Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

Gelet op artikel 105 juncto artikel 143 van de Provinciewet;

Gelet op de artikelen 2 en 15 van de Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant;

Gelet op artikel 2 van de Wet BDU verkeer en vervoer;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten uitvoering wensen te geven aan de wet BDU verkeer en vervoer en aan de Essentiële onderdelen van het PVVP, welke verder zijn uitgewerkt in de Dynamische beleidsagenda en de Regionale beleidsagenda's;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten daartoe op 1 april 2008 de Cofinancieringsregeling Verkeer en Vervoer hebben vastgesteld;

Overwegende dat de bestaande regeling wijziging behoeft en Gedeputeerde Staten vanwege de omvang van de wijzigingen een nieuwe regeling wensen vast te stellen;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. Wet BDU: Wet brede doeluitkering verkeer en vervoer;

  • b.

    brede doeluitkering: uitkering die de provincie Noord-Brabant ontvangt op basis van de Wet BDU;

  • c. PVVP: provinciaal verkeers- en vervoerplan van de provincie Noord-Brabant;

  • d. GGA-regio: samenwerkingsverband met als vaste partners de inliggende en aangesloten Noord-Brabantse gemeenten, de provincie Noord-Brabant en Rijkswaterstaat directie Noord-Brabant, dat samenwerkt op het gebied van verkeer en vervoer in het algemeen en bij de uitvoering van het PVVP en van de Wet Personenvervoer in het bijzonder;

  • e. kleine infrastructurele projecten: investeringsprojecten in infrastructuur, die bijdragen aan de verwezenlijking van het provinciale verkeers- en vervoerbeleid en waarvan de subsidiabele kosten minimaal € 10.000 en maximaal € 10.000.000 bedragen;

  • f. niet-infrastructurele projecten: niet-infrastructurele maatregelen, regionale studieprojecten en/of mensgerichte maatregelen of pakketten van mensgerichte maatregelen waarvan de subsidiabele projectkosten minimaal € 10.000 en maximaal € 10.000.000 bedragen;

  • g. innovatieve projecten: investeringsprojecten en/of initiatieven met een experimenteel en tijdelijk karakter, waarvan de resultaten redelijkerwijs bij kunnen dragen aan de realisering van de doelen van het provinciale verkeers- en vervoerbeleid, en waarvan de subsidiabele projectkosten minimaal € 10.000 en maximaal € 10.000.000 bedragen;

  • h. grote infrastructurele projecten: investeringsprojecten in infrastructuur, die bijdragen aan de verwezenlijking van het provinciale verkeers- en vervoerbeleid en waarvan de subsidiabele kosten meer dan  € 10.000.000 en maximaal € 40.000.000 bedragen;

  • i. provinciebrede projecten: majeure en voor de gehele provincie van belang zijnde projecten en/of initiatieven, gericht op innovatie, instrumentontwikkeling of vormen van samenwerking met het oog op realisering en/of versnelde realisering van thema's of doelen van het provinciale verkeers- en vervoerbeleid, en waarvan de subsidiabele kosten minimaal € 10.000 bedragen;

  • j. regionaal uitvoeringsprogramma: jaarlijks door de GGA-regio’s en het SRE op te stellen pakket van kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en/of innovatieve projecten;

  • k. bestedingsplan: bestedingsplan zoals bedoeld in artikel 6 van de Wet BDU verkeer en vervoer;

  • l. reizigersoverleg Brabant: platform van consumenten- en belangenorganisaties dat de wensen van de reizigers in de provincie Noord-Brabant in beeld brengt en er aan bijdraagt dat het openbaar vervoer en het collectief vraagafhankelijk vervoer zowel ieder op zich als in samenhang met elkaar op deze wensen wordt afgestemd;

  • m. Wp 2000: Wet personenvervoer 2000;

  • n. Openbaar Vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;

  • o. Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV): voor een ieder openstaand personenvervoer per auto niet volgens een dienstregeling als bedoeld in het Besluit personenvervoer 2000, voorzover een reiziger het vervoer voor een bepaalde tijd heeft besteld, het vervoer plaatsvindt volgens een contract met de provincie Noord-Brabant of waarin de provincie Noord-Brabant participeert en het vervoer aanvullend en/of vervangend is ten opzichte van het openbaar vervoer;

  • p. Collectief Vraagafhankelijk Vervoerproject: het aanbod aan collectief vraagafhankelijk vervoer binnen een bepaald begrensd gebied.

  • q. Bedrijfsvervoer: collectief vervoer van werknemers door of vanwege de werkgever van en naar de werkplek, voor aanvang van en na afloop van de werkzaamheden, verricht met bussen dan wel met auto’s, ingericht voor vervoer van minimaal acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen;

  • r. Vervoerder: degene die openbaar vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;

  • s. Beroepsvervoerder: vervoerder met een vergunning voor het verrichten van besloten busvervoer of taxivervoer;

  • t. Concessie: recht om met uitsluiting van anderen openbaar vervoer te verrichten in een bepaald gebied gedurende een bepaald tijdvak;

  • u. Toegankelijk openbaar vervoer: openbaar vervoer dat beantwoordt aan de criteria voor toegankelijkheid van het openbaar vervoer die door Gedeputeerde Staten zijn opgenomen in de ten behoeve van de concessieverlening door hen vastgestelde Progamma’s van eisen;

  • v. Sociale veiligheid openbaar vervoer: criteria voor sociale veiligheid van het openbaar vervoer en van het collectief vraagafhankelijk vervoer die door Gedeputeerde Staten zijn opgenomen in de ten behoeve van de concessieverlening door hen vastgestelde Programma’s van eisen;

  • w. Werkplek: vaste plaats waar de werkzaamheden worden uitgevoerd binnen de provincie Noord-Brabant (met uitzondering van de werkplekken die zijn gelegen binnen het kaderwetgebied Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) en waarop de werkgever een op het privaatrecht gebaseerde zeggenschap of recht op gebruik heeft;

  • x. Bedrijfsvervoerplan: plan voor werknemers van één bedrijf of ten behoeve van werknemers in dienst van verschillende bedrijven, indien deze in dezelfde regio en op dezelfde werkplek gevestigd zijn, inzicht biedend in het te verrichten vervoer van één of meer (samenwerkende) bedrijven en de regelingen tussen werkgever en werknemer in het woon-werkverkeer;

  • y. Uitkeringsjaar: kalenderjaar waarop de subsidie of uitkering betrekking heeft;

  • z. Bekostigingssystematiek: contractuele afspraken met de vervoerder en de bestuurlijke afspraken met gemeenten over de wijze waarop de provinciale bijdrage in de kosten van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer wordt berekend;

  • aa. Halte: in-, uit- en/of overstapfaciliteit voor de bus met voorzieningen voor een goede dan wel comfortabele in- en uitstap. Een halteplaats wordt op grond van het RVV 1990 aangeduid door het bord L 03;

  • bb. Projecten ter verbetering van de toegankelijkheid van haltes: investeringsprojecten die de fysieke toegankelijkheid van het openbaar busvervoer bevorderen en gemakkelijker maken;

  • cc. Geprioriteerde haltes: haltes of haltevoorzieningen voor openbaar busvervoer die zijn opgenomen in de lijst van geprioriteerde haltes in bijlage 8 van deze regeling;

  • dd. Niet-geprioriteerde haltes: haltes of haltevoorzieningen voor openbaar busvervoer die niet zijn opgenomen in de lijst als bedoeld in bijlage 8 van deze regeling;

  • ee. Regionaal halteplan: plan dat voor een GGA-regio per gemeente aangeeft op welk moment welke halte toegankelijk wordt gemaakt en hoe de aanpak van het toegankelijk maken van de haltes wordt gefinancierd;

  • ff. B5-overleg: het overleg van de gemeenten Breda, Tilburg, ’s-Hertogenbosch, Eindhoven en Helmond en de provincie Noord-Brabant;

  • gg. B5-uitvoeringsprogramma: jaarlijks door de B5 op te stellen pakket van grote infrastructurele projecten, kleine infrastructurele projecten en niet-infrastructurele projecten;

  • hh. Netwerkprogramma BrabantStad Bereikbaar: het samenwerkingsverband waarin de gemeenten Breda, Tilburg, ’s-Hertogenbosch, Eindhoven en Helmond, het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE), de provincie Noord-Brabant, het ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat Noord-Brabant, de Nederlandse Spoorwegen en ProRail samenwerken aan het verbeteren van de bereikbaarheid van de economische kerngebieden in het stedelijke netwerk BrabantStad.

Artikel 1.2 Doelstelling en kaders
  • 1 Deze subsidieregeling beoogt uitvoering te geven aan de wet BDU verkeer en vervoer en aan de Essentiële onderdelen van het PVVP, welke verder zijn uitgewerkt in de Dynamische beleidsagenda en de Regionale beleidsagenda's.

  • 2 Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten, projecten, maatregelen en/of initiatieven voor zover deze passen binnen of onderdeel uitmaken van het vigerende verkeers- en vervoerbeleid van de provincie Noord-Brabant.

  • 3 Deze subsidieregeling vormt een verbijzondering van de Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant op het gebied van verkeer en vervoer.

Artikel 1.3 Doelgroep
  • 1 Subsidies voor projecten of initiatieven kunnen worden verstrekt aan publiekrechtelijke rechtspersonen, privaatrechtelijke rechtspersonen of aan natuurlijke personen, met uitzondering van het Rijk.

  • 2 Gedeputeerde Staten weigeren een rechtspersoon of natuurlijke persoon subsidie, indien zijn of haar activiteiten niet zijn gericht op de provincie Noord-Brabant of niet aanwijsbaar ten goede komen aan de ingezetenen van de provincie.

  • 3 Maatschappelijke organisaties kunnen in aanmerking komen voor subsidie voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en/of innovatieve projecten als onderdeel van een regionaal uitvoeringsprogramma door gemeentelijke tussenkomst.

  • 4 Financiële bijdragen voor projecten van de provincie Noord-Brabant worden beschouwd als een subsidie in de zin van deze subsidieregeling.

  • 5 ubsidies voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en/of innovatieve projecten kunnen alleen aan de Brabantse gemeenten en aan de provincie Noord-Brabant worden verstrekt, indien deze projecten deel uitmaken van een regionaal uitvoeringsprogramma, dat door de GGA-regio is opgesteld en door Gedeputeerde Staten is vastgesteld, op grond van de door artikel 2.2.1 vierde en vijfde lid gegeven bevoegdheden.

Artikel 1.4 Bestedingsplan wet BDU
  • 1 Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks vóór 15 september een bestedingsplan vast ten behoeve van de besteding van onder meer de BDU-gelden voor het volgende uitkeringsjaar, conform artikel 6 van de Wet BDU verkeer en vervoer.

  • 2 Het bestedingsplan bevat in ieder geval een overzicht van bestedingen en reserveringen ten behoeve van regionale uitvoeringsprogramma’s, grote infrastructurele projecten, provinciebrede projecten en cofinanciering personenvervoer.

  • 3 Het bestedingsplan wordt vóór 1 februari van het uitkeringsjaar toegezonden aan de minister van Verkeer en Waterstaat

Artikel 1.5 Provinciale begroting; regionale budgetten en subsidieplafonds
  • 1 Provinciale Staten stellen jaarlijks een bedrag op de provinciale begroting vast ten behoeve van de financiering van de uitvoeringsprogramma’s van GGA-regio’s en de B5, zoals bedoeld in de hoofdstukken 2 en 2a van deze beleidsregels.

  • 2 Gedeputeerde Staten stellen periodiek, met inachtneming van het beschikbare bedrag op de provinciale begroting, de regionale budgetten vast voor de financiering van de uitvoeringsprogramma’s van de vijf GGA-regio's.

  • 3 Gedeputeerde Staten stellen periodiek, met inachtneming van het beschikbare bedrag op de provinciale begroting, een regionaal budget vast voor de financiering van het regionale uitvoeringsprogramma van het SRE.

  • 4 Gedeputeerde Staten stellen periodiek, met inachtneming van het beschikbare bedrag op de provinciale begroting, budgetten vast voor de financiering van het B5-uitvoeringsprogramma, zoals bedoeld in hoofdstuk 2a en waarbij per budget wordt aangegeven voor welk doel deze gelden geoormerkt zijn.

  • 5 De maxima van de onder lid 2, lid 3 en lid 4 genoemde budgetten gelden als subsidieplafonds en zullen als zodanig worden gepubliceerd in het Provinciaal blad.

  • 6 Restanten van budgetten, die resteren ondanks een overprogrammering met reserveprojecten, worden toegevoegd aan de provinciale voorziening BDU. Gedeputeerde Staten besluiten op welke wijze deze middelen benut zullen worden voor de uitvoering van het PVVP en geven dit tevens aan in het bestedingsplan van het eerstvolgende uitkeringsjaar.

Artikel 1.5a Provinciale begroting; regionale budgetten en subsidieplafond haltevoorzieningen openbaar vervoer
  • 1 Provinciale Staten stellen jaarlijks een bedrag op de provinciale begroting vast ten behoeve de bevordering van het openbaar vervoer.

  • 2 Gedeputeerde Staten stellen periodiek, met inachtneming van het beschikbare bedrag op de provinciale begroting, regionale budgetten vast ter verbetering van de toegankelijkheid van haltevoorzieningen voor het openbaar vervoer.

  • 3 De maxima van de onder lid 2 genoemde regionale budgetten gelden als subsidieplafonds en zullen als zodanig worden gepubliceerd in het Provinciaal Blad.

  • 4 Indien het regionale budget van een regio niet toereikend blijkt, terwijl er bij een andere regio sprake is van onderuitputting, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de gelden die resteren door onderuitputting over te hevelen naar de eerstgenoemde regio. 

Artikel 1.6 BTW

Verrekenbare BTW op grond van de Wet op de Omzetbelasting 1968 vormt geen kostenpost en compensabele BTW op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds 2003 vormt geen budgettaire last, en zijn derhalve niet subsidiabel.

HOOFDSTUK 2. REGIONALE UITVOERINGSPROGRAMMA’S

Paragraaf 1    Algemene uitgangspunten van cofinanciering
Artikel 2.1.1 Subsidiabele kosten kleine infrastructurele projecten
  • 1 Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan cofinanciering ten behoeve van infrastructurele projecten, als bedoeld in deze subsidieregeling, komen in aanmerking de kosten van:

    • a.

      werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur;

    • b.

      verwerving van een onroerende zaak voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk geacht;

    • c.

      vergunningen en leges voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk geacht;

    • d.

      materialen;

    • e.

      bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen, zoals verlichting, bebording, markeringen en bewegwijzering;

    • f.

      met het project samenhangende en door Gedeputeerde Staten redelijk geachte schadevergoedingen aan derden, zulks met uitzondering van de vervanging van kabels en leidingen;

    • g.

      voorlichting over de uitvoering van het project als begeleiding gedurende de bouw voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar geacht.

  • 2 Niet subsidiabel zijn:

    • a.

      beheer- en onderhoudskosten;

    • b.

      algemene bestuurslasten zoals ambtenarensalarissen en kantoorinventaris;

    • c.

      voorbereidings-, administratie- en toezichtskosten

  • 3 Voor voorbereiding-, administratie- en toezichtkosten wordt een vast opslagpercentage van 15% over de totale subsidiabele projectkosten berekend.

Artikel 2.1.2 Subsidiabele kosten niet-infrastructurele en innovatieve projecten
  • 1 Bij de bepaling van de hoogte van een subsidie ten behoeve van innovatieve projecten komen in aanmerking, uitsluitend die kosten, die direct betrekking hebben op het betrokken project en voor zover die door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk worden geacht.

  • 2 Niet subsidiabel zijn:

    • a.

      beheer- en onderhoudskosten;

    • b.

      algemene bestuurslasten zoals ambtenarensalarissen en kantoorinventaris;

    • c.

      voorbereidings- en toezichtskosten.

Artikel 2.1.2a Subsidiabele kosten voor verbetering toegankelijkheid haltevoorzieningen
  • 1 Ten aanzien van de subsidiabele kosten voor de aanschaf en het plaatsen van haltemeubilair is artikel 2.1.1 van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Ten aanzien van de subsidiabele kosten voor het opstellen en coördineren van de uitvoering van een regionaal halteplan is artikel 2.1.2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.1.3 Bijdragen uit andere bron

Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan cofinanciering worden de kosten, welke redelijkerwijs ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht, in mindering gebracht op de vastgestelde subsidiabele kosten. 

Artikel 2.1.4 Verplichting tot instandhouden voorziening
  • 1 De met behulp van provinciale cofinanciering gerealiseerde voorzieningen of investeringen dienen minimaal vijf jaar in stand te worden gehouden en/of hun oorspronkelijk beoogde functie te behouden.

  • 2 Indien de voorzieningen of investeringen binnen een periode van vijf jaar worden verwijderd, tenietgedaan of hun oorspronkelijke functie verliezen, kunnen Gedeputeerde Staten het verleende en/of vastgestelde subsidiebedrag aan cofinanciering geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

Paragraaf 2    Procedure van besluitvorming en subsidieverlening
Artikel 2.2.1 Regionale en provinciale besluitvorming
  • 1 De GGA-regio’s stellen jaarlijks een regionaal ontwerp-uitvoeringsprogramma vast met daarin opgenomen kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en innovatieve projecten.

  • 2 De GGA-regio’s stellen jaarlijks tevens een regionaal ontwerp-uitvoeringsprogramma voor projecten ter verbetering van de toegankelijkheid vast met daarin opgenomen projecten ter verbetering van de fysieke toegankelijkheid van de niet-geprioriteerde haltes, projecten inhoudende de aanschaf en plaatsing van haltemeubilair bij zowel geprioriteerde als niet-geprioriteerde haltes alsmede het opstellen en coördineren van de uitvoering van een regionaal halteplan;

  • 3 De ontwerp-uitvoeringsprogramma’s worden vastgesteld in een bestuurlijk GGA-overleg, waaraan de participerende gemeenten en de Provincie Noord-Brabant als gelijkgerechtigden deelnemen.

  • 4 De GGA-regio’s dienen de door hen vastgestelde regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma’s in bij Gedeputeerde Staten, uiterlijk 1 december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar.

  • 5 Indien de deelnemende partijen in GGA-regionaal verband, zoals bedoeld in het derde lid, de regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma’s unaniem vaststellen, zullen Gedeputeerde Staten de door de GGA-regio vastgestelde programma’s ongewijzigd overnemen en definitief vaststellen.

  • 6 Indien de deelnemende partijen in GGA-regionaal verband, zoals bedoeld in het derde lid, niet unaniem tot een besluit komen, zullen Gedeputeerde Staten de regionale programma’s naar eigen inzicht definitief vaststellen.

  • 7 Gedeputeerde Staten stellen de regionale uitvoeringsprogramma’s vast, uiterlijk 16 maart van het jaar waarop de uitkering betrekking heeft.

Artikel 2.2.2 Aanvraag, subsidieverlening en start werkzaamheden
  • 1 Een krachtens artikel 2.2.1 vierde lid bij Gedeputeerde Staten ingediend regionaal ontwerp-uitvoeringsprogramma, wordt tevens beschouwd als een bundel subsidieaanvragen voor de daarin opgenomen projecten.

  • 2 Na vaststelling van een regionaal uitvoeringsprogramma door Gedeputeerde Staten verlenen Gedeputeerde Staten subsidie per project overeenkomstig het door hen vastgestelde regionale uitvoeringsprogramma.

  • 3 Projecten die op het moment van de aanvraag reeds zijn aanbesteed én gegund, en/of in uitvoering zijn genomen, komen niet voor een subsidie in aanmerking, tenzij hier voor schriftelijke toestemming is gevraagd en verkregen bij Gedeputeerde Staten.

  • 4 Indien een aanvrager, voorafgaand aan de vaststelling van een regionaal uitvoeringsprogramma door Gedeputeerde Staten, van start gaat met de activiteiten waarvoor subsidie is gevraagd, dan geschiedt dat geheel voor eigen risico.

  • 5 De opdrachtverlening van een project vindt plaats in het jaar dat de beschikking wordt afgegeven. Vindt opdrachtverlening van het project niet plaats in het jaar waarin de beschikking is afgegeven, dan wordt de toegekende financiële bijdrage ambtshalve ingetrokken.

Artikel 2.2.3 Declaratie en betaling
  • 1 Indien het bedrag van subsidieverlening meer dan € 50.000 bedraagt, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van de subsidieontvanger op basis van een tussentijdse declaratie overgaan tot uitbetaling van de in de subsidieverlening toegekende bedragen.

  • 2 Een tussentijdse declaratie en overeenkomstige bevoorschotting van maximaal 50% van de bij subsidieverlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden nadat de ontvanger minimaal 50% van de, in de verleningsbeschikking aangegeven totale subsidiabele kosten heeft gerealiseerd.

  • 3 Een einddeclaratie en bevoorschotting van maximaal 100% van de bij subsidieverlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden nadat het project of werk is afgerond. Deze declaratie wordt uiterlijk 1 december van het eerstvolgende jaar na het jaar waarin de subsidieverlening heeft plaatsgevonden ingediend.

  • 4 Een declaratie met betrekking tot projecten ter verbetering van de toegankelijkheid van haltevoorzieningen van niet-geprioriteerde haltes zoals bedoeld in artikel 2.2.1 tweede lid, gaat vergezeld van een overzicht van de data van alle wijzigingen die op de halte(s) zijn uitgevoerd.

  • 5 Declaraties zoals bedoeld in het tweede en derde lid worden ingediend met gebruikmaking van een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld declaratieformulier.

  • 6 In afwijking van lid 2 of van lid 3 kunnen in de verleningsbeschikking andere percentages worden opgenomen.

  • 7 In afwijking van lid 2 en lid 3 kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek instemmen met een ander kasritme.

  • 8 In afwijking van de termijn als bedoeld in lid 3, tweede volzin, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek instemmen met een ander tijdstip voor de declaratie

  • 9 In de verleningsbeschikking kunnen Gedeputeerde Staten nadere voorwaarden stellen ten aanzien van de declaraties zoals bedoeld onder lid 2 en lid 3 van dit artikel.

Artikel 2.2.4 Subsidievaststelling

Uiterlijk 13 weken na ontvangst van de vastgestelde gemeentelijke jaarrekening (inclusief de SiSa-bijlage en rapport van bevindingen), die via het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gedistribueerd, stellen Gedeputeerde Staten de subsidie ambtshalve vast.

Paragraaf 3    Samenstelling regionaal uitvoeringsprogramma
Artikel 2.3.1 Kwaliteitseisen regionaal uitvoeringsprogramma

De GGA-regio neemt, bij het opstellen van het regionale uitvoeringsprogramma, de volgende kwaliteitseisen in acht:

  • 1.

     Het programma is de resultante van een jaarlijkse dialoog tussen de regionale partners over de beoogde kwaliteit van de projecten en van de integrale afweging tussen de projecten; het programma geeft aan op welke wijze deze dialoog is verlopen en hoe regionale besluitvorming is voorbereid;

  • 2.

    Het programma sluit aan op de regionale beleidsagenda en geeft aan op welke wijze de projecten evenwichtig zijn verdeeld over de thema's van die beleidsagenda;

  • 3.

     Het programma geeft aan hoe de voorgenomen projecten passen binnen de regionale gebiedsprofielen;

  • 4.

     Het programma geeft aan hoe de voorgenomen projecten de in de regionale beleidsagenda benoemde problemen aanpakken;

  • 5.

     Het programma geeft een meerjarig perspectief van de voorgenomen projecten in de regio;

  • 6.

     Het programma geeft aan hoe de effecten van voorgaande jaren consequenties hebben gekregen voor het regionale pakket of uitvoeringsprogramma;

  • 7.

     Het percentage aan cofinanciering bedraagt maximaal 50% van de totale subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 2.1.1 sub 1 en in artikel 2.1.2 sub 1, inclusief de opslag voor voorbereidings-, administratie- en toezichtskosten, voor het gehele programma.

  • 8.

     Voor het samenstellen van het programma wordt gebruik gemaakt van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde E-formulier. Het programma is een resultante van de door de regio ingediende ingediende bundel E-formulieren.

  • 9.

     Het programma geeft aan hoe projecten en/of projectsuggesties van maatschappelijke organisaties zijn behandeld en eventuele afwijzingsbrieven, waarin de reden van afwijzing nader is omschreven, worden toegevoegd aan het programma als bijlage.

  • 10.

     Bij de samenstelling van een uitvoeringsprogramma voor meerdere jaren, zoals bedoeld in het vorige lid, mag voor het eerstvolgende en latere jaren niet meer worden geprogrammeerd dan maximaal 50% van het beschikbare jaarbudget van de betreffende jaren. 

Artikel 2.3.1a Kwaliteitseisen regionaal uitvoeringsprogramma toegankelijkheid haltevoorzieningen en aanschaf haltemeubilair
  • 1 De kwaliteitseisen zoals bedoeld in artikel 2.3.1 zijn van overeenkomstige toepassing met uitzondering van de kwaliteitseisen genoemd in lid 7 t/m lid 9.

  • 2 Projecten ter verbetering van de fysieke toegankelijkheid van niet-geprioriteerde haltes komen voor subsidiëring in aanmerking mits wordt voldaan aan de criteria van bijlage 7 bij deze regeling.

  • 3 De bijdrage voor het verbeteren van de fysieke toegankelijkheid van een niet-geprioriteerde halte bedraagt € 10.000 en voor het verbeteren van de fysieke toegankelijkheid van een buurtbushalte € 7.500.

  • 4 Projecten ter verbetering van de toegankelijkheid van zowel geprioriteerde haltes als van niet-geprioriteerde komen in aanmerking voor cofinanciering voor wat betreft de aanschaf en plaatsing van haltemeubilair mits wordt voldaan aan de criteria van bijlage 9 bij deze regeling.

  • 5 Het opstellen en coördineren van de uitvoering van regionale halteplannen komt in aanmerking voor cofinanciering.

  • 6 Het percentage aan cofinanciering ingevolge leden 4 en 5 wordt bij de vaststelling van het regionaal ontwerp-uitvoeringsprogramma toegankelijkheid in overleg vastgesteld.

  • 7 GGA-regio’s en gemeenten, die beschikken over voldoende middelen uit openbaar vervoer-reserves, welke resteren of voortvloeien uit convenanten inzake Regiotaxi’s, komen niet in aanmerking voor een bijdrage voor de verbetering van toegankelijkheid van haltevoorzieningen.

  • 8 Het uitvoeringsprogramma omvat van alle daarin opgenomen projecten de volledig ingevulde projectformats voor haltevoorzieningen zoals weergegeven in bijlage 10 bij deze subsidieregeling.

Artikel 2.3.2 Reserveprojecten en overprogrammering
  • 1 De GGA-regio kan overprogrammeren door reserveprojecten in het regionale uitvoeringsprogramma op te nemen.

  • 2 Indien één of meerdere projecten door onvoorziene omstandigheden niet in uitvoering kunnen worden genomen in het jaar waarin de beschikking is afgegeven, waardoor het regionale budget van het desbetreffende uitkeringsjaar niet volledig dreigt te worden benut, kan de regio besluiten reserveprojecten in uitvoering te nemen.

  • 3 De GGA-regio neemt een besluit, als bedoeld in het vorige lid, en deelt Gedeputeerde Staten uiterlijk 1 september van het uitkeringsjaar mede, welk reserveproject of welke reserveprojecten in uitvoering worden genomen.

  • 4 De in het vorige lid omschreven mededeling aan Gedeputeerde Staten moet worden gezien als een verzoek tot subsidieverlening ten behoeve van het reserveproject en Gedeputeerde Staten verlenen dienovereenkomstig subsidie aan de desbetreffende gemeente(n).

  • 5 Reserveprojecten dienen in het jaar waarin de beschikking wordt afgegeven in uitvoering te worden genomen.

Artikel 2.3.3 Niet sparen voor "duurdere" projecten

De GGA-regio kan van het jaarlijks regionale budget geen geld apart zetten en reserveren met als doel om te sparen voor de uitvoering van "duurdere" projecten in latere uitkeringsjaren.

Artikel 2.3.4 Betrokkenheid maatschappelijke organisaties
  • 1 Maatschappelijke organisaties die in aanmerking willen komen voor cofinanciering voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en/of innovatieve projecten, dienen hiertoe een verzoek in bij een, bij de desbetreffende GGA-regio aangesloten gemeente.

  • 2 De GGA-regio stelt regels ten aanzien van de wijze waarop projecten en/of projectvoorstellen van maatschappelijke organisaties worden betrokken bij de totstandkoming van het regionale uitvoeringsprogramma.

  • 3 Een GGA-regio die, een krachtens het eerste lid ingediend voorstel, niet opneemt in het regionale uitvoeringsprogramma, omkleedt dit met redenen en doet hiervan schriftelijk mededeling aan de betreffende organisatie.

Paragraaf 4    Cofinanciering SRE-projecten
Artikel 2.4.1 Regionaal uitvoeringsprogramma SRE-gebied
  • 1 Het dagelijks bestuur van het SRE kan jaarlijks een verzoek indienen tot cofinanciering van een regionaal uitvoeringsprogramma van het SRE.

  • 2 Het beleidskader van het uitvoeringsprogramma, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt gevormd door het provinciaal verkeers- en vervoerplan, het regionaal verkeers- en vervoerplan en de financieringsregeling van het SRE. In aanvulling hierop kunnen Gedeputeerde Staten van jaar tot jaar specifieke beleidspeerpunten formuleren.

  • 3 Voor cofinanciering komen in aanmerking:

    • a.

      Kleine infrastructurele projecten;

    • b.

      Innovatieve projecten.

  • 4 Het regionaal uitvoeringsprogramma is aantoonbaar gebaseerd op een integrale afweging tussen de projecten en omvat een beleidsmatige onderbouwing inzake de kwaliteit van de projecten.

  • 5 De artikelen van de eerste titel van dit hoofdstuk alsmede artikel 2.2.2, artikel 2.2.3, artikel 2.2.4, artikel 2.3.1 lid 7 en artikel 2.3.2 zijn overeenkomstig van toepassing.

HOOFDSTUK 2A. COFINANCIERING B5-PROGRAMMA

Paragraaf 1    Algemene uitgangspunten van cofinanciering B5-programma
Artikel 2a.1.1 Subsidiabele kosten infrastructurele projecten
  • 1. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan cofinanciering ten behoeve van infrastructurele projecten, als bedoeld in deze subsidieregeling, komen in aanmerking de kosten van:

    • a. werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur;

    • b. verwerving van een onroerende zaak voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk geacht;

    • c. vergunningen en leges voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk geacht;

    • d. materialen;

    • e. bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen, zoals verlichting, bebording, markeringen en bewegwijzering;

    • f. met het project samenhangende en door Gedeputeerde Staten redelijk geachte schadevergoedingen aan derden, zulks met uitzondering van de vervanging van kabels en leidingen;

    • g. voorlichting over de uitvoering van het project als begeleiding gedurende de bouw voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar geacht.

  • 2. Niet subsidiabel zijn:

    • a. beheer- en onderhoudskosten;

    • b. algemene bestuurslasten zoals ambtenarensalarissen en kantoorinventaris;

    • c voorbereiding-, administratie- en toezichtkosten 

  • 3. Voor voorbereidings-, administratie- en toezichtskosten wordt een vast opslagpercentage van 15% over de totale subsidiabele projectkosten berekend.

Artikel 2a.1.2 Subsidiabele kosten niet-infrastructurele projecten
  • 1. Bij de bepaling van de hoogte van een subsidie ten behoeve van niet-infrastructurele projecten komen in aanmerking, uitsluitend die kosten, die direct betrekking hebben op het betrokken project en voor zover die door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk worden geacht. 

  • 2. Niet subsidiabel zijn:

    • a. beheer- en onderhoudskosten;

    • b. algemene bestuurslasten zoals ambtenarensalarissen en kantoorinventaris;

    • c. voorbereidings- en toezichtskosten.

Artikel 2a.1.3 Bijdragen uit andere bron

Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan cofinanciering worden de kosten, welke redelijkerwijs ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht, in mindering gebracht op de vastgestelde subsidiabele kosten.

Artikel 2a.1.4 Verplichting tot instandhouden voorziening
  • 1. De met behulp van provinciale cofinanciering gerealiseerde voorzieningen of investeringen dienen minimaal vijf jaar in stand te worden gehouden en/of hun oorspronkelijk beoogde functie te behouden.

  • 2. Indien de voorzieningen of investeringen binnen een periode van vijf jaar worden verwijderd, tenietgedaan of hun oorspronkelijke functie verliezen, kunnen Gedeputeerde Staten het verleende en/of vastgestelde subsidiebedrag aan cofinanciering geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

Paragraaf 2    Procedure van besluitvorming en subsidieverlening
Artikel 2a.2.1 Regionale en provinciale besluitvorming
  • 1. De B5 stelt samen periodiek een ontwerp-uitvoeringsprogramma vast. 

  • 2. In het ontwerp/uitvoeringsprogramma, zoals bedoeld in het vorige lid kunnen de navolgende projecten worden opgenomen:

    • a. Grote infrastructurele projecten, die deel uitmaken van het deelprogramma Stedelijke Bereikbaarheid;

    • b. Grote infrastructurele projecten, kleine infrastructurele projecten en niet-infrastructurele projecten, die deel uitmaken van het deelprogramma OV/netwerk BrabantStad;

    • c. Grote infrastructurele projecten, kleine infrastructurele projecten en niet-infrastructurele projecten, die deel uitmaken van het deelprogramma DVM BrabantStad. 

  • 3. Het ontwerp-uitvoeringsprogramma wordt vastgesteld in een bestuurlijk B5-overleg, waaraan de participerende B5-gemeenten en de Provincie Noord-Brabant als gelijkgerechtigden deelnemen.

  • 4. De B5 dienen het door hen vastgestelde ontwerp-uitvoeringsprogramma in bij Gedeputeerde Staten, uiterlijk 1 december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar.

  • 5. Indien de deelnemende partijen in bestuurlijk B5-overleg zoals bedoeld in het derde lid, het ontwerp-uitvoeringsprogramma unaniem vaststellen, zullen Gedeputeerde Staten het door de B5 vastgestelde programma ongewijzigd overnemen en definitief vaststellen. 

  • 6. Indien de deelnemende partijen in B5 verband, zoals bedoeld in het derde lid, niet unaniem tot een besluit komen, zullen Gedeputeerde Staten het uitvoeringsprogramma naar eigen inzicht definitief vaststellen.

  • 7. Gedeputeerde Staten stellen het uitvoeringsprogramma vast, uiterlijk 16 maart van het jaar waarop de uitkering betrekking heeft.

Artikel 2a.2.2 Aanvraag, subsidieverlening en start werkzaamheden
  • 1. Een krachtens artikel 2a.2.1 vierde lid bij Gedeputeerde Staten ingediend ontwerp-uitvoeringsprogramma, wordt tevens beschouwd als een bundel subsidieaanvragen voor de daarin opgenomen projecten. 

  • 2. Na vaststelling van een uitvoeringsprogramma door Gedeputeerde Staten verlenen Gedeputeerde Staten subsidie per project overeenkomstig het door hen vastgestelde uitvoeringsprogramma.

  • 3. Projecten die op het moment van de aanvraag reeds zijn aanbesteed én gegund, en/of in uitvoering zijn genomen, komen niet voor een subsidie in aanmerking, tenzij hier voor schriftelijke toestemming is gevraagd en verkregen bij Gedeputeerde Staten. 

  • 4. Indien een aanvrager, voorafgaand aan de vaststelling van een uitvoeringsprogramma door Gedeputeerde Staten, van start gaat met de activiteiten waarvoor subsidie is gevraagd, dan geschiedt dat geheel voor eigen risico.

  • 5. De opdrachtverlening van een project vindt plaats uiterlijk in het jaar na het jaar waarin de beschikking wordt afgegeven of op een nader overeengekomen tijdstip. Vindt opdrachtverlening van het project niet plaats binnen de in de vorige volzin bedoelde termijnen, dan wordt de toegekende financiële bijdrage ambtshalve ingetrokken.

Artikel 2a.2.3 Declaratie en betaling
  • 1. Indien het bedrag van subsidieverlening meer dan € 50.000 bedraagt, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van de subsidieontvanger op basis van een tussentijdse declaratie overgaan tot uitbetaling van de in de subsidieverlening toegekende bedragen. 

  • 2. Een tussentijdse declaratie en overeenkomstige bevoorschotting van maximaal 50% van de bij subsidieverlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden nad de ontvanger minimaal 50% van de, in de verleningsbeschikking aangegeven totale subsidiabele kosten heeft gerealiseerd. 

  • 3. De einddeclaratie en bevoorschotting van maximaal 100% van de bij subsidieverlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden nadat het project of werk is afgerond. Deze declaratie wordt uiterlijk 1 december van het tweede jaar na het jaar waarin subsidieverlening heeft plaatsgevonden ingediend.

  • 4. Declaraties zoals hiervoor bedoeld in lid 2 en lid 3 worden ingediend met gebruikmaking van een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld declaratieformulier.

  • 5. In afwijking van lid 2 en van lid 3 kunnen in de verleningsbeschikking andere percentages worden opgenomen.

  • 6. In afwijking van lid 2 en van lid 3 kan een ander kasritme worden afgesproken. 

  • 7. In afwijking van de termijn als bedoeld in lid 3, tweede volzin, kan een ander tijdstip voor einddeclaratie worden afgesproken.

  • 8. In de verleningsbeschikking kunnen Gedeputeerde Staten nadere voorwaarden stellen ten aanzien van de declaraties zoals bedoeld onder lid 2 en 3 van dit artikel.

Artikel 2a.2.4 Subsidievaststelling

Uiterlijk 13 weken na ontvangst van de vastgestelde gemeentelijke jaarrekening (inclusief de SiSa-bijlage en rapport van bevindingen), die via het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gedistribueerd, stellen Gedeputeerde Staten de subsidie ambtshalve vast.

Paragraaf 3    Samenstelling B5 - uitvoeringsprogramma
Artikel 2a.3.1 Kwaliteitseisen B5-uitvoeringsprogramma

De B5 neemt, bij het opstellen van het uitvoeringsprogramma, de volgende kwaliteitseisen in acht:

  • 1. Het programma is de resultante van een periodieke dialoog tussen de regionale partners binnen het Netwerkprogramma BrabantStad Bereikbaar over de beoogde kwaliteit van de projecten en van de integrale afweging tussen de projecten;

  • 2. Het programma geeft aan hoe de voorgenomen projecten de in de Netwerkanalyse BrabantStad en/of in de Gebiedagenda Brabant benoemde opgaven aanpakken;

  • 3. Het programma geeft een meerjarig perspectief van de voorgenomen projecten;

  • 4. Het percentage aan cofinanciering bedraagt maximaal 50% van de totale subsidiabele kosten, inclusief de opslag voor voorbereidings- , administratie- en toezichtskosten, voor het gehele programma;

  • 5. Voor het samenstellen van het programma wordt gebruik gemaakt van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde E-formulier. Het programma is een resultante van de door de B5 ingediende bundel E-formulieren.

  • 6. Bij het samenstellen van het uitvoeringsprogramma wordt rekening gehouden met de herkomst en het oormerk van de te verdelen financiële middelen.

  • 7. Indien en voor zover Provinciale Staten voor meerdere jaren budget beschikbaar stellen, kan de B5 een daarmee samenhangend meerjarenprogramma indienen.

  • 8. Bij de samenstelling van een uitvoeringsprogramma voor meerdere jaren, zoals bedoeld in het vorige lid, mag voor het eerstvolgende en latere jaren niet meer worden geprogrammeerd dan maximaal 50% van het dan beschikbare jaarbudget van de betreffende jaren.

Artikel 2a.3.2 Reserveprojecten en overprogrammering
  • 1. De B5 kan overprogrammeren door reserveprojecten in het uitvoeringsprogramma op te nemen.

  • 2. Indien één of meerdere projecten door onvoorziene omstandigheden niet in uitvoering kunnen worden genomen in het jaar waarin de beschikking is afgegeven, waardoor het budget van het desbetreffende uitkeringsjaar niet volledig dreigt te worden benut, kan de B5 besluiten reserveprojecten in uitvoering te nemen. 

  • 3. De B5 neemt een besluit, als bedoeld in het vorige lid, en deelt Gedeputeerde Staten uiterlijk 1 september van het uitkeringsjaar mede, welk reserveproject of welke reserveprojecten in uitvoering worden genomen. 

  • 4. De in het vorige lid omschreven mededeling aan Gedeputeerde Staten moet worden gezien als een verzoek tot subsidieverlening ten behoeve van het reserveproject en Gedeputeerde Staten verlenen dienovereenkomstig subsidie aan de desbetreffende gemeente(n).

  • 5. Reserveprojecten dienen in het jaar waarin de beschikking wordt afgegeven in uitvoering te worden genomen.

Artikel 2a.3.3 Niet sparen voor "duurdere" projecten

De B5 kan van het jaarlijks regionale budget geen geld apart zetten en reserveren met als doel om te sparen voor de uitvoering van "duurdere" projecten in latere uitkeringsjaren.

HOOFDSTUK 3. PROVINCIEBREDE PROJECTEN

Artikel 3.1 Subsidiëring provinciebrede projecten
  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor provinciebrede projecten.

  • 2 Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast ten behoeve van provinciebrede projecten.

HOOFDSTUK 4. COFINANCIERING PERSONENVERVOER

Paragraaf 1    Algemene uitgangspunten van cofinanciering
Artikel 4.1.1 Reizigersoverleg Brabant
  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen per kalenderjaar een bedrag of een percentage van de brede doeluitkering te reserveren ten behoeve van het Reizigersoverleg Brabant. Dit gereserveerde bedrag kan worden aangewend ten behoeve van de kosten die door het Reizigersoverleg Brabant gemaakt worden om hun taak ten aanzien van het openbaar vervoer in voldoende vrijheid uit te kunnen oefenen.

  • 2 Gedeputeerde Staten zijn bevoegd terzake van besluiten betreffende de verlening en/of vaststelling van middelen uit dit gereserveerde bedrag, alsmede tot wijziging of intrekking daarvan.

  • 3 Indien in een bepaald kalenderjaar het gereserveerde bedrag niet geheel wordt aangewend, wordt op het gereserveerde bedrag dat in het daaropvolgende kalenderjaar wordt afgezonderd het restant in mindering gebracht.

Artikel 4.1.2 Beslissingstermijn Gedeputeerde Staten

Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag tot verlening van subsidie voor een van de in dit hoofdstuk opgenomen subsidiemogelijkheden binnen 3 maanden na ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening, met uitzondering van die gevallen waarin ambtshalve subsidie wordt verleend. 

Artikel 4.2.3

Gedeputeerde Staten stellen binnen 3 maanden nadat de subsidieontvanger de voor vaststelling noodzakelijke gegevens heeft ingediend, ambtshalve de definitieve subsidie vast. Vaststelling van de subsidie geschiedt overeenkomstig de bepalingen die hierover zijn opgenomen in de Programma’s van Eisen die ten behoeve van de concessieverlening zijn opgesteld.

Paragraaf 3 Subsidies voor het verrichten van collectief vraagafhankelijk vervoer.
Artikel 4.3.1
  • 1 Gedeputeerde Staten stellen per collectief vraagafhankelijk vervoer project een subsidieplafond vast, dat gelijk is aan het bedrag dat op basis van de bekostigingssystematiek aan het project kan worden toegerekend.

  • 2 Gedeputeerde Staten kunnen uit het in lid 1 bedoelde bedrag subsidie verlenen voor de exploitatie van collectief vraagafhankelijk vervoer en voor investeringen in collectief vraagafhankelijk vervoer en andere onderdelen van het openbaar vervoer. Zij doen dit voor de exploitatie op basis van de per project gesloten overeenkomst met een vervoerder of vervoerscoördinator en voor de investeringen op basis van een bestuursovereenkomst welke terzake van het collectief vraagafhankelijk vervoer met een of meerdere gemeenten, al dan niet met andere partners, is gesloten. Zij kunnen besluiten hun beheerskosten voor het project te dekken uit het subsidiebedrag als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

  • 3 Gedeputeerde Staten verlenen subsidie voor de exploitatie van CVV op basis van de door een reiziger gemaakte rit.

  • 4 De subsidie wordt verleend aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.

Artikel 4.3.2

Subsidieverlening als bedoeld in artikel 4.3.1 vindt ambtshalve plaats en geschiedt ofwel overeenkomstig een bestuursovereenkomst die ten behoeve van het verrichten van collectief vraagafhankelijk vervoer (cvv) tussen de samenwerkende partijen is afgesloten ofwel middels een contract dat met een beroepsvervoerder is afgesloten.

Artikel 4.3.3

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks binnen 3 maanden nadat de subsidieontvanger aan al zijn verplichtingen voortvloeiende uit de subsidieverlening heeft voldaan, ambtshalve de definitieve subsidie vast.

Artikel 4.3.4

Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de in de subsidievaststelling opgenomen termijn betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.

Paragraaf 4 Subsidies ten behoeve van de verbetering van de toegankelijkheid en ten behoeve van de verbetering van de sociale veiligheid van het collectief vervoer.
Artikel 4.4.1.1 Cofinanciering toegankelijkheid haltevoorzieningen
  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen voor iedere halte die in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2009 toegankelijk wordt gemaakt een vast bedrag van € 15.000 en voor iedere halte die in de periode van 1 april 2009 tot en met 31 december 2011 toegankelijk wordt gemaakt een vast bedrag van € 12.500 aan subsidie verlenen, mits:

    • a.

      het toegankelijk maken van de halte geschiedt overeenkomstig de in bijlage 7 opgenomen criteria en

    • b.

      de halte behoort tot categorieën 2 tot en met 4 van de in bijlage 8 opgenomen geprioriteerde haltes.

  • 2 Gedeputeerde Staten kunnen voor iedere halte die in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2011 toegankelijk wordt gemaakt een ander bedrag aan subsidie verlenen dan de in lid 1 van dit artikel aangegeven bedragen, mits:

    • a.

      het toegankelijk maken van de halte geschiedt overeenkomstig de in bijlage 7 opgenomen criteria en

    • b.

      de halte behoort tot categorie 1 van de in bijlage 8 opgenomen geprioriteerde haltes of behoort tot categorie 2 van de in bijlage 8 opgenomen geprioriteerde haltes mits de infrastructuur van de tot categorie 2 behorende halte uit meer dan één insteekhaven bestaat.

  • 3 Ten behoeve van het kunnen vaststellen van het middels lid 2 van dit artikel te verlenen subsidiebedrag wordt bij de subsidieaanvraag een gespecificeerde kostenraming voor het fysiek toegankelijk maken van de betreffende halte overlegd.

  • 4 Gedeputeerde Staten kunnen voor een geprioriteerde halte, die voor 1 januari 2008 gedeeltelijk toegankelijk is gemaakt, op verzoek van de gemeente, waarin deze halte is gelegen, voor het volledig toegankelijk maken van de halte een ander bedrag aan subsidie verlenen dan de in lid 1 van dit artikel aangegeven bedragen.

Artikel 4.4.1.2 Reikwijdte regeling
  • 1 Voor het aanschaffen en plaatsen van haltemeubilair wordt geen subsidie verleend, tenzij het aanschaffen en plaatsen van het haltemeubilair betrekking heeft op een geprioriteerde halte langs een weg, die bij de provincie Noord-Brabant in beheer en onderhoud is.

  • 2 Bij toepassing van het vorige lid kunnen gemeenten, wanneer de aanschaf en plaatsing van haltemeubilair geheel geschiedt overeenkomstig de in bijlage 9 opgenomen criteria, verzoeken om de kosten volledig voor cofinanciering in aanmerking te laten komen.

  • 3 Haltes die op het moment van de aanvraag reeds ten behoeve van het toegankelijk maken zijn aanbesteed én gegund, of die reeds in uitvoering zijn genomen, komen niet voor een subsidie op grond van voorgaand artikel in aanmerking.

  • 4 Indien een aanvrager, voorafgaand aan de verlening van cofinanciering door Gedeputeerde Staten, van start gaat met de activiteiten waarvoor subsidie is gevraagd, dan geschiedt dat geheel voor eigen risico.

  • 5 Een gemeente kan een subsidieaanvraag indienen voor haltes die binnen de gemeentegrenzen van de betreffende gemeente zijn gelegen. In de aanvraag kan zowel voor individuele haltes als voor clusters van haltes om cofinanciering verzocht worden.

Artikel 4.4.1.3 Aanvraag cofinanciering
  • 1 Een aanvraag voor cofinanciering voor het toegankelijk maken van haltevoorzieningen wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, zoals in bijlage 10 is weergegeven.

  • 2 Over iedere aanvraag om cofinanciering wordt door Gedeputeerde Staten advies gevraagd aan een onafhankelijke deskundige.

  • 3 Deze deskundige heeft tot taak om Gedeputeerde Staten van advies te dienen of bij iedere aanvraag om cofinanciering aan de in de bijlagen opgenomen criteria voor toegankelijkheid is voldaan.

  • 4 Gedeputeerde Staten beslissen over de subsidieaanvraag binnen uiterlijk 13 weken na ontvangst van het volledig ingevulde aanvraagformulier. Zij kunnen de termijn waarbinnen zij moeten beslissen slechts eenmaal met ten hoogste 13 weken verdagen.

Artikel 4.4.1.4 Bijdragen uit ander bron

De kosten, welke redelijkerwijs ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht, worden in mindering gebracht op de in artikel 4.4.1.1 aangegeven cofinancieringsbedragen.

Artikel 4.4.1.5 Verplichting tot instandhouden voorziening
  • 1 De met behulp van provinciale cofinanciering gerealiseerde voorzieningen of investeringen dienen minimaal vijf jaar in stand te worden gehouden en hun oorspronkelijk beoogde functie te behouden.

  • 2 Gedeputeerde Staten kunnen het vastgestelde bedrag aan cofinanciering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien de voorzieningen of investeringen binnen een periode van vijf jaar worden verwijderd, tenietgedaan of hun oorspronkelijke functie verliezen.

Artikel 4.4.1.6 Declaratie en uitbetaling
  • 1 Na afronding van het project of van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van de subsidieontvanger op basis van een ingevuld en ingediend eindtoetsformulier, zoals in bijlage 11 is weergegeven, overgaan tot uitbetaling van het krachtens de subsidieverlening toegekende bedrag.

  • 2 Indien de subsidieverlening meer dan € 50.000 bedraagt, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van de subsidieontvanger op basis van een tussentijdse declaratie overgaan tot uitbetaling van de bij subsidieverlening toegekende bedragen.

  • 3 Een tussentijdse declaratie en overeenkomstige bevoorschotting van maximaal 50% van de bij verlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden nadat de ontvanger minimaal 50% van de, in de verleningsbeschikking aangegeven totale subsidiabele kosten heeft gerealiseerd.

  • 4 Een einddeclaratie en bevoorschotting van maximaal 100% van de bij de subsidieverlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden nadat het project is afgerond.

  • 5 Declaraties worden ingediend met gebruikmaking van een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld declaratieformulier en gaan vergezeld van een overzicht van de data van alle wijzigingen die op de halte(s) zijn uitgevoerd.

  • 6 In afwijking van lid 3 en van lid 4 kunnen in de verleningsbeschikking andere percentages worden opgenomen.

  • 7 In de verleningsbeschikking kunnen Gedeputeerde Staten nadere voorwaarden stellen ten aanzien van de declaraties zoals bedoeld onder lid 3 en lid 4 van dit artikel.

Artikel 4.4.1.7 Subsidievaststelling

Uiterlijk 13 weken na ontvangst van de vastgestelde gemeentelijke jaarrekening (inclusief de SiSa-bijlage en rapport van bevindingen), die via het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gedistribueerd, stellen Gedeputeerde Staten de subsidie ambtshalve vast.

Artikel 4.4.2.1 Verbetering sociale veiligheid openbaar vervoer

Gedeputeerde Staten kunnen aan de vervoerders, aan wie concessie voor het verrichten van openbaar vervoer is verleend, subsidie verlenen ter bekostiging van projecten welke bijdragen aan de verbetering van de sociale veiligheid van het openbaar vervoer.

Artikel 4.4.2.2 Reikwijdte

De subsidies als bedoeld in artikel 4.4.2.1 worden uitsluitend verleend voor projecten die worden uitgevoerd in de gebieden en/of voor die lijnen waar de provincie Noord-Brabant verantwoordelijk is voor het (laten) exploiteren van het openbaar vervoer als bedoeld in de Wp 2000 en het Besluit personenvervoer 2000.

Artikel 4.4.2.3

Een aanvraag van een subsidie als bedoeld in artikel 4.4.2.1 van deze beleidsregels dient te worden ingediend tenminste 3 maanden voordat met de uitvoering van het project een begin wordt gemaakt.

Artikel 4.4.2.4

De subsidieontvanger dient binnen 3 maanden na afloop van het project waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

Artikel 4.4.2.5

Gedeputeerde Staten beslissen binnen 3 maanden na de datum van ontvangst op de aanvraag ingevolge artikel 4.4.2.4 van deze beleidsregels. Deze beslissing kan eenmaal voor ten hoogste drie maanden worden verdaagd.

Artikel 4.4.2.6

De betaling van het ingevolge artikel 4.4.2.5 vastgestelde subsidiebedrag vindt plaats binnen 3 maanden na het besluit tot subsidievaststelling.

Paragraaf 5 Subsidies voor het stimuleren van bedrijfsvervoer.
Artikel 4.5.1

Gedeputeerde Staten kunnen per kalenderjaar een bedrag of een percentage van de brede doeluitkering reserveren ten behoeve van het stimuleren van bedrijfsvervoer.

Artikel 4.5.2
  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen aan een werkgever of aan een organisatie, die eventueel als gemachtigde namens meerdere werkgevers op een werkplek optreedt, subsidie verlenen voor de kosten van het verrichten van bedrijfsvervoer dat ter uitvoering van een bedrijfsvervoerplan plaatsvindt.

  • 2 Subsidie wordt slechts verleend, onder voorwaarde, dat het jaarlijks door Gedeputeerde Staten vastgestelde subsidieplafond voor de stimulering van bedrijfsvervoer niet wordt overschreden.

Artikel 4.5.3
  • 1 Een aanvraag voor subsidie wordt tenminste 3 maanden voor de aanvang van het kalenderjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, ingediend bij Gedeputeerde Staten.

  • 2 Gedeputeerde Staten kunnen formulieren voor de aanvraag van subsidie voor bedrijfsvervoer en voor de vaststelling van subsidie voor bedrijfsvervoer vaststellen.

Artikel 4.5.4

De subsidieaanvraag omvat:

  • a.

    een bedrijfsvervoerplan met de naam en het adres van de betrokken werkgever(-s), de te rijden route(s), een overzicht van de halteplaatsen, het aantal reizigers, het aantal geraamde dagen waarop de werknemers aan het bedrijfsvervoer deelnemen, schema van reismogelijkheden en een overzicht van de in te zetten motorvoertuigen.

  • b.

    een vermelding van het kalenderjaar waarvoor subsidie voor bedrijfsvervoer wordt aangevraagd;

  • c.

    een machtiging ingeval de aanvrager optreedt namens één of meerdere werkgevers;

  • d.

    een afschrift van eventueel gesloten overeenkomsten met een beroepsvervoerder voor het verrichten van bedrijfsvervoer;

  • e.

    een afschrift van een uittreksel uit het Handelsregister van de aanvrager, en voor zover de aanvrager gemachtigd is door één of meerdere werkgevers, afschriften van de uittreksels uit het Handelsregister van de bedrijven die hij/zij vertegenwoordigt;

  • f.

    een verklaring betreffende de vorm van zeggenschap van de werkgever(s) over de locatie waar de deelnemers aan het bedrijfsvervoer hun werkzaamheden uitvoeren;

  • g.

    bescheiden die aantonen dat de aanvrager geen reiskostenvergoeding betaalt aan werknemers die gebruik maken van het bedrijfsvervoer;

  • h.

    een verklaring van de aanvrager dat ten behoeve van het bedrijfsvervoer geen gebruik wordt gemaakt van andere subsidie mogelijkheden;

  • i.

    een raming van het aantal dagen in het bedrijfsvervoerplan, gecorrigeerd met 5 procent voor ziekteverzuim en voor het gemiddelde aantal verlofdagen en adv dagen waarop de betrokken werknemers jaarlijks recht hebben.

Artikel 4.5.5

De subsidieaanvraag wordt getoetst aan de volgende criteria:

  • 1.

    De werkplek is gelegen in de provincie Noord-Brabant. Alleen bedrijven met werkplekken, gelegen in het gebied waarvoor de provincie het bevoegde gezag is voor het openbaar vervoer, komen voor subsidie in aanmerking.

  • 2.

    Het bedrijfsvervoer wordt verricht met motorvoertuigen ingericht voor het vervoer van minimaal acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen.

  • 3.

    Het bedrijfsvervoer wordt gedurende het hele kalenderjaar waarvoor subsidie is aangevraagd, uitgevoerd.

Artikel 4.5.6

Subsidie voor bedrijfsvervoer wordt niet verleend:

  • 1.

    Indien ten behoeve van het bedrijfsvervoer andere bijdragen van overheidswege worden verstrekt.

  • 2.

    Indien de werkgever geen op het privaatrecht gebaseerde zeggenschap of recht van gebruik op de werkplek heeft.

Artikel 4.5.7
  • 1 De subsidie wordt verleend voor de periode van één kalenderjaar.

  • 2 De subsidie bedraagt het door Gedeputeerde Staten hiervoor per deelnemende werknemer per dag vastgestelde bedrag. De maximale subsidie aan een aanvrager wordt bepaald door het in het bedrijfsvervoerplan geraamde aantal dagen, dat de werknemers aan het bedrijfsvervoer deelnemen, te vermenigvuldigen met het daartoe door Gedeputeerde Staten per deelnemende werknemer per dag vastgestelde bedrag.

  • 3 De subsidie wordt in het volgende kalenderjaar vastgesteld op basis van nacalculatie conform artikel 4.5.11 van deze subsidieregeling.

  • 4 De subsidie bedraagt € 1,45 per werknemer per dag en wordt met ingang van 1 januari 2011 verhoogd naar €1,70 per werknemer per dag.

Artikel 4.5.8
  • 1 De aanvrager draagt zorg voor verrichting van het bedrijfsvervoer in overeenstemming met het bedrijfsvervoerplan.

  • 2 De aanvrager houdt een lijst bij van werknemers die gebruik maken van het bedrijfsvervoer (tellijsten).

  • 3 De aanvrager informeert Gedeputeerde Staten onverwijld over wijzigingen in en afwijkingen van het bedrijfsvervoerplan, die leiden tot wijziging van het aantal deelnemende werknemers.

  • 4 De aanvrager verschaft op verzoek van Gedeputeerde Staten alle bescheiden en inlichtingen die nodig zijn om te beoordelen of de aanvrager voldoet aan zijn subsidieverplichtingen.

Artikel 4.5.9

Indien een aanvrager in het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor een subsidie wordt gevraagd reeds subsidie heeft ontvangen op grond van de Cofinancieringsregeling Verkeer en Vervoer Noord-Brabant, kan een hernieuwde aanvraag voor het nieuwe kalenderjaar beperkt blijven tot:

  • a.

    een verwijzing naar de eerder ingediende aanvraag;

  • b.

    vermelding van wijzigingen ten opzichte van die aanvraag;

  • c.

    een overzicht van het totaal aantal gerealiseerde dagen waarop de werknemers aan het bedrijfsvervoerplan hebben deelgenomen in het afgelopen jaar.

Artikel 4.5.10
  • 1 Gedeputeerde Staten verlenen met voorrang subsidie aan aanvragers als bedoeld in artikel 4.5.9 van deze beleidsregels.

  • 2 Hierna wordt met voorrang subsidie verleend aan aanvragers, waarvan de aanvraag door Gedeputeerde Staten is afgewezen op grond van het feit, dat bij het honoreren van de betreffende aanvraag het maximaal door Gedeputeerde Staten vastgestelde bedrag voor bedrijfsvervoer zou worden overschreden.

  • 3 Gedeputeerde Staten verlenen voorts aan aanvragers subsidie op basis van de volgorde van binnenkomst van de aanvrage.

Artikel 4.5.11
  • 1 De aanvrager dient binnen 3 maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, of na beëindiging van het bedrijfsvervoer, bij Gedeputeerde Staten een verzoek tot vaststelling van de subsidie voor bedrijfsvervoer in.

  • 2 De aanvraag tot vaststelling gaat vergezeld van een overzicht van het in het betreffende kalenderjaar gerealiseerde aantal dagen waarop de werknemers aan het bedrijfsvervoerplan hebben deelgenomen en een daarop betrekking hebbende accountantsverklaring of bestuursverklaring.

  • 3 Op basis van het aantal dagen waarop de werknemers daadwerkelijk aan het bedrijfsvervoer hebben deelgenomen wordt de definitieve subsidie vastgesteld, waarbij als maximum geldt het ingevolge artikel 4.5.7 lid 2 van deze subsidieregeling bepaalde bedrag van de subsidie.

Paragraaf 6 Collectief vervoer ontwikkelingsprojecten
Artikel 4.6.1 Collectief Vervoer Ontwikkelproject

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd subsidies te verlenen voor de bekostiging van activiteiten welke passen in de ontwikkeling van het beleid met betrekking tot het collectief vervoer van personen.

HOOFDSTUK 5. SLOTBEPALINGEN

Artikel 5.1 Hardheidsclausule

Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen in deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van stimulering van het verkeer en vervoer zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 5.2 Intrekking
  • 1 De regeling Extra investeringsimpuls infrastructuur in het stads- en streekvervoer 1996-2000 wordt ingetrokken;

  • 2 De Beleidsregels Cofinanciering Verkeer en Vervoer, gepubliceerd in het Provinciaal Blad, 2006, 04, worden ingetrokken;

  • 3 De Beleidsregels Cofinanciering Verkeer en Vervoer, gepubliceerd in het Provinciaal Blad, 2008, 57, worden ingetrokken.

Artikel 5.3 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 5.4 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 16 maart 2010

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J van de Donk

de secretaris drs. W.G.H.M. Rutten 

 

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingSubsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant
CiteertitelSubsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpfinancieel beheer, subsidies, verkeer en vervoer

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Bij de vaststelling van deze regeling zijn ingetrokken: 1.de regeling Extra investeringsimpuls infrastructuur in het stads- en streekvervoer 1996-2000; 2.de Beleidsregels Cofinanciering Verkeer en Vervoer, gepubliceerd in het Provinciaal Blad, 2006, 04; 3.de Beleidsregels Cofinanciering Verkeer en Vervoer, gepubliceerd in het Provinciaal Blad, 2008, 57.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Provinciewet, art. 105, juncto 143
  2. Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant, art. 2 en 15
  3. Wet BDU verkeer en vervoer, art. 2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

25-03-201011-03-2011nieuwe regeling

16-03-2010

Provinciaal Blad, 2010, 46

1655929