiten de ecologische hoofdstructuur voor zover:

    • 1°.

       grondverwerving absoluut noodzakelijk blijkt voor het uitvoeren van de maatregelen, als bedoeld onder a tot en met i;

    • 2°.

       de grond tegen een marktconforme prijs wordt verworven.

  • l.

     kosten voor onderzoek en voorbereiding in de vorm van:

    • 1°.

       onderzoek;

    • 2°.

       planvorming;

    • 3°.

       besteksgereed maken;

  • m.

     kosten voor een gebiedsproces dat bijdraagt aan waterconservering in de landbouw, met aandacht voor:

    • 1°.

       een vitale bodem;

    • 2°.

       het voorzieningenniveau zoetwater;

    • 3°.

       de beweging naar de juiste gebruiksfunctie op de juiste plek;

  • n.

     communicatiekosten ter vergroting van het draagvlak van het project en ter openbaarmaking van projectresultaten.

Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten in verband met het opstellen van een milieueffectrapportage;

  • b.

     kosten van rente, bankdiensten, financieringen, verzekeringspremies, gerechtelijke procedures, boetes en sancties;

  • c.

     kosten van regulier beheer en onderhoud;

  • d.

     kosten om te voldoen aan gangbare minimumkwaliteitseisen of wettelijke verplichtingen;

  • e.

     interne personeels- of bedrijfskosten van de subsidieaanvrager.

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 15 februari 2016 tot en met 1 november 2016.

Artikel 1.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4, voor de periode, genoemd in artikel 1.9, vast op € 1.240.000.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 410.000.

Artikel 1.12 Verdeelcriteria

  • 1

     Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2

     Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3

     Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 1.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     het project is gereed voor 31 december 2021;

  • b.

     voor subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • c.

     voor subsidies van € 125.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 1.14 Prestatieverantwoording

  • 1

     Voor subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een prestatieverslag, waarin ten minste is opgenomen:

    • a.

        een korte beschrijving van de uitgevoerde maatregelen;

    • b.

       het resultaat;

    • c.

       het leereffect.

  • 2

     Voor subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een prestatieverslag, waarin in ieder geval is opgenomen:

    • a.

       een korte beschrijving van de uitgevoerde maatregelen;

    • b.

       het resultaat;

    • c.

       het leereffect.

Artikel 1.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1

     Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 80 procent van het verleende subsidiebedrag.

  • 2

     Gedeputeerde Staten verstrekken het voorschot in vier gelijke delen, verdeeld over vier perioden.

§ 2 Klimaatrobuuste zoetwatervoorziening Deltaplan Hoge Zandgronden overige doelgroepen

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    arm’s length beginsel: beginsel dat partijen in een transactie handelen alsof zij onafhankelijk zijn van elkaar en het daaruit voortvloeiende contract wordt gesloten conform de gebruikelijke conventies in de markt;

  • b.

    BrUG: door Provinciale Staten op 21 september 2012 vastgestelde integrale natuur en landschapsvisie “Brabant: uitnodigend groen”;

  • c.

    Deltaplan Hoge Zandgronden: regionale uitwerking van het Deltaprogramma Zoetwater;

  • d.

    kosten derden: kosten als bedoeld in artikel 3 van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant;

  • e.

    KRW: Kaderrichtlijn water;

  • f.

    MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 1, onder 28, van Verordening 1303/2013 en bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG);

  • g.

    Natuurnetwerk Brabant: netwerk van belangrijke natuurgebieden in de provincie Noord-Brabant;

  • h.

    Natuurorganisatie: non-profitorganisatie met een statutair doel gericht op natuur- of milieu;

  • i.

    PAS: landelijke beleidsregel Programmatische Aanpak Stikstof, die tot doel heeft om de doelen van het Europees natuurbeleid te realiseren, terwijl vergunningplichtige activiteiten toch door kunnen gaan;

  • j.

    Projectgroep DHZ: projectgroep Deltaplan Hoge Zandgronden, bestaande uit de ambtelijke vertegenwoordigers van bij het Deltaplan Hoge Zandgronden betrokken partijen;

  • k.

    Verordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014 (algemene groepsvrijstellingsverordening).

     

     

Artikel 2.2 Doelgroep

  • 1

    Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

    • a.

      rechtspersonen, met uitzondering van waterschappen;

    • b.

      een samenwerkingsverband van rechtspersonen;

    • c.

      een samenwerkingsverband van rechtspersonen en natuurlijke personen.

  • 2

    Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid, en;

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 2.3 Subsidievorm

  • 1

    Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2

    Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het verbeteren van de klimaatbestendigheid van de zoetwatervoorziening in de vorm van:

  • a.

    uitvoeringsprojecten;

  • b.

    onderzoek- en ontwikkelingsprojecten

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    de subsidieaanvrager voor het project reeds provinciale subsidie heeft ontvangen;

  • b.

    het project reeds is gestart voor aanvraag van de subsidie;

  • c.

    ten aanzien van aanvrager een bevel tot terugvordering als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, uitstaat;

  • d.

    de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project wordt uitgevoerd in het beheergebied van het Deltaplan hoge zandgronden, opgenomen in bijlage 1

  • b.

    het project is gericht op het verbeteren van de klimaatbestendigheid van de zoetwatervoorziening, door ten minste een van de volgende maatregeltypen:

    • 1°.

      vermindering van de watervraag;

    • 2°.

      waterconservering door verbetering van de sponswerking van het watersysteem;

    • 3°.

      optimaliseren van wateraanvoer;

    • 4°.

      adapteren aan de effecten van droogte;

  • c.

    het project betreft maatregelen, die verder gaan dan de maatregelen die de subsidieaanvrager reeds op basis van wettelijke taken of afspraken in het kader van de KRW, het Natuurnetwerk Brabant of de PAS verplicht is uit te voeren;

  • d.

    het project draagt bij aan een of meer van de volgende andere beleidsdoelen:

    • 1°.

      het streven naar een vitale bodem, door de bodemvruchtbaarheid, de biodiversiteit en het herstelvermogen van de bodem te verbeteren;

    • 2°.

      het verbeteren van de waterkwaliteit als bedoeld in de KRW;

    • 3°.

      het realiseren van de natuuropgaven als bedoeld in het BrUG;

    • 4°.

      het terugbrengen van wateroverlast;

    • 5°.

      klimaatadaptatie in stedelijk gebied;

    • 6°.

      het verduurzamen van de voedselketen en een economisch rendabele landbouw in het kader van agrofood;

    • 7°.

      het sluiten van grondstofkringlopen of waterkringlopen in het kader van de circulaire economie;

  • e.

    voor het project bestaat een aantoonbaar draagvlak bij belanghebbenden, blijkend uit een stakeholderanalyse, waaruit in ieder geval blijkt:

    • 1°.

      wie de belanghebbenden zijn;

    • 2°.

      of deze belanghebbenden voor of tegen het project zijn;

    • 3°.

      hoe eventuele weerstand wordt weggenomen;

  • f.

    het project is gericht op actieve kennisverspreiding en heeft een aantoonbaar leer- of uitstralingseffect;

  • g.

    het project is duurzaam;

  • h.

    het project is kosteneffectief;

  • i.

    het project omvat een zo groot mogelijk effect in termen van:

    • 1°.

      de omvang van het project in hectares;

    • 2°.

      het aantal m3 waterbesparing;

    • 3°.

      het aantal m3 waterconservering, of;

    • 4°.

      het aantal projectdeelnemers;

  • j.

    het project is aantoonbaar innovatief of is aantoonbaar gericht op het opschalen van een innovatie naar standaardpraktijk;

  • k.

    de projectgroep DHZ heeft over het project een advies uitgebracht;

  • l.

    aan het project ligt een projectplan ten grondslag, waarin in ieder geval is opgenomen:

    • 1°.

      op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

      een sluitende begroting.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

  • 1

    Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, onder a, komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      alle investeringskosten die rechtstreeks verband houden met het verbeteren van de klimaatbestendigheid van de zoetwatervoorziening;

    • b.

      investeringskosten als bedoeld onder a, in de vorm van personeelskosten voor coördinerende taken van de aanvrager en alle deelnemers van het samenwerkingsverband, met uitzondering van publiekrechtelijke rechtspersonen;

    • c.

      investeringskosten als bedoeld onder a, in de vorm van kosten derden, voor consultancy en gelijkwaardige diensten, die uitsluitend voor het project worden gebruikt, tot een maximum van € 150 per uur;

    • d.

      investeringskosten als bedoeld onder a, in de vorm van kosten voor de inzet van vrijwilligers tot een maximum van € 4,50 per uur;

    • e.

      investeringskosten als bedoeld onder a, in de vorm van communicatiekosten.

  • 2

    Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, onder b, komen kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor subsidie in aanmerking in de vorm van:

    • a.

      personeelskosten voor coördinerende taken van de aanvrager en alle deelnemers van het samenwerkingsverband, met uitzondering van publiekrechtelijke rechtspersonen.

    • b.

      kosten van apparatuur en uitrusting, voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project en overeenstemmend met de looptijd van het project;

    • c.

      afschrijvingskosten van gebouwen voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project en overeenstemmend met de looptijd van het project;

    • d.

      de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten voor gronden;

    • e.

      kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen;

    • f.

      kosten derden, voor consultancy en gelijkwaardige diensten, die uitsluitend voor het project worden gebruikt, tot een maximum van € 150 per uur;

    • g.

      bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor communicatie, materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien;

    • h.

      bijkomende algemene kosten in de vorm van kosten voor de inzet van vrijwilligers tot een maximum van € 4,50 per uur;

  • 3

    Voor de berekening van interne uurtarieven als bedoeld in het eerste lid, onder b, en het tweede lid, onder a, past de subsidieaanvrager de berekeningssystematiek, genoemd in artikel 13, van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant, toe en hanteert daarbij het in artikel 13, eerste lid, van die regeling genoemde tarief van € 50.

Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 2.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    personeelskosten van publiekrechtelijke rechtspersonen;

  • b.

    personeelskosten, met uitzondering van coördinatiekosten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onder b, en tweede lid, onder a;

  • c.

    kosten in verband met het opstellen van een milieueffectrapportage;

  • d.

    kosten van rente, bankdiensten, financieringen, verzekeringspremies, gerechtelijke procedures, boetes en sancties;

  • e.

    kosten van regulier beheer en onderhoud;

  • f.

    kosten om te voldoen aan gangbare minimumkwaliteitseisen of wettelijke verplichtingen.

Artikel 2.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 14 oktober 2016 tot en met 15 januari 2017.

Artikel 2.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, voor de tenderperiode, genoemd in artikel 2.9, vast op € 2.000.000.

Artikel 2.11 Subsidiehoogte

  • 1

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 500.000.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid, bedraagt de hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, 50 procent van de subsidiabele kosten, indien de subsidieaanvrager een MKB-onderneming is.

  • 3

    In afwijking van het eerste lid, bedraagt de hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, 50 procent van de subsidiabele kosten, indien de subsidieaanvrager een publiekrechtelijke rechtspersoon of een natuurorganisatie is en er geen sprake is van economische activiteiten.

Artikel 2.12 Verdeelcriteria

  • 1

    Indien de binnen de tenderperioden ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.10, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin het project bijdraagt aan een of meer van de andere beleidsdoelen, bedoeld in artikel 2.6, onder d, te waarderen met maximaal vijf punten;

    • b.

      de kwaliteit van de stakeholderanalyse, bedoeld in artikel 2.6, onder e, te waarderen met maximaal vijf punten;

    • c.

      de mate waarin het project is gericht op actieve kennisverspreiding en een aantoonbaar leer- of uitstralingseffect heeft, te waarderen met maximaal vijf punten;

    • d.

      de mate waarin het project duurzaam is, te waarderen met maximaal vijf punten;

    • e.

      de mate waarin het project kosteneffectief is, te waarderen met maximaal vijf punten;

    • f.

      de mate waarin het project effect heeft in termen van de omvang van het project in hectares, het aantal m3 waterbesparing, het aantal m3 waterconservering of het aantal projectdeelnemers, te waarderen met maximaal vijf punten;

    • g.

      de mate waarin het project aantoonbaar innovatief is, of een innovatie aantoonbaar opschaalt naar standaardpraktijk, te waarderen met maximaal vijf punten.

  • 2

    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door de hoogste score op het criterium, genoemd in het eerste lid, onder f.

  • 3

    Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 2.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    voor subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • b.

    In afwijking van artikel 21, vijfde lid, onder a, van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, houdt de subsidieontvanger voor subsidies van € 25.000 tot € 125.000 een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

  • c.

    voor subsidies van € 125.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

  • d.

    De subsidieaanvrager werkt mee aan actieve kennisverspreiding over het project;

  • e.

    het project is gereed voor 31 december 2021.

     

     

Artikel 2.14 Prestatieverantwoording

  • 1

    Voor subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een activiteitenverslag, waarin ten minste is opgenomen:

    • a.

      een korte beschrijving van de uitgevoerde maatregelen;

    • b.

      het resultaat;

    • c.

      kengetallen met betrekking tot het effect;

    • d.

      de kennisdeling en het leereffect.

  • 2

    Voor subsidies van € 25.000 tot € 125.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

    • a.

      een activiteitenverslag, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

        een korte beschrijving van de uitgevoerde maatregelen;

      • 2°.

        het resultaat;

      • 3°.

        kengetallen met betrekking tot het effect;

      • 4°.

        de kennisdeling en het leereffect.

    • b.

      indien van toepassing foto- of videomateriaal van de situatie voor en na het project;

  • 3

    Onverminderd het tweede lid, overlegt de subsidieontvanger voor subsidies van € 25.000 tot € 125.000 een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten als bedoeld in artikel 21, zesde lid, van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, met gebruikmaking van de daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde modelverklaring.

  • 4

    Voor subsidies van € 125.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

    • a.

      een activiteitenverslag, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

        een korte beschrijving van de uitgevoerde maatregelen;

      • 2°.

        het resultaat;

      • 3°.

        kengetallen met betrekking tot het effect;

      • 4°.

        de kennisdeling en het leereffect.

    • b.

      indien van toepassing foto- of videomateriaal van de situatie voor en na het project;

    • c.

      een financieel verslag, als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, onderdeel a, onder 1, van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

    • d.

      een controleverklaring, als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, onderdeel a, onder 2, van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant.

Artikel 2.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1

    Voor subsidies tot € 25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 100 procent van het verleende subsidiebedrag.

  • 2

    Voor subsidies vanaf € 25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 80 procent van het verleende subsidiebedrag.

  • 3

    Gedeputeerde Staten betalen het voorschot, bedoeld in het eerste lid, in een keer.

  • 4

    Gedeputeerde Staten betalen het voorschot, bedoeld in het tweede lid, in vier gelijke delen, verdeeld over vier perioden.

§ 3 Hydrologisch herstel natura 2000 gebieden

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     ambitiekaart: kaart als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016;

  • b.

     beheerplan: plan als bedoeld in artikel 19a van de Natuurbeschermingswet 1998;

  • c.

     GGOR: gewenst en gewogen grond- en oppervlaktewaterregime;

  • d.

     Kaders voor het GGOR: door Provinciale Staten op 30 september 2005 vastgesteld nota inzake het optimale grond- en oppervlaktewaterregime van gebruiksfuncties in de provincie Noord-Brabant;

  • e.

     Milieu- en Waterplan: door Provinciale Staten op 18 december 2015 vastgestelde provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant.

  • f.

     Natura 2000 gebied: gebied als bedoeld in artikel 1, sub n, van de Natuurbeschermingswet 1998;

  • g.

     natuurnetwerk Brabant: samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel het veiligstellen van ecosystemen met de daarbij horende soorten;

  • h.

     OGOR: optimaal grond- en oppervlaktewaterregime;

  • i.

     vispassage: constructie in een waterloop ter behoud, herstel en ontwikkeling van migratie van aquatische en semi-aquatische organismen.

Artikel 3.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door waterschappen.

Artikel 3.3 Subsidievorm

  • 1

     Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2

     Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 3.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

     verdrogingsbestrijding;

  • b.

     beek- en kreekherstel;

  • c.

     de aanleg van een vispassage.

Artikel 3.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien voor een van de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 3.4, reeds subsidie is verstrekt op grond van een andere provinciale regeling.

Artikel 3.6 Subsidievereisten

  • 1

     Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       het project is gericht op het realiseren van de ecologische doelstellingen die opgenomen zijn in:

      • 1°.

         een aanwijzingsbesluit Natura2000-gebied, vastgesteld door de minister van Economische Zaken;

      • 2°.

         een ontwerp beheerplan Natura2000-gebied;

      • 3°.

         een beheerplan Natura2000-gebied, of;

      • 4°.

         de PAS;

    • c.

       het project dient opgenomen te zijn in de lijst met afrondingsprojecten Tweede Bestuursovereenkomst, opgenomen in bijlage 2.

    • d.

       aan het project ligt ten grondslag een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

        de prestaties per project;

      • 2°.

        een omschrijving van de maatregelen;

      • 3°.

        de subsidiabele kosten;

      • 4°.

        het gevraagde subsidiebedrag per prestatie.

  • 2

     Onverminderd het eerste lid, is het project, om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4, onder a, in aanmerking te komen, gericht op het bereiken van het OGOR voor de natuurdoelen uit de ambitiekaart, waarbij de ondergrens gevormd wordt door de provinciale beleidsuitgangspunten uit de Kaders voor het GGOR.

  • 3

     Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van beken en kreken;

    • b.

       het project is gericht op beken en kreken waaraan de functie waternatuur of de functie verweven is toegekend in het Milieu- en Waterplan;

    • c.

       het project voldoet aan de parameters voor de na te streven waterkwaliteit en de ecologische potenties van het watersysteem behorende bij de functie zoals omschreven in het Milieu- en Waterplan;

    • d.

       het maai- en peilbeheer wordt aangepast aan de ecologische potenties van het watersysteem;

    • e.

       het project is gericht op het bereiken van het OGOR voor de natuurdoelen uit de ambitiekaart, waarbij de ondergrens gevormd wordt door de provinciale beleidsuitgangspunten uit de Kaders voor het GGOR.

  • 4

     Onverminderd het eerste lid, wordt het project, om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4, onder c, in aanmerking te komen, uitgevoerd in beken en kreken waaraan de functie waternatuur of de functie verweven is toegekend in het Milieu- en Waterplan.

Artikel 3.7 Subsidiabele kosten

  • 1

     Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4 de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

       kosten voor onderzoek en voorbereiding, inclusief planvorming en bestek gereed maken tot maximaal een jaar voor aanvraag van de subsidie;

    • b.

       kosten voor communicatie ter vergroting van het draagvlak voor het project en ter verbreding van de resultaten van het project;

    • c.

       kosten van grondverwerving van de grond buiten het natuurnetwerk Brabant voor zover:

      • 1°.

         grondverwerving van de grond noodzakelijk blijkt voor het uitvoeren van het project;

      • 2°.

         de grond tegen een marktconforme prijs wordt verworven.

    • d.

       kosten ter compensatie van afwaardering van de grond buiten het natuurnetwerk Brabant voor zover de gronden noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het project.

  • 2

     Onverminderd het eerste lid, komen, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4, onder a, de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

       kosten ter verhoging van de grond- en oppervlaktewaterstand of ter versterking van de kwel;

    • b.

       kosten ter stremming van de afvoer, met als doel het vasthouden van water en de bevordering van infiltratie;

    • c.

       kosten ter verhoging van de drainagebasis;

    • d.

       kosten ten behoeve van de externe aanvoer voor suppletie en infiltratie van water;

    • e.

       kosten ten behoeve van het hydrologisch isoleren van watergangen of gebieden;

    • f.

       kosten ter vermindering van grondwateronttrekkingen;

    • g.

       kosten voor ondersteunende maatregelen binnen het natuurnetwerk Brabant ten behoeve van hydro-ecologisch herstel;

    • h.

       kosten voor aanleg en inrichting van monitoring conform het Handboek Projectmonitoring verdrogingsbestrijding Provincie Noord-Brabant;

    • i.

       kosten ter voorkoming van schade aan bebouwing als gevolg van vernattingsmaatregelen;

    • j.

       kosten voor nadeelcompensatie door het waterschap in verband met:

      • 1°.

         landbouwkundige opbrengstvermindering door natschade als gevolg van vernattingsmaatregelen;

      • . schade, bedoeld onder i;

  • 3

     Onverminderd het eerste lid, komen, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4, onder b, de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

       kosten voor maatregelen ter behoud, herstel en ontwikkeling van de hydrologie zoals verhang, stroomsnelheid, voeding, watervoerendheid, overstromingsfrequentie, peilfluctuatie en insnijding;

    • b.

       kosten voor maatregelen ten behoud, herstel en ontwikkeling van de morfologie zoals profielvorm, tracévorm, substraat, sedimentatie en erosie, transporterend vermogen en karakteristieke beplanting;

    • c.

       kosten voor aanleg en inrichting van monitoring;

    • d.

       kosten voor maatregelen ter voorkoming van schade aan bebouwing als gevolg van vernattingsmaatregelen;

    • e.

       kosten voor nadeelcompensatie door het waterschap in verband met:

      • 1°.

         landbouwkundige opbrengstvermindering door natschade als gevolg van vernattingsmaatregelen;

      • 2°.

         schade, bedoeld onder d;

  • 4

     Onverminderd het eerste lid, komen voor subsidie in aanmerking, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie als bedoeld in artikel 3.4, onder c, kosten van uitvoering voor de aanleg van een vispassage.

Artikel 3.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 3.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten voor het opstellen van een milieueffectrapport voor plannen die kunnen leiden tot concrete projecten of activiteiten met mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu;

  • b.

     grondverwerving binnen het natuurnetwerk Brabant;

  • c.

     kosten van beheer en onderhoud;

  • d.

     wettelijke taken en reguliere werkzaamheden van de subsidieaanvrager.

Artikel 3.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 9 november 2016 tot en met 18 november 2016.

Artikel 3.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 3.4, voor de periode, genoemd in artikel 3.9, vast op €7.607.663.

Artikel 3.11 Subsidiehoogte

  • 1

     De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.4, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2

     Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder dan €125.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 3.12 Verdeelcriteria

  • 1

     Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2

     Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3

     Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 3.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     het project is uiterlijk 31 december 2021 afgerond;

  • b.

     de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • c.

     de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 3.14 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

  • a.

     activiteitenverslag, gespecificeerd in relatie tot de gerealiseerde doelen;

  • b.

     communicatieverslag.

Artikel 3.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1

     Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2

     Gedeputeerde Staten verstrekken het voorschot in vier gelijke delen, verdeeld over vier perioden.

 § 4 Afronding projecten Tweede Bestuursovereenkomst Water

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    ambitiekaart: kaart als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016;

  • b.

    beheerplan: plan als bedoeld in artikel 19a van de Natuurbeschermingswet 1998;

  • c.

    ecologische verbindingszone: zone die als ecologische verbindingszone is aangewezen in de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant;

  • d.

    EVZ: ecologische verbindingszone;

  • e.

    GGOR: gewenst en gewogen grond- en oppervlaktewaterregime;

  • f.

    Kaders voor het GGOR: door Provinciale Staten op 30 september 2005 vastgesteld nota inzake het optimale grond- en oppervlaktewaterregime van gebruiksfuncties in de provincie Noord-Brabant;

  • g.

    Leefgebiedsplan Beekdalen Noord-Brabant: plan, zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 22 oktober 2013;

  • h.

    Natura 2000 gebied: gebied als bedoeld in artikel 1, sub n, van de Natuurbeschermingswet 1998;

  • i.

    Natte natuurparels: waardevol waterafhankelijk natuurgebied in Noord-Brabant met bijzondere ecologische waarden, waarvan sommige delen verdroogd zijn zoals opgenomen op plankaart I van het Provinciaal Milieu- en Waterplan;

  • j.

    natuurnetwerk Brabant: samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang, uitgezonderd EVZ’s, met als doel het veiligstellen van ecosystemen met de daarbij horende soorten;

  • k.

    Provinciaal Milieu- en Waterplan: door Provinciale Staten op 18 december 2015 vastgestelde Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021;

  • l.

    OGOR: optimaal grond- en oppervlaktewaterregime;

  • m.

    vispassage: constructie in een waterloop ter behoud, herstel en ontwikkeling van migratie van aquatische en semi-aquatische organismen.

Artikel 4.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door waterschappen.

Artikel 4.3 Subsidievorm

  • 1

    Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2

    Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 4.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    verdrogingsbestrijding;

  • b.

    beek- en kreekherstel;

  • c.

    het opheffen van een vismigratieknelpunt;

  • d.

    waterberging in het landelijk gebied;

  • e.

    de inrichting van EVZ’s van 10 meter;

  • f.

    de inrichting van EVZ’s van 25 meter.

Artikel 4.5 Subsidievereisten

  • 1

    Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      het project maakt onderdeel uit van de lijst van af te ronden projecten van de Tweede bestuursovereenkomst Water, zoals opgenomen in Bijlage 2;

    • c.

      de activiteiten zijn afgestemd op de prioriteiten en doelstellingen voor Natura 2000;

    • d.

      aan het project ligt ten grondslag een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

        de prestaties per project;

      • 2°.

        de subsidiabele kosten;

      • 3°.

        het gevraagde subsidiebedrag per prestatie.

  • 2

    Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de activiteiten zijn gericht op het afstemmen van de waterhuishouding op de ecologische doelstellingen van het gebied, overeenkomstig de doelstellingen opgenomen in de ambitiekaart;

    • b.

      het project is gericht op het bereiken van het OGOR voor de natuurdoelen uit de ambitiekaart, waarbij de ondergrens gevormd wordt door de provinciale beleidsuitgangspunten uit de Kaders voor het GGOR;

    • c.

      de activiteiten worden uitgevoerd ten behoeve van een natte natuurparel.

  • 3

    Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van beken en kreken waaraan de functie waternatuur of de functie verweven is toegekend in het Provinciaal Milieu- en Waterplan;

    • b.

      het project voldoet aan de parameters voor de na te streven waterkwaliteit en de ecologische potenties van het watersysteem behorende bij de functie zoals omschreven in het Provinciaal Milieu- en Waterplan;

    • c.

      het maai- en peilbeheer wordt aangepast aan de ecologische potenties van het watersysteem;

    • d.

      het project is gericht op het bereiken van het OGOR voor de natuurdoelen uit de ambitiekaart, waarbij de ondergrens gevormd wordt door de provinciale beleidsuitgangspunten uit de Kaders voor het GGOR.

  • 4

    Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder c, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in beken en kreken waaraan de functie waternatuur of de functie verweven is toegekend in het Provinciaal Milieu- en Waterplan;

    • b.

      het project is gericht op het realiseren van de vismigratiefunctie waarbij er daarnaast een optimale landschappelijke en ecologische inpassing nagestreefd wordt;

  • 5

    Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder d, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project geeft invulling aan de werknormen voor wateroverlast;

    • b.

      projecten binnen het natuurnetwerk Brabant worden zodanig uitgevoerd dat ze bijdragen aan de doelstellingen, zoals genoemd in het Leefgebiedplan Beekdalen Noord-Brabant, de beheerplannen en de ambitiekaart;

    • c.

      voor projecten buiten het Natuurnetwerk Brabant wordt gestreefd naar een landschappelijk passende inrichting.

  • 6

    Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder e, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project heeft betrekking op een EVZ;

    • b.

      het project wordt uitgevoerd buiten het natuurnetwerk Brabant;

    • c.

      er is sprake van een ecologische visie die voldoet aan de handreiking ecologische visie zoals opgenomen in bijlage 3;

    • d.

      de gemiddelde breedte van de EVZ is niet meer dan 10 meter.

  • 7

    Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder f, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project heeft betrekking op een EVZ;

    • b.

      het project wordt uitgevoerd buiten het natuurnetwerk Brabant;

    • c.

      er is sprake van een ecologische visie die voldoet aan de handreiking ecologische visie zoals opgenomen in bijlage 3;

    • d.

      de gemiddelde breedte van de EVZ is niet meer dan 25 meter.

Artikel 4.6 Subsidiabele kosten

  • 1

    Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

      kosten gemaakt na1 januari 2007 voor:

      • 1°.

        onderzoek;

      • 2°.

        voorbereiding;

      • 3°.

        uitvoering;

    • b.

      kosten voor communicatie ter vergroting van het draagvlak voor het project en ter verbreding van de resultaten van het project;

    • c.

      kosten ten behoeve van de verwerving van grond voor zover:

      • 1°.

        grondverwerving van de grond noodzakelijk blijkt voor het uitvoeren van het project;

      • 2°.

        de grond tegen een marktconforme prijs wordt verworven.

    • d.

      kosten ter compensatie van afwaardering van de grond buiten het natuurnetwerk Brabant voor zover de gronden noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het project;

    • e.

      kosten voor inhuur van externe, tijdelijke, capaciteit ten behoeve van het begeleiden van de uitvoering van projecten in het kader van de afronding van het tweede bestuursakkoord die vallen onder de speciale bestuurlijke afspraken tussen provincie en waterschappen.

  • 2

    Onverminderd het eerste lid, komen, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder a, de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

      kosten ter verhoging van de grond- en oppervlaktewaterstand of ter versterking van de kwel;

    • b.

      kosten ter stremming van de afvoer, met als doel het vasthouden van water en de bevordering van infiltratie;

    • c.

      kosten ter verhoging van de drainagebasis;

    • d.

      kosten ten behoeve van de externe aanvoer voor suppletie en infiltratie van water;

    • e.

      kosten ten behoeve van het hydrologisch isoleren van watergangen of gebieden;

    • f.

      kosten ter vermindering van grondwateronttrekkingen;

    • g.

      kosten voor ondersteunende maatregelen binnen het natuurnetwerk Brabant ten behoeve van hydro-ecologisch herstel;

    • h.

      kosten voor ontwerp, aanleg en inrichting van monitoring conform het Handboek Projectmonitoring verdrogingsbestrijding Provincie Noord-Brabant;

    • i.

      kosten ter voorkoming van schade aan bebouwing als gevolg van vernattingsmaatregelen;

    • j.

      kosten voor nadeelcompensatie door het waterschap in verband met:

      • 1°.

        landbouwkundige opbrengstvermindering door natschade als gevolg van vernattingsmaatregelen;

      • 2°.

        schade, bedoeld onder i;

  • 3

    Onverminderd het eerste lid, komen, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder b, de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

      kosten voor maatregelen ter behoud, herstel en ontwikkeling van de hydrologie zoals verhang, stroomsnelheid, voeding, watervoerendheid, overstromingsfrequentie, peilfluctuatie en insnijding;

    • b.

      kosten voor maatregelen ten behoud, herstel en ontwikkeling van de morfologie zoals profielvorm, tracévorm, substraat, sedimentatie en erosie, transporterend vermogen en karakteristieke beplanting;

    • c.

      kosten voor het opheffen van vismigratieknelpunten, voorzover het een integraal onderdeel uitmaakt van beek- en kreekherstel;

    • d.

      kosten voor aanleg en inrichting van monitoring;

    • e.

      kosten voor maatregelen ter voorkoming van schade aan bebouwing als gevolg van vernattingsmaatregelen;

    • f.

      kosten voor nadeelcompensatie door het waterschap in verband met:

      • 1°.

        landbouwkundige opbrengstvermindering door natschade als gevolg van vernattingsmaatregelen;

      • 2°.

        schade, bedoeld onder d;

  • 4

    Onverminderd het eerste lid, komen voor subsidie in aanmerking, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder c, kosten van uitvoering voor het opheffen van het vismigratie knelpunt, zoals de aanleg van een vispassage.

  • 5

    Onverminderd het eerste lid, komen voor subsidie in aanmerking, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder d, kosten van uitvoeringsmaatregelen ter invulling van de werknormen voor wateroverlast in het landelijk gebied.

  • 6

    Onverminderd het eerste lid, komen, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder e en f, voor subsidie in aanmerking, de volgende kosten:

    • a.

      kosten voor pachtvrij maken van landbouwgrond;

    • b.

      kosten van uitvoering voor de aanleg van een EVZ.

Artikel 4.7 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 4.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten voor het opstellen van een milieueffectrapport voor plannen die kunnen leiden tot concrete projecten of activiteiten met mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu;

  • b.

    kosten gemaakt na 14 september 2014 ten behoeve van grondverwerving binnen het Natuurnetwerk Brabant;

  • c.

    kosten van beheer en onderhoud;

  • d.

    wettelijke taken en reguliere werkzaamheden van de subsidieaanvrager;

  • e.

    kosten reeds gesubsidieerd op grond van een andere provinciale regeling;

  • f.

    kosten voor inhuur van externe, tijdelijke, capaciteit ten behoeve van het begeleiden van de uitvoering van projecten in het kader van de afronding van het tweede bestuursakkoord die niet vallen onder de speciale bestuurlijke afspraken tussen provincie en waterschappen.

Artikel 4.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 9 november 2016 tot en met 18 november 2016.

Artikel 4.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4.4, voor de periode, genoemd in artikel 4.9, vast op €23.296.037.

Artikel 4.10 Subsidiehoogte

  • 1

    De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 4.4,

    • a.

      onder a, bedraagt 75% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      onder b, bedraagt

      • 1°.

        75% van de subsidiabele kosten gemaakt ten behoeve van natte natuurparels;

      • 2°.

        50% van de overige subsidiabele kosten;

    • c.

      onder c en d, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten;

    • d.

      onder e, bedraagt

      • 1°.

        50% van de subsidiabele kosten, voor een EVZ van 10 meter breed;

      • 2°.

        75% van de subsidiabele kosten voor een EVZ van 25 meter breed.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid, bedraagt de hoogte van de subsidie voor kosten van de inhuur ten behoeve van het begeleiden van de uitvoering van projecten 50%.

  • 3

    Indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat de subsidie minder dan €125.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 4.12 Verdeelcriteria

  • 1

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 4.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het project is uiterlijk 31 december 2017 afgerond;

  • b.

    de subsidieontvanger overlegt 1 juni 2017 een tussentijds voortgangsverslag over de voortgang van het project;

  • c.

    de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

Artikel 4.14 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

  • a.

    activiteitenverslag;

  • b.

    een overzicht van de gemaakte subsidiabele kosten en bijdragen van derden;

  • c.

    communicatieverslag.

Artikel 4.15 Bevoorschotting en betaling

Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag in een keer.

§5 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 5.1 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2018 en vervolgens telkens na drie jaar aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze regeling.

Artikel 5.2 Intrekking

De Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013 wordt ingetrokken.

Artikel 5.3 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 5.4 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling provinciaal milieu- en waterplan Noord-Brabant.

’s-Hertogenbosch, 2 februari 2016 Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris mw. ir. A.M. Burger

Bijlage 1: Beheergebied Deltaplan hoge zandgronden Noord-Brabant

Bijlage 1

Bijlage 2 Lijst met afrondingsprojecten Tweede Bestuursovereenkomst

project

 

Beekherstel Tovensche Beek

 

Dynamisch Beekdal kasteel Heeswijk, Middelrode en Seldensate (fase 2, 3 en 4)

 

Beekherstel/EVZ Peelse Loop

 

Totaalaanpak EVZ’s en beekherstel Helmond

 

Vlijmens ven/Moerputten

 

Keenehaven

 

Project Turfvaart - Bijloop zuid

 

EVZ Dorpswaterloop Alphen

 

EVZ Kraggeloop

 

EVZ Kibbelvaart Halderberge

 

Bovenmark Ulvenhout-Galder-Breda

 

EVZ Reijnierpolder

 

Waterberging Valkenswaard Zuid

 

Een traject van de Essche Stroom (Kom Esch-Ruiting)

 

Ruiting Landgoed Vught

 

EVZ Schone Leij Tilburg

 

Vispassages Opwettensche Watermolen

 

Vispassage Boven-Dommelgebied

 

Kleine Beerze Vessem

 

Herinrichting Buulder Aa

 

Andels Broek

 

Afwateringskanaal Noord/EVZ Kornsche Boezem-Pompveld

 

Herstel Biesbosch kreken (verdrogingsbestrijding/beekherstel), fase B

 

Vierbanse Gantel, Herstel Biesbosch kreken vispassages/EVZ, fase B

 

Natte Natuurparel Landschotse Heide

 

Natte Natuurparel De Brand

 

Waterberging Kleine Dommel icm beekherstel en herstel natte natuurparel

 

Strijper Aa

 

Kampina fase 2

 

Bijlage 3 Handreiking ecologische visie

Bij subsidieaanvragen voor ecologische verbindingszones is het van belang om hieraan een goede ecologische onderbouwing ten grondslag te leggen. Het uitgangspunt hierbij is dat in een goede visie de volgende vragen worden beantwoord:

 

1. Welke natuurgebieden worden door de ecologische verbindingszone verbonden?

Het kan daarbij gaan om natuurgebieden van de ecologische hoofdstructuur, maar ook om andere voor specifieke soorten relevante leefgebieden, zoals dassenleefgebied of struweelvogelgebied. In sommige gevallen kan ook het gebied van de verbindingszone zelf bijzondere natuurwaarden hebben. In de visie worden de betreffende natuurgebieden genoemd en wordt een korte karakterisering van de natuurwaarden in deze gebieden gegeven (inclusief bronvermelding).

 

2. Voor welke (doel)soorten in de te verbinden natuurgebieden is de ecologische verbindingszone van belang? Is er een goede analyse gemaakt ten aanzien van de keuze van deze doelsoorten?

Uit de visie moet duidelijk worden welke soorten er in de te verbinden natuurgebieden voorkomen (inclusief bronvermelding), en voor welke van die soorten de ecologische verbindingszone van belang kan zijn. Het kan daarbij gaan om soorten die al in (één van de) betreffende gebieden voorkomen, maar ook om soorten waarvoor de te verbinden gebieden in potentie geschikt zijn.

 

In de visie wordt tevens een nadere onderbouwing gegeven bij de selectie van de doelsoorten. Daaruit moet blijken dat verwacht mag worden dat de soorten waarvoor de verbindingszone wordt ingericht, ook daadwerkelijk van de verbindingszone gebruik zullen gaan maken. Het heeft daarbij de voorkeur om te kiezen voor een beperkt aantal doelsoorten, en niet een opsomming te geven van alle mogelijke doelsoorten.

 

Dit is een essentieel onderdeel van de visie. Het gaat hier in feite om de vraag welke functie de ecologische verbindingszone binnen het robuuste natuurnetwerk kan vervullen. Een veelgemaakte denkfout is dat er hier vanuit de verbindingszone zelf geredeneerd wordt in plaats vanuit deze verbindende functie van de verbindingszone. Dus niet: ‘het is een natte EVZ; als doelsoort wordt daarom gekozen voor soorten van natte biotopen’, maar wel ‘de EVZ verbindt twee populaties van soort X; de EVZ wordt daarom ingericht zodat in ieder geval soort X van deze zone gebruik kan maken.’

 

3. Past het gekozen ambitieniveau (doelsoorten) bij de feitelijke mogelijkheden voor de verbindingszone?

Het ambitieniveau voor de ecologische verbindingszone moet overeenstemmen met de mogelijkheden die er voor inrichting zijn. Als een ecologische verbindingszone door stedelijk gebied loopt, dan heeft het mogelijk weinig zin om voor een doelsoort te kiezen die stedelijk gebied mijdt, ook al zou de verbindingszone in potentie veel meerwaarde voor die soort kunnen hebben. Het is dan waarschijnlijk beter om het ambitieniveau te richten op een soort die wel van de verbindingszone gebruik kan maken. Een ander voorbeeld is wanneer een bepaalde doelsoort dusdanig hoge eisen aan zijn leefgebied stelt (qua milieu of qua oppervlakte), en verwacht wordt dat binnen de voor een verbindingszone beschikbare ruimte niet aan deze eisen voldaan kan worden. Indien er geen mogelijkheden zijn om alsnog aan deze eisen te voldoen, dan is het waarschijnlijk beter om het ambitieniveau aan te passen.

 

Overigens is het van belang om niet alleen een onderbouwing te geven bij de keuze voor de doelsoorten waarvoor wel gekozen is, maar deze onderbouwing ook te geven voor de doelsoorten waarvoor niet gekozen is. Alleen wanneer deze informatie is toegevoegd, kan een goed oordeel over een ecologische visie worden gegeven.

 

4. Is de inrichting en het beheer van de verbindingszone afgestemd op de gekozen doelsoorten?

In de visie is aangegeven welke eisen de gekozen doelsoorten aan hun leef- of verspreidingsgebied stellen, en dat dit zijn doorvertaling heeft gekregen in het inrichtingsplan. Belangrijk is ook dat uitgewerkt wordt welk ecologisch beheer er nodig is om ook op de langere termijn de verbindingszone voor deze soort geschikt te houden.

 

5. Hoe wordt het ecologische functioneren en recreatief medegebruik op elkaar afgestemd?

In de visie is aangegeven waar – en met welke frequentie – er binnen de verbindingszone sprake is van recreatief medegebruik, en door middel van welke maatregelen voorkomen wordt dat er verstoring van de verbindingszone plaatsvindt.

 

Over het algemeen is een ecologische verbindingszone goed te combineren met (extensief) recreatief medegebruik, mits er hiermee bij de inrichting rekening wordt gehouden. De mogelijkheden van recreatief medegebruik wordt vanzelfsprekend mede bepaald door de voor de verbindingszone beschikbare ruimte: in een EVZ met een gemiddelde breedte van 25 meter is meer mogelijk dan in een EVZ met de minimale breedte van 10 meter.

 

6. Past de inrichting bij de landschapsecohydrologische structuur van het gebied, en is rekening gehouden met archeologische, aardkundige en cultuurhistorische aspecten?

Indien er opvallende zaken bij deze aspecten van toepassing zijn, worden zij meegenomen in de beoordeling. Onder ‘opvallende zaken’ kan worden verstaan:

  • -

    een voorstel tot bosaanleg in een gebied met een typisch open landschappelijk karakter;

  • -

    het voorstel tot hermeandering van een gegraven waterloop (graaf, leij, turfvaart);

  • -

    het voorstel tot een inrichtingsprofiel van een laaglandbeek in de bovenloop van een waterloop of omgekeerd;

  • -

    het voorstel om een natte EVZ aan te leggen over of door een dekzandrug;

  • -

    het voorstel om een gebied in te richten volgens het natuurdoeltype ‘nat schraalland’ op een locatie waar geen kwel verwacht wordt.

Het heeft daarom meerwaarde wanneer in een visie wordt aangegeven of bovengenoemde aspecten relevant zijn voor het gebied waarin de betreffende verbindingszone is gelegen en hoe dit heeft doorgewerkt in de inrichting.

 

7. Heeft er over de plannen voor de EVZ afstemming plaatsgevonden met relevante betrokken partijen, in ieder geval waterschap en gemeente?

De eerste verantwoordelijkheid voor het aanleggen van ecologische verbindingszones ligt bij waterschappen (‘natte’ EVZ’s ) en bij gemeenten (‘droge’ EVZ’s). Deze overheden hebben in veel gevallen al plannen opgesteld en voorbereidingen getroffen voor de realisatie van EVZ’s. Bovendien heeft de provincie in ieder geval met de waterschappen al afspraken gemaakt over de uitvoering. We willen niet dat deze voorbereidingen, plannen en afspraken niet doorkruist worden, of dat er slechts ‘snippers’ EVZ aangelegd worden, die geïsoleerd blijven liggen. Daarom moet aangegeven worden hoe er afgestemd is met het betreffende waterschap en/of gemeente waar de EVZ in gelegen is en dat het waterschap en/of de gemeente geen bezwaar heeft tegen de plannen.  

 

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingRegeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende het verstrekken van subsidie ter stimulering van projecten voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving (Subsidieregeling provinciaal milieu- en waterplan Noord-Brabant)
CiteertitelSubsidieregeling provinciaal milieu- en waterplan Noord-Brabant
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpmilieubeheer, natuur en landschap, subsidies, water, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

art. 2 Algemene subsidieverordening Noord-Brabant

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

11-11-201611-07-2017paragraaf 4, 5, artikel 3.6, 3.9, 3.10, 4.1, 4.2, 4.3, 4.4, 4.5, 4.6, 4.7, 4.8, 4.9, 4.10, 4.12, 4.13, 4.14, 4.15, 5.1, 5.2, 5.3, 5.4, bijlage 2, 3

08-11-2016

Provinciaal Blad 2016, 166

4069417
14-10-201611-11-2016paragraaf 2, artikel 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8, 2.9, 2.10, 2.11, 2.12, 2.13, 2.14, 2.15, bijlage 1

11-10-2016

Provinciaal Blad 2016, 150

4067921
08-07-201614-10-2016artikel 2.9, 2.10, 2.12

04-07-2016

Provinciaal Blad 2016, 100

S0313965
04-02-201608-07-2016nieuwe regeling

02-02-2016

Provinciaal Blad, 2016, 15

S0308144