Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingVerordening water Noord-Brabant
CiteertitelVerordening water Noord-Brabant
Vastgesteld doorprovinciale staten
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerpwater, waterkeringen

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Op grond van artikel 9.4 van deze verordening hebben Gedeputeerde Staten bij besluit van 14 december 2009 de nummering van de artikelen van deze verordening opnieuw vastgesteld en de in deze verordening voorkomende aanhalingen van de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming gebracht. Daarbij hebben Gedeputeerde Staten tevens de in deze verordening voorkomende aanhalingen van de artikelen van de Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling met de nieuwe nummering van de Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling in overeenstemming gebracht.

Bij besluit van 10 december 2009 (Stb. 2009, nr. 549) is de datum van inwerkingtreding van de Waterwet vastgesteld op 22 december 2009.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Waterwet
  2. Provinciewet, art. 145 en 146
  3. Scheepvaartverkeerswet, art. 2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Regeling wijzigen begrenzingen Verordening water Noord-Brabant

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

24-12-200922-12-200927-03-2013nieuwe regeling

20-11-2009

Provinciaal Blad, 2009, 230

Statenvoorstel 49/09

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Provinciale Staten van Noord-Brabant;

Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten d.d. 8 september 2009 en de Memorie van Antwoord/Nota van Wijziging van Gedeputeerde Staten d.d. 3 november 2009;

 Gelet op de Waterwet;

Gelet op artikel 145 en 146 van de Provinciewet;

Gelet op artikel 2 van de Scheepvaartverkeerswet;  

Gezien het advies van de Provinciale Omgevingscommissie van Noord-Brabant van 1 oktober 2009;  

Gezien het advies van de Commissie voor Ruimte en Milieu van 16 oktober 2009;  

Overwegende, dat het in verband met de nieuwe Waterwet noodzakelijk is om de regelgeving met betrekking tot het waterbeheer te herzien; 

Overwegende, dat het wenselijk is om in navolging van de opzet van de Waterwet een nieuwe integrale Verordening water Noord-Brabant vast te stellen; 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Verordening water Noord-Brabant

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen bestuur: algemeen bestuur van het waterschap;

  • b.

    dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van het waterschap;

  • c.

    minister: Minister van Verkeer en Waterstaat;

  • d.

    beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de wet;

  • e.

    compartimenteringskering: regionale waterkering die als zodanig geen directe waterkerende functie heeft, tenzij in geval van doorbraak of overstroming van de primaire waterkering;

  • f.

    legger: legger als bedoeld in artikel 5.1 van de wet;

  • g.

    peilbesluit: besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de wet;

  • h.

    projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de wet;

  • i.

    profiel van vrije ruimte: ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering;

  • j.

    regionale waterkering: waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening;

  • k.

    regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de wet;

  • l.

    scheepvaartklasse: internationale scheepvaartklassen volgens de indeling van de Conférence Européenne des Ministres des Transports (CEMT1992) voor vaarwegen ten westen van de Elbe;

  • m.

    vaarwegbeheer: overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken;

  • n.

    waterschap: waterschap Aa en Maas, waterschap De Dommel, waterschap Brabantse Delta, waterschap Rivierenland of waterschap Zeeuwse Eilanden;

  • o.

    waterlopen: lijnvormige oppervlaktewateren;

  • p.

    wet: Waterwet.

Artikel 1.2 Reikwijdte

  • 1 Deze verordening is van toepassing op de provincie Noord-Brabant.

  • 2 In afwijking van het in het eerste lid gestelde is deze verordening, met uitzondering van hoofdstuk 3, paragraaf 3, en hoofdstuk 4, paragraaf 1, niet van toepassing op het gebied van waterschap Rivierenland, zoals begrensd bij of krachtens artikel 2 van het Reglement voor het waterschap Rivierenland.

  • 3 Op het gebied, bedoeld in het tweede lid, is de Waterverordening waterschap Rivierenland van toepassing. 

Hoofdstuk 2 Normen

Paragraaf 1 Regionale waterkeringen

Artikel 2.1 Aanwijzen regionale waterkeringen

Deze paragraaf is van toepassing op de regionale waterkeringen die als zodanig zijn aangewezen op de als bijlage I bij deze verordening behorende kaart.

Artikel 2.2 Veiligheidsnorm
  • 1 Op de als bijlage I bij deze verordening behorende kaart is voor elke regionale waterkering, niet zijnde een compartimenteringskering, of voor elk deel daarvan, de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand die deze regionale waterkering veilig moet kunnen keren.

  • 2 Voor regionale waterkeringen als bedoeld in het eerste lid stellen Gedeputeerde Staten voor daarbij aan te geven plaatsen vast, welke relatie tussen waterstanden en overschrijdingskansen daarvan uitgangspunt is bij de bepaling van het waterkerend vermogen.

  • 3 De vaststelling, bedoeld in het tweede lid, geschiedt voor de eerste maal een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, en wordt daarna elke zes jaar herhaald.

  • 4 De beheerder handhaaft voor compartimenteringskeringen het feitelijke profiel van de betreffende waterkering op de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

  • 5 De beheerder legt uiterlijk twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening de te handhaven profielen, bedoeld in het vierde lid, vast in de legger.

  • 6 De regionale keringen voldoen op 31 december 2015 aan de normen, bedoeld in het eerste lid.

  • 7 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van het dagelijks bestuur een tijdstip vaststellen dat afwijkt van het genoemde in het zesde lid. 

Paragraaf 2 Waterkwantiteit

 Artikel 2.3 Normen wateroverlast
  • 1 Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20 a van de Wegenverkeerswet 1994,  als norm een overstromingskans van:

    • a.

      1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen;

    • b.

      1/10 per jaar voor overige gebieden.

  • 2 Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt buiten de bebouwde kom van een gemeente , zoals bedoeld in artikel 20 a van de Wegenverkeerswet 1994,als norm een overstromingskans van:

    • a.

      1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen;

    • b.

      1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw;

    • c.

      1/25 per jaar voor akkerbouw;

    • d.

      1/10 per jaar voor grasland.

  • 3 Voor bebouwing die is gelegen buiten de bebouwde kom geldt de norm van het omringende landgebruik, genoemd in het tweede lid, onder b, c of d, of de afwijkende norm op grond van het vierde lid.

  • 4 In afwijking van het tweede lid geldt voor de gebieden buiten de bebouwde kom, zoals bedoeld in artikel 20 a van de Wegenverkeerswet 1994,  aangegeven op bijlage II bij deze verordening geen norm, dan wel een hogere of een lagere norm.

  • 5 Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen aangaande de toepassing van de voorgaande leden.

  • 6 Gedeputeerde Staten kunnen een technische leidraad vaststellen voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren. Deze strekt tot aanbeveling voor de beheerder.

  • 7 Gedeputeerde Staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur het tijdstip vast waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren voldoet aan de in het eerste tot en met vierde lid opgenomen normen.  

Paragraaf 3 Meten en beoordelen

Artikel 2.4  Verslag toetsing watersysteem
  • 1 Het dagelijks bestuur brengt, in het bijzonder vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.

  • 2 Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid, waarbij onder meer de veiligheidsnorm, de hydraulische randvoorwaarden bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, en de legger betrokken.

  • 3 Het dagelijks bestuur brengt, in het bijzonder vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de normen voor wateroverlast bedoeld in artikel 2.3, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.

  • 4 Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Bij die beoordeling worden onder meer de normen, bedoeld in artikel 2.3, en de legger betrokken.

  • 5 Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

  • 6 Gedeputeerde Staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, vast voor welk tijdstip de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, voor de eerste maal wordt uitgebracht en met welke frequentie het verslag daarna wordt uitgebracht. 

Artikel 2.5 Nadere voorschriften

Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen, bedoeld in artikel 2.4.

Hoofdstuk 3 Organisatie en samenhang waterbeheer

Paragraaf 1 Toedeling beheer

Artikel 3.1 Toedeling watersysteembeheer

Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem, gelet op de taakomschrijving in artikel 2 van het reglement van het betreffende waterschap op grond van de Waterschapswet.

Artikel 3.2 Beheer provinciale vaarwegen door waterschap Brabantse Delta
  • 1 Het vaarwegbeheer over de Mark en Dintel, de Roode Vaart, Roosendaalsche en Steenbergsche Vliet (inclusief de Steenbergse en Heensche haven), en het Mark-Vlietkanaal berust bij de provincie Noord?Brabant.

  • 2 Waterschap Brabantse Delta is belast met de uitvoering van het beheer over de in het eerste lid genoemde vaarwegen

  • 3 Het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta is belast met het nautisch beheer over de in het eerste lid genoemde vaarwegen volgens de bepalingen bij of krachtens de Scheepvaartverkeerswet.

Paragraaf 2 Beheer provinciale vaarwegen

Artikel 3.3 Beheersdoelstellingen provinciale vaarwegen 
  • 1 Gedeputeerde Staten stellen vast welke scheepvaartklassen bepalend zijn voor het beheer van de provinciale vaarwegen bedoeld in artikel 3.2.

  • 2 Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, waarbij het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta wordt gehoord.

  • 3 Het waterschap legt de hoedanigheid van de wateren als vaarweg, de scheepvaartklasse en het profiel vast in de legger.

Artikel 3.4 Opdracht tot regeling en bestuur  
  • 1 Het algemeen bestuur van waterschap Brabantse Delta stelt bij verordening regels in het belang van de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van de provinciale vaarwegen, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, evenals de daartoe behorende werken.

  • 2 Bij het vaststellen van de verordening, bedoeld in het eerste lid, neemt het bestuur de doelstellingen, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, in acht.  

  • 3 Toepassing van het eerste lid geschiedt mede in het belang van het watersysteembeheer of de bescherming van de landschappelijke, ecologische of andere natuurwetenschappelijke waarden van het gebied waarin een vaarweg is gelegen.

  • 4 Een verordening als bedoeld in het eerste lid wordt voorbereid met toepassing van de inspraakverordening van het waterschap.

  • 5 Gedeputeerde Staten worden gehoord over het ontwerp van een verordening als bedoeld in het eerste lid. 

Artikel 3.5 Bedieningstijden van bruggen en sluizen
  • 1 Het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta stelt de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, behorende bij de provinciale vaarwegen.

  • 2 Op de voorbereiding of wijziging van het besluit, bedoeld in het eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 

Paragraaf 3 Regels voor een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer

Artikel 3.8 Begrenzing beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden en natte natuurparels

De begrenzing van de beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden en de natte natuurparels wordt aangegeven op de als bijlage III bij deze verordening behorende kaarten.  

Artikel 3.9 Wijzigingsbevoegheid

Door Gedeputeerde Staten worden bij nader besluit de begrenzingen bedoeld in artikel 3.8 gewijzigd, indien en voor zover dat noodzakelijk is om deze in overeenstemming te brengen met de begrenzingen van deze gebieden zoals die bij of krachtens de verordening bedoeld in artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening in het kader van provinciale ruimtelijke besluitvorming zijn vast­gesteld.

Artikel 3.10 Doorwerking gebiedsbegrenzing

Bij het vaststellen van een verordening als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet, houdende regels met betrekking tot handelingen in een watersysteem of beschermingszones, strekt de begrenzing van de gebieden in bijlage III of een nadien vastgesteld nader besluit als bedoeld in artikel 3.9 het algemeen bestuur tot aanbeveling.

Hoofdstuk 4 Plannen

Paragraaf 1 Regionale waterplannen

Artikel 4.1 Inhoud
  • 1 Onverminderd artikel 4.4. van de wet, bevat een regionaal waterplan één of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarop de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht.

  • 2 De ruimtelijke aspecten bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet worden in het regionaal waterplan aangeduid. 

Artikel 4.2 Voorbereiding
  • 1 Gedeputeerde Staten voeren, ter voorbereiding van het regionaal waterplan, ten minste overleg met het dagelijks bestuur van de waterschappen, de hoofd-ingenieur directeur van Rijkswaterstaat en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.

  • 2 Gedeputeerde Staten raadplegen ter voorbereiding van het regionaal waterplan de Minister van Verkeer en Waterstaat en Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies en de beheerder van de grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen.

  • 3 Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 4 Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze op het regionaal waterplan schriftelijk of mondeling in te brengen.

Artikel 4.3 Uitwerking
  • 1 In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionaal waterplan gegeven regels.

  • 2 Het besluit van Gedeputeerde Staten tot uitwerking van het regionaal waterplan maakt deel uit van het regionaal waterplan.

  • 3 Artikel 4.2 is van overeenkomstige toepassing op het uitwerkingsbesluit.

  • 4 Binnen vier weken na vaststelling van de uitwerking informeren Gedeputeerde Staten de in artikel 4.2 genoemde bestuursorganen.

Paragraaf 2 Beheerplannen voor regionale wateren

Artikel 4.4 Inhoud
  • 1 Onverminderd artikel 4.6 van de wet, bevat het beheerplan ten minste:

    • a.

      de beschrijving van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt;

    • b.

      het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen;

    • c.

      de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren; 

    • d.

      een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode;

    • e.

      het gewenste grond? en oppervlaktewaterregime voor de aan het oppervlaktewater en het freatisch grondwater toegekende functies.

  • 2 Het beheerplan is voorzien van een toelichting, waarin ten minste is opgenomen:

    • a.

      de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken;

    • b.

      een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste lid onder c genoemde maatregelen.

 Artikel 4.5 Voorbereiding
  • 1 Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 2 Het dagelijks bestuur raadpleegt bij het opstellen van het beheerplan ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende waterbeheerders, de colleges van burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten van de binnen het plangebied liggende gemeenten en provincies, alsmede de ten aanzien van grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen bevoegde Belgische autoriteiten.

  • 3 De stukken worden ter inzage gelegd in ten minste het kantoor van het waterschap en in de gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het gebied waarop het beheerplan betrekking heeft.

  • 4 Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het beheerplan schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.

  • 5 Het dagelijks bestuur kan besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast bij het actualiseren van het maatregelenprogramma als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid onder c, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.

  • 6 Een vastgesteld beheerplan wordt toegezonden aan de instanties, bedoeld in het tweede lid, en aan de Minister van Verkeer en Waterstaat.

 Artikel 4.6  Uitwerking
  • 1 In het beheerplan kan worden bepaald dat het dagelijks bestuur het beheerplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens de in het beheersplan gegeven regels.

  • 2 Het besluit van het dagelijks bestuur tot uitwerking van het beheerplan maakt deel uit van het beheerplan.

  • 3 Artikel 4.5 uitgezonderd het tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het uitwerkingsbesluit.

  • 4 Binnen vier weken na vaststelling van de uitwerking informeert het dagelijks bestuur de in artikel 4.5, tweede lid genoemde bestuursorganen. 

Artikel 4.7 Goedkeuring
  • 1 Het dagelijks bestuur stuurt het beheerplan binnen vier weken na vaststelling ter goedkeuring naar Gedeputeerde Staten.

  • 2 Als bijlagen bij het beheerplan voegt het dagelijks bestuur toe

    • a.

      het verslag van de raadpleging bij de voorbereiding van het besluit;

    • b.

      de ingediende zienswijzen;

    • c.

      de beschouwingen van het bestuur over de zienswijzen.

Hoofdstuk 5 Aanleg en beheer van waterstaatswerken

Paragraaf 1 Legger

 Artikel 5.1 Legger waterstaatswerken
  • 1 De legger bevat naast het bepaalde in artikel 5.1, eerste lid van de wet in ieder geval:

    • a.

      het lengteprofiel en dwarsprofielen van de primaire- en regionale waterkeringen;

    • b.

      het dwarsprofiel van de oppervlaktewaterlichamen onder beheer van het waterschap.

  • 2 Op de overzichtskaart, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid van de wet, is ten aanzien van de primaire waterkeringen het profiel van vrije ruimte aangeven. 

Artikel 5.2 Vrijstelling leggerplicht voor waterlopen
  • 1 Waterlopen met een maatgevende afvoer van minder dan 30 liter per seconde zijn vrijgesteld van de in artikel 5.1 van de wet bedoelde verplichtingen met betrekking tot omschrijving van de vorm, afmeting en constructie van de waterloop en het dwarsprofiel, bedoeld in artikel 5.1. eerste lid onder b.

  • 2 Vrij meanderende wateren zijn vrijgesteld van de in artikel 5.1 van de wet bedoelde verplichtingen met betrekking tot omschrijving van de vorm en afmeting van de betreffende waterloop. De ondersteunende kunstwerken, die deel uitmaken van vrij meanderende waterlopen met een maatgevende afvoer van 30 liter per seconde of meer, worden wel omschreven.

  • 3 De ondersteunende kunstwerken, die deel uitmaken van vrij meanderende waterlopen met een maatgevende afvoer van 30 liter per seconde of meer, worden wel omschreven.

  • 4 De ligging van de in het eerste lid bedoelde waterlopen waarvoor vrijstelling is verleend, wordt aangegeven als lijnelement op een overzichtskaart met een schaal van maximaal 1:10.000.

  • 5 Voor de vrij meanderende wateren, bedoeld in het tweede lid, wordt de ligging aangegeven op een overzichtskaart met een schaal van maximaal 1:10.000, door middel van een zone waarbinnen de waterloop zich feitelijk kan bevinden.

  • 6 Voor waterlopen met een maatgevende afvoer van minder dan 10 liter per seconde, die slechts dienstig zijn aan één belanghebbende, wordt eveneens vrijstelling verleend van de verplichting om de waterloop op te nemen op de overzichtskaart, bedoeld in het vierde lid. 

Artikel 5.3 Tijdelijke vrijstelling leggerplicht voor regionale keringen

Gedeputeerde Staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur de termijn vast, gedurende welke artikel 5.1, eerste lid van de wet niet van toepassing is op de regionale waterkeringen die zijn aangewezen op grond van artikel 2.1, onverminderd artikel 2.2, vijfde lid.

 Paragraaf 2 Peilbesluiten

 Artikel 5.4 Aanwijzing gebieden voor peilbesluiten

Het algemeen bestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlakte­waterlichamen in de gebieden die zijn aangegeven op de kaart in bijlage IV bij deze verordening.

Artikel 5.5 Inhoud peilbesluit
  • 1 Onverminderd artikel 5.2. tweede lid, van de wet bevalt het peilbesluit een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.

  • 2 Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting, waarin tenminste zijn opgenomen:

    • a.

      de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken;

    • b.

      een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van een geldend peilbesluit, dan wel de bestaande situatie in het geval dat er nog geen peilbesluit geldt;

    • c.

      een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen.

Artikel 5.6 Openbare voorbereiding

Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 5.7 Herziening
  • 1 Een peilbesluit wordt ten minste eens in de tien jaren herzien.

  • 2 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van het algemeen bestuur eenmalig vrijstelling verlenen van de verplichting genoemd in het eerste lid, voor ten hoogste vijf jaar.

Paragraaf 3 Projectprocedure voor waterstaatswerken

Artikel 5.8 Projectprocedure 
  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van het dagelijks bestuur hoofdstuk 5, paragraaf 2 van de wet, van toepassing verklaren op:

    • a.

      projectplannen voor de aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen;

    • b.

      projectplannen voor de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen;

    • c.

      projectplannen voor de aanleg en wijziging van waterstaatswerken in verband met beekherstel en verdrogingsbestrijding.

  • 2 In een verzoek als bedoeld in het eerste lid geeft het dagelijks bestuur aan:

    • a.

      wat de bovenlokale betekenis is van het project, en waarom het met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht;

    • b.

      welke besluiten nodig zijn ter uitvoering van het projectplan als bedoeld in artikel 5.8 van de wet.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, kunnen door Gedeputeerde Staten nadere regels worden vastgesteld, waarin wordt bepaald dat hoofdstuk 5, paragraaf 2 van de wet van toepassing is op bepaalde categorieën of nader genoemde projectplannen.

  • 4 Het besluit, bedoeld in het derde lid, wordt vastgesteld na overleg met het dagelijks bestuur van de waterschappen.

  • 5 Het besluit, bedoeld in het derde lid, wordt bekend gemaakt in het Provinciaal Blad en medegedeeld in een of meer regionale dagbladen. 

Artikel 5.9 Toezending projectplan voor primaire waterkeringen

Een aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring toegezonden projectplan, bedoeld in artikel 5.5 van de wet, dat betrekking heeft op een primaire waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijkring die tevens is gelegen op het grondgebied van een andere provincie, wordt door het dagelijks bestuur van het waterschap tevens toegezonden aan Gedeputeerde Staten van die andere provincie. 

Paragraaf 4 Waterakkoord

Artikel 5.10 Voorbereiding

Bij de voorbereiding van een waterakkoord als bedoeld in artikel 3.7 van de wet, raadpleegt het dagelijks bestuur het college van Burgemeester en Wethouders of ander openbaar gezag, voorzover het akkoord betrekking heeft op onderdelen van het watersysteem ten aanzien waarvan de gemeente of dat gezag belast is met het vaarweg- of havenbeheer.

Hoofdstuk 6 Handelingen in watersystemen

Artikel 6.1 Grondwaterregister

  • 1 Gedeputeerde Staten houden een register bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water als bedoeld in artikel 6.4 van de wet worden ingeschreven, met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verstrekt.

  • 2 In het register, bedoeld in het eerste lid, worden ook de op grond van artikel 6.4 van de wet verleende vergunningen vermeld, krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt. 

Artikel 6.2 Melden, meten en registreren

  • 1 Ten aanzien van grondwateronttrekkingen en infiltraties als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, van de wet kunnen Gedeputeerde Staten nadere voorschriften vaststellen met betrekking tot de wijze waarop opgave wordt gedaan over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater, geïnfiltreerd water en de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.

  • 2 Degene die onder het toepassingsbereik van artikel 6.4, eerste lid, van de wet grondwater onttrekt of water infiltreert, neemt daarbij de door Gedeputeerde Staten vastgestelde nadere voorschriften als bedoeld in het eerste lid in acht.

  • 3 De in artikel 6.11, eerste, tweede en vierde lid, van het Waterbesluit genoemde verplichtingen met betrekking tot het melden, meten en registreren van een grondwateronttrekking zijn niet vereist ten aanzien van onttrekkingsinrichtingen ten behoeve van bodemenergiesystemen waarvan de pompcapaciteit niet meer bedraagt dan 10 m³ per uur, voorzover deze inrichtingen zijn gelegen buiten de beschermde gebieden waterhuishouding als bedoeld in artikel 3.8 van deze verordening en de onttrekkingsput niet dieper is dan 30 meter minus maaiveld.

  • 4 De in artikel 6.11, vierde lid van het Waterbesluit genoemde verplichting met betrekking tot de opgave van de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater is niet van toepassing ten aanzien van een onttrekking ten behoeve van een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de wet, indien de gemeten hoeveelheden in overeenstemming zijn met de watervergunning.

Artikel 6.3 Ambtshalve inschrijving grondwaterregister

  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water als bedoeld in artikel 6.4 van de wet ambtshalve inschrijven in het register, bedoeld in artikel 6.1, indien de inrichting:

    • a.

      niet overeenkomstig artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is gemeld; of

    • b.

      overeenkomstig artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit dient te worden gemeld aan een ander bestuursorgaan dan Gedeputeerde Staten.

  • 2 Als datum van inschrijving wordt aangehouden 1 januari van het jaar waarin de ambtshalve inschrijving plaatsvindt. 

Artikel 6.4 Algemene voorschriften grondwateronttrekkingen

  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen, na overleg met het dagelijks bestuur, algemene voorschriften vaststellen met betrekking tot grondwateronttrekkingen als bedoeld in artikel 6.4 van de wet.

  • 2 Degene die onder het toepassingsbereik van artikel 6.4 van de wet grondwater onttrekt, neemt daarbij de door Gedeputeerde Staten vastgestelde algemene voorschriften voor grondwateronttrekkingen in acht.

Artikel 6.5 Uitzondering vergunningplicht

Een vergunning tot het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de wet, is niet vereist ten aanzien van inrichtingen waarvan de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 10 m³ per uur, voorzover deze inrichtingen gelegen zijn buiten de beschermde gebieden waterhuishouding als bedoeld in artikel 3.8 van deze verordening en de onttrekkingsput niet dieper is dan 30 meter minus maaiveld.

Hoofdstuk 7 Schadevergoeding grondwater

Artikel 7.1  Verzoek tot instellen onderzoek

Een verzoek om vergoeding van kosten of schade of een onderzoek als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de wet omvat ten minste:

  • a.

    de bepalingen door toepassing waarvan de aanvrager zich voor kosten gesteld ziet of schade lijdt;

  • b.

    de aard en de omvang van kosten of schade;

  • c.

    het bedrag dat naar het oordeel van de aanvrager voor vergoeding in aanmerking komt of de wijze waarop naar het oordeel van de aanvrager kosten of schade anderszins moeten worden vergoed. 

Artikel 7.2  Instelling commissie

Gedeputeerde Staten stellen een commissie van deskundigen in die is belast met het adviseren inzake verzoeken als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de wet.

Artikel 7.3  Procedure advies

  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen een verzoek als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de wet in handen van de commissie, bedoeld in artikel 7.2, stellen.

  • 2 Indien Gedeputeerde Staten een verzoek voorleggen aan de commissie zenden zij daarvan een afschrift aan de vergunninghouder of vergunninghouders die zij daarbij betrokken achten, doen zij daarvan mededeling aan de verzoeker en, in geval het verzoek verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur.

  • 3 De commissie brengt zo spoedig mogelijk advies uit over de ondervanging of vergoeding van schade dan wel over de overneming van de onroerende zaak.

  • 4 De commissie zendt het ontwerp van haar advies toe aan degene op wiens verzoek Gedeputeerde Staten een onderzoek heeft laten instellen, aan de betrokken vergunninghouder of vergunninghouders, en aan het bestuur van het waterschap. 

Artikel 7.4  Indienen zienswijzen

  • 1 Gedurende zes weken na de verzending van het ontwerpadvies kunnen de betrokkenen, bedoeld in artikel 7.3, vierde lid, schriftelijk hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen bij de commissie van deskundigen.

  • 2 De commissie stelt degenen die een zienswijze hebben ingediend in de gelegenheid hun zienswijze in persoon of bij gemachtigde op een daartoe door haar te beleggen zitting voor één of meer van haar leden mondeling toe te lichten, daarbij desgewenst bijgestaan door deskundigen.

  • 3 Van hetgeen op de zitting, bedoeld in het tweede lid, naar voren wordt gebracht wordt een verslag gemaakt.

  • 4 Indien zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies al dan niet gewijzigd vast en zendt dat gelijktijdig met het verslag van de hoorzitting en haar beschouwingen omtrent de zienswijzen toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 7.3, vierde lid.

  • 5 Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, vast en zendt dat toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 7.3, vierde lid.

  • 6 De in het vierde en vijfde lid genoemde stukken worden tevens toegezonden aan Gedeputeerde Staten en, in geval het verzoek, bedoeld in 7.19, eerste lid, van de wet, verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur. 

Hoofdstuk 8 Toezicht

Artikel 8.1 Toezicht vaarwegbeheer

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens artikel 3.4 zijn belast de bij besluit van het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta aan te wijzen personen. 

Hoofdstuk 9 Overgangs- en slotbepalingen

 Artikel 9.1 Intrekken verordeningen

  • 1 De Verordening waterhuishouding Noord-Brabant 2005 wordt ingetrokken.

  • 2 De Verordening op de waterkering Noord-Brabant 1997 worden ingetrokken. 

Artikel 9.2  Overgangsrecht algemene voorschriften grondwateronttrekkingen

Voor zover op grond van artikel 6.4 geen algemene voorschriften zijn vastgesteld, gelden de voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening vigerende Algemene voorschriften grondwateronttrekkingen voor degene die onder het toepassingsbereik van artikel 6.4 van de Wet grondwater onttrekken.  

 Artikel 9.3  Overgangsrecht provinciale vaarwegen

  • 1 Tot de inwerkingtreding van het besluit als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, gelden als beheersdoelstellingen voor de provinciale vaarwegen de scheepvaartklassen die op grond van artikel 8 Scheepvaartverkeerswet zijn aangegeven in het besluit van het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap West-Brabant van 19 juli 1993 nummer 9694, gewijzigd bij besluit van het voorlopig dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta van 12 januari 2004, nummer 04I000099.

  • 2 Tot de inwerkingtreding van het besluit als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid blijft het Besluit bedieningstijden sluizen en bruggen in beheer van waterschap Brabantse Delta van 19 december 2006 zijn gelding behouden. 

Artikel 9.4  Aanbrengen doorlopende nummering, aanpassing aanhalingen

  • 1 Voor de plaatsing in het Provinciaal Blad wordt door Gedeputeerde Staten de nummering van de artikelen van deze verordening opnieuw vastgesteld en worden de in deze verordening voorkomende aanhalingen van de artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming gebracht.

  • 2 Voor de plaatsing in het Provinciaal Blad wordt door Gedeputeerde Staten de in deze verordening voorkomende aanhalingen van de artikelen van de wet, het Waterbesluit en de Waterregeling met de nieuwe nummering van de wet, het Waterbesluit en de Waterregeling in overeenstemming gebracht.

Artikel 9.5 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 29 januari 2009, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet), in werking treedt.

Artikel 9.6 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Verordening water Noord-Brabant.

Ondertekening

 ’s-Hertogenbosch, 20 november 2009

Provinciale Staten voornoemd,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

  de griffier mw. drs. E.M.W.J. Wöltgens

Toelichting

In december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet vervangt de diverse wetten op het gebied van het waterbeheer en stelt daarvoor een integrale wet in de plaats, die toegesneden is op het waterbeheer in de 21ste eeuw.

Naast de klassieke wateronderwerpen worden een aantal relatief jonge beleidstaken uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) van een wettelijke regeling voorzien. Zo biedt de wet een grondslag voor de normering van regionale keringen en van de regionale wateroverlast. Verder kent de wet een basis voor de vaststelling van een verdringingsreeks voor tijden van waterschaarste en een (optionele) gecoördineerde projectprocedure voor de aanleg van spoedeisende waterstaatswerken van bovenregionale betekenis, zoals regionale keringen, beekherstel- en waterbergingsprojecten.

Daarnaast introduceert de Waterwet een integrale watervergunning, die in de plaats komt van diverse oude watervergunningen en -ontheffingen en worden een groot aantal taken voor het operationeel grondwaterbeheer gedecentraliseerd naar de waterschappen.

Gelet op de nieuwe Waterwet moet ook de provinciale waterregelgeving (de Verordening waterhuishouding Noord-Brabant 2005 en de Verordening op de waterkering 1997) worden aangepast. In navolging van de opzet van de Waterwet is een nieuwe integrale Verordening water voor Noord-Brabant vastgesteld.

 De verordening richt zich in de eerste plaats tot de waterschappen als waterbeheerder. In aanvulling op de Waterwet wordt het provinciale kader gesteld voor de uitoefening van hun taken en bevoegdheden. Daarnaast worden een aantal nadere regels gesteld voor de inhoud van een regionaal waterplan (het huidige provinciale waterplan, PWP), en de voorbereiding daarvan door Gedeputeerde Staten.

 De provinciale regels die zich richten tot de gebruikers van watersystemen (burgers, bedrijven) zijn neergelegd in hoofdstuk 6 van deze verordening, of in nadere regels die op grond van dat hoofdstuk zijn vastgesteld.    

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 begripsbepalingen

In artikel 1.1 zijn de begripsbepalingen opgenomen. De begripsbepalingen die in de Waterwet en het Waterbesluit zijn opgenomen (zoals bijvoorbeeld oppervlaktewaterlichaam en bergingsgebied) zijn niet in deze verordening herhaald. Voor de uitleg van die begripsbepalingen wordt verwezen naar de Waterwet en het Waterbesluit.

Artikel 1.2 Reikwijdte

Artikel 1.2 geeft een zogenoemde territoriale invulling aan de reikwijdte van deze verordening.

De verordening is van toepassing op Noord-Brabant, uitgezonderd het gebied van het interprovinciale waterschap Rivierenland. Daar is slechts een gedeelte van deze verordening van toepassing, naast een interprovinciale waterverordening die door Provinciale Staten van de provincies Gelderland, Utrecht, Zuid-Holland en Noord-Brabant is vastgesteld.

 Reeds voorafgaand aan de Waterwet bestond het inzicht dat het voor interprovinciale waterschappen niet wenselijk is dat meerdere provinciale waterverordeningen naast elkaar gelden. In 2006 is daarom een interprovinciale verordening inzake de waterhuishouding voor waterschap Rivierenland vastgesteld (Verordening waterbeheer waterschap Rivierenland, PB 90, 206). Dit uitgangspunt is bij gelegenheid van de Waterwet gehandhaafd.

 Een uitzondering geldt voor de bepalingen uit deze verordening die de provinciale planvorming (het PWP) betreffen en de bepalingen inzake de gebiedsbescherming in hoofdstuk 3, paragraaf 3. De begrenzing van de beschermde gebieden waterhuishouding en attentiegebieden hangt samen met het provinciaal ruimtelijk- en natuurbeleid, dat de gehele provincie Noord-Brabant betreft, inclusief het Brabantse deel van waterschap Rivierenland.

Hoofdstuk 2 Normen

 Door het stellen van normen geeft de provincie nader invulling aan de reglementair opgedragen taak van de waterschappen, te weten de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied. Het waterschap is reglementair gehouden het watersysteem zo in te richten en te beheren dat het voldoet aan de in deze verordening nader gestelde eisen in de vorm van normen.

Paragraaf 1 Regionale waterkeringen

 Algemeen Op grond van artikel 2.4 van de Waterwet moeten bij provinciale verordening voor daarbij aan te wijzen andere dan primaire waterkeringen die in beheer zijn bij een andere beheerder dan het Rijk, veiligheidsnormen worden vastgesteld. In deze titel wordt daarin voorzien. Vastgelegd is wat het gewenste beschermingsniveau is van de waterkeringen die op grond van hun functie van regionale betekenis worden geacht. Deze regionale waterkeringen zijn aangewezen op de als bijlage I bij deze verordening behorende kaart.

Artikelsgewijs

Artikel 2.1. Aanwijzing regionale keringen

Op de kaart (bijlage 1) bij de verordening staan de regionale keringen die door de provincie zijn aangewezen en genormeerd. Het gaat hierbij om 2 typen regionale keringen te weten:

  • a)

    regionale keringen langs regionale rivieren en

  • b)

    compartimenteringskeringen.

De gedetailleerde ligging van de keringen staat aangegeven op de betreffende legger van het waterschap.

Artikel 2.2 veiligheidsnorm (zoals weergegeven op bijlage I)

 In bijlage I wordt voor regionale keringen langs regionale rivieren tevens op de kaart aangegeven wat de bijbehorende veiligheidsnorm is, uitgedrukt als gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste waterstand die deze regionale waterkering veilig moet kunnen keren.  

 Voor compartimenteringskeringen worden geen veiligheidsnormen vastgesteld. Indien wel normen vastgesteld zouden worden, zouden ze gerelateerd moeten worden aan overschrijdingskansen en waterstanden die horen bij primaire waterkeringen. Dit houdt verband met het feit dat deze keringen in feite een reservesysteem zijn voor als er iets met de primaire keringen gebeurt. Een dergelijke norm zou leiden tot hoge investeringskosten voor compartimenteringskeringen. Hierbij dringt zich dan de vraag op of de investering niet beter in preventie (verbetering primaire keringen) gestoken kan worden. Om deze reden is ervoor gekozen compartimenteringskeringen aan te wijzen als regionale kering als uit een analyse van overstromingsberekeningen is gebleken dat de huidige compartimenteringskering zinvol is. Een compartimenteringskering wordt gezien als zinvol, als deze bij een doorbraak van een primaire kering de optredende schade vermindert of de overstroming van bewoond gebied vertraagt. Bij een compartimenteringskering wordt daarom als norm geen overschrijdingskans met bijbehorende waterstand vastgesteld, maar wordt uitgegaan van handhaving van het feitelijk profiel.  

 In de stedelijke gebieden van Den Bosch en Breda gaan de keringen langs de regionale rivieren over in oevers langs hoog gelegen gronden (zie letter A op de kaart). Omdat hier geen sprake is van keringen behoeft er niets aangewezen of genormeerd te worden. De waterbeheerder beheert de oevers op grond van legger en keur.

 Voor sommige aangewezen keringen geldt dat ze een dubbelfunctie hebben (zie letter B op de kaart). Dezelfde kering is dan zowel kering langs een regionale rivier als compartimenteringskering. Omdat keringen langs regionale wateren genormeerd worden, dient deze norm minimaal gehandhaafd te worden. Bij een forse overdimensionering ten opzichte van deze norm kan handhaving van het feitelijke profiel (ook) aan de orde zijn.

 De op de kaart aangegeven normen (gemiddelde overschrijdingskansen van hoogste waterstanden) gelden voor alle keringen langs regionale wateren (in rood aangegeven) binnen de betreffende ellips.

De normen zijn zoveel mogelijk toegepast voor een samenhangend stelsel van keringen. De normen zijn zoveel mogelijk gebaseerd op de normen voor wateroverlast die nationaal zijn vastgesteld voor verschillende typen grondgebruik (zie art 2.3, tweede lid van de verordening). Een uitzondering is gemaakt voor Den Bosch en omgeving. Binnen dit gebied wordt al enkele jaren gewerkt aan de bescherming van het stedelijk gebied van Den Bosch tegen wateroverlast vanuit het regionale watersysteem van Dommel en Aa. Dit wordt bereikt door een combinatie van bergingsgebieden en keringen. In dit kader is enkele jaren geleden bestuurlijk gekozen voor een norm van 1/150 per jaar. De situatie in Breda is vergelijkbaar in die zin dat het halen van de norm ook gebeurt door de inzet van een combinatie van bergingsgebieden en keringen. Bij de uitvoering hiervan wordt al enige tijd uitgegaan van een norm van 1/100 per jaar.

 In de provincie zijn naast de primaire keringen en aangewezen regionale keringen nog andere keringen aanwezig. Deze zijn niet op de kaart aangegeven. Enerzijds betreft het hier rijkskeringen (langs de kanalen en langs de A2 bij Den Bosch) en anderzijds betreft het keringen met een minder belang. Het aanwijzen en normeren van rijkskeringen is een bevoegdheid van de minister van V&W. Om deze reden zijn ook de keringen langs wateren die in open verbinding staan met de rijkskanalen niet aangegeven. Het betreft hier veelal keringen in onderhoud bij gemeenten langs gemeentelijke havens en kanalen. Het aanwijzen en normeren zal bezien worden in relatie tot hoe met de rijkskeringen wordt omgegaan. De keringen met een minder belang zijn over het algemeen beschermd door verboden in de keur van het betreffende waterschap. ‘Van minder belang’ betekent doorgaans dat de kerende hoogte (verschil tussen de maatgevende hoogwaterstand en het maaiveld achter de kering) gering is en dat de te beschermen waarden gering van omvang zijn.

Eerste lid In dit lid is bepaald dat voor regionale waterkeringen de gemiddelde overschrijdingsfrequentie per jaar van de hoogste waterstand (kans van voorkomen van een bepaalde waterstand) de veiligheidsnorm is. De Waterwet formuleert het begrip veiligheidsnorm als ‘gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop de tot directe kering van het buitenwater bestemde (primaire, lees hier: regionale) waterkering moet zijn berekend, mede gelet op de overige het waterkerende vermogen bepalende factoren’. De compartimenteringskeringen zijn zoals gezegd uitgezonderd in lid 1; de normering in overschrijdingskansen betreft dus enkel de regionale waterkeringen langs regionale rivieren/wateren en boezemkeringen.

Tweede lid In dit lid wordt de relatie tussen norm en maatgevende hoogwaterstand genoemd, kortweg ook wel uitgedrukt als ‘hydraulische randvoorwaarden’. De maatgevende hoogwaterstanden zoals die langs de regionale rivieren gelden voor het toetsen van de regionale keringen worden door Gedeputeerde Staten vastgesteld op voorstel van de watersysteembeheerders. Met de vaststelling van deze waterstanden is de keringbeheerder in staat om te toetsen of de vereiste veiligheid nog wordt bereikt. De keringbeheerder betrekt daarbij andere relevante factoren die situatieafhankelijk zijn. Hiertoe kunnen behoren de strijklengte van het water waarop de wind aangrijpt, de maatgevende windrichting en kracht, de waterdiepte, scheefstand door opwaaiing, golfaanval door scheepvaart of anderszins. De maatgevende waterstanden zullen per rivierkilometer vastgesteld worden.

Derde lid Iedere zes jaar zullen de hydraulische randvoorwaarden herijkt worden om te bezien of de waterstanden nog de vereiste relatie met de norm (overschrijdingskans) hebben. Op deze manier wordt het systeem steeds aangepast als de waterstanden door klimaatveranderingen of anderszins stijgen.

 Vierde lid Compartimenteringskeringen worden aangewezen nadat het nut is aangetoond op basis van een analyse van overstromingsberekeningen. Handhaving van de huidige aanwezige keringen kan door handhaving van het huidige profiel. Omdat in en op deze keringen functies zijn ondergebracht als bewoning, verkeer, groenvoorzieningen, nutsleidingen e.d. worden hiermee steeds nieuwe activiteiten opgeroepen. Om deze min of meer ongestoord te kunnen laten plaatsvinden kan handhaving van het huidige profiel plaatsvinden onder acceptatie van voor de waterkering in beginsel ongewenste activiteiten in de buitenste schil van de kering. De kernzone van de kering blijft daardoor zoveel mogelijk ongemoeid. Het is niet de bedoeling dat genoemde schil wordt gebruikt voor blijvende afgravingen. Met deze aanpak wordt het huidige profiel zoveel mogelijk gehandhaafd terwijl toch de inmiddels ontstane maatschappelijke functies doorgang kunnen vinden.

Vijfde lid Compartimenteringskeringen dienen als regionale kering te worden opgenomen op de legger, gelet op artikel 5.1 van de wet (zie ook artikel 5.1 van deze verordening). De Invoeringswet bij de Waterwet biedt in artikel 2.14 de mogelijkheid om tijdelijk uitstel te verlenen van de verplichting om de regionale keringen op te nemen op de legger (zie hiervoor artikel 5.3 van de verordening). In dit lid is echter bepaald dat het feitelijk profiel van compartimenteringskeringen in elk geval binnen twee jaar op de legger wordt vastgelegd, nu de norm voor deze keringen in het vierde lid niet gesteld is in de vorm van een overschrijdingskans, maar juist aan die feitelijke toestand verbonden is. Het is van belang dat deze wordt vastgelegd. De overige onderdelen van de beschrijving op grond van de wet en artikel 5.1 van deze verordening, kunnen eventueel later worden toegevoegd naar gelang de termijn die op grond van artikel 5.3 wordt bepaald.

Zesde en zevende lid De omvang van het door de beheerder uit te voeren maatregelenpakket wordt bepaald door de uitkomst van het toetsingsproces. De (financiële) inspanningen die de beheerder zal moeten leveren om de regionale waterkeringen te laten voldoen aan de vastgestelde veiligheidsnorm worden verder in hoge mate bepaald door het tijdsbestek waarbinnen de gevraagde inspanning geleverd moet worden.

 Het in het zesde lid genoemde tijdstip waarop de regionale keringen aan de normen dienen te voldoen sluit aan bij de in het Nationaal Bestuursakkoord Water (‘NBW-actueel’) vastgelegde afspraak dat maatregelen worden genomen zodat de regionale watersystemen in 2015 op orde zijn. Het betreft in principe een resultaatsverplichting voor de waterschappen. In het NBW-actueel zijn enkele uitzonderingssituaties benoemd voor het voldoen aan de normen voor wateroverlast (zie hiervoor de toelichting bij artikel 2.3, zevende lid). Voor dijkverbeteringsprojecten geldt echter in mindere mate dat zij goedkoper kunnen worden uitgevoerd door ze op een later tijdstip dan 2015 uit te voeren, gekoppeld aan andere inrichtings-projecten in het landelijk gebied. Niettemin kan de aard en omvang van de mogelijke aanpassingen aan de regionale keringen inclusief de bijbehorende procedures aanleiding zijn om het tijdstip waarop aan de veiligheidsnormen moet worden voldaan, uit te stellen. Daarom is in het zevende lid voor Gedeputeerde Staten de mogelijkheid geopend om op verzoek van het waterschap een afwijkend tijdstip vast te stellen, waarop de norm gerealiseerd moet zijn.

 Paragraaf 2    Waterkwantiteit

Artikel 2.3 Normen wateroverlast

Algemeen Op grond van artikel 2.8 van de Waterwet moeten bij provinciale verordening met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, normen worden gesteld met betrekking tot de gemiddelde overstromingskans per jaar uit oppervlaktewateren van daarbij aan te wijzen gebieden. In dit artikel wordt daarin voorzien.

 Voor verschillende te onderscheiden gebieden worden normen vastgesteld waarbij de kans op overstroming als gevolg van grote hoeveelheden neerslag is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstroming. De normen drukken de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming uit ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau.

De normering bakent de zorgplicht af die de waterbeheerder heeft op het vlak van het voorkomen dan wel beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolge van neerslag. Zij geeft daarmee helderheid voor de burgers en de bedrijven over het restrisico en hun eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van roerende en onroerende zaken.

 In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) van 2003 zijn werknormen opgenomen die voor de verschillende vormen van landgebruik de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau uitdrukken. De vormen van landgebruik die daarbij worden onderscheiden zijn grasland, akkerbouw, hoogwaardige land-en tuinbouw, glastuinbouw en bebouwd gebied. Deze werknormen zijn uitgangspunt geweest bij het bepalen van het beschermingsniveau voor de verschillende te onderscheiden delen van de waterschapsgebieden. Hierbij is gebruik gemaakt van de meest recente versie van de zogenaamde LGN-kaart (Landelijke Grondgebruiksbestand Nederland) van het Wageningen Universiteit en Researchcentrum.

 Hierbij wordt nog opgemerkt dat bij de NBW-werknormen het zogenaamde maaiveldcriterium geldt. Dat wil zeggen dat een klein gedeelte van het gebied niet aan die norm behoeft te voldoen. Voor grasland is dat 5%, voor akkerbouw, hoogwaardige land-en tuinbouw en glastuinbouw is dat 1% en voor bebouwd gebied 0 %. De normen in het tweede lid moeten in dit licht bezien worden.

De maatregelen die nodig zijn om de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren aan de in deze verordening vastgelegde norm te laten voldoen neemt de beheerder op in het beheerplan, bedoeld in artikel 4.6 van de wet, dan wel worden uitgewerkt via inrichtingsplannen.

Eerste lid Binnen de waterschapsgebieden is een aantal gebieden met de daarbij behorende normen onderscheiden. Wat betreft het gebied (zie eerste lid) is onderscheid gemaakt tussen a) het gebied dat in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan, provinciaal of rijksinpassingsplan) is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen. Hiervoor geldt de hoogste norm van 1/100 per jaar, en b) overig gebied, zoals openbaar groen, sportvelden, lokale infrastructuur en parkeerterreinen. Hiervoor geldt een norm van 1/10 per jaar, tenzij anders overeengekomen is tussen waterschap en gemeente.

 De definitie van bebouwde kom is opgenomen in het Waterbesluit; aangesloten wordt bij de bebouwde kom, bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.

Tweede tot en met vierde lid, en bijlage II Deze artikelleden, en de bij lid 4 behorende kaart in bijlage II, hebben enkel betrekking op gebieden buiten de bebouwde kom.  Voor situaties die vallen binnen het toepassingsbereik van het eerste lid, is het kaartbeeld van bijlage II dan ook niet relevant. (zie ook hierna, onder 3.)

Tweede lid, onder b tot en met d:Via de Basisregistratie Percelen bestaat inzicht in het historische grondgebruik per perceel.

 Wat betreft het gebied (zie tweede tot en met vierde lid) is onderscheid gemaakt tussen:

  • a.

    bebouwing die is gelegen buiten de bebouwde kom: hiervoor geldt de norm van het omringende landgebruik (derde lid);

  • b.

    beekdalen, Ecologische Hoofdstructuur inclusief ecologische verbindingszones, buitendijkse gebieden langs regionale wateren, de concrete waterbergingsgebieden en reserveringsgebieden waterberging: hiervoor geldt geen norm (vierde lid);

  • c.

    gebieden waarvoor een andere, afwijkende norm geldt: hoger of lager (vierde lid).

Aan deze indeling van gebieden in het eerste tot en met vierde lid liggen de volgende overwegingen ten grondslag:

  • 1. Voor bebouwing in stedelijk gebied geldt vanwege de hoge economische waarde van het gebouwd overeenkomstig de NBW-normering de hoogste norm, de ‘bebouwingsnorm’, van 1/100 per jaar (lid 1, onder a).

  • 2. Voor niet-bebouwd gebied in stedelijke kernen (parken, sportvelden etc.) geldt in beginsel een norm van 1/10 per jaar (lid 1, onder b). Dit vanwege de lage economische waarde van dat gebied en de kosten van de benodigde maatregelen die gemoeid zijn met het realiseren van een hogere norm. Waterschap en gemeente bepalen in onderling overleg welke norm voor dit overig gebied acceptabel is. 

  • 3. Door wat betreft de stedelijke kernen aansluiting te zoeken bij het begrip ‘bebouwde kom’ van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, wordt bereikt dat bij stedelijke uitbreiding de norm automatisch opschuift. Bepalend daarvoor is het tijdstip waarop het besluit van de gemeenteraad tot wijziging van de grens van de bebouwde kom onherroepelijk is. Omdat de vastgestelde norm kan worden aangemerkt als een minimumnorm, is het waterschap vrij om desgewenst reeds in de tussentijd (periode tussen de feitelijke realisering stedelijke uitbreiding en het onherroepelijke besluit tot aanpassing grens bebouwde kom) te anticiperen op de toekomstige ‘bebouwingsnorm’. Aldus kan het waterschap soepel inspelen op de nieuwe situatie.

    Door ervan af te zien de bebouwde kom op de kaart bij de verordening aan te geven wordt voorkomen dat bij iedere wijziging van de bebouwde kom (de kaart bij) de verordening moet worden aangepast.

  • 4. Voor bebouwing die is gelegen buiten de bebouwde kom geldt de norm van het omringende landgebruik (lid 3). Indien bebouwing bijvoorbeeld gelegen is binnen de EHS of een waterbergingsgebied, geldt naar analogie van het omliggende landgebruik, de afwijkende norm op grond van het vierde lid. Omdat dit kan worden aangemerkt als een minimumnorm, is het waterschap vrij om desgewenst maatregelen te nemen om een hoger beschermingsniveau te realiseren. 

  • 5. Voor (natuurlijke) beekdalen en natuurgebieden geldt overeenkomstig het NBW geen norm (lid 4). Het betreft het gebied dat behoort tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS); inclusief de ecologische verbindingszones maar exclusief de beheersgebieden, aangezien deze hun landbouwkundige functie behouden. Het betreft dus de natuurgebieden die behoren tot de Groene Hoofdstructuur (GHS)-natuur.

    Deze gebieden zijn opgenomen op bijlage II bij de verordening. Op de kaart is de EHS-laag leidend: als voor een gebied geen norm geldt omdat het bijvoorbeeld zowel EHS als waterberging (zie overweging 7) is, is dit op de kaart zichtbaar als EHS. 

    Bij de totstandkoming van de werknormen NBW zijn geen normen gesteld t.a.v. gebruik t.b.v. natuur. In tegenstelling tot economisch gebruik (stedelijk gebied, agrarisch gebruik) is natuur te divers van aard om in algemene normen te vervatten. De mate waarin wateroverlast wenselijk of zelfs nodig is om de natuurdoelen c.q. instandhoudingsdoelen te bereiken is maatwerk.

    Het waterschap kan er wel voor kiezen om in deze gebieden, bijvoorbeeld de beekdalen, toch een beschermingsniveau te bieden. Zo gaat waterschap Aa en Maas voor haar beekdalen, die grotendeels door landbouwgebied stromen, uit van een norm van 1/10 per jaar.

  • 6. Ook voor Natura 2000-gebieden geldt overeenkomstig het NBW geen norm. De Natura 2000-gebieden maken onderdeel uit van de EHS. Hierover wordt nog het volgende opgemerkt. Voor deze gebieden moeten op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 beheerplannen worden vastgesteld. In die plannen moeten maatregelen worden opgenomen die gericht zijn op het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dieren- en plantensoorten in de desbetreffende gebieden. Die maatregelen kunnen mede waterhuishoudkundige maatregelen omvatten, waarmee een bepaald beschermingsniveau voor die gebieden wordt gerealiseerd. Dit heeft evenwel geen gevolgen voor de regeling in dit artikel, nu voor die gebieden geen norm is vastgesteld.

  • 7. Het watersysteem behoeft als zodanig niet genormeerd te worden. Dat geldt ook voor de daarbij behorende waterbergingsgebieden alsmede voor buitendijks gelegen gebieden langs regionale wateren of buitendijkse gebieden die tot het hoofdwatersysteem behoren (uiterwaarden). Voor deze gebieden geldt dus geen norm. Deze gebieden zijn eveneens aangegeven op bijlage II (lid 4).Ten aanzien van waterbergingsgebieden kan er onderscheid gemaakt worden in concrete waterbergingsgebieden en reserveringsgebieden waterberging. Voor concrete waterbergingsgebieden (dit zijn de gebieden die tot 2015 worden gerealiseerd en opgenomen in de legger van het waterschap en gemeentelijke bestemmingsplannen) geldt geen norm omdat dit waterstaatswerk tot functie heeft op bepaalde momenten te inunderen. Voor reserveringsgebieden waterberging geldt geen norm omdat in dergelijke gebieden – in afwachting van een volgende ronde toetsing (2011/2012) waaruit de noodzaak voor een dergelijk gebied moet blijken – geen kapitaalintensieve inrichtingsmaatregelen worden genomen. Na de volgende toetsingsronde (2011/2012) wordt besloten of het gebied daadwerkelijk wordt ingericht als bergingsgebied of dat er een norm voor van toepassing wordt verklaard.

  • 8. Er zijn gebieden waarvoor wel een norm van toepassing is, maar dit een andere norm (hoger of lager) dan genoemd in het eerste of tweede lid betreft. Deze gebieden zijn eveneens aangegeven op bijlage II (lid 4).Voor deze gebieden geldt dat er een bestuurlijke afweging heeft plaatsgevonden van kosten en baten, of vanwege de aard van het gebied.

    Enerzijds kan dit leiden tot een hoger beschermingsniveau dan de in het eerste of tweede lid genoemde normen. Dit geldt voor het stedelijk gebied van de regio ’s-Hertogenbosch waar een beschermingsniveau tegen wateroverlast vanuit het regionale watersysteem van Dommel en Aa van 1/150 per jaar van toepassing is.

    Anderzijds kan dit leiden tot een lager beschermingsniveau dan de in het eerste of tweede lid genoemde normen. In het gebied van waterschap Aa en Maas betreft het bijvoorbeeld enkele beekdalen, waar een norm van 1/10 per jaar van toepassing is in plaats van een norm voor landbouwkundig gebruik. De lagere norm houdt in dat de huidige situatie in stand blijft, er vindt geen verbetering of verslechtering plaats. Uit de toetsing door de waterschappen is gebleken dat het gebied niet voldoet aan de NBW-werknormen (zie het tweede lid). Vanwege de kosten en baten, dan wel aard van het gebied, heeft het waterschap in deze gebieden wel een inspanningsverplichting, echter de inspanning is gericht op het (blijven) voldoen aan de huidige situatie. De inspanning hoeft niet te leiden tot het nemen van maatregelen om te voldoen aan de normen uit het tweede lid.

Vijfde lid De in dit artikel neergelegde normen wateroverlast zijn nieuw. Het is van belang dat ook voor de burger duidelijk is welke norm waar geldt. Niet uitgesloten kan worden dat hieromtrent in de praktijk toch nog vragen rijzen. Met het oog op de gewenste duidelijkheid is daarom in dit lid aan Gedeputeerde Staten de mogelijkheid geboden om in nadere regels uit te leggen hoe de normen uit het eerste tot en met vierde lid moeten worden toegepast.

Zesde lid Om te bereiken dat de toetsing van het actuele beschermingsniveau door de verschillende waterschappen op uniforme wijze tot stand komt, is in dit lid de mogelijkheid opgenomen dat Gedeputeerde Staten daarvoor een technische leidraad vaststellen. Een dergelijke leidraad strekt de beheerder tot aanbeveling. Daarmee wordt de beheerder een bepaalde ruimte gelaten om bijvoorbeeld wat betreft toe te passen rekenmethodieken gemotiveerd af te wijken. Ook de beschikbaarheid van gegevens kan daarvoor een reden zijn.

Zevende lid Dit lid sluit aan bij de in het NBW(-actueel) vastgelegde afspraak dat maatregelen worden genomen zodat de regionale watersystemen in 2015 op orde zijn. In het NBW-actueel zijn enkele uitzonderingssituaties benoemd wat betreft het tijdstip-op-orde. Dat betreft bestaand stedelijk gebied waar geen sprake is van een urgente wateropgave. Voor dergelijk gebied geldt dat de opgave uiterlijk in de periode tot en met 2027 wordt uitgevoerd door gemeente en waterschap. Eenzelfde termijn geldt voor maatregelen die veel goedkoper kunnen worden uitgevoerd door ze op een later tijdstip dan 2015 te koppelen aan andere projecten. In verband met deze mogelijke uitzonderingssituaties is de bevoegdheid tot het vaststellen van een tijdstip-op-orde in handen gelegd van Gedeputeerde Staten, en is bepaald dat Gedeputeerde Staten overleg voeren met het dagelijks bestuur alvorens zij een dergelijk besluit nemen. Een dergelijk besluit zal gepubliceerd worden in het Provinciaal Blad. Op grond van de Waterwet toetst de waterbeheerder elke zes jaar het watersysteem, onder andere op inundatiefrequenties. Dit heeft tot doel het watersysteem na 2015 op orde te houden met het oog op ondermeer klimaatveranderingen en het opvangen van de cumulatieve hydrologische gevolgen van handelingen die in de loop van de tijd in het watersysteem plaatsvinden.

 Tot slot wordt opgemerkt dat drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening wordt bekeken of het normeringssysteem aanpassing behoeft. Deze eventuele aanpassing is dan voldoende tijdig om mee te kunnen worden genomen bij de eerste toetsingsronde.

 Paragraaf 3   Meten en beoordelen

Algemeen Uit artikel 2.14 van de Waterwet volgt dat bij of krachtens provinciale verordening, regels kunnen worden gesteld ten aanzien van het periodiek door de beheerder meten van daarbij aan te geven grootheden en het aan de hand van de meetresultaten beoordelen van de mate van verwezenlijking van de in deze verordening neergelegde normen met betrekking tot de waterkering en wateroverlast. Het is gelet op de Memorie van Toelichting bij artikel 2.14 van de Waterwet gewenst dat de beheerder de vinger “aan de pols van het watersysteem houdt” en periodiek nagaat in hoeverre de normen verwezenlijkt zijn.

De resultaten van de beoordeling van het watersysteem en de bevindingen bij de beoordeling worden door de beheerder vervat in een verslag, dat wordt toegezonden aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.4 Verslag toetsing watersysteem

De beheerder draagt zorg voor de periodieke beoordeling van het watersysteem, meer specifiek de beoordeling van de primaire en regionale waterkering, de regionale wateren en de ondersteunende kunstwerken. Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre de waterstaatwerken voldoen aan de gestelde normen met betrekking tot de veiligheid van de regionale waterkering respectievelijk het tegengaan van wateroverlast.

De beheerder rapporteert de uitkomsten van deze beoordeling periodiek aan Gedeputeerde Staten zodat gedeputeerde staten kunnen nagaan of aan de normen is voldaan.

 In samenhang met het voorgaande kan in de rapportage ook aandacht worden besteed aan de uit het Nationaal Bestuursakkoord Water voortvloeiende verplichting voor de beheerder om de regionale watersystemen te toetsen aan de zogenaamde werknormen en de uitwerking van de gewenste grond- en oppervlaktewaterregimes (GGOR) als bedoeld in het Nationaal Bestuursakkoord Water.

Hoofdstuk 3   Organisatie en samenhang waterbeheer

Paragraaf 1               Toedeling beheer

Artikel 3.1    Toedeling watersysteembeheer

De Waterwet beoogt te bewerkstelligen dat landsdekkend is bepaald wie belast zijn met het beheer van watersystemen. Hiertoe is in artikel 3.1 van de Waterwet bepaald dat alle watersystemen of onderdelen daarvan die bij het Rijk in beheer zijn, worden aangewezen bij algemene maatregel van bestuur. In artikel 2.2, tweede lid, van de Waterschapswet is bepaald dat de zorg voor het regionale watersysteem bij reglement aan waterschappen wordt opgedragen, tenzij dat niet verenigbaar is met een goede organisatie van de waterstaatkundige verzorging. De reglementaire taakopdracht is gebiedsgericht. Dat betekent dat alle regionale watersystemen of onderdelen daarvan bij een waterschap in beheer zijn, tenzij er sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van de Waterschapswet. Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Waterwet moeten voor de niet bij het Rijk in beheer zijnde watersystemen of onderdelen daarvan bij provinciale verordening beheerders worden aangewezen. Hierbij dient artikel 2, tweede lid, van de Waterschapswet in acht te worden genomen.

 Ter uitvoering van artikel 3.2 eerste lid van de Waterwet is in artikel 3.1 van deze verordening het waterschap aangewezen als beheerder van het regionale watersysteem. Hierbij is verwezen naar de reglementaire omschrijving van de taak van het waterschap, zijnde ‘de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen’.

 Met de in taakopdracht opgenomen clausulering wordt bereikt dat de toedeling van beheer geen betrekking heeft op watersystemen die in beheer zijn bij het Rijk. Daarnaast wordt eveneens bereikt dat vaarwegbeheer dat bij gemeenten of provincies berust, niet onder de taakomschrijving valt.

 Vaarwegbeheer Vaarwegbeheer is de aanleg en instandhouding van de infrastructuur ten behoeve van de scheepvaart. De beheerder heeft als taak er voor te zorgen dat de betreffende waterstaatsobjecten blijven beantwoorden aan de specifieke doelstellingen en eisen vanuit de scheepvaart. Het beheer als vaarweg maakt begripsmatig onderdeel uit van het watersysteembeheer; het betreft hier het vervullen van een maatschappelijke (te weten: verkeers-)functie door het watersysteem als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder c. van de Wet.

 Het vaarwegbeheer werd tot de komst van de nieuwe Waterwet niet in een formele wet geregeld of toebedeeld. Wie de vaarwegbeheerder is volgt doorgaans uit de historisch gegroeide situatie; deze taak wordt vaak in autonomie uitgevoerd door overheidslichamen van algemeen bestuur (het rijk, de provincie, de gemeente; vergelijk het weg- en verkeersbeheer te land). ‘Heerloze’ vaarwegen waarvoor geen beheerder bekend is, worden verondersteld in beheer te zijn bij het waterschap; het vaarwegbeheer gaat in dat geval op in het kwantiteitsbeheer. 

De Waterwet geeft de provincie de opdracht het vaarwegbeheer door andere lichamen dan het Rijk of de waterschappen vast te leggen in de verordening, door aanwijzing van die beheerders. De wetgever beoogt hierbij nadrukkelijk het in autonomie door gemeenten uitgevoerde vaarwegbeheer te respecteren; zie paragraaf 6.7 op pagina 23 van de Memorie van Toelichting (TK 2006-2007, 30 818, nr.3). Aangezien het nauwkeurig in beeld brengen van historisch gegroeide beheersituaties niet vóór de inwerkingtreding van de wet kan worden gerealiseerd voorziet artikel 2.8 eerste lid van de Invoeringswet in een overgangstermijn van 3 jaar om die vaarwegbeheerders aan te wijzen. Verder bepaalt de Invoeringswet als overgangsrecht het volgende: ‘tot het tijdstip van van kracht worden van een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid blijft de zorg voor de vaarweg- of havenfunctie berusten bij het overheidslichaam dat onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.2 van de Waterwet die zorg behartigde met betrekking tot de desbetreffende vaarweg of haven.’

 Het tweede lid van artikel 3.2 van de wet bepaalt dat de artikelen met betrekking tot het beheerplan, de legger, de bevoegdheid een verontreiningsheffing in te stellen en handhaving niet van toepassing zijn voor die vaarwegbeheerders. Artikel 3.11 van de wet geeft aan dat de provinciale verordening voor een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer enkel regels kan vaststellen ten aanzien van waterschapsplannen en – besluiten. Hieruit kan worden afgeleid dat de hierboven bedoelde vaarweg- en havenbeheerders, ook na aanwijzing in de Verordening water, deze taken in autonomie blijven uitoefenen. Artikel 3.8 van de wet geeft aan, dat de waterschappen en gemeenten zorg dragen voor de met het oog op een doelmatig en samenhangend waterbeheer benodigde afstemming van taken en bevoegdheden.

Artikel 3.2    Beheer provinciale vaarwegen door waterschap Brabantse delta

In 1984 heeft de provincie het beheer over de Mark en Dintel, de Roode Vaart, Roosendaalsche en Steenbergsche Vliet en Mark-Vlietkanaal formeel overgenomen van hoogheemraadschap West-Brabant (thans: waterschap Brabantse Delta). Het waterschap bleef het vaarwegbeheer (actief beheer, ook wel genoemd ‘bakbeheer’) uitvoeren voor de provincie op basis van een overeenkomst. In 1995 is deze overeenkomst uitgebreid met een mandaat voor het nautisch (verkeers-)beheer krachtens de Scheepvaartverkeerswet.   

Deze constructie was een uitdrukking van de provinciale verantwoordelijkheid voor deze vaarwegen. Toedeling als formele waterschapsneventaak in het waterschapsreglement werd niet wenselijk geacht, omdat het hier waterschapsoverstijgende belangen betrof. De bestaande overeenkomst en het mandaat geven echter het waterschap niet de bevoegdheid om ten behoeve van het vaarwegbeheer algemeen verbindende voorschriften te stellen. De regels in de Keur kunnen niet verder gaan dan hetgeen ingegeven wordt vanuit het reguliere waterbeheer.

Gelet op artikel 3.2 van de Waterwet kan de uitvoering van het vaarwegbeheer juridisch-technisch van een nieuwe grondslag worden voorzien, die past bij de bedoelingen van de wetgever. Omdat het hier het vastleggen van de bestaande beheersituatie betreft, hoeft geen gebruik te worden gemaakt van de overgangstermijn die de Invoeringswet biedt.

Eerste lid In het eerste lid van artikel 3.2 van de verordening wordt bevestigd dat de nader genoemde vaarwegen en havens onder verantwoordelijkheid van de provincie vallen. Waterschap Brabantse Delta krijgt in het tweede lid de uitvoering van het vaarwegbeheer over die provinciale vaarwegen opgedragen in medebewind op grond van artikel 146 Provinciewet. Hiermee blijft de primaire verantwoordelijkheid van de provincie uitgedrukt. Er zal dus om de hierboven genoemde overwegingen nog steeds geen sprake zijn van een eigen (autonome) reglementaire taakopdracht van het waterschap.

§ 2       Beheer provinciale vaarwegen

Artikel 3.3    Beheersdoelstellingen provinciale vaarwegen 

Eerste lid De provinciale verantwoordelijkheid voor de genoemde vaarwegen impliceert dat van provinciewege de (verkeers-)doelstellingen worden bepaald waaraan de vaarwegen dienen te voldoen. De provincie draagt de kosten voor de daarmee gepaard gaande investeringen en het beheer en onderhoud. Er is voor gekozen die verkeersdoelstellingen uit te drukken in scheepvaartklassen (volgens de internationale CEMT-normen) met het oog op de schepen die gebruik moeten kunnen maken van de vaarweg. Zolang deze niet is vastgesteld gelden op grond van het specifieke overgangsrecht, neergelegd in artikel 9.3, als doelstellingen de aanduidingen op Scheepvaartklassekaart (19 juli 1993, gewijzigd bij besluit van 12 januari 2004) die het dagelijks bestuur van het waterschap heeft vastgesteld op grond van de Scheepvaartverkeerswet (zijnde een aanwijzing met dezelfde strekking als een verkeersteken). Deze Scheepvaartklassenkaart is een weergave van de bestaande situatie.

Tweede lid De bijbehorende minimaal benodigde vaarwegdiepten en –profielen voor de betreffende klassen kunnen worden afgeleid uit de Richtlijnen vaarwegen RVW 2005 (Stcrt. 2006, 32). Aangezien deze wateren tevens een functie vervullen binnen het kwantiteitsbeheer, is de bepaling van de feitelijke diepte en profiel overgelaten aan het waterschap als integraal waterbeheerder. Deze worden vastgelegd in de legger op grond van artikel 5.1 van de Waterwet. Deze legger kan overigens gecombineerd worden met de zogenaamde onderhoudslegger op grond van artikel 78 tweede lid van de Waterschapswet (zie ook de toelichting bij hoofdstuk 5, paragraaf 1 van deze verordening). 

 Artikel 3.4    Opdracht tot regeling en bestuur De overeenkomst uit 1984 en het mandaat geven het waterschap niet de bevoegdheid om ten behoeve van het vaarwegbeheer algemeen verbindende voorschriften te stellen. De regels in de keur kunnen in dat geval niet verder gaan dan hetgeen ingegeven wordt vanuit het reguliere waterbeheer. De nieuwe grondslag (artikel 146 Provinciewet) maakt het wel mogelijk het waterschapsbestuur de opdracht te geven regels te stellen in het belang van het vaarwegbeheer. Op deze wijze kan zij invulling geven aan het integraal waterbeheer, en waar nodig, aanvullende voorschriften stellen. 

 Eerste lidIn uitzonderingsgevallen en onder speciale voorwaarden kan de vaarwegbeheerder grotere schepen dan het maatgevende op de vaarweg toelaten. Bij toelating van dergelijke schepen dient de vlotte en veilige vaart door middel van aanvullende maatregelen of vergunningvoorwaarden krachtens de Scheepvaartverkeerswet te worden gewaarborgd. Gelet op het eerste lid kan de keur daarnaast aanvullende voorschriften stellen ter bescherming van de vaarweg en bijbehorende werken zelf.

Derde lidHet tweede lid geeft de reikwijdte van de belangen aan die bij het stellen van regels ten behoeve van het vaarwegbeheer kunnen worden betrokken. Zij zijn een uitdrukking van de ‘brede blik’ die de waterbeheerder bij zijn taakuitoefening pleegt te hanteren. Zo kunnen met name de belangen van het watersysteembeheer worden betrokken, zoals de functie die aan de betreffende wateren in het provinciale waterplan is toegekend. Aan onderdelen van de provinciale vaarwegen is op de PWP-functiekaart zowel de functie scheepvaart, als de functie ecologische verbindingszone toegekend.  

Vierde en vijfde lidGelet op het provinciaal belang bij deze regels wordt aanvullend ten opzichte van artikel 79 eerste lid en artikel 80 van de Waterschapswet voorgeschreven dat het ontwerpbesluit tot vaststelling tevens wordt voorgelegd aan Gedeputeerde Staten, zodat deze desgewenst een zienswijze kunnen indienen.  

Artikel 3.5 Bedieningstijden van bruggen en sluizen

Het belang van de beroepsvaart en recreatievaart is gediend met een optimale afstemming van het bedieningsregime van beweegbare bruggen en sluizen. Deze tijden worden daarom door middel van een openbaar voorbereid besluit vastgesteld.

 Paragraaf 3   Regels voor een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer

Algemeen De Waterwet geeft in artikel 3.11 de grondslag om bij of krachtens provinciale verordening regels te stellen met het oog op een samenhangend en doelmatig waterbeheer. Op basis van dit artikel kunnen bepalingen worden opgenomen die de samenhang tussen het waterbeheer en het provinciaal ruimtelijk- en natuurbeleid beogen te borgen.  

In de voorgaande Verordening Waterhuishouding Noord-Brabant 2005 zijn in hoofdstuk 4 ‘beschermde gebieden waterhuishouding’ begrensd. Hieraan lagen ten grondslag de gebieden die in het Streekplan 2002 waren aangewezen als GHS-natuur (Ecologische Hoofdstuctuur). Rond de inliggende natte natuurparels (hydrologisch gevoelige gebieden, die vanwege specifieke omstandigheden van bodem en water hoge natuurwaarden vertegenwoordigen) werden aanvullende attentiegebieden van gemiddeld 500 meter begrensd. (Rond de Groote Peel is de 2 kilometerzone uit het aanwijzingsbesluit van de minister van LNV op grond van de Natuurbeschermingswet als attentiegebied overgenomen). Zie ook de algemene toelichting op hoofdstuk 4 bij de Verordening waterhuishouding Noord-Brabant 2005.

Van deze begrenzing in de Verordening waterhuishouding ging geen planologische doorwerking uit. De attentiegebieden rond de natte natuurparels zijn overgenomen in de reconstructieplannen (2005, correctief herzien in 2008, eveneens zonder planologische doorwerking).  

De aanwijzing van beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden en natte natuurparels wordt in deze Verordening water gecontineerd. De juridische status blijft hetzelfde: de begrenzing strekt het algemeen bestuur van een waterschap tot aanbeveling bij de vaststelling van de waterschapskeur (artikel 3.10). Verder verwijzen voorschriften uit hoofdstuk 6 van deze verordening naar de beschermde gebieden waterhuishouding die op grond van deze paragraaf zijn begrensd.  

Artikel 3.9    Wijzigingsbevoegdheid

Gelet op de hierboven geschetste samenhang is het wenselijk dat de begrenzing in de Verordening water volgend kan worden aangepast aan provinciale ruimtelijke besluitvorming met betrekking tot de betreffende gebieden.

Zo wordt in 2009 de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur geactualiseerd, en begin 2010 de Verordening ruimte (Wro) vastgesteld, hetgeen consequenties kan hebben voor de begrenzing in bijlage III. Omdat een hogere regeling (de verordening van PS, inclusief bijbehorende kaarten) anders dan voor routinematige aanpassingen, niet rechtstreeks bij lagere regeling (van GS) kan worden gewijzigd, is in dit artikel expliciet de grondslag neergelegd voor delegatie van regelgevende bevoegdheid aan GS om bij nadere regeling de kaarten bij deze verordening in gewijzigde vorm vast te stellen overeenkomstig een daartoe strekkende opdracht van Provinciale Staten.

 Het betreft hier een louter volgen van de aanpassingen waartoe in het kader van besluitvorming met betrekking tot de ruimtelijke ordening is besloten, zodat er geen aanleiding is opnieuw een openbare voorbereidingsprocedure te doorlopen. In dat besluitvormingstraject is deze procedure immers al doorlopen en hebben belanghebbenden kunnen inspreken op de inhoudelijke, beleidsmatige overwegingen voor wijziging.

Artikel 3.10  Doorwerking gebiedsbegrenzing

De begrenzing heeft alleen rechtsgevolgen in het kader van het (instrumentarium) voor het waterbeleid. De begrenzing in de Verordening water heeft zoals hierboven aangegeven, geen planologische status, -(door)werking of – consequenties. Dergelijke gevolgen worden in het kader van ruimtelijke besluitvorming bepaald.

Hoofdstuk 4 Plannen                                                           

 Algemeen De bepalingen in dit hoofdstuk hebben betrekking op de totstandkoming en de inhoud van het regionaal waterplan en het beheerplan. De bestaande planstructuur van de Wet op de waterhuishouding is grotendeels overgenomen in de Waterwet. Provinciale Staten stellen het regionaal waterplan vast. De waterschappen houden hier rekening mee, bij het opstellen van hun beheerplan. Dit is de waarborg dat het uitvoeringsgerichte beheerplan goed wordt ingebed in het breder afgewogen regionaal waterplan. Om de betekenis van de watersysteembenadering te benadrukken biedt de wet nu de mogelijkheid om, in plaats van voor een gehele provincie, een regionaal waterplan te maken voor bijvoorbeeld een deelstroomgebied. De wet geeft in artikel 4.4 duidelijk aan welke onderdelen het regionaal waterplan moet bevatten. De verordening is op dit punt dan ook beknopt. De verordening gaat uitgebreider in op de in het beheerplan op te nemen onderdelen.

 Het beheerplan behoeft niets te regelen over het beheer in buitengewone omstandigheden. Artikel 5.25 van de Waterwet, de uitwerking in het Waterbesluit en de verwijzing naar artikel 3.12 van de wet bevatten een duidelijke regeling. De bepalingen zijn gericht tot de beheerder en bieden Gedeputeerde Staten de mogelijkheid tot het geven van een aanwijzing, en indien het waterschapsbestuur niet naar behoren besluit, om zelf daarin te voorzien.

 Artikelgewijs

Artikel 4.1 tweede lid 

Integratie van water en ruimtelijke ordening is alleen mogelijk wanneer de ruimtelijke gevolgen van de wateropgaven worden uitgewerkt in ruimtelijke plannen. De Waterwet brengt daarom een koppeling aan tussen de wateropgaven en de uitwerking daarvan door het regionaal waterplan tegelijkertijd de status te geven van structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 4.2 Voorbereiding

Verplicht overleg Het eerste artikellid verplicht Gedeputeerde Staten tot het voeren van overleg met ten minste het dagelijks bestuur van de waterbeheerders. Het staat Gedeputeerde Staten vrij, behalve met de genoemde partijen, ook te overleggen met de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten en bedrijven en instanties. 

Verplicht raadplegen De in het tweede artikellid neergelegde verplichting tot raadplegen heeft een wat lichter karakter. Dit artikellid bepaalt namelijk dat Gedeputeerde Staten, in plaats van te overleggen, gehouden zijn om ten minste te raadplegen de Minister van Verkeer en Waterstaat, Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies en de beheerder van de grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen. Deze opsomming is niet limitatief. Het staat Gedeputeerde Staten vrij bijvoorbeeld andere overheden, bedrijven en instanties te raadplegen. Daarbij kan worden gedacht aan Rijkswaterstaat, waterleidingbedrijven en belangenorganisaties, zoals LTO, natuur- en milieuorganisaties, VNO-NCW en de Kamer van Koophandel.

Artikel 4.3 Uitwerking

Dit artikel biedt Provinciale Staten de grondslag om Gedeputeerde Staten de bevoegdheid te verlenen dan wel te verplichten tot het, onder nader beschreven voorwaarden, uitwerken van bepaalde onderdelen van het regionaal waterplan. De planuitwerking verkrijgt vervolgens dezelfde status als het regionaal waterplan. De bevoegdheid is beperkt tot het uitwerken van het eerder vastgestelde kader. Deze mag zich dan ook niet richten op het niveau van daadwerkelijke uitvoering van maatregelen. Die bevoegdheid is immers voorbehouden aan de waterschappen.

Artikel 4.4 Inhoud

Het beheerplan bevat, op de schaal van het waterschap, een uitwerking van de strategische doelen, die de provincie in haar regionaal waterplan heeft geformuleerd. De uitwerking bevat ten minste concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren.

Het beheerplan gaat ook in op de vaststelling van het Gewenste Grondwater- en Oppervlaktewater-Regime (GGOR). Dat betekent dat het beheerplan de normering uitwerkt, dat het ingaat op de belangrijkste knelpunten in functies, een beleidskader biedt voor wateraanvoer en voor gebieden met een geringe drooglegging.

Artikel 4.5 Voorbereiding

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van besluiten, waaronder de voorbereiding en vaststelling van het beheerplan. De voorbereidingsprocedure voor het beheerplan is overigens identiek aan de in artikel 4.2 neergelegde procedure voor de totstandkoming van het regionaal waterplan. Voor de verdere toelichting verwijzen wij dan ook naar de toelichting bij artikel 4.2.

Artikel 4.6 Uitwerking

Dit artikel biedt het algemeen bestuur de grondslag om het dagelijks bestuur de bevoegdheid te verlenen dan wel te verplichten tot het, onder nader beschreven voorwaarden, uitwerken van bepaalde onderdelen van het beheerplan. De planuitwerking verkrijgt vervolgens dezelfde status als het beheerplan.

Artikel 4.7 Goedkeuring

Het waterschap stuurt, als bijlage, mee het goed te keuren beheerplan en de in het artikel genoemde bijlagen. Deze zijn geen onderdeel van het beheerplan. Gedeputeerde Staten gebruiken de bijlagen bij de beoordeling van het plan en bij het beantwoorden van de vraag of het beheerplan is voorbereid en vastgesteld volgens de daarvoor geldende procedure.

Hoofdstuk 5 Aanleg en beheer van waterstaatswerken

Paragraaf 1    Legger

 Algemeen In artikel 5.1 van de Waterwet is bepaald dat de beheerder zorg draagt voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar richting, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. In artikel 1.1 van de Waterwet is bepaald welke beheersobjecten onder waterstaatswerken zijn begrepen. De Waterwet vermeldt de basisgegevens die van de legger deel uitmaken. De ligging van de waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones wordt aangegeven op overzichtskaarten. Onder beschermingszone verstaat artikel 1.1 van de Waterwet: aan een waterstaatwerk grenzende zone, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften krachtens deze wet van toepassing kunnen zijn.

 In de Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening ten aanzien van inhoud, vorm en periodieke herziening van de legger voor daarbij te onderscheiden categorieën van waterstaatswerken nadere voorschriften kunnen worden gegeven. In deze titel wordt dit onderwerp nader uitgewerkt. De beheerder draagt er zorg voor dat de gegevens in de legger actueel blijven. De legger voor de oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, primaire- en regionale waterkeringen of ondersteunende kunstwerken kunnen door de beheerder desgewenst bij een of meer afzonderlijke besluiten, in afzonderlijke documenten worden vastgesteld dan wel worden gecombineerd.

Belang legger Waterwet De legger is van belang voor de toetsing van de waterstaatswerken aan de gestelde normen. Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de legger, waaruit ‘de normatieve’ (oftewel vereiste) toestand van de waterstaatswerken in geografisch, morfologisch en hydrologisch opzicht kenbaar is’ (MvT, Kamerstuk 30818, nr. 3, p. 38) te vergelijken met de feitelijke toestand van de waterstaatswerken. Daarnaast kan de legger van belang zijn voor de reikwijdte van de verbods- en beheerbepalingen van een waterschapskeur, indien deze de werkingssfeer van een vergunning- of ontheffingsvereiste verbindt aan de hoedanigheid van leggerwateren. 

 De legger op grond van de Waterwet moet worden onderscheiden van de onderhoudslegger als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet. Desgewenst kunnen beide leggers in één document worden gecombineerd. De Waterschapswet bevat enkele procedurele bepalingen met betrekking tot de voorbereiding en vaststelling van de laatstgenoemde legger (toepassing inspraakverordening).

 Artikelgewijs

Artikel 5.2 vrijstelling leggerplicht voor waterlopen

In het derde lid van artikel 5.1 van de wet is bepaald dat bij of krachtens provinciale verordening vrijstelling kan worden verleend van de verplichting om op de legger van vorm, afmeting, constructie en de ligging van waterstaatswerken te omschrijven met betrekking tot bepaalde waterstaatswerken die zich naar hun aard of functie niet lenen voor het omschrijven van die elementen, dan wel van geringe afmetingen zijn. Van deze mogelijkheid is in artikel 5.2 van deze verordening gebruik gemaakt, gelet op de aard en functie van de in dat artikel genoemde waterstaatswerken.

Op de hierboven reeds aangehaalde (onderhouds-)legger van de waterschappen op grond van de Waterschapswet, worden in principe de regionale wateren van overwegend belang opgenomen. De Brabantse waterschappen kennen elk hun eigen criteria voor opname op de legger, maar Brabantbreed geldt als belangrijkste criterium het gegeven of de ‘maatgevende afvoer’ 30 liter per seconde is, of meer. Deze norm is afkomstig uit de landinrichtingspraktijk. De maatgevende afvoer is volgens de definitie uit het Cultuur Technisch Vademecum een afvoer die 1 à 2 dagen per jaar wordt bereikt of overschreden. De vrijstelling van de leggerplicht voor de Waterwet sluit zoveel mogelijk aan bij de bestaande praktijk van de onderhoudslegger omdat deze waterlopen ook van overwegend belang zullen zijn voor de bergings- en afvoercapaciteit van het watersysteem.

Het vermelden van de ligging van de vrijgestelde waterlopen blijft wel verplicht in verband met het feit dat ook regionale wateren die niet van overwegend belang zijn binnen het watersysteem, een zekere bergings- en afvoercapaciteit vertegenwoordigen en als zodanig toch in beeld behoren te blijven, als zijnde de haarvaten van het watersysteem waarin water kan worden vastgehouden.  Voor waterlopen van geringe betekenis tenslotte, is in het vijfde lid ook vrijstelling verleend van de verplichting de ligging te vermelden op de overzichtskaart.   

De beheerder kan voor de vrijgestelde waterlopen een standaardprofiel, minimale maatgevende afvoer (op object, of gebiedsniveau) of andere gegevens opnemen in de legger, aan de hand waarvan de bergings- en afvoercapaciteit kan worden bepaald. Met name de vrij meanderende waterlopen als bedoeld in het tweede lid, met een maatgevende afvoer van 30 liter per seconde of meer, zijn waterlopen van overwegend belang die een belangrijke afvoer en bergingscapaciteit vertegenwoordigen. Deze zal relevant zal zijn in het licht van de beoordeling die op grond van artikel 2.4, vierde lid van de beheerder wordt gevraagd. 

Artikel 5.3 tijdelijke vrijstelling voor regionale waterkeringen

Artikel 2.14 van de Invoeringswet behorende bij de Waterwet biedt de mogelijkheid om bij of krachtens de Verordening water te bepalen dat de leggerplicht voor een daarbij te bepalen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen regionale waterkeringen. In dit artikel is bepaald dat Gedeputeerde Staten na overleg met het waterschapsbestuur deze termijn vaststellen. Dit tijdstip zal direct samenhangen met het tijdstip genoemd in artikel 2.2, zesde en zevende lid, waarop de regionale waterkering aan de gestelde norm dient te voldoen.  

Voor compartimenteringskeringen hoeven in eerste instantie 'slechts' de bestaande afmetingen in kaart te worden gebracht. De termijn voor opname van deze gegevens in de legger is in artikel 2.3 in verband met de normstelling bepaald op 2 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening. Voor de overige gegevens is artikel 5.3 van toepassing.

Paragraaf 2    Peilbesluiten

Algemeen Op grond van artikel 5.2 van de Waterwet moeten bij of krachtens provinciale verordening de oppervlaktewaterlichamen en/of grondwaterlichamen worden aangewezen waarvoor de beheerder peilbesluiten dient vast te stellen. In deze titel is daarin voorzien. In het peilbesluit worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden opgenomen of bandbreedten waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. Een peilbesluit geeft aan de ingezetenen van het waterschap die verschillende belangen hebben (zoals droge voeten, natuur, landbouw, voorkomen zetting, droge kruipruimte) aan welk peil gehandhaafd zal worden. Een belanghebbende weet dan waar hij of zij het gebruik op kan instellen.

 De verplichting tot het vaststellen van een peilbesluit is in deze verordening alleen opgelegd voor die gebieden waar het waterschap onder normale omstandigheden de wateraanvoer en waterafvoer kan beheersen. De desbetreffende gebieden zijn aangegeven op de als bijlage IV bij deze verordening behorende kaart. Voor de gebieden waar geen peilbesluiten zijn voorgeschreven, kan het waterschap streefpeilen hanteren. Bijlage IV kent een globale begrenzing. De exacte begrenzing zal door het waterschap bij de vaststelling van het peilbesluit worden bepaald.

Artikelsgewijs

Artikel 5.5    Inhoud peilbesluit

In artikel 5.5 wordt aangegeven welke informatie het peilbesluit tenminste bevat. In verband met de wisselvalligheid van weersomstandigheden (nat of droog) hebben waterschappen behoefte aan een flexibel peilbeheer. Het tweede lid van artikel 5.2 van de wet voorziet er daarom in dat peilbesluiten door de toepassing van bandbreedten flexibel kunnen zijn. In het peilbesluit kan zo nodig worden aangegeven welke peilen of bandbreedten in bepaalde delen van het jaar worden aangehouden. Het waterschap heeft de inspanningsverplichting om de in het peilbesluit aangegeven waterstanden te handhaven. De toelichting bij het peilbesluit dient op grond van onderdeel a van het tweede lid inzicht te gegeven in de verhouding tussen de gekozen oppervlaktewaterstanden ten opzichte van het optimale grond- en oppervlaktewaterregime.

Artikel 5.7    Herziening

Het eerste lid geeft aan dat een peilbesluit ten minste eenmaal in de tien jaar moet worden herzien. De termijn van tien jaar waarbinnen de herziening moet plaatsvinden, vangt aan op de datum waarop het vastgestelde peilbesluit overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht is bekendgemaakt. Op verzoek van het algemeen bestuur kunnen Gedeputeerde Staten de geldigheidsduur van een peilbesluit eenmalig voor ten hoogste vijf jaren verlengen.

Paragraaf 3 Projectprocedure voor waterstaatswerken

De wet geeft voor de aanleg, verlegging en versterking van primaire waterkeringen een specifieke coördinatieregeling, de projectprocedure voor waterstaatswerken genoemd. Daarmee worden de besluitvormingsprocedures bespoedigd en vereenvoudigd. De wet beperkt deze coördinatieregeling niet tot primaire waterkeringen maar geeft de provincies de mogelijkheid deze regeling bij of krachtens de Verordening water ook open te stellen voor andere projecten. In deze paragraaf is aangegeven voor welke projecten de projectprocedure eveneens van toepassing kan worden verklaard.

Inzet van de projectenprocedure brengt belangrijke gevolgen met zich mee. Projectplannen worden onder de goedkeuring van Gedeputeerde Staten gebracht, en bij het vaststellen van de bijbehorende uitvoeringsbesluiten kunnen Gedeputeerde Staten, indien nodig, in de plaats treden van mede overheden. Voor derden belanghebbenden is van belang te weten dat de inspraak en de rechtsbescherming wordt gebundeld. Gelet op deze gevolgen is het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid wenselijk dat vooraf duidelijk is voor welke projecten de projectenprocedure wordt ingezet.

De wetgever heeft de inzet van de procedure op basis van de Verordening water ‘geclausuleerd’. De procedure is bedoeld voor projecten van bovenlokale betekenis, die met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moeten worden gebracht. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat voor wat betreft de spoedeisendheid met name gedacht moet worden aan projectplannen die gericht zijn op het bereiken van de Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelstellingen in 2015.

De projectplannen die opgenomen zijn in artikel 5.8 lid 1 a. tot en met c. van deze verordening dragen bij aan het vergroten van de veiligheid en het voorkomen van wateroverlast als bedoeld in het Nationaal Bestuursakkoord Water, en het door de KRW vereiste ecologisch herstel van het watersysteem (beekherstel en verdrogingsbestrijding). Deze projecten van bovenlokale betekenis zijn in de praktijk overigens vaak integraal van opzet; het projectplan kan in meerdere categorieën vallen.

Toepasselijkheid van de projectprocedure kan op twee manieren ontstaan. Ten eerste kan het dagelijks bestuur van het waterschap het college van Gedeputeerde Staten op enig moment verzoeken om de projectprocedure toe te passen op een concreet project. Dit biedt de mogelijkheid om de nieuwe projectprocedure naar behoefte, en op maat in te zetten. Het verzoek van het waterschap bevat de motivering voor de inzet van de projectprocedure. Te denken valt bijvoorbeeld aan projecten, waarbij voor de uitvoering de toestemming van drie of meer bestuursorganen dan wel krachtens drie of meer wettelijke regelingen moet worden verkregen, naast de eventueel benodigde besluiten van het waterschapsbestuur zelf. Door coördinatie en bundeling van de rechtsbescherming kan met de gecoördineerde projectprocedure in dat geval de nodige winst worden geboekt.

Daarnaast is in lid 3 Gedeputeerde Staten tevens de bevoegdheid toegekend om bij nadere regeling de projectprocedure op voorhand van toepassing te verklaren op (een lijst van) nader genoemde projecten of voor bepaalde categorieën van projecten die vanuit provinciaal oogpunt van groot belang zijn voor het waterbeheer en dreigen niet tijdig gerealiseerd te worden. Deze regeling wordt na overleg met het dagelijks bestuur van de waterschappen vastgesteld en vervolgens bekendgemaakt.   

 Tot slot wordt opgemerkt dat in sommige gevallen het begrip spoedeisendheid ook in verband kan worden gebracht met financiële haalbaarheid en maatschappelijke kosten. Europese (bijvoorbeeld POP) subsidies en ILG-middelen die voor de genoemde projecten worden ingezet kennen doorgaans een termijn waarop de gesubsidieerde prestatie geleverd moet zijn; zo niet wordt er minder, of géén subsidie uitgekeerd.

Paragraaf 4 Waterakkoord

 Het systeem van aanwijzing van verplichte gevallen waarin een waterakkoord moet worden vastgesteld is in de wet vervangen door de verplichting om “voor zover dat nodig is met het oog op een samenhangend en doelmatig waterbeheer” waterakkoorden te sluiten. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek waarvoor ook in artikel 3.8 van de wet inzake de samenwerking tussen waterschappen en gemeenten is gekozen. Bij provinciale verordening kunnen alleen nog nadere regels met betrekking tot waterakkoorden worden gesteld. Met artikel 5.10 is hieraan invulling gegeven. Deze nadere regel heeft alleen betrekking op de voorbereiding van de waterakkoorden.

 In geval er andere overheden zijn die waterstaatkundige taken vervullen, zoals een gemeente of provincie die met het vaarwegbeheer is belast, is het van belang dat de dagelijkse besturen van die overheden bij de voorbereiding geraadpleegd worden, ook als er geen aanleiding is hen uit te nodigen om deel te nemen aan het waterakkoord als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid van de wet.  

Hoofdstuk 6 Handelingen in het watersysteem

Paragraaf 1    Grondwateronttrekkingen

 Algemeen In lijn met het uitgangspunt “decentraal wat kan, centraal wat moet” zijn in de Waterwet de eigen verordenende bevoegdheden van provincie en waterschap niet verder ingeperkt dan nodig. Dit blijkt onder andere uit hoofdstuk 6 van de wet, waar ruimte wordt geboden aan provincie en waterschap om zelf in de benodigde regelgeving te voorzien. Alleen waar dat nodig is met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, zullen door het Rijk regels worden gesteld. Dit betekent dat, waar van rijkswege gestelde regels ontbreken, provincies bevoegd zijn om daarin zelf bij verordening te voorzien.

 De waterschappen zijn als watersysteembeheerder verantwoordelijk voor de regulering van de handelingen in het regionale watersysteem. De Waterwet maakt hierop een uitzondering voor een drietal specifieke categorieën van grondwateronttrekkingen. Deze categorieën zijn opgenomen in artikel 6.4 van de wet. Het betreft onttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, bodemenergiesystemen en onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar ten behoeve van industriële toepassingen. Het infiltreren van water ten behoeve van voornoemde toepassingen valt ook onder het bevoegd gezag van Gedeputeerde Staten. Voor deze categorieën van onttrekkingen kunnen door de provincie bij of krachtens verordening regels worden gesteld.

 Onttrekkingen voor andere doeleinden kunnen worden gereguleerd door de waterschappen. De Waterwet laat de waterschappen de mogelijkheid voor de overige onttrekkingen een verbodsstelsel te introduceren met de mogelijkheid van vergunningen, algemene regels en vrijstellingen. De provincie heeft de mogelijkheid de regulering van de overige onttrekkingen te sturen via instructieregels bedoeld in artikel 3.11 van de wet.

Teneinde een doelmatige overdracht van de operationele grondwatertaken van provincie naar de waterschappen te bevorderen, hebben Gedeputeerde Staten en de Noord-Brabantse waterschappen bestuurlijk afgesproken het operationeel grondwaterbeheer één op één over te laten gaan, waarna de waterschappen, binnen de beleidsmatige randvoorwaarden die in het provinciaal waterplan zijn geformuleerd, eigen beleid kunnen gaan ontwikkelen.

 Artikelgewijs

Artikel 6.1     Grondwaterregister

Het grondwaterregister is nodig vanwege een doelmatig grondwaterbeheer en heeft primair tot doel inzicht te verschaffen in de mate waarin grondwater wordt onttrokken en water wordt geïnfiltreerd. Dat inzicht is nodig in verband met het opstellen van het provinciaal waterplan. Een tweede oogmerk voor het bijhouden van een register is de controle op naleving van de vergunning. Tot slot is er een relatie met de registratie voor de grondwaterheffing.

 De inrichting van het grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de Waterwet, maar er wordt naar verwezen in artikel 7.7, eerste lid, onder c van de Waterwet. Dit houdt in dat de provincie bevoegd is daarin zelf bij of krachtens verordening te voorzien.

Artikel 6.2 Melden, meten en registreren

Eerste lid De verplichting tot het doen van opgave van de jaarlijks onttrokken hoeveelheden grondwater en geïnfiltreerd water is opgenomen in artikel 6.11, vierde lid, van het Waterbesluit. Deze verplichting dient verschillende doeleinden. In de eerste plaats wordt door opgave inzicht verschaft in de mate waarin grondwater wordt onttrokken en water in de bodem wordt geïnfiltreerd. Een tweede oogmerk is de controle op naleving van de vergunning. Ten behoeve van het opgeven van jaarlijks onttrokken hoeveelheden grondwater en geïnfiltreerd water kunnen Gedeputeerde Staten een schriftelijk, dan wel digitaal, formulier vaststellen.

Tweede lid Artikel 6.17 van de wet geeft een regeling voor die gevallen waarin sprake is van samenloop van bevoegdheden. In een dergelijk geval kan op een aanvraag om een vergunning voor het onttrekken van grondwater worden beslist door een bestuursorgaan dat niet primair het bevoegd gezag heeft. Artikel 6.2, eerste lid van de Verordening water blijft in dergelijke gevallen van toepassing. Dit houdt in dat ook in gevallen waarin een ander bestuursorgaan op de vergunningaanvraag beslist, gevolg moet worden gegeven aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde nadere voorschriften als bedoeld in het eerste lid.

Derde lid Artikel 6.4, tweede lid, van de wet biedt de mogelijkheid om onttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen van ten hoogste 10 m3 per uur vrij te stellen van de vergunningplicht. In artikel 6.5 van deze verordening is gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. Om onnodige bestuurlijke lasten en de administratieve lastendruk voor burgers en bedrijven te voorkomen, zijn deze systemen tevens vrijgesteld van de verplichting tot melden, meten en registreren.

 Hierbij is de vrijstelling gekoppeld aan de pompcapaciteit van de inrichting. Het voordeel van het gebruik “pompcapaciteit” is dat deze grootheid reeds voor de aanvang van de onttrekking kan worden vastgesteld. In het geval van niet-meldingsplichtige en derhalve ook niet meet-plichtige inrichtingen, geeft de pompcapaciteit de enige aanwijzing voor de omvang van de onttrekking.

 Deze vrijstelling betreft een voortzetting van de huidige praktijk waarbij kleine grondwateronttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen ook zijn vrijgesteld van de registratieplicht.

 Vierde lid In het provinciaal waterplan is bepaald dat de jaaropgave voor bodemenergiesystemen komt te vervallen, indien de werking van het systeem tijdens de exploitatiefase overeenkomt met de aanvraag. In navolging hierop is de verplichting tot het doen van jaaropgave niet van toepassing op bodemenergiesystemen. .

Artikel 6.3     Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister

De ambtshalve inschrijving in het openbaar register met terugwerkende kracht tot de datum, waarop de onttrekking is aangevangen, is noodzakelijk in verband met het overzicht over de onttrekkingen die onder de provinciale bevoegdheid vallen. Voorts is er een relatie met de registratie voor de grondwaterheffing.

Artikel 6.4     Algemene voorschriften

Om de bestaande systematiek van provinciale regelgeving ten aanzien van grondwateronttrekkingen te continueren, zullen eventuele nadere regels betreffende grondwateronttrekkingen uitgewerkt worden in de Algemene voorschriften grondwateronttrekkingen. In afwachting van het door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bindend verklaren van het Protocol Mechanisch Boren in het Besluit Bodemkwaliteit, kunnen deze nadere regels mede betrekking hebben op het aanbrengen, beheren en buiten gebruik stellen van putten.

Artikel 6.5     Vrijstelling vergunningplicht

Artikel 6.4, tweede lid, van de wet biedt de mogelijkheid om onttrekkingen tot 10m3 per uur vrij te stellen van de vergunningplicht. Met dit artikel wordt gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Hiermee worden onnodige bestuurlijke lasten voorkomen en administratieve lastendruk voor bedrijven tegengegaan. Dit is een voortzetting van de huidige praktijk waarbij veel provincies dergelijke kleine onttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen al vrijgesteld hebben.

Hoofdstuk 7 Schadevergoeding

In artikel 7.19, eerste lid, van de Waterwet is bepaald dat degene die bij een vergunninghouder een vordering kan indienen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een onttrekking van grondwater of infiltratie krachtens een watervergunning, eerst Gedeputeerde Staten kan verzoeken een onderzoek in te stellen.  Deze voorziening houdt verband met de in artikel 5.27 van de Waterwet opgenomen gedoogplicht. Deze houdt in dat rechthebbenden ten aanzien van onroerende zaken waarin het grondwater invloed ondergaat door een onttrekking of infiltratie krachtens een watervergunning, verplicht zijn die onttrekking of infiltratie te gedogen. Deze bepalingen zijn overgenomen uit de Grondwaterwet (artikel 37, eerste lid, respectievelijk artikel 33). Het faciliteren van de burger die overweegt een schadeclaim in te dienen bij de vergunninghouder werd door de wetgever wenselijk geacht vanwege het complexe karakter van schadevragen die samenhangen met grondwateronttrekkingen, de voor het beoordelen daarvan benodigde specifieke kennis en de hoge kosten van het inhuren van dergelijke kennis voor de burger. De wetgever achtte het tevens wenselijk dat de vraag of er schade is en zo ja wat de omvang van die schade is door een onpartijdige partij werd vastgesteld. In verband daarmee was in de Grondwaterwet de bepaling opgenomen (artikel 37, lid 2) dat Gedeputeerde Staten een verzoek tot het instellen van een onderzoek in handen stellen van een commissie van deskundigen die daarover advies uitbrengt aan de verzoeker. Ter uitvoering daarvan hebben Gedeputeerde Staten van de provincies in 1996 gezamenlijk één commissie ingesteld, de Commissie van Deskundigen Grondwaterwet.

In de Waterwet ontbreekt de verplichting tot het instellen van een commissie van deskundigen. Het is aan de provincies overgelaten om te bepalen op welke wijze zij verzoeken als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de Waterwet behandelen. In IPO-verband is uitgesproken dat het wenselijk is vast te houden aan één landelijke, onafhankelijk opererende commissie vanwege het beperkte aantal verzoeken op jaarbasis, de complexiteit van de schadevragen, de wenselijkheid van bundeling van expertise voor het beoordelen van die schadevragen en voorts vanwege de voordelen van een landelijk toegepaste uniforme werkwijze bij de behandeling van verzoeken. In verband hiermee zijn in dit hoofdstuk de bepalingen uit de Grondwaterwet omtrent de verplichting tot het instellen van een commissie van deskundigen en de werkwijze van die commissie overgenomen. Wel is de procedure qua termijnen en terminologie op enkele punten in overeenstemming gebracht met de Algemene wet bestuursrecht.

Hierbij wordt nog opgemerkt dat artikel 7.19, eerste lid, ook van toepassing kan zijn op verzoeken die betrekking hebben op grondwateronttrekkingen die zijn vergund door een waterschapsbestuur. Dat betekent dat de bepalingen van dit hoofdstuk ook op die verzoeken van toepassing zijn. Om die reden is in artikel 7.3, eerste lid, en in artikel 7.4, zesde lid, bepaald dat in dat geval het desbetreffende waterschapsbestuur wordt geïnformeerd over de adviesaanvraag en dat het advies ook wordt toegezonden aan dat bestuur. Om verdere aansluiting te zoeken bij de huidige praktijk bij het uitvoeren van onderzoek naar schade, zullen verzoeken die betrekking hebben op de ont- of afwatering van gronden in beginsel niet in handen worden gesteld van de commissie van deskundigen.

 Het ligt in de rede dat de commissie van deskundigen ook wordt ingeschakeld bij een verzoek op grond van artikel 7.19, tweede lid, van de Waterwet. In dat artikellid is bepaald dat Gedeputeerde Staten rechthebbenden ten aanzien van een onroerende zaak een schadevergoeding toekennen in het geval er sprake is van meer dan één grondwateronttrekking en binnen redelijke termijn niet is vast te stellen door welke onttrekking de schade wordt veroorzaakt. Bij een dergelijk verzoek brengt de commissie van deskundigen haar advies uit aan Gedeputeerde Staten.

Hoofdstuk 8 Handhaving

Aanvullende bepalingen inzake handhaving zijn alleen noodzakelijk voor zover de Waterwet hierin niet voorziet. In artikel 8.3, vierde lid is bepaald dat met het toezicht op hetgeen bepaald is bij of krachtens hoofdstuk 5, 6 of 10 van de wet eveneens belast zijn de ambtenaren die daartoe onder andere worden aangewezen bij besluit van de beheerder of een ander met de uitvoering van deze wet belast orgaan (lees: Gedeputeerde Staten).

Bij de Invoeringswet bij de Waterwet wordt de Wet op de economische delicten gewijzigd met het oog op strafbaarstelling van overtreding van voorschriften die bij of krachtens de Waterwet zijn gesteld.

Artikel 8.1     Handhaving vaarwegbeheer

De bevoegdheid tot bestuursrechtelijke handhaving van het dagelijks bestuur van Brabantse Delta behoeft geen regeling; deze is neergelegd in artikel 56, tweede lid en artikel 61 van de Waterschapswet. De grondslag om toezichthouders aan te wijzen (5.11 Algemene wet bestuursrecht) wordt niet gedekt door 8.2 Waterwet, want het vaarwegbeheer is te herleiden tot een autonome taak van de provincie. De betreffende keurvoorschriften zijn niet gesteld bij of krachtens de hoofdstukken 5, 6 of artikel 10.1 Waterwet. In dit artikel wordt voorzien in de wettelijke grondslag om toezichthouders aan te wijzen.

Hoofdstuk 9 Overgangs- en slotbepalingen

Ook hier geldt dat overgangsrechts slechts noodzakelijk is voorzover de Waterwet en de bijbehorende Invoeringswet hierin niet voorzien. Hier zijn enige specifieke bepalingen opgenomen ten behoeve van de algemene voorschriften grondwateronttrekkingen die krachtens de Grondwaterwet door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld (Provinciaal Blad 168, 05), alsmede voor het vaarwegbeheer over de provinciale vaarwegen.

Besluitenop grond van het mandaat voor de Scheepvaartverkeerswet blijven in stand voor zover zij onderwerpen betreffen die bij of krachtens titel 3.2 worden geregeld. Dit overgangsrecht zal worden vastgelegd in het besluit van Gedeputeerde Staten waarbij zij dit mandaat intrekken, gelet op het nieuw vastgestelde artikel 3.2, derde lid van deze verordening.

Artikel 9.4    Aanbrengen doorlopende nummering, aanpassing aanhalingen

Door middel van de Invoeringswet Waterwet is een groot aantal wijzigingen aangebracht in de Waterwet. In verband daarmee zullen de artikelen van de Waterwet hernummerd worden. Ook wat betreft het Waterbesluit en de Waterregeling zal er naar verwachting nog een hernummering van artikelen plaatsvinden. Het is wenselijk dat de in deze verordening voorkomende aanhalingen van artikelen van de Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling met de nieuwe nummering in overeenstemming worden gebracht. Dit artikel voorziet er in dat Gedeputeerde Staten de desbetreffende aanhalingen aanpassen voor plaatsing van de verordening in het Provinciaal Blad. Omdat gedurende de besluitvormingsprocedure een enkel artikel kan worden ingevoegd dan wel vervallen kan zijn, voorziet dit artikel er op overeenkomstige wijze in dat de in het Provinciaal Blad te plaatsen tekst van de verordening een doorlopende nummering krijgt.