• Geldig sinds 05 april 2006.
    Geldig tot 10 november 2011.

    Print deze versie:

Inhoud regeling

Beleidsnota uitvoering Flora- en faunawet 2006

Geldend van 05-04-2006 t/m 09-11-2011

Intitulé

Beleidsnota uitvoering Flora- en faunawet 2006

Aanhef

Voorwoord

Natuur is mooi en verdient het om beschermd te worden, zeker ook in Noord-Brabant. Daarnaast kan natuur ook lastig zijn. Sommige diersoorten zijn zo talrijk, dat zij schade toebrengen aan bijvoorbeeld landbouwgewassen of aan andere plant- en diersoorten. Behalve dat planten en dieren worden beschermd tegen de mens, is het ook van belang dat ingegrepen kan worden in hun populaties als de schade onevenredig is. De Flora- en faunawet biedt voor beide de wettelijke kaders, mede op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn.

Sinds 2002 voeren de provincies een belangrijk deel van de Flora- en faunawet uit, namelijk het deel dat voortkomt uit de vroegere Jacht- en Vogelwet. Dat het onderwerp leeft in Noord-Brabant, is duidelijk geworden aan de opkomst bij de provinciale voorlichtingavonden in 2002 en 2003. Deze betrokkenheid blijkt nog steeds uit de vele klachten en meldingen die bij de provincie binnenkomen over schade en overlast door dieren. Maar ook uit de vele brieven van bezorgde Brabanders die pleiten voor niet overhaast ingrijpen of het niet verlenen van ontheffingen. Dit gaat niet alleen op voor vossen, pluimvee en weidevogels, maar ook voor overwinterende ganzen en smienten. Kortom, er is een belangrijk maatschappelijk spanningsveld als het gaat om de provinciale taken op het gebied van de Flora- en faunawet.

Begin 2005 is de provinciale uitvoering van de Flora- en faunawet geëvalueerd. Daarbij zijn ook de jurisprudentie en de wijzigingen in de wettelijke kaders in beeld gebracht. Op grond van de evaluatie is de provinciale beleidsnota uitvoering Flora- en faunawet thans herzien. De beleidsnota biedt tevens het kader voor het werk van de Faunabeheereenheid. Deze uitvoeringsorganisatie heeft bewezen dat de uitvoering van de Flora- en faunawet op basis van het door Gedeputeerde Staten goedgekeurde faunabeheerplan, sneller en adequater plaats kan vinden dan via individuele ontheffingverlening.

J.M.P. Moons

Gedeputeerde Milieu, Natuur en Landschap

1 Inleiding

Aanleiding

De Flora- en faunawet is op 1 april 2002 in werking getreden. Voor belangrijke onderdelen van de wet berust de uitvoeringsbevoegdheid bij de provincies. Dit is een uitvloeisel van het decentralisatie-akkoord tussen Rijk en provincies van 1995. De wet geeft ruimte voor provinciaal in te vullen beleid, aansluitend bij regionale omstandigheden. Uitvoering van de Flora- en faunawet draagt bij aan een duurzame instandhouding van beschermde plant- en diersoorten.

Het beleid is in eerste instantie neergelegd in de provinciale beleidsnota Uitvoering Flora- en faunawet (2002), met een vastgestelde looptijd van twee jaar. In 2005 is deze nota geëvalueerd. Deze nieuwe beleidsnota voorziet in het provinciaal uitvoeringskader voor uitvoering van deze wet. Hierbij is rekening gehouden met landelijke ontwikkelingen, zoals ondermeer vastgelegd in het Beleidskader faunabeheer.

Lokalisering binnen het natuur- en landschapsbeleid

Doelstelling van de Flora- en faunawet

De Flora- en faunawet biedt het wettelijke kader voor de bescherming van in het wild levende planten- en diersoorten. De wet beperkt zich niet tot bedreigde en kwetsbare soorten, maar biedt een brede bescherming en draagt daarmee bij aan het behoud van de biodiversiteit. De intrinsieke waarde van ieder dier is opgenomen in de aanhef van de wet. In het kader van bepaalde, duidelijk omschreven belangen, kan worden ingegrepen in het beschermingsregime, als geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige instandhouding van de soort. Erkende belangen zijn onder meer volksgezondheid, openbare veiligheid, veiligheid van het luchtverkeer, voorkoming van belangrijke schade aan landbouwgewassen en schade aan flora en fauna.

Het wettelijke uitgangspunt van bescherming is van belang voor de duurzame instandhouding van de flora en fauna in onze provincie. Het beleid voor de uitvoering van de Flora- en faunawet is ingepast binnen het totale natuur- en soortbeschermingsbeleid.

Beleidskader voor invulling van de provinciale bevoegdheden

In de Flora- en faunawet is de nationale en internationale wetgeving op het gebied van de soortenbescherming geïntegreerd. De wet geeft invulling aan internationale verplichtingen ten aanzien van de soortenbescherming op basis van de Conventie van Bern (1979), de Conventie van Bonn (1982), de Europese Vogelrichtlijn (1979), de Europese Habitatrichtlijn (1992) en het Biodiversiteitsverdrag (1992). Bepalingen met betrekking tot gebiedsbescherming zijn overigens geïntegreerd in de Natuurbeschermingswet 1998.

Het landelijk beleidskader is verder uitgewerkt in de Nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur (Nota natuur, bos en landschap in de 21e eeuw; Ministerie van LNV, 2000), het Meerjarenprogramma uitvoering soortenbeleid 2000-2004 (Ministerie van LNV, 2000), alsmede diverse rode lijsten en soortbeschermingsplannen. Tevens is er sprake van een landelijk Beleidskader faunabeheer, waarin op basis van overleg tussen de bij de uitvoering van de Flora- en faunawet betrokken partijen aanvullend beleid is geformuleerd. Dit geldt onder meer voor (overwinterende) ganzen en smienten.

Het beleid dat in deze nota is geformuleerd ten aanzien van de uitvoering van de Flora- en faunawet is onderdeel van het algemene natuur- en landschapsbeleid van de provincie. Dit beleid is vastgelegd in de beleidsnota voor natuur en landschap 2002-2012 (Natuur- en landschapsoffensief Brabant).

Soortenbeleid

Eén van de hoofddoelstellingen van natuurbeleid is instandhouding, herstel en ontwikkeling van een zo natuurlijk mogelijke verscheidenheid van in het wild levende dier- en plantensoorten. Deze hoofddoelstelling van beleid wordt onder andere ingevuld door middel van het soortenbeleid. Instrumenten van soortenbeleid zijn soortbeschermende verbodsbepalingen (neergelegd in de Flora- en faunawet) en het zogenoemde actieve, stimulerende soortenbeleid voor bedreigde en kwetsbare soorten.

Het actieve soortenbeleid maakt geen onderdeel uit van deze nota, maar is vastgelegd in de nota ‘Over bevers, blauwtjes en brabanters’, ruimer baan voor bedreigde ‘Brabanders’ (provincie Noord-Brabant, 2004).

Opzet en leeswijzer

Deze nota beschrijft het beleid bij gebruikmaking van de provinciale bevoegdheden binnen het kader van de Flora- en faunawet. In hoofdstuk 2 is de beleidsruimte voor de provincie weergegeven, zowel vanuit de Flora- en faunawet (inclusief AmvB’s en ministeriële regelingen) en het Beleidskader faunabeheer, als vanuit het algemene natuur- en landschapsbeleid. In vijf hoofdstukken is het provinciale beleid nader ingevuld: de beschermde leefomgeving (hoofdstuk 3), Faunabeheereenheden en -plannen (hoofdstuk 4), jacht (hoofdstuk 5), kievitseieren (hoofdstuk 6), schadebestrijding en beheer (hoofdstuk 7). Handhaving, de laatste en verbindende schakel binnen de reguleringsketen, is uitgewerkt in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 beschrijft een aantal uitvoeringsaspecten; communicatie en voorlichting, monitoring en evaluatie en de vaststellingsprocedure van de nota. Het Handhavingsdocument Flora- en faunawet is niet opgenomen in deze nota.

Concrete beleidsuitspraken zijn weergegeven in kaders.

Bijlagen

De bijlagen bevatten specifieke uitwerkingen van onderdelen van de beleidsnota:

  • 1.

    beleidsregels per diersoort;

  • 2.

    draaiboek sluiting jacht bij bijzondere weersomstandigheden;

  • 3.

    draaiboek noodaanwijzing beschermde leefomgevingen.

Provinciale beleidsruimte

Beleidsruimte op basis van de Flora- en faunawet

De Flora- en faunawet voorziet op een aantal onderdelen in de wettelijke uitvoeringsbevoegdheid van Gedeputeerde Staten. Binnen het wettelijk kader is er sprake van een eigen provinciaal beleid waarbij rekening gehouden kan worden met regionale omstandigheden. Deze nota voorziet in de beleidsmatige invulling daarvan.

Samenvattend betreft de provinciale beleidsruimte de volgende artikelen uit de Flora- en faunawet:

  • -

    aanwijzing beschermde leefomgeving (art. 19-28);

  • -

    erkenning Faunabeheereenheden (art. 29);

  • -

    goedkeuring faunabeheerplannen (art. 30);

  • -

    sluiting van de jacht bij bijzondere weersomstandigheden (art. 46);

  • -

    erkenning van samenwerkingsverbanden van weidevogelbeschermers, verlening ontheffing t.a.v. zoeken en rapen van kievitseieren (art. 60);

  • -

    vrijstelling grondgebruiker (art. 65 en 66);

  • -

    ingrepen in populaties (art. 67);

  • -

    ontheffingen beheer en schadebestrijding, jacht op wild buiten het jachtseizoen, inzet verboden middelen (art. 68-74);

  • -

    benoeming/financiële aangelegenheden Faunafonds (art. 83-100);

  • -

    handhaving en controle (art. 104, 112 en 113).

Beleidsruimte op basis van het algemene natuur- en landschapsbeleid

Bij het in deze nota geformuleerde beleid is rekening gehouden met het overige natuur- en landschapsbeleid op internationaal, nationaal en provinciaal niveau. Het betreft met name de internationale regelgeving, het actieve soortenbeleid voor kwetsbare en bedreigde plant- en diersoorten, het gebiedsgerichte beleid en de landelijke ontwikkelingen ten aanzien van jacht, schadebestrijding en beheer.

Op grond van internationale regelgeving dient met name rekening te worden gehouden met de beschermingsstatus van plant- en diersoorten op basis van Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De soortbeschermingsbepalingen uit deze richtlijnen zijn over het algemeen correct geïmplementeerd in de Flora- en faunawet. Desondanks blijven de Europese richtlijnen van belang bij interpretatie en toepassing van de bepalingen uit de wet.

Het actieve soortenbeleid voor kwetsbare en bedreigde plant- en diersoorten is op nationaal niveau uitgewerkt in het ‘Meerjarenprogramma uitvoering soortenbeleid 2000-2004’ (Ministerie van LNV, 2000). Belangrijke instrumenten zijn rode lijsten en soortbeschermingsplannen. Op provinciaal niveau is het soortenbeleid uitgewerkt in de nota ‘Over bevers, blauwtjes en andere brabanters’ (provincie Noord-Brabant, 2004). De provinciale beleidsnota natuur en landschap 2002-2012 geeft hier de kaders voor aan. De belangrijkste consequenties van het soortenbeleid voor uitvoering van de Flora- en faunawet zijn:

  • -

    waar het actieve soortenbeleid voor een belangrijk deel op basis van vrijwilligheid plaatsvindt, biedt de Flora- en faunawet juridische afdwingbaarheid; derhalve dient een afweging plaats te vinden tussen beide onderdelen van het soortenbeleid (met name ten aanzien van aanwijzingen van beschermde leefomgevingen);

  • -

    ter voorkoming van overlast en schade voor derden als gevolg van het uitvoeren van soortbeschermende maatregelen (toename populaties), dienen voorzieningen in soortbeschermingsplannen te worden opgenomen.

Het gebiedsgericht beleid is gericht op de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur door bescherming, verwerving, inrichting en/of beheer. Gebiedsgerichte bescherming vindt op provinciaal niveau plaats via het instrument van de Groene Hoofdstructuur (GHS), vastgelegd in het Streekplan. Deze biedt een planologische basisbescherming voor leefgebieden van planten en dieren. Een directe relatie hiermee hebben de gebiedsaanwijzingen in het kader van Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natuurbeschermingswet, met juridisch afdwingbare beschermingsregimes. Bijzondere kwaliteiten van natuurgebieden kunnen daarnaast juridisch worden beschermd via het instrumentarium van de ruimtelijke ordenings-, milieu- en waterwetgeving. Ook het Programma Beheer is van belang voor het gebiedsgericht beleid, waarbij met het oog op het bereiken van natuurdoelstellingen op basis van vrijwilligheid beheers- of inrichtingsmaatregelen worden genomen.

De belangrijkste consequenties van het gebiedsgericht beleid voor uitvoering van de Flora- en faunawet zijn:

  • -

    een neveneffect van gebiedsgericht beleid (bescherming dan wel stimulering) kan zijn dat door groei van populaties dieren (meer) schade optreedt in omliggende gebieden; op agrarische bedrijven dicht bij beschermde gebieden kan relatief meer schade ontstaan dan op bedrijven verder van beschermde gebieden; faunabeheerplannen vormen het aangewezen kader om hiervoor voorzieningen te treffen (zie h. 4);

  • -

    bij de inzet van het nieuwe instrument de beschermde leefomgeving dient een afweging gemaakt te worden in hoeverre het instrument wordt ingezet in gebieden met andere beschermingsregimes (al dan niet op basis van vrijwilligheid).

De beschermde leefomgeving

Wettelijk kader

Hoofdstuk IV van de wet betreft de beschermde leefomgeving. Geregeld zijn de aanwijzing (art. 19-25), gevolgen van aanwijzing (art. 26-27) en schadevergoeding (art. 28).

De beschermde leefomgeving is een beschermingsinstrument dat tot doel heeft kleine afzonderlijke elementen veilig te stellen die van wezenlijke betekenis zijn als leefomgeving van beschermde inheemse dier- of plantensoorten; de groeiplaats van planten of het nest, de schuil-, rust-, foerageer- of overwinteringsplaats van dieren. Indien een soort ter plaatse tijdelijk (seizoenmatig) voorkomt, kan een leefomgeving door de aanwijzing ook gedurende de afwezigheid van de soort beschermd worden. Daarnaast kunnen ook kleine verbindende elementen tussen populaties (steppingstones, corridors) worden beschermd. Voorbeelden van elementen die onder de werking van dit instrument kunnen worden gebracht zijn houtwallen, poelen, paaiplaatsen voor vissen, maar ook gebouwde objecten, zoals kerktorens of ruïnes.

GS wijzen een beschermde leefomgeving aan, aan de hand van een openbare voorbereidings-procedure waarin belanghebbenden, waterschappen, gemeenten en de PPC worden betrokken. In het aanwijzingsbesluit worden de handelingen genoemd die de beschermde leefomgeving kunnen aantasten. Indien een belanghebbende het voornemen heeft deze handelingen uit te voeren, moet hij dit tenminste één maand van tevoren melden. Indien GS geen bezwaar hebben kan de handeling worden uitgevoerd. Indien GS wèl bezwaar hebben tegen de handeling, kunnen zij deze verbieden of sturend optreden door middel van het stellen van voorschriften. De handeling kan bijvoorbeeld worden beperkt in ruimte en tijd. Ook is het mogelijk om de handeling toe te staan onder de voorwaarde dat de leefomgeving wordt hersteld (compensatie). De aanwijzing kan worden ingetrokken indien de (autonome) populatie-ontwikkeling daartoe aanleiding geeft.

In de wet is een schaderegeling opgenomen. Voor zover een belanghebbende schade lijdt ten gevolge van de aanwijzing of opgelegde voorschriften, die redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoort te blijven, kennen GS hem op zijn verzoek een billijke vergoeding toe. Dit zal in de regel pas aan de orde zijn voor zover er sprake is van beperkingen van het normaal, bestaand gebruik ten tijde van de aanwijzing, die het normaal maatschappelijk risico te boven gaan.

In de toelichting op de wet heeft de minister aangegeven dat GS ruime beleidsvrijheid hebben bij de invulling van deze bevoegdheid. Voor welke beschermde inheemse soorten de provincies het instrument inzetten, wordt aan GS overgelaten. GS zullen zich met name richten op rode lijstsoorten, aandachtsoorten uit het Natuurbeleidsplan en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Op welke wijze GS vervolgens invulling geven aan de aanwijzing (welke handelingen ze opnemen) wordt eveneens aan hun oordeel overgelaten. Bij de reactie op een melding moeten GS zich houden aan de internationale verplichtingen (m.n. Vogel- en Habitatrichtlijn).

De beschermde leefomgeving in relatie tot bestaand instrumentarium

De beschermde leefomgeving is een juridisch bindend beschermingsinstrument dat gekenmerkt wordt door flexibiliteit en adequate oplossingen kan bieden in concrete situaties. Het biedt soortbescherming op maat ten aanzien van een specifieke locatie zonder het gebruik meer dan noodzakelijk te beperken. Het instrument dient te worden ingepast binnen het totale beschermingsinstrumentarium van het natuur- en soortenbeleid, dat bestaat uit dwingende en vrijwillige instrumenten, gelet op de reikwijdte en beperkingen van elk instrument. Zo heeft de minister aangegeven dat het aan GS is, om in een concrete situatie de meerwaarde te bepalen van het dwingende instrument van de beschermde leefomgeving ten opzichte van het vrijwillige instrumentarium (Programma Beheer). Beide kunnen evenwel tegelijkertijd ingezet worden. De beschermde leefomgeving heeft raakvlakken met zowel gebiedsgerichte bescherming als soortbescherming.

Gebiedsgerichte bescherming

Een beschermde leefomgeving kan niet worden aangewezen in gebieden die onder de Natuurbeschermingswet als beschermd natuurmonument, Vogel- of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. Aangenomen wordt dat de soorten hiermee afdoende zijn beschermd. Buiten natuurmonumenten kan een beschermde leefomgeving in principe overal worden aangewezen. Leefomgevingen kunnen ook worden beschermd door middel van het planologisch instrumentarium (Wet op de Ruimtelijke Ordening). Het provinciale streekplan regelt de gebiedsgerichte bescherming via de GHS, welke is doorvertaald in gemeentelijke bestemmingsplannen. Indien GS een locatie aan willen wijzen als beschermde leefomgeving houden ze rekening met de bescherming die al via het bestemmingsplan wordt geboden. De aanwijzing van een beschermde leefomgeving kan op zijn beurt ook door het bestemmingsplan worden ondersteund.

Soortbescherming

De minister heeft in de toelichting op de wet aangegeven dat de bevoegdheid is bedoeld voor bescherming tegen meer indirecte bedreigingen voor soorten, die niet met de algemene soortbeschermende verbodsbepalingen kunnen worden bestreden. De specifieke aanwijzing maakt de bescherming, in vergelijking tot de algemene verbodsbepalingen, direct kenbaar en daardoor beter handhaafbaar. In het kader van het actieve (stimulerende) provinciale soortenbeleid is nader uitgewerkt welke soorten bedreigd zijn en aan welke soorten met prioriteit bescherming moet worden geboden. De soortbeschermingsplannen brengen de bedreigingen en maatregelen (behoud, dan wel inrichting van leefomgevingen, onderzoek en voorlichting) per soort concreet in beeld.

Overwegingen

In het kader van de provinciale beleidsnota natuur en landschap 2002-2012 is het actieve soortenbeleid uitgewerkt in de nota “Bevers, blauwtjes en andere Brabanters”. De inzet van het instrument de beschermde leefomgeving is hierin niet expliciet onderzocht. Wel is hierin aangegeven dat het instrument in voorkomende gevallen kan worden ingezet, waarbij afweging plaats vindt bij de nog op te stellen soort- en habitatbeschermingsplannen.

De Flora- en faunawet biedt daarnaast de mogelijkheid om een aanwijzing direct te effectueren ("noodaanwijzing", art. 24) indien de aard van de bedreiging van de betrokken soort hiertoe aanleiding geeft. Vervolgens wordt de normale procedure alsnog geheel doorlopen. GS willen deze mogelijkheid vooruitlopend op de nadere beleidsuitwerking kunnen toepassen, ook als er voor de betreffende soort nog geen soortbeschermingsplan bestaat. Vertrekpunt is de prioritering die in de nota soortenbeleid is gemaakt. Het instrument zal niet gericht worden ingezet voor de realisering van de EHS of verbindingszones. Bijlage 3 van deze nota bevat een draaiboek waarin de afwegingen en procedure voor een noodaanwijzing zijn beschreven. In voorkomende gevallen zal eventuele schadevergoeding op basis van art. 28 Flora- en faunawet nader worden bepaald.

Provinciaal beleid

1.GS betrachten terughoudendheid bij de inzet van het instrument beschermde leefomgeving. Bescherming van soorten vindt in eerste instantie plaats via het ruimtelijke ordeningsinstrumentarium, verbodsbepalingen Flora- en faunawet en stimuleringsmaatregelen op basis van het (provinciale) soortenbeleid. Zonodig wordt in de nadere uitwerking van actieplannen in het kader van het provinciaal soortenbeleid, inzet van de beschermde leefomgeving nader overwogen.

2.Indien leefomgevingen van beschermde inheemse soorten acuut dreigen te verdwijnen maken GS gebruik van hun bevoegdheid tot noodaanwijzing van een beschermde leefomgeving op basis van het 'draaiboek noodaanwijzing beschermde leefomgevingen' (bijlage 3).

Faunabeheereenheden en –plannen

Faunabeheereenheden

Wettelijk kader

Hoofdstuk V, titel I van de wet betreft de Faunabeheereenheden (art. 29). Het Besluit faunabeheer geeft nadere regels voor Faunabeheereenheden.

Een Faunabeheereenheid is een samenwerkingsverband van jachthouders. De Flora- en faunawet kent de Faunabeheereenheid een coördinerende rol toe bij de schadebestrijding en het beheer. De Faunabeheereenheid maakt een planmatige aanpak van beheer mogelijk, hetgeen gezien wordt als waarborg voor de instandhouding van diersoorten. In het Besluit Faunabeheer worden regels gesteld waaraan een samenwerkings-verband moet voldoen om voor erkenning als Faunabeheereenheid in aanmerking te kunnen komen. Deze regels hebben betrekking op de rechtsvorm van de Faunabeheereenheid, de omvang en begrenzing van het werkgebied en de jachtrechten in dat gebied. Een Faunabeheereenheid wordt op basis van vrijwilligheid opgericht door jachthouders. Indien wordt voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften komt een Faunabeheereenheid in aanmerking voor erkenning door GS.

Overwegingen

In 2003 is de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Brabant opgericht. Op 22 juni 2004 is de Stichting door GS als Faunabeheereenheid erkend. De Faunabeheereenheid is inmiddels een belangrijk uitvoeringsorgaan geworden voor schadebestrijding en beheer in het kader van de Flora- en faunawet in de provincie Noord-Brabant. Gezien het werkgebied dat de gehele provincie Noord-Brabant omvat, is er geen aanleiding voor erkenning van andere Faunabeheereenheden binnen de provincie. GS zijn van oordeel dat de belangen die met een verantwoord en effectief faunabeheer samenhangen (voorlichting over schadepreventie, schadebestrijding en populatiebeheer) in afdoende mate worden behartigd.

Per 1 januari 2005 is een loket-functie ondergebracht bij de Faunabeheereenheid, voor alle aanvragen op basis van art. 68 Flora- en faunawet. De Faunabeheereenheid speelt een belangrijke rol in de communicatie richting grondgebruikers en jachtaktehouders en heeft tevens een adviesrol aan GS inzake het faunabeleid. GS dragen zorg voor de financiering van de uitvoeringstaken van de Faunabeheereenheid, inclusief de opstelling van faunabeheerplannen.

Provinciaal beleid

3.GS dragen zorg voor de financiering van de uitvoeringstaken van de Faunabeheereenheid, inclusief de opstelling van faunabeheerplannen.

Faunabeheerplannen

Wettelijk kader

Hoofdstuk V, titel I van de wet betreft de faunabeheerplannen (art. 30). Het Besluit faunabeheer geeft nadere regels voor faunabeheerplannen.

Faunabeheerplannen zijn nodig voor de uitvoering van art. 68 en eventueel 67 van de Flora- en faunawet (zie hoofdstuk 7). De aanwijzing van (categorieën van) personen (art. 67) kan afhankelijk worden gesteld van een faunabeheerplan. Ontheffingverlening (art. 68) vindt (uitzonderingen daargelaten) plaats aan een erkende Faunabeheereenheid op basis van een goedgekeurd faunabeheerplan. Het Besluit faunabeheer bepaalt welke gegevens een faunabeheerplan ten minste bevat. Het gaat daarbij met name om de vraag hoe wordt omgegaan met het duurzaam beheer van diersoorten in het werkgebied van de Faunabeheereenheid. Daarnaast moeten de aard, omvang en noodzaak van de te verrichten handelingen duidelijk worden gemaakt. Tevens wordt de wijze waarop, en de periode waarin de handelingen worden verricht vermeld. Aan de provincie wordt ruimte gelaten voor aanvullende eisen inzake de inhoud van plannen, de procedure rondom de plannen en de jaarlijkse verslaglegging. GS hebben tot taak de faunabeheerplannen goed te keuren. Zij horen daarbij het Faunafonds. Een plan dat ter goedkeuring wordt aangeboden wordt ter inzage gelegd op het provinciehuis. Hiertoe zal een zorgvuldige openbare voorbereidingsprocedure worden gevolgd. De geldigheidsduur van een faunabeheerplan is ten hoogste 5 jaar (art. 11 Besluit faunabeheer).

Overwegingen

Op 22 juni 2004 is het eerste faunabeheerplan van de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Brabant voor de soorten fazant, grauwe gans, haas, knobbelzwaan, kolgans, roek, spreeuw en wilde eend goedgekeurd. De deelplannen voor konijn en meerkoet zijn niet goedgekeurd. De deelplannen voor bosmuis, ekster, holenduif, smient, veldmuis en vos zijn ter kennisgeving aangenomen. De looptijd van dit faunabeheerplan is t/m juni 2010.

Het deelplan ree is op 20 januari 2005 gedeeltelijk goedgekeurd door GS, namelijk uitsluitend voor 2005 en alleen voor de werkgebieden van de Wildbeheereenheden waar in 2005 geen Jachtwet-vergunning meer vigeerde.

Een faunabeheerplan is wenselijk indien een beschermde diersoort relatief vaak verantwoordelijk is voor (belangrijke) schade aan gewassen of de fauna en planmatig beheer nodig is. Dit kan blijken uit schadegegevens of uit het aantal aanvragen om ontheffing. In geval van ekster, holenduif en meerkoet blijkt hiervan op grond van de beschikbare gegevens (vooralsnog) geen sprake. Voor landelijk vrijgestelde soorten (houtduif, kauw, konijn, zwarte kraai) bestaat in principe geen noodzaak van een faunabeheerplan, aangezien planmatig beheer niet aan de orde is. GS vragen de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Brabant in 2006 om een geactualiseerd, goed onderbouwd faunabeheerplan voor tenminste de volgende soorten: Bosmuis, Fazant, Grauwe gans, Haas, Kolgans, Konijn, Knobbelzwaan, Ree, Roek, Smient, Spreeuw, Veldmuis, Vos en Wilde eend. Dit faunabeheerplan kan in principe worden vastgesteld voor de periode 2006 – 2011.

GS stellen geen aanvullende eisen bij de goedkeuring van faunabeheerplannen, aangezien de in het Besluit Faunabeheer geformuleerde eisen voldoende worden geacht.

Provinciaal beleid

4.GS vragen de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Brabant in 2006 om een geactualiseerd, goed onderbouwd faunabeheerplan voor de periode 2006-2011 voor tenminste de volgende soorten: Bosmuis, Fazant, Grauwe gans, Haas, Kolgans, Konijn, Knobbelzwaan, Ree, Roek, Smient, Spreeuw, Veldmuis, Vos en Wilde eend.

Jacht

Wettelijk kader

Hoofdstuk V, titel II van de wet betreft de jacht (art. 31-59). Het Jachtbesluit en de Jachtregeling stellen nadere regels omtrent de jacht.

Een belangrijke uitzondering op het beschermingsregime van de Flora- en faunawet is de jacht. Jacht is mogelijk op wildsoorten. De wet noemt als wildsoorten: konijn, haas, fazant, wilde eend, houtduif en patrijs. De jacht op de patrijs is gesloten in verband met de status van de soort (rode lijstsoort). Voor de aangewezen soorten is de overweging dat mede om redenen van benutting de jacht kan worden geopend zonder dat daarmee de duurzame instandhouding van de soort in gevaar komt. De wet voorziet daarin door met name het stellen van het vereiste van een jachtakte en de plicht van de jager het wild tegen onnodig lijden te beschermen. De jacht staat open gedurende het jachtseizoen van 15 augustus tot 1 februari (dit varieert per diersoort). Jagen met behulp van een geweer is voorbehouden aan degene die in het bezit is van een jachtakte. Tevens moet deze de beschikking hebben over een bejaagbaar jachtterrein dan wel kunnen aantonen dat hij of zij in de gelegenheid is om met het geweer elders te kunnen jagen. Een met het geweer te bejagen jachtterrein moet voldoen aan de wettelijk gestelde eisen. Zo dient de oppervlakte minimaal 40 hectare aaneengesloten terrein te beslaan. Om te kunnen jagen met gebruikmaking van fretten en buidels is geen jachtakte vereist en geldt ook geen oppervlakte-eis. Wel dient de persoon in het bezit te zijn van een schriftelijke en gedagtekende toestemming van de grondgebruiker. Voor het jagen met een slechtvalk of havik dient men in het bezit te zijn van een valkeniersakte. De wet noemt een aantal bijzondere gevallen wanneer niet mag worden gejaagd. Daarbij kan met name gedacht worden aan bijzondere weersomstandigheden, waarbij de conditie van het dier zodanig kan afnemen of het dier in zijn of haar vluchtplaatsen zodanig wordt beperkt, dat jacht onaanvaardbaar wordt. Bij dergelijke bijzondere weersomstandigheden kunnen GS besluiten de jacht op wildsoorten te sluiten.

Overwegingen

Ten aanzien van de jacht wordt het beleid grotendeels bepaald door de Flora- en faunawet zelf en de bijbehorende AmvB’s. De provincies hebben met betrekking tot de jacht, met uitzondering van de sluiting van de jacht bij bijzondere weersomstandigheden en het verlenen van aanvullende ontheffingen voor wildsoorten, geen taken en bevoegdheden.

Indien buiten het jachtseizoen schade wordt veroorzaakt door wildsoorten, vindt de behandeling van ontheffingaanvragen plaats conform het algemene beleid inzake schadebestrijding en beheer (hoofdstuk 7). Hierbij kan afgeweken worden van de jachtverbods-bepalingen. Standaard worden bij ontheffing-verlening voor deze soorten (buiten het jachtseizoen) bepalingen opgenomen over het gebruik van de ontheffing tijdens bijzondere weersomstandigheden. Ingevolge artikel 46 zijn GS bevoegd, zolang bijzondere weersomstandigheden dat naar hun oordeel met het oog op de instandhouding van de wildsoorten vergen, de jacht in de gehele provincie of een deel daarvan, voor een bepaalde tijd te sluiten. Van bijzondere weersomstandigheden is sprake bij langdurig strenge koude, hevige sneeuwval, ijzelvorming en langdurige warmte. Bij langdurige warmte bestaat kans op botulisme, als gevolg van het oplopen van de watertemperatuur. Botulisme is een vorm van vergiftiging waaraan vooral watervogels en vissen kunnen doodgaan. Botulisme is ook gevaarlijk voor de mens.

De procedure met betrekking tot de sluiting van de jacht bij bijzondere weersomstandigheden is vastgelegd in het ‘draaiboek sluiting jacht bij bijzondere weersomstandigheden’ (zie bijlage 2).

Provinciaal beleid

5.GS stellen de beleidsregels betreffende de sluiting bij bijzondere weersomstandigheden vast, zoals opgenomen in het ‘draaiboek sluiting jacht bij bijzondere weersomstandigheden’ (bijlage 2).

Kievitseieren

Wettelijk kader

Hoofdstuk V, titel III van de wet betreft vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen. Paragraaf 1 gaat specifiek over kievitseieren (art. 60-61).

De Minister van LNV heeft bepaald dat GS in de periode van 1 maart t/m 8 april ontheffing kunnen verlenen ten behoeve van het zoeken en rapen van kievitseieren. Vervolgens is het ter beoordeling aan GS of in de provincie daadwerkelijk kan worden gezocht en geraapt. GS kunnen al dan niet besluiten ontheffing te verlenen van het verbod van artikel 12, op grond van artikel 60 Flora- en faunawet, aan erkende weidevogelbeschermingsorganisaties. De erkenning van samenwerkings-verbanden is afhankelijk van bij ministeriële regeling vastgestelde voorwaarden. De Vogelrichtlijn staat een uitzondering op het verbod van rapen van eieren slechts toe indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, ten behoeve van een verstandig gebruik in kleine hoeveelheden, selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden. De minister acht de voortzetting van de bestaande mogelijkheid voor het zoeken en rapen van kievitseieren niet in strijd met de Vogelrichtlijn. De Nederlandse regeling is bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen bekend en heeft aldaar tot dusver geen aanleiding gegeven tot bezwaren. De minister heeft evenwel aan de provincies overgelaten of al dan niet ontheffing tot zoeken en rapen wordt verleend, zodat op maat rekening kan worden gehouden met zowel natuur- als raapbelangen. Dit mede met het oog op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regeling. De Europese Commissie heeft Nederland echter door middel van een ‘second warning letter’ te kennen gegeven dat zij niet van overtuigd was dat aan de strikte voorwaarden van de Vogelrichtlijn voor afwijking van het algemene raapverbod was voldaan. Wel erkende zij dat deze traditie gepaard gaat met positieve nestbeschermende maatregelen.

Op 28 maart 2002 is de ministeriële “Regeling zoeken, rapen en beschermen van kievitseieren Flora- en faunawet“ bekend gemaakt (Stcrt. 2002, 62). De minister kwam hiermee tegemoet aan genoemde bezwaren van de Commissie, die het rapen van eieren slechts toe wil staan als vorm van verstandig gebruik in kleine hoeveelheden, selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden (art. 9 Vogelrichtlijn).

Overwegingen

Het zoeken en rapen van eieren mag de kievitenpopulatie niet in gevaar brengen. Vanaf 1997 is sprake van een achteruitgang van de Brabantse kievitenpopulatie, landelijk is er sinds 1994 al sprake van een achteruitgang. Uit de beschikbare gegevens kan niet worden afgeleid dat het eierrapen en de daarmee samenhangende nazorg leidt tot een betere bescherming en instandhouding van de soort.

Mede gelet op de Europese voorwaarde dat uitzonderingen slechts toegestaan zijn onder ‘strikt gecontroleerde omstandigheden’, hechten GS evenwel bijzondere waarde aan de handhaafbaarheid van de regeling. Daarbij wordt overwogen dat het geheel niet toestaan van het rapen goed (strikt) handhaafbaar is, in tegenstelling tot het toestaan van het rapen door middel van een ontheffing onder voorschriften. De Brabantse weidevogelcoördinator heeft herhaaldelijk gesignaleerd dat de (nest)bescherming van de kievit onder druk staat door illegale rapers en problemen bij het toezicht op de naleving van de voorschriften van de ‘Regeling zoeken en rapen van kievitseieren’.

Het (natuur)belang van een zo natuurlijk mogelijk verlopend broedseizoen met zo min mogelijk ingrijpen van de mens (anders dan zuiver beschermende maatregelen), wegen voor GS zwaarder dan het belang van het rapen. Met het niet toestaan van het zoeken en rapen is de kievit (als belangrijkste Brabantse weidevogel) volgens GS beter en duurzaam beschermd en blijven ook vrijwilligers gemotiveerd tot het beschermen van weidevogelnesten. Er zal dan ook geen ontheffing op het verbod van zoeken en rapen worden verleend.

Provinciaal beleid

6.GS staan het zoeken en rapen van kievitseieren in de provincie Noord-Brabant niet toe. Dit betekent dat er geen ontheffing op het verbod van zoeken en rapen wordt verleend.

Schadebestrijding en beheer

Inleiding

Wettelijk kader

Hoofdstuk V, titel III van de wet betreft vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen. Paragraaf 3 gaat over beheer en bestrijding van schade (art. 65-74). Diverse AmvB's en ministeriële regelingen zijn van toepassing, o.a. het Besluit beheer en schadebestrijding dieren en het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

Uitgangspunt van de wet vormen de intrinsieke waarde van elk dier, die in de aanhef van de wet is opgevoerd, en de zorgplicht, zoals omschreven in artikel 2 van de wet. Bij schadebestrijding en beheer gaat het om vogels en zoogdieren. Als beschermde inheemse diersoort zijn aangemerkt alle van nature in Nederland voorkomende soorten zoogdieren en alle van nature op Europees grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels. Uitgezonderd zijn bij AmvB aangewezen gedomesticeerde soorten en daarnaast zwarte rat, bruine rat en huismuis. Deze vallen buiten de reikwijdte van de wet en kunnen zonder tussenkomst van de overheid met de daartoe aangewezen middelen worden bestreden.

Op grond van zogenaamde erkende belangen zijn bij de wet uitzonderingen gemaakt op de wettelijke bescherming van inheemse diersoorten. De provinciale bevoegdheden in het kader van schadebestrijding en beheer betreffen het geven van vrijstellingen (art. 65 en 66), het aanwijzen van (categorieën van) personen (art. 67) en het verlenen van ontheffingen (art. 68). De vrijstellingen worden gegeven bij provinciale verordening door PS. De aanwijzing en ontheffing zijn bevoegdheden van GS.

De drie provinciale bevoegdheden kunnen worden ingezet voor verschillende erkende belangen:

Erkend belang

Vrijstelling

Aanwijzing

Ontheffing

In het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid

 

*

*

In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer

 

*

*

Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren

*

*

*

 

 

 

 

Ter voorkoming van schade aan flora en fauna

 

*

*

Met het oog op andere, bij AmvB aan te wijzen, belangen

 

 

*

Bij elk van de provinciale bevoegdheden is in de wet aangegeven aan welke voorwaarden moet worden voldaan bij toepassing (? = optioneel; - = alleen bij beschermde inheemse diersoorten):

Voorwaarde

Vrijstelling

Aanwijzing

Ontheffing

Geen andere bevredigende oplossing

*

*

*

Geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort

*

-

*

Voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel vrijstelling (voor doden) is of kan worden verleend

 

 

*

Afhankelijkstelling van een faunabeheerplan

 

?

*

Bij provinciale verordening kunnen voor de aangewezen diersoorten de volgende handelingen worden toegestaan:

  • -

    doden, verwonden, vangen, bemachtigen of met het oog daarop opsporen;

  • -

    opzettelijk verontrusten (verjagen / verstoren);

  • -

    beschadigen, vernielen, uithalen, wegnemen of verstoren van nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen;

  • -

    het zoeken, rapen, uit het nest nemen, beschadigen of vernielen van eieren.

Overwegingen

In paragraaf 7.2 zijn de overwegingen gegeven die GS als uitgangspunt hanteren bij de toepassing van de drie provinciale bevoegdheden in relatie tot de erkende belangen. De overwegingen ten aanzien van de hiervoor genoemde wettelijke voorwaarden zijn als volgt.

  • 1)

    Geen andere bevredigende oplossing

    • -

      Een grondgebruiker dient aan te geven in hoeverre preventieve maatregelen in voldoende mate en afdoende zijn ingezet om schade te voorkomen. Voor een aantal soorten wordt vergoeding van geleden schade afdoende geacht.

  • 2)

    Geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort

    • -

      Bij ingrijpen in populaties van kwetsbare en bedreigde soorten die zijn opgenomen op de rode lijst is mogelijk de gunstige staat van instandhouding in het geding. Voor rode lijst soorten (bever, patrijs, huismus, ringmus) wordt daarom geen ontheffing verleend. Vergoeding van geleden schade is voor deze soorten een bevredigende oplossing. Een uitzondering geldt voor damhert, edelhert en wildzwijn waarvoor in Noord-Brabant vooralsnog een 0-optie geldt. Een populatie van deze soort wordt niet nagestreefd. Voor andere soorten is de instandhouding van de soort thans niet in het geding. Ook voor een aantal overwinterende vogelsoorten wordt van 1 oktober t/m 31 maart geen ontheffing voor doden verleend. Dit betreft brandgans, kleine rietgans, kleine zwaan, rietgans, rotgans en wilde zwaan. Ook hier geldt dat vergoeding van geleden schade een bevredigende oplossing is.

  • 3)

    Afhankelijkstelling van een faunabeheerplan

    • -

      De aanwijzing ex art. 67 kan door GS afhankelijk worden gesteld van een faunabeheerplan. De ontheffing ex art. 68 wordt in principe slechts verleend aan een Faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan (lid 2). Ook aan anderen dan een Faunabeheereenheid kan echter ontheffing worden verleend, indien (lid 4);

      • -

        de noodzaak ontbreekt voor een faunabeheerplan gelet op de soort dan wel de aard of omvang van de te verrichten handelingen;

      • -

        de noodzaak ontbreekt dat de te verrichten handelingen worden verricht door tussenkomst van een Faunabeheereenheid;

      • -

        het gebied waar de handelingen worden verricht niet is gelegen in een gebied waarover zich de zorg van een Faunabeheereenheid uitstrekt.

Ontheffingen worden in principe verleend aan de Faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan, tenzij er voor de betreffende soort geen faunabeheerplan is opgesteld. In dat geval maken GS gebruik van de mogelijkheid van art. 68 lid 4, waarin is aangegeven dat in bepaalde gevallen ook aan anderen dan aan een Faunabeheereenheid ontheffing kan worden verleend. In dergelijke gevallen is een afdoende onderbouwing van de noodzaak voor ontheffing vereist. Voor soorten waarvoor planmatige schadebestrijding en beheer noodzakelijk is, is een faunabeheerplan vereist (en gewenst). Voor soorten die slechts lokaal of incidenteel belangrijke schade veroorzaken (bijv. meerkoet) en soorten van de landelijke vrijstellingslijst ontbreekt de directe noodzaak voor een faunabeheerplan. In dergelijke gevallen volstaat een onderbouwing van de individuele noodzaak van ingrijpen.

Overwegingen t.a.v. erkende belangen en soorten

Volksgezondheid en openbare veiligheid

Aanwijzing of ontheffing

Wanneer op voorhand duidelijk is dat het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid in het geding is, is de aanwijzing het meest effectieve instrument. Dit omdat snel ingrijpen is geboden en aangewezen (categorieën van) personen ook gronden zonder toestemming van de eigenaar mogen betreden. In de meeste gevallen zal echter uitvoering worden gegeven middels een ontheffing. In het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid verlenen GS slechts ontheffing in bijzondere gevallen. Elke aanvraag wordt afzonderlijk getoetst op noodzaak van ingrijpen en effectiviteit van voorgestelde maatregelen.

Volksgezondheid

Waar het gaat om het belang van de volksgezondheid gaat het met name om de overdracht van ziektes. Een dergelijk belang wordt wel eens voorgesteld bij de Vos als het gaat om overdracht van vossenlintworm en rabiës. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) doet onderzoek naar de verspreiding van beide ziektes. Resultaten van dit onderzoek geven nog geen directe aanleiding dergelijke ontheffingen te verlenen. Wanneer er sprake is van een landelijk risico, is het aan de Minister van LNV hierop maatregelen te nemen. Wanneer er sprake is van een lokaal belang van de volksgezondheid, vereisen GS ter onderbouwing een verklaring van de GG en GD, inhoudende dat de volksgezondheid daadwerkelijk in gevaar is. Daarnaast kan het belang van de volksgezondheid in het geding zijn bij zwemwateren, waar watervogels bijvoorbeeld gastheer zijn van de parasiet Cercariën dermatitis. Van belang hier is het verwijderen van slakken die tussengastheer zijn voor de parasiet. Aanvullend kan ontheffing worden verleend voor het opzettelijk verontrusten (o.a. met jachtvogels) van aanwezige watervogels (bijv. Wilde eend, Kokmeeuw). Ook hier is een verklaring van de GG en GD, inhoudende dat de volksgezondheid daadwerkelijk in gevaar is, vereist.

Openbare veiligheid

Het belang van de openbare veiligheid kan in het geding zijn bij aanrijdingen met het wegverkeer (met grote zoogdieren als Damhert, Edelhert, Ree, Wild zwijn) en de ondergraving van oevers en taluds van waterkeringen, om waterbergingen en van spoorbanen en -dijken (door Konijn, Muskusrat, Vos). Door vergraving wordt de stabiliteit van waterkeringen aangetast waardoor mogelijk verzakkingen optreden. Het graven van grote gaten in een dijklichaam verzwakt de waterkerende functie en kan bij extreme weersomstandigheden tot calamiteiten leiden, waarbij mensen, vee en gebouwen in het achterliggende gebied gevaar lopen. Ontheffing wordt zonodig verleend voor geweer en kunstlicht, om effectiever op te kunnen treden. Bij het spoor kan de stabiliteit van de spoorbaan en daarmee de veilige bereidbaarheid in het geding zijn. Ontheffing wordt met name verleend voor het gebruik van fret en buidel. Een aanvraag in het belang van de openbare veiligheid dient vergezeld te gaan van een verklaring van de betrokken overheid (hoogheemraadschap, waterschap, Rijkswaterstaat of gemeente) dat de openbare veiligheid daadwerkelijk in gevaar is.

Veiligheid van het luchtverkeer

Bij het belang van de veiligheid van het luchtverkeer gaat het met name om vogelsoorten waarbij tijdens start of landing van vliegtuigen risico’s van aanvaringen bestaan. Hierbij gaat het vooral om grotere groepen vogels op en rond startbanen. Ook grotere zoogdieren, met name Ree, vormen een mogelijk risico. Sinds de invoering van de Flora- en faunawet is er sprake van verleende ontheffingen aan de Koninklijke Luchtmacht voor het opzettelijk verontrusten en zonodig doden van vogels en reeën ter plaatse, om risico’s bij start en landing te vermijden. Nieuwe aanvragen worden beoordeeld op noodzaak en effectiviteit van voorgestelde maatregelen. De aanvragen dienen degelijk onderbouwd te zijn, bijvoorbeeld met een verklaring van de RLD of het hoofd veiligheid van een vliegbasis. Aanvragen dienen bij voorkeur te worden ingediend in samenwerking met de Faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.

Belangrijke schade aan gewassen

Definitie belangrijke schade

Als definitie van belangrijke schade aan gewassen wordt gehanteerd een schade van minimaal € 250 per geval.

Preventieve maatregelen

Een grondgebruiker dient minimaal twee in het Handboek Faunaschade genoemde preventieve maatregelen (per soort/gewascombinatie) op een effectieve wijze toe te passen ter voorkoming van belangrijke schade. Bij de aanvraag dient inzichtelijk te worden gemaakt dat het effect hiervan onvoldoende is. Tevens dient hij aan te geven dat gebruik van het middel waarvoor ontheffing wordt aangevraagd tot een bevredigend resultaat zal leiden. Mogelijk treedt bij het vereisen van preventieve maatregelen strijdigheid op met de Algemene Politieverordening, waarin is opgenomen dat bepaalde middelen vanwege bijvoorbeeld geluidsoverlast niet mogen worden gebruikt. Ook het provinciaal beleid t.a.v. teeltondersteunende voorzieningen kan strijdig zijn. Bepaalde middelen mogen rondom natuurgebieden niet worden ingezet. In dergelijke gevallen wordt hiermee op aangeven van de aanvrager rekening gehouden bij de beoordeling van aanvragen.

Welke soorten veroorzaken belangrijke schade in Noord-Brabant?

Bij de formulering van beleid aangaande diersoorten en gewassen waarbij sprake is van belangrijke schade (bijlage 1), is uitgegaan van schade-gegevens van het Faunafonds, afschot-gegevens van de KNJV, aantals- en verspreidings-gegevens van de provincie, SOVON en de VZZ en het vigerende faunabeheerplan van de Faunabeheereenheid. Tabel 1 geeft op basis van ervaringsgegevens aan in welke gewassen en welke periode diersoorten belangrijke schade aan gewassen in de provincie Noord-Brabant kunnen veroorzaken. Deze zijn richtinggevend in het kader van ontheffingverlening. Ze geven een indicatie van wanneer belangrijke schade op kan treden. Bij voldoende schade-onderbouwing is ook buiten deze periode ontheffingverlening mogelijk. Van soorten die niet genoemd staan, zijn geen gegevens over belangrijke schade sinds de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet voorhanden.

In geval niet genoemde soorten incidenteel verantwoordelijk zijn voor belangrijke schade, wordt getoetst aan de standaardvoorwaarden (definitie belangrijke schade en preventieve maatregelen). Ontheffing kan in dergelijke gevallen nog zonder een onderliggend faunabeheerplan worden verleend, aangezien planmatig beheer nog niet aan de orde is.

Tabel 1. Schade aan gewassen, aard van de schade en periode van het jaar per soort in Noord-Brabant.

Soort

Belangrijke schade

Gewas

Aard van de schade

Periode van het jaar

Bever

ja

Suikerbieten

vraat gewas

groeiseizoen

 

ja

Bomen

vraat bomen

winter

Beverrat

nee

 

 

 

Bosmuis

ja

Diverse gewassen

vraat

winterperiode

Brandgans

ja

Graan, graszaad

vraat gewas

1/11-1/4

 

ja

Grasland

vraat gewas

1/3-1/4

Canadese gans

ja

Graan, graszaad

vraat gewas

1/7-15/9

 

ja

Grasland

vraat gewas

1/7-15/9

 

ja

Suikerbieten, peulvruchten

vraat gewas

1/7-15/9

Damhert

ja

Akkerbouwgewassen

vraat gewas

groeiseizoen

 

ja

Fruit

vraat bomen/knoppen

gehele jaar

Das

ja

Grasland

vraat

groeiseizoen

 

ja

Maïs

vraat gewas

1/8-15/10

 

ja

Graan

vraat gewas

groeiseizoen

Ekster

ja

Fruit, boomkwekerij

vraat vruchten/gewas

gehele jaar

Fazant

ja

Bieten

vraat kiemplanten

groeiseizoen

 

ja

Bolgewassen

vraat gewas

1/3-1/5

Grauwe gans

ja

Graan, graszaad

vraat gewas

1/11-1/4

 

ja

Graan, graszaad

vraat gewas

1/7-15/9

 

ja

Grasland

vraat gewas

1/4-15/9

 

ja

Suikerbieten, peulvruchten

vraat gewas

1/7-15/9

Haas

ja

Fruitbomen, boomkwekerij

vraat bomen

gehele jaar

 

ja

Bieten

vraat kiemplanten

groeiseizoen

 

ja

Bonen

vraat kiemplanten

groeiseizoen

Holenduif

ja

Tuinbouw, peulvruchten

vraat kiemplanten

15/6-1/9

Houtduif

ja

Diverse gewassen

vraat zaad, kiemplanten

gehele jaar

Huismus

nee

 

 

 

Kauw

ja

Fruit

vraat vruchten

1/6-15/10

Kleine rietgans

nee

 

 

 

Knobbelzwaan

ja

1e jaars grasland

vraat gewas

1/11-1/4

 

ja

Graan, graszaad

vraat gewas

1/11-1/4

Kolgans

ja

Graan, graszaad

vraat gewas

1/11-1/4

 

ja

Graan, graszaad

vraat gewas

1/7-15/9

 

ja

Grasland

vraat gewas

1/3-1/4

 

ja

Grasland

vraat gewas

1/7-15/9

 

ja

Suikerbieten, peulvruchten

vraat gewas

1/7-15/9

Konijn

ja

Diverse gewassen

vraat en graafschade

gehele jaar

Meerkoet

ja

Grasland, graan

vraat gewas

1/11-1/4

Nijlgans

nee

 

 

 

Patrijs

nee

 

 

 

Ree

ja

Fruit

vraat bomen/knoppen

gehele jaar

Rietgans

ja

Graan, graszaad

vraat gewas

1/11-1/4

 

ja

Grasland

vraat gewas

1/3-1/4

Ringmus

nee

 

 

 

Roek

ja

Maïs

vraat kiemplanten

1/5-1/6

 

ja

Graan, fruit, boomkwekerij

vraat gewas/bomen

1/7-15/11

 

ja

Gelegerd graan

vraat

1/7-31/8

Rotgans

ja

Graan, graszaad

vraat gewas

1/11-1/4

 

ja

Grasland

vraat gewas

1/3-1/4

Smient

ja

Graan, graszaad

vraat gewas

1/11-1/4

 

ja

Grasland

vraat gewas

1/3-1/4

Spreeuw

ja

Zacht fruit (kersen, bessen)

vraat vruchten

1/6-15/11

Veldmuis

ja

Diverse gewassen

vraat

winterperiode

Verwilderde duif

ja

Diverse gewassen

vraat zaad

gehele jaar

Wilde eend

ja

Gelegerd graan/graszaad

vraat zaad

1/6-15/8

 

ja

Peulvruchten

vraat gewas

1/6-15/8

Wilde zwaan

ja

Graan, graszaad

vraat zaad

1/11-1/4

Wild zwijn

ja

Akkerbouwgewassen

gehele jaar

 

Zwarte kraai

ja Fruit

vraat vruchten

1/6-15/8

 

 

Ja

Boomkwekerij

top- en takbreuk

1/10-31/12;1/3-30/4

 

ja

Tuinbouwgewassen

pikschade

1/7-15/9

Belangrijke schade aan vee

Bij belangrijke schade aan (bedrijfsmatig gehouden) vee gaat het met name om schade door vossen aan pluimvee, lammeren en biggen. In de praktijk betreft dit met name zogenaamde Freilandbedrijven (vrije uitloop). In de provincie Noord-Brabant waren eind 2004 in totaal 49 Freilandbedrijven bekend. In totaal gaat het om circa 750.000 gehouden dieren. De bedrijfsgrootte varieert van 200 tot 76.000 dieren.

Belangrijke schade

Als definitie van belangrijke schade wordt gehanteerd een schade van tenminste € 250,00/geval. Het is echter wel van belang dat een aanvraag feitelijk wordt onderbouwd met gegevens over bedrijfsomvang, -omzet, reguliere sterfte en opgetreden sterfte als gevolg van predatie door vossen en stress als gevolg van op het terrein aanwezige vossen. Inzichtelijk dient te worden gemaakt welke schade daadwerkelijk is opgetreden als gevolg van de aanwezigheid van vossen.

Preventieve maatregelen

GS zijn van mening dat bij grote Freilandbedrijven niet in redelijkheid gevraagd kan worden dat een vossenwerend raster geplaatst wordt. Met betrekking tot de bedrijfseconomische aspecten zijn de kosten van het raster door het Faunafonds afgezet tegen de arbeidsopbrengst van diverse bedrijven. Daarbij is gebleken dat de jaarlijkse rasterkosten tussen de 10 en 35 % bedragen, afgezet tegen de arbeidsopbrengst van het bedrijf. GS achten dit een onevenredige investering. Afgezien van de economische consequenties leidt het plaatsen van rasters ook tot ongewenste “verhekking” van het landschap. Ook het provinciaal beleid t.a.v. teeltondersteunende voorzieningen en in voorkomende gevallen gemeentelijk beleid staat plaatsing van hoge hekken niet altijd toe.

Beleid

Het terugdringen van de vossenstand rond Freilandbedrijven wordt niet onredelijk geacht. Een planmatige aanpak verdient de voorkeur en ontheffingen worden daarom bij voorkeur verleend aan de Faunabeheereenheid op basis van een door GS goedgekeurd faunabeheerplan. Indien dit nog niet aanwezig is, dient de onderbouwing te worden geleverd middels een wildbeheerplan. Ontheffing kan vervolgens worden verleend zonder dat een vossenkerend raster vereist is. De ontheffing wordt verleend voor een zone van enkele kilometers rondom het betreffende bedrijf en bij voorkeur een cluster van bedrijven, waarbinnen de burchten van vossen zijn gelegen die de betreffende bedrijven bezoeken. Bij de begrenzing van het gebied wordt rekening gehouden met geografische grenzen als grote waterwegen en autosnelwegen.

Belangrijke schade aan bossen

Een kwantificering van schade door beschermde inheemse diersoorten in de bosbouw is niet voorhanden. In de praktijk is schade te verwachten door Ree, Damhert, Wild zwijn en Edelhert, waarvan in Noord-Brabant alleen het Ree algemeen voorkomt. Daarnaast is schade mogelijk door Bosmuis en Rosse woelmuis, met name in jonge aanplant. Gezien het feit dat geen kwantificering voorhanden is, is ontheffingverlening vooralsnog niet aan de orde. Ontheffingen worden zonodig verleend aan de Faunabeheereenheid op basis van een door GS goedgekeurd faunabeheerplan.

Belangrijke schade aan bedrijfsmatige visserij en wateren

Een kwantificering van schade door beschermde inheemse diersoorten aan bedrijfsmatige visserij is niet voorhanden. Belangrijke schade in commerciële viskwekerijen door bijvoorbeeld futen en aalscholvers is afdoende te voorkomen met overnetting als preventieve maatregel. Bij forellenvijvers is dit niet mogelijk, maar is opzettelijk verontrusten (lawaai) wel effectief. Gezien het feit dat geen kwantificering voorhanden is, is ontheffingverlening vooralsnog niet aan de orde. Ontheffingen worden zonodig verleend aan de Faunabeheereenheid op basis van een door GS goedgekeurd faunabeheerplan.

In de Deltawateren of in de Maas kan door toename van bepaalde populaties van (beschermde) vissoorten schade ontstaan aan bedrijfsmatige visserij. Aangezien hier de noodzaak van tussenkomst van een Faunabeheereenheid ontbreekt, worden individuele aanvragen in behandeling genomen. Hierbij is een onderbouwing van de aanvraag door middel van een kwantificering van de schade, gerelateerd aan inzicht in populaties van de betrokken soorten vereist. De gunstige staat van instandhouding van de betreffende beschermde vissoort is een belangrijk argument in de door GS te maken afweging.

Schade aan flora en fauna

Of schade aan flora en fauna aan de orde is, kan uitsluitend worden beoordeeld op basis van objectieve onderzoeksgegevens, bij voorkeur door een ecologisch onderzoeksbureau. Hierbij dient inzichtelijk te zijn gemaakt, welk effect er is van een populatie van de ene soort op een populatie van de andere soort, dan wel van schade aan de eigen soort. Nut en noodzaak van ingrijpen door de mens dienen te worden aangetoond. Vanuit ecologisch oogpunt gaat het hier om concurrentie tussen diersoorten en predatie. Bij predatie wordt behalve de verwilderde kat met name de Vos in relatie tot de achteruitgang van weidevogels genoemd. Het landelijk predatie-onderzoek heeft echter vooralsnog niet tot de conclusie geleid dat de rol van de Vos zodanig is, dat weidevogelpopulaties met name door predatie van Vossen achteruitgaan. Ook andere oorzaken (intensivering landbouw, waterhuishouding) en predatie door andere diersoorten (kraaien, ratten, reigers, Ooievaar) kunnen een belangrijke rol spelen. Predatie is een natuurlijk proces, dat op zich geen reden is voor ingrijpen in de populatie van een diersoort. Lokaal kan het echter wel degelijk nodig zijn om in te grijpen. In dit soort situaties kan, goed onderbouwd (zie hiervoor), sprake zijn van verlening van een ontheffing. Deze wordt uitsluitend verleend aan de Faunabeheereenheid op basis van een door GS goedgekeurd faunabeheerplan. Van concurrentie tussen diersoorten, waarbij schade optreedt aan beschermde inheemse diersoorten, is mogelijk sprake bij definitieve vestiging en uitbreiding van exoten als Marterhond, Wasbeer en Verwilderde nerts, waarbij concurrentie om voedsel en schuilplaatsen met beschermde inheemse roofdiersoorten aan de orde is. Hetzelfde geldt voor Nijlgans en beschermde inheemse holenbroeders. De Muntjak kan schade veroorzaken aan beschermde plantensoorten. Een goede onderbouwing voor het erkend belang schade aan de fauna ontbreekt vooralsnog. Anders is dit bij de Rosse stekelstaart, die in Spanje hybridiseert met de zeldzame Witkopeend, die daardoor in Europa in het voortbestaan wordt bedreigd. De stand van de Rosse stekelstaart, die in Nederland (met name Zeeland, Zuid- en Noord-Holland toeneemt) dient daarom te worden beperkt. In Noord-Brabant komt de soort voor in het Peelgebied. Ten aanzien van de Rosse stekelstaart zijn jachtaktehouders aangewezen om de soort in haar stand te beperken. Exoten worden niet aangemerkt als beschermde inheemse diersoorten. Het gebruik van de middelen waarmee onbeschermde diersoorten mogen worden gevangen of gedood is wel gereguleerd (Besluit beheer en schadebestrijding dieren).

Overige bij AmvB aangewezen belangen

In het Besluit beheer en schadebestrijding dieren (art. 4) zijn nog andere erkende belangen aangegeven, op grond waarvan GS ontheffing kunnen verlenen. Dit is ter voorkoming en bestrijding van:

  • -

    schade of belangrijke overlast veroorzaakt door steenmarters aan gebouwen of zich daarin of daarbij bevindende roerende zaken;

  • -

    schade veroorzaakt door vossen aan niet bedrijfsmatig gehouden vee;

  • -

    onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren (Edelhert, Ree, Damhert, Wild zwijn);

  • -

    schade veroorzaakt door konijnen of vossen op sportvelden of industrieterreinen;

  • -

    populatiebeheer (Edelhert, Ree, Damhert, Wild zwijn).

Steenmarter

De Steenmarter kwam tot voor kort niet in Noord-Brabant voor, maar is nu bezig aan een opmars. In Zuid-, Midden- en Oost-Brabant neemt het aantal meldingen gestaag toe (Tilburg, Kruisstraat, Mill). De opmars vindt zijn oorsprong vooral vanuit Vlaanderen en vanuit Limburg ten westen van de Maas. De soort veroorzaakt in Noord-Brabant nog geen schade of belangrijke overlast. Gezien de recente uitbreiding is het niet uit te sluiten dat dit in de nabije toekomst wel het geval zal zijn. In principe zijn er voldoende preventieve maatregelen mogelijk ter voorkoming van schade aan gebouwen. Zonodig verlenen GS individueel ontheffing, op basis van een goede onderbouwing, voor het vangen en verplaatsen van steenmarters. Vooralsnog ontbreekt de noodzaak van tussenkomst van de Faunabeheereenheid.

Vossen en niet bedrijfsmatig gehouden vee

Schade aan niet bedrijfsmatig gehouden vee door vossen vindt regelmatig plaats. De provincie heeft hiervoor een speciaal meldpunt ingesteld (zie colofon). Dergelijke schade kan worden voorkomen door afdoende preventieve maatregelen te treffen. Aangeraden wordt dieren ’s nachts zodanig op te sluiten, dat vossen niet kunnen toeslaan. Bij kostbare verzamelingen van sierpluimvee en sierwatervogels is een afrastering vereist. Een effectief voswerend raster is 1.70 m hoog waarvan de bovenste 40 cm in een hoek van 30 graden naar buiten stekend; 50 cm ingegraven of een strook tegels van 40 cm om ondergraving te voorkomen. Aangezien schade op deze wijze te voorkomen wordt geacht, verlenen GS in principe geen ontheffing op basis van dit erkend belang. Alleen als een effectief voswerend raster aantoonbaar geen oplossing biedt, wordt incidenteel ontheffing verleend in relatie tot kostbare verzamelingen van sierpluimvee en sierwatervogels. De schade moet dan wel aannemelijk zijn gemaakt (d.m.v. taxaties).

Onnodig lijden

Aanwijzing of ontheffing ten behoeve van het beheer van grote hoefdieren vindt uitsluitend plaats aan de Faunabeheereenheid op basis van een door GS goedgekeurd faunabeheerplan. Het onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren dient voor deze soorten onderdeel te zijn van het faunabeheerplan. Afzonderlijke ontheffingen op basis van dit belang worden dan ook niet verleend.

Konijn en Vos op sportvelden en industrieterreinen

GS verlenen bij voorkeur ontheffing aan de Faunabeheereenheid op basis van een door GS goedgekeurd faunabeheerplan. Indien dit nog niet aanwezig is, dient bij individuele aanvragen een goede onderbouwing van de noodzaak voor ontheffing te worden geleverd. De schade aan sportvelden bestaat vooral uit vernieling van heringezaaide grasmatten en het graven van holen en gaten. Persoonlijk letsel is niet uitgesloten. Bij schade aan industrieterreinen gaat het om het ondermijnen van kabelgoten, gebouwen en andere werken of installaties. Bij sportvelden en industrieterreinen gaat het normaliter om grotere oppervlakken, die door middel van een afrastering niet eenvoudig vrij zijn te houden van konijnen en vossen. Een voor vossen en konijnen effectieve afrastering brengt grote maatschappelijke kosten met zich mee. Door aanpassingen aan de dekking biedende beplanting rondom kwetsbare terreindelen kan de konijnenpopulatie zoveel mogelijk worden teruggedrongen. Konijnen zijn in principe te bestrijden met fret en buidel. In voorkomende gevallen kan zowel voor konijn als vos gebruik van het geweer noodzakelijk zijn. Aansluiting op een bejaagbaar jachtveld is daarbij na wijziging van de Flora- en faunawet, zodat GS ook ontheffing voor kleinere oppervlakten dan 40 ha kunnen geven, niet meer vereist. In dit soort specifieke situaties dient bij een aanvraag concreet in beeld te worden gebracht waarom preventieve maatregelen niet toereikend zijn om schade te voorkomen. Tevens dient aard en omvang van de schade te worden geconcretiseerd.

Populatiebeheer

De aanleiding tot het reguleren van de populatieomvang van de vier genoemde soorten dient gelegen te zijn in de schadehistorie ter plaatse en van de omringende percelen, of de maximale populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden. Gezien de nuloptie voor damhert, edelhert en wild zwijn, geldt dit vooralsnog uitsluitend voor het ree. Hieraan dient een onderbouwing te worden gegeven in het faunabeheerplan. GS verlenen op basis hiervan dan ook ontheffing in het kader van dit erkend belang. De methode Van Haaften wordt hierbij vooralsnog als uitgangspunt gehanteerd.

Vangnetartikel 75

Voor een aantal situaties, die wel betrekking hebben op schadebestrijding en beheer, kunnen GS op grond van de via artikel 68 erkende belangen geen ontheffing verlenen. Hiervoor biedt artikel 75 een vangnet. De minister van LNV is hiervoor bevoegd gezag, zodat dergelijke aanvragen niet bij de provincie moeten worden ingediend. Het gaat o.a. om de volgende situaties:

  • -

    voorkomen of bestrijden van schade op begraafplaatsen (met name konijnen);

  • -

    voorkomen of bestrijden van schade op golfbanen (met name konijnen);

  • -

    belangrijke overlast (bijvoorbeeld roeken in de bebouwde kom);

  • -

    ernstige schade aan eigendommen. Op grond van artikel 75 geldt een algemene vrijstelling zonder voorwaarden van de verboden van art. 9 t/m 11 van de Flora- en faunawet voor mol, bosmuis en veldmuis.

Provinciaal beleid

7.Ten aanzien van ontheffingaanvragen in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid vereisen GS verklaringen van resp. de GG en GD en de betrokken overheid dat genoemde belangen daadwerkelijk in het geding zijn.

8.Ten aanzien van ontheffingaanvragen in het kader van de veiligheid van het vliegverkeer vereisen GS een verklaring van een bevoegde instantie en vragen GS de aanvraag in te dienen in samenwerking met een Faunabeheereenheid.

9.Van belangrijke schade aan gewassen is sprake bij schade van minimaal € 250,- per geval. Een grondgebruiker dient tenminste twee in het Handboek Faunaschade genoemde preventieve maatregelen op een effectieve wijze ingezet te hebben ter voorkoming van belangrijke schade.

10.Bij ontheffingaanvragen in het kader van voorkoming van schade aan vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren dient belangrijke schade te worden aangetoond aan de hand van een eenduidige onderbouwing. Verder dient aangegeven te worden dat preventieve middelen in voldoende mate en afdoende zijn toegepast. Ontheffingverlening vindt bij voorkeur plaats op basis van een goedgekeurd faunabeheerplan.

11.Bij Freilandbedrijven wordt in geval van belangrijke schade (afgezet tegen bedrijfsomvang en –omzet en reguliere sterfte) door vossen ontheffing verleend; bij grote oppervlakte wordt de vereiste van een vossenkerend raster niet redelijk geacht.

12.Bij overig niet bedrijfsmatig gehouden vee wordt in principe geen ontheffing verleend, omdat (’s nachts) opsluiten voldoende effectief wordt geacht.

13.Ontheffingen ter voorkoming van schade aan flora en fauna worden uitsluitend verleend op grond van objectieve onderzoeksgegevens die inzichtelijk maken welk effect een populatie van een soort op een populatie van een andere soort heeft.

Vrijstellingen

Wettelijk kader

Op grond van de artikelen 65 en 66 Flora- en faunawet kan bij ministeriële regeling of provinciale verordening vrijstelling worden verleend op het verbod van verstoren en/of doden van beschermde inheemse diersoorten. De vrijstelling strekt momenteel alleen tot het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

De minister heeft een landelijke vrijstelling verleend voor het doden, vangen en opzettelijk verontrusten van soorten die in het gehele land veelvuldig belangrijke schade aanrichten: Canadese gans (per 01-04-06), konijn, houtduif, zwarte kraai en kauw. De vos staat op de landelijke vrijstellingslijst, zodra de hiervoor benodigde wetswijziging (toevoeging belang ‘schade aan de fauna’) van kracht is. Een planmatige aanpak bij deze soorten is uit een oogpunt van effectiviteit en instandhouding van de populaties niet noodzakelijk, aldus de toelichting op het Besluit beheer en schadebestrijding dieren.

Provinciale vrijstelling

PS kunnen bij provinciale verordening voor soorten die "in delen van het land veelvuldig belangrijke schade aanrichten" vrijstelling van de verboden verlenen. De minister heeft in het Besluit schadebestrijding en beheer dieren de soorten aangewezen waarvoor PS vrijstelling kunnen verlenen: bosmuis, brandgans, ekster, fazant per 01-04-06, grauwe gans, haas, holenduif, huismus, kleine rietgans, knobbelzwaan, kolgans, meerkoet, rietgans, ringmus, roek, rotgans, smient, spreeuw, veldmuis, wilde eend en woelrat per 01-04-06. Dit besluit wordt elke twee jaar herzien, gehoord het Faunafonds. Voor de genoemde soorten kan bij provinciale verordening (gehoord het Faunafonds) worden toegestaan dat de grondgebruiker, in afwijking van de artikelen 9, 10, 11 en 12, handelingen verricht op de door hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen. Ingevolge artikel 66 komt dit recht ook toe aan de gebruiker van opstallen, niet zijnde de grondgebruiker, voor zover het de door hem gebruikte opstallen en de daarbij behorende erven betreft.

Overwegingen

Bij de evaluatie van de eerste door Provinciale Staten vastgestelde verordening, is invulling gegeven aan het begrip ‘veelvuldig’:

  • -

    er is sprake van tenminste 50 schademeldingen op jaarbasis, èn;

  • -

    de getaxeerde / uitgekeerde schade ligt tenminste op 50 * € 115,-/ha = € 5.750,- op jaarbasis, èn;

  • -

    er is sprake van tenminste 50 ontheffingaanvragen per jaar, waarbij in tenminste 75% van de gevallen ontheffing is verleend. Zonodig is hierbij onderscheid gemaakt naar gewastypen.

Onderstaande tabel geeft de soorten op de vigerende provinciale vrijstellingslijst (Provinciale Staten, december 2004) weer.

Doden en opzettelijk verontrusten

Roek in appels en peren en vollegrondsgroenten van 1 mei tot 31 oktober

Alleen opzettelijk verontrusten

Brandgans, Ekster, Grauwe gans, Haas, Holenduif, Knobbelzwaan, Kolgans, Meerkoet, Rietgans, Rotgans, Smient, Spreeuw, Wilde eend

De provinciale verordening vrijstellingen Flora- en faunawet is op 3 december 2004 vastgesteld voor een periode van 2 jaar. Elke twee jaar vindt een evaluatie en zonodig een herziening van de provinciale verordening plaats, gezien het feit dat de lijst van soorten waarvoor provinciale vrijstelling kan worden verleend, ook tweejaarlijks door het Ministerie van LNV wordt geëvalueerd en (eventueel) gewijzigd. Herziening vindt plaats op basis van de informatie die in deze periode van twee jaar beschikbaar komt over schadeomvang, ontheffingverlening en effectiviteit van opzettelijk verontrusten en doden.

Provinciaal beleid

14.Een provinciale vrijstelling voor doden geldt voor de roek, op percelen met appels en peren en vollegrondsgroenten in de periode 1 mei tot 31 oktober

15.Een provinciale vrijstelling voor opzettelijk verontrusten geldt voor Brandgans, Ekster, Grauwe gans, Haas, Holenduif, Meerkoet, Knobbelzwaan, Kolgans, Rietgans, Roek, Rotgans, Smient, Spreeuw, Wilde eend. Voor ganzen en smienten geldt de vrijstelling niet binnen door GS aangewezen foerageergebieden in de periode 1 september – 1 april.

16.Tweejaarlijks vindt een evaluatie plaats van de soorten op de provinciale vrijstelling. Zonodig vindt op basis van deze evaluatie herziening plaats, op grond van een openbare voorbereidingsprocedure.

Aanwijzingen

Wettelijk kader

Op grond van artikel 67 Flora- en faunawet kunnen GS, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, (categorieën van) personen aanwijzen die in kunnen grijpen in de stand van bij ministeriële regeling aangewezen beschermde inheemse diersoorten of andere diersoorten of verwilderde dieren, op door GS aan te wijzen gronden. Dit is mogelijk in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid, de veiligheid van het vliegverkeer, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren en ter voorkoming van schade aan de flora en fauna.

De minister heeft in het Besluit schadebestrijding en beheer dieren de soorten aangewezen waarvoor GS aanwijzing kunnen verlenen: Beverrat, Canadese gans, Damhert, Edelhert, Grauwe gans, Knobbelzwaan, Konijn, Marterhond, Muntjak, Muskusrat, Nijlgans, Ree, Rosse stekelstaart, Siberische grondeekhoorn, Verwilderde duif, Verwilderde kat, Verwilderde nerts, Vos, Wasbeer, Wild zwijn. De meeste genoemde soorten zijn verwilderde soorten of exoten, die grotendeels niet onder de beschermingsbepalingen van de wet vallen.

Overwegingen

De aanwijzing van (categorieën van) personen geldt soorten:

  • -

    waarvan vestiging of uitbreiding van populaties niet gewenst is, vanwege het feit dat schade aan flora en fauna is aangetoond: Rosse stekelstaart, Verwilderde kat; dan wel in het belang van de openbare veiligheid: Beverrat en Muskusrat;

  • -

    waarbij in het belang van de openbare veiligheid snel ingrijpen gewenst is: Damhert, Wild zwijn (voor beide soorten geldt een 0-optie);

  • -

    waarbij sprake is van belangrijke schade aan gewassen en waarbij ontheffingverlening niet mogelijk is: Verwilderde duif (voor deze soort geldt tevens de Provinciale Verordening Ophokplicht Duiven Noord-Brabant 2004). Voor de soorten waarvoor de aanwijzing wordt toegepast worden door GS vooralsnog geen faunabeheerplannen vereist.

Onderstaande tabel geeft de soorten in het aanwijzingsbesluit weer.

Jachtaktehouders (gronden waar zij rechthebbend zijn) | Damhert, Muskusrat, Rosse stekelstaart, Verwilderde duif, Verwilderde kat, Wild zwijn | Muskusrattenbestrijders (gehele provincie) | Beverrat, Muskusrat |

GS zijn voornemens bij herintroductie van edelherten de Faunabeheereenheid Noord-Brabant aan te wijzen als categorie van personen in de zin van art. 67, om het beheer binnen het middels een faunabeheerplan te begrenzen verspreidingsgebied te voeren. Buiten dit gebied blijft een 0-optie gelden.

Nadere voorschriften

Met betrekking tot het doden van muskusratten door jachtaktehouders geldt een meldingsplicht bij de provinciale muskusrattenbestrijding. Voor de overige soorten is er een meldingsplicht ingesteld bij het bureau Natuur en Landschap.

Ten behoeve van monitoring bij afschot van wilde zwijnen vindt een landelijke monitoring plaats, in verband met mogelijke gevolgen van ziektes voor het vee. Hierom is in het aanwijzingsbesluit tevens een meldingsplicht opgenomen bij de Gezondheidsdienst voor Dieren te Deventer.

Provinciaal beleid

17.Het vigerende aanwijzingsbesluit blijft ongewijzigd. Dit betreft:

- provinciale muskusrattenbestrijders ter beperking van de stand van muskusrat en beverrat op het gehele provinciale grondgebied;

- jachtaktehouders ter beperking van de stand van damhert, muskusrat, rosse stekelstaart, verwilderde duif, verwilderde kat en wild zwijn op alle gronden waarop zij rechthebbend zijn;

- GS wijzen bij herintroductie van edelherten de Faunabeheereenheid Noord-Brabant aan als categorie van personen in de zin van art. 67, om het beheer binnen het middels een faunabeheerplan te begrenzen verspreidingsgebied te voeren. Buiten dit gebied blijft een 0-optie gelden.

18.Met betrekking tot het doden van muskusratten door jachtaktehouders geldt een meldingsplicht bij de provinciale muskusrattenbestrijding. Voor de overige soorten waarvoor een aanwijzing geldt een meldingsplicht bij Bureau Natuur en Landschap van de provincie en voor Wild zwijnen aanvullend bij de Gez0ndheidsdienst voor Dieren te Deventer.

Ontheffingen

Wettelijk kader

Op grond van artikel 68 kunnen GS, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van de wet vrijstelling is of kan worden verleend, ontheffing verlenen van de artikelen 9 t/m 18 en 72, vijfde lid, in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid, de veiligheid van het vliegverkeer, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren, ter voorkoming van schade aan flora en fauna of met het oog op andere, bij AmvB aan te wijzen belangen. De ontheffing wordt in beginsel slechts verleend aan een Faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan, voor een periode van ten hoogste vijf jaren.

Toegestane middelen

Preventieve maatregelen: zie Handboek Faunaschade van het Faunafonds.

Opzettelijk verontrusten: akoestische middelen, vogelverschrikkers, schriklinten etc., neproofvogels, echte roofvogels (slechtvalk, havik voor zover deze worden meegevoerd en niet worden losgelaten), met personen of honden schadegevoelige percelen belopen, schieten in de lucht (mag met een jachtgeweer mits in bezit van jachtakte en ter plaatse gerechtigd).

Vangen en doden: tot jagen geoorloofde middelen zijn (Flora- en faunawet, artikel 50) geweren, honden (niet zijnde lange honden), gefokte slechtvalken en haviken, geregistreerde eendenkooien, lokeenden, lokduiven, fretten en buidels. Het Besluit beheer en schadebestrijding dieren stelt voorwaarden en beperkingen aan het gebruik van deze middelen; hiervan is ontheffing mogelijk. Het Jachtbesluit stelt voorwaarden aan te gebruiken munitie. Geluiddempers en kunstmatige lichtbronnen, evenals vizieren met beeldomzetters, elektronische beeldversterkers of andere instrumenten om 's nachts te schieten zijn verboden. Het Besluit Beheer en schadebestrijding dieren artikel 5 voegt aan de middelen uit artikel 50 nog toe kastvallen, vangkooien, klemmen (niet zijnde pootklemmen) en middelen die krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 zijn toegelaten. Artikel 10 van dit Besluit stelt dat de genoemde middelen voor zover zij strekken tot het vangen en doden van dieren in het kader van aanwijzingen of ontheffingen, slechts gebruikt mogen worden indien daartoe schriftelijk toestemming is verleend door GS. Dit betekent dat in de ontheffingen expliciet wordt opgenomen met welke middelen deze mogen worden gebruikt.

Procedures

Op basis van door GS goedgekeurde faunabeheerplannen voor soorten waarvoor GS een planmatig beheer nodig acht, verlenen GS op voorhand ontheffing aan de Faunabeheereenheid. Grondgebruikers en jachthouders die gebruik willen maken van deze ontheffing, dienen een machtiging aan te vragen bij de Faunabeheereenheid. Tenminste 24 uur voorafgaand aan het gebruik hiervan, dient deze machtiging te worden geactiveerd bij de Faunabeheereenheid. Jaarlijks rapporteert de Faunabeheereenheid aan de provincie over de uitvoering van het faunabeheerplan en het gebruik van de ontheffingen op voorhand (art. 69). Het verslag wordt door GS ter inzage gelegd op het provinciehuis.

Voor soorten waarvoor geen faunabeheerplan aanwezig en vereist is, verlenen GS op basis van de wettelijke vereisten en het provinciaal beleid ontheffing aan individuele grondgebruikers en jachthouders. Ontheffingaanvragen kunnen alleen worden gedaan met standaardformulieren van de provincie. Als de overlegde gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, kunnen GS besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen, ook nadat de mogelijkheid is geboden deze aan te vullen. Zolang voor algemene schadeveroorzakende soorten geen faunabeheerplannen aanwezig zijn, kan de behandeltijd van individuele aanvragen oplopen. De provincie streeft naar een zo spoedig mogelijke afhandeling. Indien op grond van provinciaal beleid geen ontheffing verleend zal worden, wordt de aanvrager zo spoedig mogelijk in kennis gesteld.

Overigens dienen alle aanvragen, voor ontheffing, machtiging en activering, sinds 1 januari 2005 ingediend te worden bij de Faunabeheereenheid (één loket).

Besluiten van GS naar aanleiding van ontheffingaanvragen worden vooralsnog gepubliceerd in de Staatscourant en in afschrift aan de Minister gezonden. Een aanstaande wetswijziging brengt hierin verandering, zodat toezending alsmede publicatie in provinciale dagbladen of huis-aan-huis-bladen voldoende is.

Bij bijzondere weersomstandigheden kunnen Gedeputeerde Staten ingevolge art. 46 lid 5 besluiten om schadebestrijding op te schorten (afhankelijk van diersoort waarvoor ontheffing is verleend). Ingeval van sluiting van de jacht kunnen GS bepalen dat van verleende ontheffingen geen gebruik gemaakt mag worden.

Schadevergoeding

De Flora- en faunawet legt de bevoegdheid tot het verlenen van tegemoetkomingen in de schade bij het Faunafonds.

Provinciaal beleid

20.Het ontheffingenbeleid per diersoort (bijlage 1) stellen GS vast voor de looptijd van deze nota, waarna evaluatie en zonodig bijstelling zal plaatsvinden.

21.Grondgebruikers en jachthouders die gebruik willen maken van een aan de Faunabeheereenheid verleende ontheffing, dienen een machtiging aan te vragen bij de Faunabeheereenheid. Tenminste 24 uur voorafgaand aan het gebruik hiervan, dient deze machtiging te worden geactiveerd bij de Faunabeheereenheid.

22.Alle aanvragen voor ontheffing, machtiging en activering, dienen ingediend te worden bij de Faunabeheereenheid (één loket).

Handhaving

Wettelijk kader

Hoofdstuk VIII van de wet behandelt toezicht, straf- en dwangbepalingen (art. 104, 112, en 113). Handhaving van de Flora- en faunawet kan zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk plaatsvinden.

Overwegingen

Op 17 december 2002 hebben GS van Noord-Brabant het Handhavings-document Flora- en faunawet Noord-Brabant vastgesteld. Hierin is de handhavingsstrategie beschreven. In 2006 wordt dit document geëvalueerd en zonodig herzien.

De keuze voor de inzet van het bestuursrecht, strafrecht of beide (‘flankerend beleid’) is afhankelijk van ernst en/of aard van overtredingen en het beoogde effect van de handhavingsactie. Veel bepalingen in de Flora- en faunawet zijn gedragsvoorschriften, waarvan overtreding slechts op heterdaad in het veld kan worden vastgesteld. Inzet van het bestuursrechtelijke instrumentarium ligt niet voor de hand waar het moeilijk is een herhaalde overtreding te constateren, of waar de gevolgen van een overtreding niet ongedaan kunnen worden gemaakt. Dit is met name het geval bij de overtreding van algemene soortbeschermende verbodsbepalingen, bijvoorbeeld het doden van beschermde diersoorten zonder ontheffing. In dat geval ligt een “lik op stuk”-aanpak voor de hand door inzet van strafrecht. Bij overtreding van de gebiedsbeschermende bepalingen zijn er betere mogelijkheden voor inzet van het bestuursrechtelijk instrumentarium, aangezien de handhavingsinzet nauwkeuriger kan worden bepaald qua tijd en plaats. Het betreft met name de meldingsplicht en voorwaarden, gesteld bij handelingen ten aanzien van een beschermde leefomgeving. Met name bij overtreding van de voorschriften aan verleende ontheffingen ligt een bestuursrechtelijke aanpak wel voor de hand. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het ontbreken van vereiste preventieve maatregelen.

Provinciale handhavers

GS zijn bevoegd om provinciale toezichthouders aan te wijzen. Het is mogelijk toezichthouders tevens te laten aanwijzen en beëdigen als Buitengewoon Opsporings Ambtenaar (BOA). Deze combinatie van bevoegdheden biedt voor de provincie de beste mogelijkheden om de bepalingen van de Flora- en faunawet slagvaardig en effectief te kunnen handhaven. Het is daarom wenselijk dat de provinciale handhavers zowel toezichthouder als BOA zijn, zodat slagvaardig kan worden opgetreden in heterdaadgevallen.

Behalve handhaving vervullen deze functionarissen tevens een voorlichtende en adviserende rol ten aanzien van de verlening en het gebruik van vrijstellingen en ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet. Hiervoor is deskundigheid vereist op het gebied van faunabeheer, bestrijding van faunaschade in de land-, tuin- en bosbouw, en op het gebied van jacht en stroperijbestrijding.

Samenwerking en informatie-uitwisseling

Naast de provincie zijn er andere handhavingspartners die zich bezig houden met de Flora- en faunawet. Waar het werk van deze partners op hetzelfde vlak als dat van de provincie ligt, dan wel daar raakvlakken mee heeft, wordt samengewerkt. Op basis van artikel 104 Flora- en faunawet (toezicht en opsporing) zijn dit:

  • -

    de Algemene Inspectiedienst (AID) van het Ministerie van LNV; de AID heeft een algemene opsporingsbevoegdheid voor de groene wetgeving, waaronder de gehele Flora- en faunawet, maar richt zich met name op de soortenbescherming. De handhavingstaken van de AID vloeien voort uit de bevoegdheden van de Minister. Aangezien de wet en uitvoeringsbesluiten onder verantwoordelijkheid van de minister zijn uitgevaardigd ziet de AID een belangrijke taak voor zichzelf voor coördinatie, technische ondersteuning en terugkoppeling over een weer tussen de handhavingspraktijk en de beleidsvorming vanuit het vakdepartement;

  • -

    de Dienst Regelingen van het Ministerie van LNV; de ambtenaren van de Dienst Regelingen zijn aangewezen als toezichthouders Flora- en faunawet;

  • -

    politie en Openbaar Ministerie; de politie heeft algemene opsporingsbevoegdheid ten aanzien van alle strafbare feiten. Het OM beslist over de vervolging. Voor zover overtreding van de Flora- en faunawet strafbaar is gesteld in de Wet economische delicten, is zij bevoegd tot opsporing, met het oog op inzet van het strafrecht. De politie heeft een wettelijke toezichtstaak ten aanzien van de BOA’s en kan een belangrijke informerende, coördinerende, en signalerende taak vervullen tussen de minister en provincie als bevoegd gezag en de (tot op heden veelal versnipperde) opsporingscapaciteit in het veld. Dit draagt bij aan een efficiënt, slagvaardig en eenduidig provinciebreed handhavingsbeleid;

  • -

    Buitengewone opsporingsambtenaren (BOA’s) zijn aanwezig bij terreinbeherende instanties als Staatsbosbeheer, Brabants Landschap en Natuurmonumenten, maar ook bij de huidige Wildbeheereenheden. De BOA’s vallen formeel onder toezicht van de politie, maar kunnen tegelijkertijd deel uitmaken van een organisatie tot wie de provinciale regelgeving zich richt;

  • -

    Overige handhavende instanties in het buitengebied die zich bezighouden met andere dan groene wetgeving, maar wel een signalerende functie kunnen vervullen richting de hierboven genoemde instanties (milieuwethandhavers bij gemeenten en keuropzichters en controleurs Wet verontreiniging oppervlaktewater van de waterschappen).

Om optimaal gebruik te maken van deze oog en oor-functie dienen deze handhavers op de hoogte te zijn van de Flora- en faunawet en het beleid, en bij constatering van een mogelijke overtreding de juiste ingang kennen voor het doorgeven van informatie. De door de provincie uitgegeven “Handleiding Toezicht Buitengebied" vervult hier een belangrijke functie.

Doel van de samenwerking is de Flora- en faunawet zo effectief en efficiënt mogelijk te handhaven door waar nodig een afgestemd gezamenlijk op te treden, met inzet van een ieders bevoegdheden, vanuit een ieders verantwoordelijkheid. Dit houdt in uitwisseling van informatie en kennis, duidelijke afspraken over wie voor welk deel van de handhaving verantwoordelijk is, ‘kijken voor elkaar‘ (signaaltoezicht), en waar nodig projectmatig samenwerken. Met name deze laatste vorm van samenwerking (gericht op een bepaalde problematiek, gebiedsgericht en/of seizoensgericht) biedt goede mogelijkheden om het (persoonlijk) netwerk te versterken en informatie, kennis en deskundigheid uit te wisselen.

Het Provinciaal Handhavingsoverleg Milieu (PHOM) is het platform waarin de samenwerking ten aanzien van handhaving gestalte heeft. In voorkomende gevallen worden hierin ook zaken aangaande handhaving Flora- en faunawet besproken.

Provinciaal beleid

22.In 2006 wordt het Handhavingsdocument Flora- en faunawet Noord-Brabant (2002) waarin de provinciale handhavingsstrategie is opgenomen, geëvalueerd en zonodig herzien.

23.De provincie neemt deel aan structureel overleg met AID, politie, BOA's en overige handhavende instanties in het buitengebied, teneinde een efficiënte en effectieve afstemming van handhavingsacties te verkrijgen.

Uitvoeringsaspecten

Communicatie en voorlichting

Communicatie

Bij de uitvoering van het provinciale beleid ten aanzien van de uitvoering van de Flora- en faunawet zijn veel verschillende partijen betrokken. Naast de provincie zijn dit:

  • -

    de Faunabeheereenheid en de hierin deelnemende organisaties: ZLTO, Natuurmonumenten, Federatie Particulier Grondbezit, Staatsbosbeheer, Brabants Landschap en KNJV;

  • -

    grondgebruikers, die mogelijk schade ondervinden van al of niet door de wet beschermde diersoorten;

  • -

    gemeenten, met name die grond bezitten in het buitengebied;

  • -

    organisaties op het gebied van natuur- en dierenbescherming (Faunabescherming, Vogelbescherming Nederland en de Dierenbescherming);

  • -

    het Faunafonds, als adviserende en schade-vergoedende instantie;

  • -

    AID, politie, BOA’s en overige handhavende instanties in het buitengebied;

  • -

    de rijksoverheid (als wetgever) en met name het ministerie van LNV.

Waar het gaat om handhaving, vindt afstemming plaats in het provinciaal handhavingsoverleg en de landelijke werkgroep handhavingsdocument Flora- en faunawet (zie hoofdstuk 8). Voor de afstemming van het beleid met andere provincies vindt communicatie plaats binnen IPO-verband, in de IPO-werkgroep Flora- en faunawet. Dit is vooral noodzakelijk voor eenheid in beleid. Tussen de provincies kunnen er verschillen bestaan in uitvoeringsbeleid.

Voorlichting

In de periode 2002-2004 is veel aandacht besteed aan communicatie door middel van voorlichtingsavonden, informatiebrochures en via de provinciale internet-site. Vanaf 2005 wordt de voorlichting voornamelijk via de Faunabeheereenheid gevoerd (paragraaf 4.1).

Monitoring en evaluatie

Monitoring is een middel voor beleidsevaluatie en geeft inzicht in de uitvoering van het voorkomen en bestrijden van mogelijke schade door diersoorten. Ten behoeve van de uitvoering van de Flora- en faunawet zijn gegevens van belang over:

  • -

    verspreiding, omvang en ontwikkeling van dierpopulaties (vogels en zoogdieren);

  • -

    geleden schade aan belangen ingevolge de Flora- en faunawet (met name landbouw, bosbouw, verkeersveiligheid en flora en fauna);

  • -

    de effectiviteit en efficiëntie van de getroffen maatregelen ter voorkoming en bestrijding van geleden schade.

De eindverantwoordelijkheid voor deze monitoring ligt bij de provincie. Bij de uitvoering van de monitoring is er sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van provincie, Faunabeheereenheid, grondeigenaren en –gebruikers (waaronder natuurterreinbeherende organisaties), gemeenten, politie, wegbeheerders, gezondheidsdiensten, burger- en defensieluchtvaart, jagers en jachtgerechtigden. Ieder van hen heeft hierbij een eigen rol:

  • -

    de provincie is verantwoordelijk voor de monitoring van verspreiding, omvang en ontwikkeling van dierpopulaties;

  • -

    de grondeigenaren- en gebruikers zijn verantwoordelijk voor het systematisch verzamelen van gegevens over schade aan landbouw, bosbouw en flora en fauna op hun gronden;

  • -

    gemeenten, politie, burger- en defensieluchtvaart en gezondheidsdiensten hebben een eigen en specifieke taak ten aanzien van de monitoring van veiligheidsaspecten;

  • -

    de jagers en de uitvoerders van de beheersmaatregelen dienen de gegevens te verzamelen over getroffen preventieve maatregelen en afschot.

Lokaal spelen de Wildbeheereenheden hierbij een belangrijke en coördinerende rol.

De Faunabeheereenheid is verantwoordelijk voor het leggen van inhoudelijke relaties tussen de algemene monitoring en lokale gegevens. De Faunabeheereenheid heeft daarbij een toetsende rol ten aanzien van de kwaliteit en volledigheid van lokale gegevens. Ook speelt zij een belangrijke rol in de coördinatie tussen de diverse actoren. De Provincie stelt, mede op basis van de gegevens van de Faunabeheereenheid en het Faunafonds, een jaarlijkse monitoringsrapportage ‘uitvoering Flora- en faunawet’ op.

Provinciaal beleid

24.De Provincie stelt, mede op basis van de gegevens van de Faunabeheereenheid en het Faunafonds, een jaarlijkse monitoringsrapportage ‘uitvoering Flora- en faunawet’ op.

Vaststellingsprocedure

Voor de vaststelling van deze nota is een openbare voorbereidingsprocedure gevolgd. De ontwerp-beleidsnota is ter inzage gelegd op het provinciehuis en alle gemeentehuizen in Noord-Brabant van 14 november t/m 10 december 2005. De ingebrachte zienswijzen worden verwerkt in een nota van zienswijzen en wijziging. De nota is op 28 maart 2006 vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant en geldt voor onbepaalde tijd. Evaluatie van het gevoerde beleid zal periodiek (eens per 5 jaar) plaatsvinden.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van 28 maart 2006.
 

Bijlage 1 Beleidsregels per diersoort

Bosmuis, Apodemus sylvaticus 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort

Landelijk beleidskader

Landelijke vrijstelling (art. 75 Ffw) in gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken

Provinciaal beleidskader

Ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen en bossen

Gebied

Gehele provincie

Periode(n) en tijdstippen

-

Toegestane middelen

Middelen die krachtends de bestrijdingsmiddelenwet 1962 zijn toegelaten; klemmen

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aanvragen 1, waarvan 1 geweigerd.

 

Brandgans, Branta leucoptus 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Provinciale vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie. Ontheffing voor overwinterende brandganzen wordt niet verleend (kwetsbare soort). Ontheffing ’s zomers ter voorkoming van schade aan gewassen. Vestiging van een broedpopulatie is ongewenst.

Gebied

Gehele provincie

Periode(n) en tijdstippen

Periode 1/4 t/m 30/9

Toegestane middelen

Kogelgeweer vanaf .222 Remington en hagelgeweer 12, 16, 20

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aanvragen 0

 

Canadese gans, Branta canadensis 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort

Landelijk beleidskader

Landelijke vrijstelling ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen (per 01-04-06)

Provinciaal beleidskader

 

Gebied

Gehele provincie, m.u.v. aangewezen foerageergebieden voor ganzen en smienten

Periode(n) en tijdstippen

Gehele jaar

Toegestane middelen

Kogelgeweer vanaf .222 Remington en hagelgeweer 12, 16, 20

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aanvragen 18, waarvan 7 verleend, 9 geweigerd, 2 overig

 

 

 

Damhert, Dama dama 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort. Rode lijst soort

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Jachtaktehouders zijn aangewezen als categorie van personen ter beperking van de stand op de gronden waar zij rechthebbend zijn. Er wordt geen duurzame populatie nagestreefd (nul-optie).

Gebied

Gehele provincie

Periode(n) en tijdstippen

Gehele jaar

Toegestane middelen

Kogelgeweer min. 6,5 mm/ 2200 Joules

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aanvragen 1, waarvan 1 verleend

 

 

 

Edelhert, Cervus elaphus 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Voorafgaand aan eventuele herintroductie verlenen GS een aanwijzing of ontheffing op basis van een door GS goedgekeurd faunabeheerplan van de Faunabeheereenheid, t.b.v. populatiebeheer binnen het herintroductiegebied en in het belang van de openbare veiligheid (verkeersveiligheid), t.b.v. populatiebeheer en ter voorkoming van onnodig lijden van zieke en kreupele dieren. Aanvullend: ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen en bossen buiten het herintroductiegebied.

Gebied

Conform op te stellen faunabeheerplan

Periode(n) en tijdstippen

Conform op te stellen faunabeheerplan

Toegestane middelen

Kogelgeweer min. 6,5 mm/ 2200 Joules

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 0

 

 

 

 

Ekster, Pica pica 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Provinciale vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie. Ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

Gebied

Gehele provincie.

Periode(n) en tijdstippen

Gehele jaar. Van zonsopkomst tot zonsondergang

Toegestane middelen

Hagelgeweer 12, 16, 20 en kogelbuks vanaf .22 LR.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aanvragen 42, waarvan 7 verleend, 25 geweigerd, 10 overig.

 

 

 

Fazant, Phasianus colchius 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort. Bejaagbaar wild (hanen: 15 oktober-31 januari; hennen: 15 oktober-31 december).

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

De stand (in een groter gebied) moet met reguliere bejaging op een acceptabel niveau worden gehouden. Ontheffing ter voorkoming van schade aan gewassen in gesloten tijd.

Gebied

Gehele provincie

Periode(n) en tijdstippen

Buiten de bejaagbare periode. Na zonsondergang niet van toepassing

Toegestane middelen

Hagelgeweer kaliber 12, 16, 20; kogelbuks vanaf .22 LR.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 10, waarvan 5 verleend, 4 geweigerd, 1 overig.

 

 

 

Grauwe gans, Anser anser 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

Beleidskader faunabeheer ganzen en smienten.

Provinciaal beleidskader

Provinciale vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie. Ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

Gebied

Gehele provincie, ’s winters met name akkerbouwgewassen, vollegrondsgroente en eerstejaars grasland (zaaidatum na 1 augustus). Niet binnen aangewezen foerageergebieden voor ganzen en smienten (periode 1 oktober – 1 april).

Periode(n) en tijdstippen

Gehele jaar. Van zonsopkomst tot zonsondergang.

Toegestane middelen

Hagelgeweer 12, 16, 20 en kogelbuks vanaf .222 Remington.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 75, waarvan 29 verleend (alleen zomerperiode), 29 geweigerd, 17 overig.

 

 

 

 

Haas, Lepus europaeus 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort. Bejaagbaar wild (15 oktober - 31 december).

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Provinciale vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie. De stand (in een groter gebied) moet met reguliere bejaging op een acceptabel niveau worden gehouden. Ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen in gesloten tijd.

Gebied

Gehele provincie op schadepercelen.

Periode(n) en tijdstippen

Buiten de bejaagbare periode. Zonodig ’s nachts met kunstlicht.

Toegestane middelen

Hagelgeweer 12, 16, 20 en kogelbuks vanaf .22 LR. Kunstlicht op aanvraag ontheffing in akkerbouw, vollegrondstuinbouw en boomkwekerij.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 59, waarvan 36 verleend, 18 geweigerd, 5 overig.

  

Holenduif, Columba oenas 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Provinciale vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie. Ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

Gebied

Gehele provincie op schadepercelen.

Periode(n) en tijdstippen

Groeiseizoen schadegewassen. Zonsopgang tot zonsondergang.

Toegestane middelen

Hagelgeweer 12, 16, 20 en kogelbuks vanaf .22 LR.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 10, waarvan 2 verleend, 2 geweigerd en 6 overig.

 

  

Houtduif, Columba palumbus 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort. Bejaagbaar wild (15 oktober-31 januari).

Landelijk beleidskader

Landelijke vrijstelling voor grondgebruikers voor doden ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

Provinciaal beleidskader

De stand (in een groter gebied) moet met reguliere bejaging op een acceptabel niveau worden gehouden. Jacht en landelijke vrijstelling zijn afdoende voor standsregulatie.

Gebied

-

Periode(n) en tijdstippen

-

Toegestane middelen

Hagelgeweer 12, 16, 20; kogelbuks kogelbuks vanaf .22 LR.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 0.

 

Huismus, Passer domesticus 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort. Rode lijst soort.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Ontheffing wordt gezien de status als rode lijst soort niet verleend.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 1, waarvan 1 overig.

 

Kauw, Corvus monedula 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

Landelijke vrijstelling voor grondgebruikers voor doden en opzettelijk verontrusten, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

Provinciaal beleidskader

- (Gezien landelijke vrijstelling is ontheffingverlening vooralsnog niet aan de orde).

Gebied

-

Periode(n) en tijdstippen

-

Toegestane middelen

Hagelgeweer 12, 16, 20 en kogelbuks vanaf .22 LR. Voor gebruik vangkooien en kastvallen is geen ontheffing vereist.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 144, waarvan 63 verleend, 49 geweigerd, 32 overig.

 

Kleine rietgans, Anser brachyrhynchus 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

De kleine rietgans behoort tot de kwetsbare soorten, met name vanwege de relatief geringe omvang van de, bij ons in het land voorkomende, Spitsbergen-populatie. Voor kwetsbare soorten worden geen ontheffingen verleend.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 0.

 

Knobbelzwaan, Cygnus color 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Provinciale vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie. Ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

Gebied

Schadepercelen.

Periode(n) en tijdstippen

Groeiseizoen. Zonsopgang - zonsondergang

Toegestane middelen

Kogelbuks vanaf .222 Remington.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 72, waarvan 33 verleend, 31 geweigerd, 8 overig.

 

Kolgans, Anser albifrons 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

Beleidskader faunabeheer ganzen en smienten

Provinciaal beleidskader

Provinciale vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie.

Ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

 

Gebied

Gehele provincie, ’s winters met name akkerbouwgewassen, vollegrondsgroente en eerstejaars grasland (zaaidatum na 1 augustus). Niet binnen aangewezen foerageergebieden voor ganzen en smienten (periode 1 oktober – 1 april).

Periode(n) en tijdstippen

Gehele jaar. Tussen zonsopkomst en zonsondergang.

Toegestane middelen

Hagelgeweer 12, 16, 20 en kogelbuks vanaf .222 Remington

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 27, waarvan 5 verleend, 14 geweigerd, 8 overig.

 

Konijn, Oryctolagus cuniculus 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort. Bejaagbaar wild (15 augustus-31 januari).

Landelijk beleidskader

Landelijke vrijstelling ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen voor grondgebruikers voor doden en opzettelijk verontrusten (art. 9 t/m 12). Ontheffing ter voorkoming van schade op begraafplaatsen en golfbanen op basis van art. 75 bij de Dienst Regelingen van het Ministerie van LNV.

Provinciaal beleidskader

Ontheffing in het belang van de openbare veiligheid (waterkeringen, spoordijken), in het belang van de veiligheid van het vliegverkeer, ter voorkoming van belangrijke schade en ter voorkoming van schade op sportvelden en industrieterreinen.

Gebied

Taluds van primaire waterkeringen, sportvelden, kunstwerken (viaducten), spoorlijnen en op vliegvelden.

Periode(n) en tijdstippen

Jaarrond. Van zonsondergang tot zonsopkomst.

Toegestane middelen

Hagelgeweer 12, 16, 20 en kogelbuks vanaf .22 LR. Tevens ontheffing vereist voor gebruik kunstlicht, buidels en fret bij / op waterkeringen, spoordijken, sportvelden en industrieterreinen Ten aanzien van belangrijke schade aan gewassen bij akkerbouwgewassen, groente en in boomkwekerijen.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 90, waarvan 49 verleend, 34 geweigerd, 7 overig.

 

Meerkoet, Fulica atra 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Provinciale vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie. Ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

Gebied

Schadepercelen.

Periode(n) en tijdstippen

Groeiseizoen. Van zonsopgang tot zonsondergang.

Toegestane middelen

Hagelgeweer 12, 16, 20 en kogelbuks vanaf .22 LR.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 22, waarvan 8 verleend, 13 geweigerd, 1 overig.

 

Mol, Talpa europaea 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

Landelijke vrijstelling voor doden (art. 9 t/m 11, zonder verdere restricties).

Provinciaal beleidskader

-

Gebied

-

Periode(n) en tijdstippen

-

Toegestane middelen

Klemmen, middelen die krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 zijn toegelaten voor het vangen en doden van mollen.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 0.

 

Nijlgans, Alopochen aegyptiacus 

Wettelijke status

Onbeschermde diersoort (exoot).

Landelijk beleidskader

Opzettelijk verontrusten en doden toegestaan; met het geweer alleen als een geweerdrager gemachtigd is in het veld te zijn (i.v.m. openstelling jacht, of i.v.m. uitvoering vrijstelling of ontheffing andere soorten).

Provinciaal beleidskader

- (Ontheffingverlening is niet aan de orde, gezien de wettelijke status als onbeschermde diersoort).

Gebied

Gehele provincie.

Periode(n) en tijdtippen

Gehele jaar. Zonsopgang – zonsondergang.

Toegestane middelen

Hagelgeweer 12, 16, 20 en kogelbuks vanaf .222 Remington.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

N.v.t.

 

Patrijs, Perdix perdix 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort. Rode lijst-soort. Wildsoort, de jacht op de patrijs is niet geopend.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Ontheffing wordt gezien de status als rode lijst soort niet verleend.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 0.

 

Ree, Capreolus capreolus 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Ontheffing in het belang van de openbare veiligheid (i.c. verkeersveiligheid), veiligheid van het luchtverkeer, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, bossen, onnodig lijden van zieke en gebrekkige dieren.

Gebied

Gehele provincie.

Periode(n) en tijdstippen

Mannelijke reeën van 1 mei t/m 15 september, vrouwelijke reeën van 1 januari t/m 15 maart. Bok- en geitkalveren eveneens van 1 januari t/m 15 maart. Van 1 mei t/m 15 september van één uur voor zonsopkomst tot één uur na zonsondergang. Buiten dit tijdvak van een half uur voor zonsopkomst tot een half uur na zonsondergang.

Toegestane middelen

Geweren met ten minste één getrokken loop; kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de (tref)energie ten minste 980 Joule op 100 m afstand van de loopmond bedraagt. Kogelbuks vanaf .222 Remington

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 23, waarvan verleend 13, geweigerd 6, overig 4.

 

Rietgans, Anser fabalis 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Provinciale vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie. Gezien de geringe aantallen worden geen ontheffingen voor doden verleend.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 0.

 

Ringmus, Passer montanus 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort. Rode lijst soort.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Ontheffing wordt gezien de status als rode lijst soort niet verleend.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 9, waarvan verleend 2, geweigerd 4, overig 3.

 

Roek, Corvus frugilegus 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Provinciale vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie en voor doden op percelen met appels en peren en vollegrondsgroenten (inclusief peulvruchten) van 1 mei t/m 31 oktober. Ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen (voor andere typen gewassen en overige periode van het jaar.

Gebied

Gehele provincie op schadepercelen.

Periode(n) en tijdstippen

Groeiseizoen. Zonsopgang - zonsondergang

Toegestane middelen

Hagelgeweer 12, 16, 20 en kogelbuks vanaf .22 LR.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 204, waarvan verleend 99, geweigerd 59, overig 46.

 

Rotgans, Branta bernicla bernicla 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Provinciale vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie. De rotgans behoort tot de kwetsbare soorten, met name vanwege het sterk wisselende broedsucces. Voor kwetsbare soorten worden geen ontheffingen verleend.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 2, waarvan geweigerd 2.

 

Smient, Anas penelope 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

Beleidskader faunabeheer ganzen en smienten.

Provinciaal beleidskader

Provinciale vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie. Ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade.

Gebied

Gehele provincie. Niet binnen aangewezen foerageergebieden voor ganzen en smienten (periode 1 oktober – 1 april).

Periode(n) en tijdstippen.

Gehele jaar.

Toegestane middelen

Uitsluitend hagelgeweer 12, 16, 20.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 14, waarvan verleend 1, geweigerd 11, overig 2.

 

Spreeuw, Sturnus vulgaris 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Provinciale vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie. Ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen. De grootste schade richten spreeuwen in rijpend fruit (kersen, bessen) aan. Schade aan blauwe bessenteelt kan plotseling optreden en hoog uitvallen.

Gebied

Gehele provincie.

Periode(n) en tijdstippen

Juli tot en met november. Tot een uur na zonsondergang.

Toegestane middelen

Hagelgeweer 12, 16, 20 en kogelbuks vanaf .22 LR.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 24, waarvan verleend 8, geweigerd 8, overig 8.

 

Veldmuis, Microtus arvalis 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

Landelijke vrijstelling (art. 75 Ffw) in gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken.

Provinciaal beleidskader

Ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, bossen.

Gebied

Gehele provincie.

Periode(n) en tijdstippen

Gehele jaar.

Toegestane middelen

Middelen die krachtens de bestrijdingsmiddelenwet 1962 zijn toegelaten; klemmen.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 3, waarvan geweigerd 3.

 

Verwilderde kat, Felix catus 

Wettelijke status

Onbeschermde diersoort (exoot).

Landelijk beleidskader

Vangkooien en kastvallen mogen worden gebruikt voor het vangen van verwilderde katten.

Provinciaal beleidskader

Jachtaktehouders zijn aangewezen als categorie van personen ter beperking van de stand op de gronden waar zij rechthebbend zijn (ontheffingverlening is niet aan de orde, gezien de wettelijke status als onbeschermde diersoort).

Gebied

Gehele provincie Noord-Brabant.

Periode(n) en tijdstippen

Gehele jaar. Van zonsopkomst tot zonsondergang.

Toegestane middelen

De aanwijzing betreft uitsluitend het gebruik van het geweer.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

N.v.t.

 

Vos, Vulpes vulpes 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

Landelijke vrijstelling per 01-04-06.

Provinciaal beleidskader

Ontheffing in het belang van de openbare veiligheid (primaire waterkeringen), ter voorkoming van belangrijke schade aan bedrijfsmatig gehouden vee (met name Freilandbedrijven; vossenkerend raster niet vereist) en niet-bedrijfsmatig gehouden vee, ter voorkoming van schade aan flora en fauna (uitsluitend op basis van objectieve onderzoeksgegevens), ter voorkoming van schade aan sportvelden en industrieterreinen.

Gebied

Gehele provincie.

Periode(n) en tijdstippen

Gehele jaar met uitzondering van een schoontijd van 1 maart tot 1 juli. Van zonsopkomst tot zonsondergang. Indien geen andere bevredigende oplossingen voorhanden zijn ook ’s nachts t.b.v. het gebruik van geweer en kunstlicht.

Toegestane middelen

Hagelgeweer 12, 16, 20, en kogelbuks vanaf .222 Remington. Honden, vangkooi (bij dag en nacht), kunstlicht.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 66, waarvan verleend 20, geweigerd 30, overig 16.

 

Wilde eend, Anas platyrhynchos 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort. Bejaagbaar wild (15 augustus - 31 januari).

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Provinciale vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten in de gehele provincie. De reguliere bejaging en preventieve maatregelen zijn in de meeste gevallen toereikend om schade te voorkomen. In het voorjaar en tijdens de rijpingsfase van granen kunnen extra maatregelen noodzakelijk zijn. De stand (in een groter gebied) moet met reguliere bejaging op een acceptabel niveau worden gehouden. Ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade.

Gebied

Schadepercelen in West–Brabant.

Periode(n) en tijdstippen

Buiten bejaagbare periode. Een half uur voor zonsopkomst tot maximaal een half uur na zonsondergang.

Toegestane middelen

Uitsluitend hagelgeweer 12, 16, 20.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 66, waarvan verleend 32, geweigerd 22, overig 12.

 

Wild zwijn, Sus scrofa 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort. Op basis van beleidslijn vastgelegd in de Nota Jacht en Wildbeheer geldt er voor Noord-Brabant een zogenaamde nul-optie. Dat wil zeggen, dat er geen wilde zwijnen in de provincie worden geaccepteerd. Reden hiervan is de bescherming van de varkenshouderij tegen mogelijke besmettingen met varkenspest e.d. Ook de schade aan de landbouw en het belang van de verkeersveiligheid is aan de orde.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Jachthouders zijn aangewezen als categorie van personen ter beperking van de stand op de gronden waar zij rechthebbend zijn. Aanvullend ontheffing voor het gebruik van kunstlicht.

Gebied

Gehele provincie.

Periode(n) en tijdstippen

Gehele jaar. Overdag en ’s nachts.

Toegestane middelen

Geweren met ten minste één getrokken loop; kogelpatronen met een kaliber van ten minste 6,5 mm voor getrokken loop waarvan de (tref)energie ten minste 2200 Joule op 100 m afstand van de loopmond bedraagt. Zonodig geweer en kunstlicht.

Overige voorwaarden

In verband met de overbrenging van dierziekten moeten bemachtigde exemplaren terstond na bemachtiging worden onderworpen aan een veterinair onderzoek. Medewerking dient te worden verlenen aan het monitoringsonderzoek van wilde zwijnen in Nederland. Men dient daartoe twee serum-buisjes bloed van ieder geschoten wild zwijn af te nemen en op te sturen volgens aan de Gezondheidsdienst voor Dieren te Deventer.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aangevraagd 1, waarvan verleend 1.

 

Woelrat, Arvicola terrestris 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

-

Provinciaal beleidskader

Ontheffing ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, met name fruitbomen.

Gebied

Gehele provincie.

Periode(n) en tijdstippen

-

Toegestane middelen

Klemmen. Rodenator. Middelen die krachtens de bestrijdingsmiddelenwet 1962 zijn toegelaten.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen: 0.

 

Zwarte kraai, Corvus corone

 

Wettelijke status

Beschermde inheemse diersoort.

Landelijk beleidskader

Landelijke vrijstelling voor grondgebruikers voor opzettelijk verontrusten en doden, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

Provinciaal beleidskader

(Gezien landelijke vrijstelling is ontheffingverlening vooralsnog niet aan de orde).

Gebied

-

Periode(n) en tijdstippen

-

Toegestane middelen

Hagelgeweer 12, 16, 20 en kaliber vanaf .22 LR. Voor gebruik vangkooien en kastvallen is geen ontheffing vereist.

Ontheffingen 2002 t/m 2004

Aantal aanvragen 217, waarvan verleend 88, geweigerd 70, overig 59.

 

Bijlage 2 Draaiboek sluiting jacht bij bijzondere weersomstandigheden

  • 1.

    Bevoegdheden College van Gedeputeerde Staten

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant zijn per 1 april 2002 gemachtigd om namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij besluiten te nemen in het kader van artikel 46, lid 5 van de Flora- en faunawet aangaande het sluiten van de jacht als gevolg van bijzondere weersomstandigheden. Deze bijzondere weersomstandigheden hebben vooral betrekking op extreme winterse omstandigheden en op perioden van grote en langdurige warmte. Ook is het mogelijk verleende ontheffingen tijdelijk buiten werking te stellen op grond van artikel 68.

  • 2.

    Sluiting jacht bij winterse omstandigheden

De Flora- en faunawet geeft ter bescherming van in het wild levende dieren een aantal regels. Een aantal hiervan heeft betrekking op winterse omstandigheden. Zo is het verboden te jagen:

  • -

    indien de grond bedekt is met sneeuw (behalve voor wat betreft: het vangen van eenden d.m.v. een eendenkooi, het jagen op wilde eenden en houtduiven, op de andere wildsoorten indien de jacht wordt uitgeoefend door middel van een drijfjacht,

  • -

    op wild, dat zich bevindt in of in de nabijheid van wakken of bijten in het ijs,

  • -

    op wild, dat als gevolg van weersomstandigheden in uitgeputte toestand verkeert,

  • -

    op wild, dat zich tengevolge van hoge waterstand ophoudt op hoog gelegen gedeelten van het terrein.

Aandachtspunten bij de besluitvorming met betrekking tot jachtsluiting bij winterse omstandigheden zijn:

  • -

    provinciaal overzicht van de sneeuw- en ijsbedekking;

  • -

    de aanwezigheid van ijzel, eventueel in combinatie met sneeuw;

  • -

    de aanwezigheid en bereikbaarheid van voedsel;

  • -

    de conditie van het wild en het aspect energieverbruik;

  • -

    het aspect landbouwschade in relatie tot het Faunafonds en de provinciale middelen;

  • -

    de wildsoorten.

Met inachtneming van bovenstaande aandachtspunten is de provincie van mening dat sluiting van de jacht noodzakelijk is, indien voldaan wordt aan de navolgende criteria gerekend over de gehele provincie Noord-Brabant:

Sneeuwbedekking

> 90% en langer dan 21 dagen

alle wildsoorten

bevroren sneeuw

> 90% en langer dan 7 dagen

alle wildsoorten

bij ijzel op sneeuw

> 90% en langer dan 7 dagen

alle wildsoorten

ijsbedekking op open water en rivieren, sloten en kanalen

> 90% en langer dan 7 dagen

wilde eend

 

  • 3.

    Sluiting van de jacht bij perioden van grote en langdurige warmte

Bij een watertemperatuur hoger dan 20?C en in een eiwitrijk milieu, veroorzaakt door bijvoorbeeld dode vissen en vogels kan een vorm van vergiftiging ontstaan, waaraan vooral watervogels en vissen kunnen doodgaan. Deze vorm van vergiftiging wordt aangeduid met de naam botulisme. De vergiftiging wordt veroorzaakt door de bacterie Clostridium botulinum. De feitelijke vergiftiging vindt plaats door een toxine(gif) dat onder bepaalde omstandigheden door de bacterie wordt geproduceerd. De bacterie vormt onder ongunstige omstandigheden sporen. Deze sporen zijn goed bestand tegen uitdrogen, koude en warmte en komen met name voor in bodemslib. Gebieden waar eenmaal botulisme is geconstateerd blijven dan ook potentiële botulismehaarden. Gunstige omstandigheden voor sporen om zich te ontwikkelen tot toxinevormende bacteriën is een watertemperatuur hoger dan 20?C en een eiwitrijk milieu, zoals dode vogels of vissen. Het hangt dus van deze omstandigheden af of botulisme optreedt. Omdat bepaalde vormen van botulisme ook schadelijk kunnen zijn voor mensen en om een mogelijke extra verspreiding van botulisme tengevolge van jacht tegen te gaan, kan het wenselijk zijn om de jacht op wilde eenden te sluiten.

  • 4.

    Uitvoering sluiting jacht bij winterse omstandigheden

  • 4.1.

    Procedure voor uitvoering bij winterse omstandigheden

Aan de hand van informatie met betrekking tot de noodzaak van de sluiting van de jacht tengevolge van de winterse omstandigheden wordt door bureau Natuur en Landschap, Directie Ecologie een advies opgesteld voor het College van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant inzake de sluiting van de jacht. Het betreft hier informatie m.b.t. de in paragraaf 2 genoemde aandachtspunten. Als hulpmiddel wordt het in paragraaf 5.3. gegeven inventarisatieschema externe situatie gebruikt. In dit advies wordt aangegeven:

  • -

    datum van ingang;

  • -

    opsomming wildsoorten, waarop de jacht wordt gesloten;

  • -

    indien noodzakelijk een nadere aanduiding van de gebieden, waarin het jachtverbod van toepassing is;

  • -

    welke uitzonderingen mogelijk van toepassing zijn;

  • -

    de verhaalbaarheid van eventuele wildschade tijdens de sluiting.

Het besluit zal daarna op zo kort mogelijke termijn ter kennis worden gebracht aan de jachtaktehouders in de provincie. Middels telefonische informatie zal in eerste instantie de KNJV in kennis worden gesteld. De provincie (afdeling Communicatie) zal de regionale pers inlichten en in verband met de handhaving ook de regionale politie alsmede bureau Handhaving Natuur, Bos, Water informeren. De Faunabeheereenheid zal rechtstreeks de betrokken wildbeheereenheden informeren.

  • 4.2.

    Informatie en inventarisatie:

Weersituatie

Informatie over de weersituatie voor de korte en langere termijn, alsmede de sneeuw-, ijs- en ijzelsituatie wordt verkregen via het KNMI in De Bilt.

De bereikbaarheid van voedsel

Informatie over de bereikbaarheid van voedsel wordt verkregen uit informatie van de KNJV, Staatsbosbeheer, Stichting Het Noordbrabants Landschap, Natuurmonumenten en Vogelbescherming. Middels het praktisch provinciaal dekkend netwerk van Wildbeheereenheden kan een goed inzicht worden verkregen over zowel de bereikbaarheid van voedsel en de conditie van het wild. Vogelwerkgroepen kunnen hierover ook informeren. Het kan van belang zijn om onderscheid te maken tussen wilde eenden en andere wildsoorten. Het is denkbaar dat wilde eenden door ijs- en sneeuwbedekking geen open water en voedsel meer tot hun beschikking hebben, terwijl wildsoorten als bijv. konijn, haas, fazant, houtduif nog in voldoende mate over voedsel beschikken.

Ook kan reeds een indruk worden gegeven over de eventuele landbouw- en bosbouwschade. WBE's beschikken veelal over goede contacten met de plaatselijke land- en bosbouw.

Landbouwschade

Met betrekking tot het optreden van landbouw- en bosbouwschade wordt informatie ingewonnen bij de landbouworganisaties, Z.L.T.O., het Faunafonds, het Staatsbosbeheer en de bosgroepen in de provincie. Ook Natuurmonumenten en de Stichting Het Noordbrabants Landschap kunnen worden geraadpleegd inzake schade aan houtgewassen en beplantingen. Waar jachtsluiting door de provincie in overeenstemming is met de voorheen door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gehanteerde criteria, zal voor schadeloosstelling het Faunafonds kunnen worden aangesproken.

Overig

In voorkomende gevallen kan informatie worden ingewonnen bij de provinciale contactpersonen van de KNJV en Vogelbescherming. Ook kan het zinvol zijn overleg te plegen met de aanpalende provincies en eventueel met het buurland België.

Bejaagbaarheid wildsoorten

Conform de Flora- en faunawet zijn de navolgende wildsoorten in Nederland vooralsnog bejaagbaar:

wilde eend 15 augustus t/m 31 januari

patrijs jacht is niet geopend

fazanthaan 15 oktober t/m 31 januari

fazanthen 15 oktober t/m 31 december

haas 15 oktober t/m 31 december

houtduif 15 oktober t/m 31 januari

konijn 15 augustus t/m 31 januari

  • 4.3.

    Inventarisatieschema externe situatie

Datum aanvang vorstperiode: ...,

Gem. temp. over 10 aaneengesloten dagen: ...?C

Datum aanvang sneeuwperiode: ...,

Dikte sneeuwdek na 10 dagen: ... cm,

Datum aanvang ijzelperiode: ...,

Aanwezigheid bevroren sneeuw: …, Aantal dagen: ...

Aanwezigheid ijzel: ..., Aantal dagen: ...

 

IJsbedekking

Sloten:

...%

 

Kanalen:

...%

 

Rivieren:

...%

 

Open wateren:

...%

 

 

 

Aanwezigheid waterwild

in sloten

ja/ nee

 

in kanalen

ja/ nee

 

in rivieren

ja/ nee

 

op open water

ja/ nee

 

Bereikbaarheid voedsel voor:

waterwild

goed/ matig/ slecht

 

overig wild

goed/ matig/ slecht

Conditie

waterwild

goed/ matig/ slecht

 

dode/ verzwakte dieren:

veel/ matig/ geen

 

overig wild

goed/ matig/ slecht

 

dode/ verzwakte dieren:

veel/ matig/ geen

Schade:

landbouw

veel/ matig/ geen

 

tuinbouw

veel/ matig/ geen

 

voederopslag

veel/ matig/ geen

 

kwekerij

veel/ matig/ geen

 

bos en beplantingen

veel/ matig/ geen

Meldingen schade Faunafonds:

 

 

Informatie

 

K.N.M.I

Vogelbescherming

Z.L.T.O

Staatsbosbeheer

Faunafonds

Brabants Landschap

K.N.J.V. (W.B.E.).

Natuurmonumenten

 

  • 5.

    Uitvoering sluiting jacht bij botulisme

  • 5.1

    Procedure

Het besluit tot sluiting jacht wordt door de Gedeputeerde bij mandaat genomen. De jachtaktehouders worden daarna geïnformeerd via de KNJV en de Wildbeheereenheden. De provincie (afdeling Communicatie) zal hiervoor zorgdragen, en tevens voor de informatie aan de pers.

  • 5.2

    Voorkomen en bestrijden

Dode dieren zijn potentiële bronnen van besmetting. De beste manier om botulisme te bestrijden is zo snel mogelijk aangetaste en dode dieren uit het water te verwijderen.

In het algemeen mag worden aangenomen, dat de jacht niet extra bijdraagt aan de verspreiding van botulisme. De jacht op wilde eend wordt veelal beoefend met gebruikmaking van een apporterende jachthond, die de mogelijk aangeschoten en dode vogels bij de jager brengen. Desondanks kan het niet altijd voorkomen worden, dat het wild niet binnenkomt en op een onbereikbare plaats achterblijft. Ook is niet altijd aantoonbaar, dat deze dieren botulisme in de hand werken, aangezien zij veelal een voedselbron betekenen voor aasetende dieren. De combinatie van hoge watertemperaturen in ondiepe en stilstaande wateren, de reeds aanwezige botulisme-bacteriën en kadavers van watervogels kunnen echter een botulisme-explosie veroorzaken.

  • 5.4.

    Advisering jachtsluiting

Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant heeft per 1 april 2002 de bevoegdheid gekregen om tengevolge van bijzondere weersomstandigheden op basis van artikel 46 lid 5 van de Flora- en faunwet de jacht te sluiten.

Het voorkomen en bestrijden van botulisme kan een reden zijn om de jacht op waterwild te sluiten. Het betreft hier de jacht op de wilde eend (jacht geopend vanaf 15 augustus t/m 31 januari).

Aandachtspunten bij de besluitvorming zijn:

  • -

    provinciaal overzicht van de watertemperaturen in de provincie

  • -

    het aantal botulisme meldingen en botulisme gevallen

  • -

    de weerssituatie en de weersvoorspellingen K.N.M.I.

  • -

    schadegevoeligheid landbouwgewassen

  • -

    informatie en advisering door derden

Via informatie van waterschappen heeft de provincie de mogelijkheid om een goede indruk te krijgen van de situatie met betrekking tot de heersende watertemperaturen. Daarnaast wordt via het provinciale meldpunt voor botulisme gegevens ingezameld over het aantal botulisme gevallen. De KNJV opent een speciaal Botulisme-alarmnummer, indien daar vanwege de weersomstandigheden aanleiding toe is (06 - 532 838 73). Door de KNJV worden gegevens welke via dit nummer binnenkomen gebruikt voor verdere berichtgeving aan de provincie. Intern verspreidt de KNJV deze gegevens aan de wildbeheerenheden, die botulisme in hun werkgebied hebben.

Daar de noodzaak tot bestrijding van schade door wild aan landbouwgewassen een belangrijke rol speelt bij de besluitvorming inzake de sluiting van de jacht, wordt door de provincie advies ingewonnen bij de provinciale en landelijke landbouworganisaties, het Faunafonds en de KNJV.

  • 5.5.

    Sluiting jacht

Sluiting van de jacht op basis van concrete criteria is praktisch niet mogelijk. Als insteek kan worden gebruikt de mate van aanwezigheid van botulisme in de stedelijke agglomeratie. Vaak wordt hier ondiep en stilstaand water aangetroffen met een veelheid aan watervogels, stadseenden e.d. Indien hier een veelvoud van botulisme wordt aangetroffen en uit mededeling van het K.N.M.I. gerekend mag worden op een aanhoudende sterke warmte-periode, kan sluiting van de jacht op de wilde eend worden overwogen. Hieraan voorafgaand kan een advies tot vrijwillige stopzetting van de jacht op de wilde eend worden gegeven, dan wel een regionaal verbod binnen de provincie worden uitgevaardigd. Overleg met betrokken organisaties is te verkiezen boven een eenzijdig te nemen besluit.

  • 6.

    Heropening van de jacht na gewijzigde weersomstandigheden

Indien de winterse omstandigheden zich, nadat een jachtsluiting van kracht is geworden, in positieve zin gaan wijzigen (dooi), zal bij de informanten nader advies worden ingewonnen om tot heropening van de jacht over te gaan. De conditie van het wild zal hierbij een belangrijke rol spelen. Het schadeaspect is nadrukkelijk aan de orde. Advies van ZLTO, alsmede van het Faunafonds wordt bij de besluitvorming betrokken. Indien de watertemperatuur tot beneden 20?C is gezakt, zal bij de informanten nader advies worden ingewonnen om tot heropening van de jacht over te gaan. De conditie van het waterwild en de eventuele aanwezigheid van kadavers zal bij de besluitvorming worden betrokken.

  • 6.1.

    Procedure heropening jacht na sluiting t.g.v. winterse omstandigheden

Aan de hand van informatie met betrekking tot de noodzaak van het heropenen van de jacht na een periode van sluiting als gevolg van winterse omstandigheden wordt door de bureau Natuur en Landschap, Directie Ecologie een advies opgesteld voor het College van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant inzake de heropening van de jacht. Het betreft hier informatie m.b.t. de in paragraaf 2 genoemde aandachtspunten. Het inventarisatieschema externe situatie kan wederom als hulpmiddel worden gebruikt.

In het advies wordt aangegeven: • datum van ingang;

  • -

    opsomming wildsoorten, waarop de jacht wordt heropend;

  • -

    indien noodzakelijk een nadere aanduiding van de gebieden waar de jacht zal worden heropend;

  • -

    welke uitzonderingen van toepassing zijn.

Het besluit zal daarna op zo kort mogelijke termijn ter kennis worden gebracht aan de Faunabeheereenheid. Middels telefonische informatie zal in eerste instantie de KNJV in kennis worden gesteld. De provincie (afdeling Communicatie) zal de regionale pers inlichten en in verband met de handhaving ook de regionale politie alsmede het bureau Handhaving Natuur, Bos, Water informeren.

  • 6.2.

    Informatie en inventarisatie

Het opvragen van informatie ten behoeve van de besluitvorming inzake heropening van de jacht na sluiting van de jacht ten gevolge van winterse omstandigheden richt zich voornamelijk op de volgende gegevens:

  • -

    de weersituatie voor de korte en langere termijn;

  • -

    de bereikbaarheid van voedsel;

  • -

    de oppervlakte open water;

  • -

    de conditie van de dieren;

  • -

    het optreden van landbouw-, c.q. bosbouwschade.

Middels inventarisatie van gegevens welke verstrekt worden door de groeperingen, welke ook betrokken waren bij de besluitvorming inzake de sluiting van de jacht wordt het advies aan het College van Gedeputeerde Staten opgesteld.

  • 6.3.

    Procedure heropening jacht na sluiting t.g.v. botulisme

De provincie verkrijgt informatie over de watertemperatuur bij de waterschappen. Is deze gedaald beneden de 20 ?C en wordt vanuit het provinciale meldpunt aangegeven, dat het aantal botulisme gevallen afneemt, dan zal het bureau Natuur en Landschap aan het College van Gedeputeerde Staten adviseren de jacht op de wilde eend te heropenen. Dit advies zal worden opgesteld aan de hand van de ingewonnen informatie en in overleg met de groeperingen, welke ook bij de sluiting van de jacht tengevolge van botulisme betrokken waren.

In het advies wordt aangegeven:

  • -

    datum van ingang

  • -

    indien noodzakelijk een nadere aanduiding van de gebieden waar de jacht zal worden heropend

  • -

    welke uitzonderingen van toepassing zijn

Het besluit wordt daarna op zo kort mogelijke termijn ter kennis gebracht aan de Faunabeheereenheid. Middels telefonische informatie zal in eerste instantie de KNJV in kennis worden gesteld. De provincie (afdeling Communicatie) zal de regionale pers inlichten en in verband met de handhaving ook de regionale politie en het bureau Handhaving Natuur, Bos, Water informeren.

Bijlage 3 Draaiboek noodaanwijzing beschermde leefomgeving

  • 1.

    Bevoegdheden GS

Vanaf de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet zijn GS bevoegd besluiten te nemen tot de aanwijzing van beschermde leefomgevingen (BLO). In de nota Uitvoering Flora- en faunawet is aangegeven dat vooralsnog alleen gebruikt zal worden gemaakt van een noodaanwijzing (op basis van artikel 24 Flora- en faunawet). Een noodaanwijzing is alleen mogelijk als gelijktijdig ook de reguliere procedure voor aanwijzing wordt gevolgd. Door gebruik te maken van de noodaanwijzing wordt de BLO alleen sneller van kracht. Er moet altijd een ontwerp liggen, dat later vastgesteld wordt.

In artikel 24 Flora- en faunawet is de noodaanwijzing als volgt geregeld; In geval van dringende noodzaak kunnen GS gelijktijdig bij het vaststellen van het ontwerp van een besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving of op een nadien gelegen tijdstip, de plaats waarop dat ontwerp betrekking heeft, aanwijzen als beschermde leefomgeving voor de bij dat besluit genoemde beschermde inheemse plantensoort of beschermde inheemse diersoort. Dit besluit vervalt zodra GS op het ontwerp van een besluit beslissen, doch in ieder geval na verloop van een jaar na de vaststelling van dat ontwerp. De procedure is verder overeenkomstig een ‘normale’ aanwijzing als beschermde leefomgeving.

Dit draaiboek voor de noodaanwijzing van een beschermde leefomgeving kent 4 fasen:

  • -

    Voorbereidingsfase

  • -

    Uitvoeringsfase

  • -

    Toezicht- / handhavingsfase

  • -

    Evaluatiefase

 

  • 2.

    Voorbereidingsfase

Aan de hand van informatie met betrekking tot de noodzaak van de noodaanwijzing van een beschermde leefomgeving wordt door bureau Natuur en Landschap een advies opgesteld voor het college van GS. De volgende informatie is hierbij noodzakelijk:

  • -

    het voorkomen van de beschermde inheemse dier- of plantensoort waarvan de betreffende leefomgeving acuut wordt bedreigd;

  • -

    de manier waarop en de mate waarin de leefomgeving acuut wordt bedreigd;

  • -

    de betekenis van de betreffende leefomgeving voor de instandhouding van de soort in Noord-Brabant;

  • -

    een kadastrale aanduiding van de percelen waarop de aan te wijzen plaats is gelegen en een kaart waarop de plaats is aangegeven;

  • -

    een beschrijving van de handelingen die een aantasting van de betekenis van de aangewezen plaats als leefomgeving van de betreffende soort ten gevolge kunnen hebben;

  • -

    de datum waarop de aanwijzing dient in te gaan (dit is de datum van bekendmaking, in de provinciale dan wel lokale dagbladen)).

  • -

    informatie over de financiële gevolgen van de aanwijzing (inventarisatie bestaand gebruik perceel en de beperkingen die voor schadevergoeding in aanmerking zouden moeten komen).

Overigens dient nagegaan te worden in hoeverre de aan te wijzen plaats deel uitmaakt van een in het kader van de Natuurbeschermingswet aangewezen beschermd of staatsnatuurmonument, Vogel- of Habitatrichtlijngebied. Is dat het geval, dan is aanwijzing als beschermde leefomgeving krachtens de Flora- en faunawet niet mogelijk.

Voor welke soorten kan een BLO worden aangewezen?

Een BLO kan worden aangewezen ten behoeve van beschermde inheemse dier- en plantensoorten. Beschermde inheemse diersoorten zijn volgens de Flora- en faunawet alle van nature in Nederland voorkomende soorten zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen en vissen. Uitgezonderd daarvan zijn echter gedomesticeerde zoogdier- en vogelsoorten (aan te wijzen bij AmvB), zwarte rat, bruine rat, huismuis en vissoorten waarop de Visserijwet van 1963 van toepassing is. Daarnaast zijn beschermde inheemse dier- en plantensoorten aangewezen in het Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten.

Een noodaanwijzing ligt in de rede als:

  • -

    een leefomgeving van een beschermde inheemse diersoort acuut bedreigd wordt;

  • -

    de betreffende soort een rode lijstsoort is of anderszins in (inter)nationaal opzicht van belang is;

  • -

    de betreffende leefomgeving een van de weinige van de soort in Noord-Brabant is.

  • -

    andere, bestaande beschermingsmogelijkheden zoals bestemmingsplan, Wm-vergunning etcetera, niet toereikend zijn voor bescherming.

De landelijke prioritering van Rode lijst-soorten is richtinggevend.

Bij elke noodaanwijzing zal expliciet worden aangegeven waarom tot aanwijzing wordt overgegaan. De noodaanwijzing zal overeenkomstig het in de nota geformuleerde beleid alleen in noodsituaties waar acute bescherming noodzakelijk is, worden gebruikt.

  • 3.

    Uitvoeringsfase

Als GS overeenkomstig het advies van bureau Natuur en Landschap het ontwerp-besluit voor de noodaanwijzing hebben genomen, dienen de volgende stappen te worden genomen;

  • -

    het ontwerp wordt ter inzage gelegd gedurende 6 weken;

  • -

    aan de Minister van LNV, de gebruikers en eigenaren van de betreffende percelen, het dagelijks bestuur van het betreffende waterschap en b&w van de betreffende gemeente(n) dienen wordt onverwijld bericht dat het ontwerp-besluit is genomen;

  • -

    de normale procedure in het kader van het ontwerp-besluit gaat van start (uniforme openbare voorbereidingsprocedure volgens afd. 3.4 Awb).

De normale procedure in het kader van het ontwerp-besluit is als volgt:

een ieder kan een zienswijze indienen; GS stellen de PPC in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerpbesluit en de daarover ontvangen zienswijzen.

Bureau Natuur en Landschap bereidt op grond van de verzamelde informatie, de ingebrachte zienswijzen en het advies van de PPC een besluit voor, waarin GS besluit tot al of niet definitieve aanwijzing van de betreffende percelen als beschermde leefomgeving. Overeenkomstig de wet, dient dit definitieve besluit binnen één jaar na vaststelling van het ontwerp-besluit te worden genomen. Indien dit niet gebeurt, vervalt het ontwerp-besluit en is de status van beschermde leefomgeving niet meer van toepassing.

De rechtsgevolgen van de aanwijzing tot beschermde leefomgeving zijn:

  • -

    een verbod de in het concept- dan wel aanwijzingsbesluit genoemde handelingen te verrichten;

  • -

    de plicht GS minimaal 1 maand en maximaal 1 jaar vooraf in kennis te stellen van voorgenomen genoemde handelingen;

  • -

    GS kunnen voorschriften verbinden aan het verrichten van de gemelde handelingen; de voorschriften kunnen mede gericht zijn aangerichte schade te herstellen;

  • -

    het verbod geldt niet als de kennisgeving aan GS is gedaan en GS niet uiterlijk op de dag voorafgaand aan de datum dat de handelingen worden uitgevoerd schriftelijk hebben meegedeeld bezwaar te hebben of wordt gehandeld overeenkomstig de door GS gestelde voorschriften;

  • -

    GS kunnen schadevergoeding toekennen indien hiertoe aanleiding bestaat.

 

  • 4.

    Toezicht- / handhavingsfase

Voor elke aanwijzing zal, samen met Afdeling Handhaving, een toezichts- / handhavingsplan worden geschreven en bekendgemaakt aan handhavingspartners. De inhoud van dit plan is afhankelijk van de inhoud van de aanwijzing (handelingen en bijbehorende meldingsplicht).

  • 5.

    Evaluatiefase

Het genomen besluit wordt vervolgens geëvalueerd. Door bureau Natuur en Landschap wordt alle mogelijke informatie verzameld omtrent de in het kader van de noodprocedure aangewezen beschermde leefomgeving. Hierbij is zowel monitoring van de soort waarvoor de aanwijzing plaatsvond van belang, als informatie over verrichte handelingen op de aangewezen percelen (in te winnen bij eigenaren en gebruikers).

Overigens dient bij aanwijzing van een beschermde leefomgeving de monitoring apart te worden bezien. De uitvoering van monitoring is afhankelijk van voor welke soort de aanwijzing plaatsvond en in hoeverre de soort en de locatie deel uitmaken van het provinciale meetnet.

Overeenkomstig artikel 25 Flora- en faunawet kunnen GS de aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving geheel of gedeeltelijk intrekken. Hiervoor is dezelfde procedure als de aanwijzing van toepassing.

De noodaanwijzing vervalt als de rest van de aanwijzingsprocedure na een jaar niet is afgerond.

Wetstechnische informatie

Beleidsnota uitvoering Flora- en faunawet 2006

Geldend van 05-04-2006 t/m 09-11-2011

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie Noord-Brabant
Organisatietype Provincie
Officiële naam regeling Beleidsnota uitvoering Flora- en faunawet 2006
Citeertitel Beleidsnota uitvoering Flora- en faunawet 2006
Vastgesteld door gedeputeerde staten
Onderwerp milieu
Eigen onderwerp flora en fauna

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Flora- en faunawet, hoofdstuk V
  2. Algemene wet bestuursrecht, art. 4:81

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

05-04-2006 10-11-2011 nieuwe regeling

28-03-2006

Provinciaal Blad, 2006, 46

1179270