Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingSubsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant 2016
CiteertitelSubsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant 2016
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpsubsidies, verkeer en vervoer, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant 2013.

De paragrafen 4 en 9 treden met terugwerkende kracht in werking op 1 december 2015.

Artikel 10.2 voor zover het betreft paragraaf 8 van die regeling treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 december 2015.

Artikel 10.3 bevat een overgangsrecht.

 

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, art. 2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-201613-10-2016nieuwe regeling

01-12-2015

Provinciaal Blad, 2015, 148

S0305975

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant; Overwegende dat Gedeputeerde Staten uitvoering willen geven aan de Wet BDU verkeer en vervoer en aan de essentiële onderdelen van het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten tevens de doorstroming van het openbaar vervoer in Noord-Brabant wensen te stimuleren;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten vanuit de doelstelling van de OV-visie streven naar meer reizigers in het openbaar vervoer en daarom het wenselijk achten om bij te dragen aan projecten op het gebied van marketing;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten de inhoudelijke sturing en de kwaliteitsborging van de totstandkoming van de uitvoeringsprogramma’s van de GGA-regio’s willen waarborgen om zodoende een effectievere aanpak van de mobiliteitsproblematiek te bewerkstelligen;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten streven naar betrouwbaar, comfortabel en snel openbaar vervoer en dit willen bevorderen door het stimuleren van de realisering van specifieke infrastructuur voor het openbaar vervoer en tevens met goede parkeer- en reisvoorzieningen de bereikbaarheid van een stad of regio beogen te verbeteren;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten kleinschalige mobiliteitsoplossingen willen stimuleren om te kunnen voorzien in een mobiliteitsbehoefte van reizigers voor wie geen openbaar vervoer beschikbaar is;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten in samenwerking met het Rijk projecten willen stimuleren die een vlotte en veilige doorstroming op overwegen bevorderen;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten projecten willen stimuleren die een verschuiving bewerkstelligen van het goederenvervoer over de weg naar goederenvervoer over water, spoor en door buisleidingen;

Overwegende dat aanpassing van de Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant 2013 vanwege de nieuwe situatie, dat vanaf 1 januari BDU-gelden worden gestort in het provinciefonds met de daaraan gekoppelde verantwoording op grond van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, leidt tot een groot aantal noodzakelijke wijzigingen en Gedeputeerde Staten het derhalve wenselijk achten een geheel nieuwe regeling vast te stellen;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§ 1 Regiotaxi

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     regiotaxi: voor een ieder openstaand personenvervoer per auto, niet volgens een dienstregeling, als bedoeld in het Besluit personenvervoer 2000 voor zover het vervoer aanvullend of vervangend is ten opzichte van het openbaar vervoer, niet zijnde doelgroepenvervoer en groepsvervoer;

  • b.

     samenwerkingsbijdrage OV: subsidie aan gemeenten en gemeenschappelijke regelingen met wie de samenwerkingsovereenkomst is gesloten;

  • c.

     samenwerkingsovereenkomst: samenwerkingsovereenkomst Regiotaxi Noord-Brabant 2016-2020;

  • d.

     tariefeenheid: instaptarief, kilometertarief of zone-tarief;

  • e.

     vervoersovereenkomst: overeenkomst als bedoeld in artikel 6 van het Besluit personenvervoer 2000;

  • f.

     vrije reiziger: reiziger die met de regiotaxi reist en geen recht heeft op een door wet- en regelgeving aangewezen vergoeding.

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

     gemeenten met wie de samenwerkingsovereenkomst is gesloten;

  • b.

     gemeenschappelijke regelingen met wie de samenwerkingsovereenkomst is gesloten.

Artikel 1.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

     het verrichten van personenvervoer met de regiotaxi voor vrije reizigers;

  • b.

     het geven van een bindend OV-advies;

  • c.

     activiteiten die gerelateerd zijn aan de regiotaxi.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien de subsidieaanvrager reeds een subsidie als bedoeld in artikel 1.4 over het jaar 2016 heeft ontvangen.

Artikel 1.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder a en b, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de bepalingen in de vervoersovereenkomst.

  • 2  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder c, in aanmerking te komen wordt voldaan aan de bepalingen in de samenwerkingsovereenkomst.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten voor subsidie in aanmerking.

Artikel 1.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 4 januari tot en met 30 juni van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.

Artikel 1.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4:

  • a.

     onder a en b, voor de periode genoemd in artikel 1.8, vast op € 2.200.000;

  • b.

     onder c, voor de periode genoemd in artikel 1.8, vast op € 3.000.000.

Artikel 1.10 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, onder a, bedraagt het verschil tussen het tarief per declarabele tariefeenheid verminderd met de eigen bijdrage van de reiziger vermenigvuldigd met het aantal tariefeenheden van de rit.

  • 2  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, onder b, bedraagt een vast bedrag per OV-advies zoals is vastgesteld in de vervoersovereenkomst.

  • 3  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, onder c, bedraagt de OV-samenwerkingsbijdrage zoals per regio beschikbaar is gesteld in de samenwerkingsovereenkomst.

  • 4  Indien de subsidie minder bedraagt dan € 25.000 wordt deze niet verstrekt.

Artikel 1.11 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de verplichting dat hij een administratie bijhoudt van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten overlegt.

Artikel 1.12 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling door middel van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 1.13 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 100%.

  • 2  Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte.

  • 3  Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald in termijnen waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 2 Stimulering bedrijfsvervoer

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     bedrijfsvervoer: collectief vervoer ten behoeve van werknemers op het woon-werktraject van de werknemer door of vanwege de werkgever, voor aanvang van en na afloop van de werkzaamheden van de werknemer;

  • b.

     beroepsvervoerder: vervoerder met een vergunning voor het verrichten van besloten busvervoer of taxivervoer;

  • c.

     de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb EU L 352/9 van 24 december 2013, met inbegrip van eventueel in de toekomst vast te stellen wijzigingen;

  • d.

     werkplek: vaste locatie waar door een werknemer arbeid wordt verricht en waarover de werkgever zeggenschap of recht van gebruik heeft.

Artikel 2.2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door werkgevers, van wie het bedrijf en de werkplekken gelegen zijn in het gebied waar de provincie Noord-Brabant vervoersautoriteit is.

Artikel 2.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het verrichten van bedrijfsvervoer.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien voor het project reeds subsidie is verstrekt ten behoeve van bedrijfsvervoer in 2015.

Artikel 2.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

     het bedrijfsvervoer heeft plaatsgevonden in 2015;

  • b.

     de subsidieaanvrager heeft geen reiskostenvergoeding betaald aan de werknemers die gebruik hebben gemaakt van het bedrijfsvervoer;

  • c.

     het project is gericht op:

    • 1°.

       een werkplek, gelegen in de provincie Noord-Brabant;

    • 2°.

       bedrijfsvervoer door middel van een bus of auto, ingericht voor het vervoer van minimaal acht personen, exclusief de bestuurder;

  • d.

     aan het project liggen ten grondslag:

    • 1°.

       een vervoersoverzicht van het kalenderjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waarbij per dag de namen van de vervoerde werknemers zijn aangegeven;

    • 2°.

       indien mogelijk, een afschrift van een overeenkomst die door de subsidieaanvrager met een beroepsvervoerder is gesloten voor het verrichten van bedrijfsvervoer.

Artikel 2.7 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1  Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 4 januari 2016 tot en met 1 april 2016.

  • 2  De aanvraag heeft betrekking op het bedrijfsvervoer dat is verricht in het jaar voorafgaande aan de aanvraag.

Artikel 2.8 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4 voor de tenderperiode genoemd in artikel 2.7, vast op € 140.000.

Artikel 2.9 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie bedraagt € 0,68 per werknemer per dag.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, geldt voor ondernemingen in de zin van het Europees recht dat de totaal verstrekte subsidie niet hoger mag zijn dan € 200.000 en € 100.000 voor ondernemingen in het wegvervoer over een periode van drie belastingjaren en ook dat anderszins wordt voldaan aan de voorwaarden voor de-minimissteun.

Artikel 2.10 Verdeelcriteria

  • 1  Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het subsidieplafond, genoemd in artikel 2.8, te boven gaan, verdelen Gedeputeerde Staten de subsidie naar evenredigheid onder de voornoemde subsidieaanvragen.

  • 2  Evenredige verdeling onder de subsidieaanvragers vindt plaats op basis van de subsidiehoogte van de subsidieaanvragen, berekend op basis van artikel 2.9.

Artikel 2.11 Subsidievaststelling

  • 1  Op subsidies tot € 25.000 is artikel 20, eerste lid, onder a, vierde en vijfde lid van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant van toepassing.

  • 2  Met toepassing van artikel 21, negende lid, en artikel 22, zevende lid, van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, is op subsidies van € 25.000 en hoger artikel 20, eerste lid, onder a, vierde en vijfde lid, van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant van overeenkomstige toepassing.

§ 3 Doorstromingsmaatregelen openbaar vervoer

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;

  • b.

     vervoerder: concessiehouder voor openbaar vervoer in het gebied waarop het project betrekking heeft.

Artikel 3.2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door wegbeheerders.

Artikel 3.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 3.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op kleinschalige infrastructurele maatregelen ten behoeve van doorstroming van het openbaar vervoer.

Artikel 3.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

     voor het project reeds subsidie door Gedeputeerde Staten of een ander bestuursorgaan is verstrekt;

  • b.

     de subsidieaanvrager met het project reeds voor het moment van indiening van de subsidieaanvraag is begonnen.

Artikel 3.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

     het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

  • b.

     het project draagt bij aan:

    • 1°.

       rijtijdvermindering van het openbaar vervoer; of,

    • 2°.

       comfortverbetering voor reizigers in het openbaar vervoer;

  • c.

     het project heeft de instemming van de vervoerder;

  • d.

     aan het project liggen ten grondslag:

    • 1°.

       een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze is voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

       een offerte met een duidelijke afbakening van de verschillende werkzaamheden per maatregel;

    • 3°.

       een kostenraming van de maatregel.

Artikel 3.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten voor subsidie in aanmerking.

Artikel 3.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 3.7, komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten van de interne organisatie van de subsidieaanvrager;

  • b.

     kosten voor structureel beheer en onderhoud van bestaande infrastructuur;

  • c.

     kosten voor toezicht.

Artikel 3.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016.

Artikel 3.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 3.4, voor de periode genoemd in artikel 3.9, vast op € 100.000.

Artikel 3.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.4, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 10.000 per project.

Artikel 3.12 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 3.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger realiseert het project voor 31 december 2017.

Artikel 3.14 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont door middel van beeldmateriaal desgevraagd aan dat de subsidiabele activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

§ 4 GGA-regio’s

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     buurtbushalte: halte, waar een buurtbus halteert;

  • a.

     GGA-regio: samenwerkingsverband met als deelnemers de aangesloten Noord-Brabantse gemeenten, zoals opgenomen in bijlage 2, de provincie Noord-Brabant en Rijkswaterstaat directie Noord-Brabant;

  • b.

     halte: in-, uit- of overstapfaciliteit voor de bus met voorzieningen voor een comfortabele in- en uitstap, voorzien van het verkeersbord L 03;

  • c.

     infrastructurele projecten: investeringen in infrastructuur, die bijdragen aan de verwezenlijking van het provinciale verkeers- en vervoersbeleid;

  • d.

     niet-infrastructurele projecten: niet-infrastructurele maatregelen, regionale studieprojecten, mensgerichte maatregelen of pakketten van mensgerichte maatregelen;

  • e.

     regionaal halteplan: gemeentelijk plan ten behoeve van een GGA-regio waarin is aangegeven op welk moment welke halte toegankelijk wordt gemaakt en hoe het fysiek toegankelijk maken van de halte wordt gefinancierd;

  • f.

     stads- of streekbushalte: halte waar een stads- of streekbus halteert.

Artikel 4.2 Doelgroep

  • 1  Subsidie als bedoeld in artikel 4.4 kan worden aangevraagd door:

    • a.

       de gemeenten, genoemd in bijlage 2;

    • b.

       gemeenschappelijke regelingen.

  • 2  Subsidie als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder b kan worden aangevraagd door de gemeenten, genoemd in bijlage 2, ten behoeve van maatschappelijke organisaties.

Artikel 4.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 4.4 Subsidiabele activiteiten

  • 1  Subsidie kan worden verstrekt voor:

    • a.

       kleine infrastructurele projecten;

    • b.

       niet-infrastructurele projecten;

    • c.

       projecten gericht op het fysiek toegankelijk maken van een halte;

    • d.

       projecten gericht op het aanschaffen en plaatsen van haltemeubilair voor een halte.

  • 2  Subsidie kan worden verstrekt voor reserveprojecten, indien projecten als genoemd in het eerste lid, in het jaar van subsidieverlening door onvoorziene omstandigheden niet in uitvoering kunnen worden genomen.

Artikel 4.5 Weigeringsgronden

  • 1  Subsidie wordt geweigerd indien:

    • a.

       het project reeds is aanbesteed en gegund voor het moment van indiening van de subsidieaanvraag;

    • b.

       met de uitvoering van het project is begonnen voor het moment van indiening van de subsidieaanvraag;

    • c.

       aan de subsidieaanvrager voor hetzelfde project of projectonderdeel reeds subsidie is verstrekt;

    • d.

       de aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder c, over voldoende middelen beschikt uit openbaar vervoerreserves ten behoeve van de verbetering van de fysieke toegankelijkheid van haltes, welke resteren of voortvloeien uit convenanten inzake regiotaxi’s.

  • 2  Het eerste lid, onder a en b is niet van toepassing, indien Gedeputeerde Staten de subsidieaanvrager reeds voor de indiening van de subsidieaanvraag schriftelijk toestemming hebben gegeven om al op een eerder tijdstip met de bedoelde activiteiten te starten.

Artikel 4.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder a tot en met d, in aanmerking te komen, is het project opgenomen in het regionaal uitvoeringsprogramma van een GGA-regio, waarin de aanvrager deelnemer is.

  • 2  Het regionale uitvoeringsprogramma, bedoeld in het eerste lid:

    • a.

       bevat een overzicht van de projecten, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder a tot en met d;

    • b.

       is vastgesteld in het bestuurlijk overleg van de GGA-regio, waaraan de participerende gemeenten en de provincie Noord-Brabant als gelijkgerechtigden deelnemen;

    • c.

       is het resultaat van een jaarlijkse dialoog van de deelnemers van de GGA-regio, waarbij de projecten integraal zijn afgewogen en de beoogde kwaliteit van de projecten is bepaald aan de hand van en met gebruikmaking van het PRIOR-systeem;

    • d.

       geeft aan wat het meerjarige perspectief van de projecten is;

    • e.

       geeft aan op welke wijze:

      • 1°.

         de jaarlijkse dialoog is verlopen;

      • 2°.

         de regionale besluitvorming is voorbereid;

      • 3°.

         de projecten aansluiten op de regionale beleidsagenda;

      • 4°.

         de projecten evenwichtig zijn verdeeld over de thema's van de regionale beleidsagenda;

      • 5°.

         de projecten de in de regionale beleidsagenda benoemde problemen aanpakken;

      • 6°.

         de effecten van voorgaande jaren consequenties hebben gehad voor het regionale pakket of het regionale uitvoeringsprogramma;

      • 7°.

         projecten of projectsuggesties van maatschappelijke organisaties zijn behandeld.

  • 3  Onverminderd het eerste en tweede lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat indien sprake is van een regionaal studieproject:

    • a.

       ten minste twee gemeenten bij het project betrokken zijn;

    • b.

       het studieproject door het bestuurlijk GGA-overleg als zodanig is benoemd.

  • 4  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, in aanmerking te komen, is het project opgenomen in een regionaal uitvoeringsprogramma als bedoeld in het eerste of derde lid.

  • 5  Indien de deelnemers van het bestuurlijk overleg van de GGA-regio het regionale uitvoeringsprogramma, bedoeld in het eerste lid, unaniem vaststellen, nemen Gedeputeerde Staten het regionale uitvoeringsprogramma en de daarin opgenomen projecten ongewijzigd over en stellen het vast.

  • 6  Indien de deelnemers van het bestuurlijk overleg van de GGA-regio het regionale uitvoeringsprogramma, bedoeld in het eerste lid, niet unaniem vaststellen, stellen Gedeputeerde Staten zelf het programma vast, waarbij de projecten waarover geen regionale overeenstemming is bereikt worden getoetst aan de doelstellingen van het provinciaal verkeers- en vervoersplan en de daarbij behorende beleidsaccenten van de Dynamische BeleidsAgenda.

Artikel 4.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder a en d, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

       kosten voor werkzaamheden ten behoeve van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur;

    • b.

       kosten voor verwerving van een onroerende zaak tot maximaal de taxatiewaarde;

    • c.

       kosten voor vergunningen en leges;

    • d.

       kosten voor materiaal;

    • e.

       kosten voor bijkomende voorzieningen die nodig zijn om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen;

    • f.

       schadevergoeding aan derden;

    • g.

       kosten voor voorlichting over de uitvoering van het project gericht op begeleiding gedurende de bouw;

    • h.

       kosten voor omleidingsroutes voor openbaar vervoer vanaf drie maanden na start van de werkzaamheden;

    • i.

       kosten voor verleggen van kabels en leidingen;

    • j.

       kosten voor grondverwerving;

    • k.

       meerkosten indien sprake is van slechte bodemgesteldheid;

    • l.

       kosten voor aanbrengen of aanpassen van verkeersregelinstallaties;

    • m.

       vaste vergoeding voor voorbereidings-, administratie- en toezichtskosten van 15% van de voor subsidie in aanmerking komende kosten, bedoeld onder a tot en met l.

  • 2  Voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder b en tweede lid komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie alle kosten voor subsidie in aanmerking.

Artikel 4.8 Niet subsidiabele kosten

  • 1  In afwijking van artikel 4.7, eerste lid, komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

    • a.

       interne apparaatskosten van de subsidieaanvrager;

    • b.

       kosten voor het uitvoeren van reguliere werkzaamheden;

    • c.

       onderhoudskosten die worden bespaard vanwege het niet uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden;

    • d.

       kosten van vervanging van kabels en leidingen van derden.

Artikel 4.9 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1  De regionale uitvoeringsprogramma’s van de GGA regio’s worden ingediend voor 10 december voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.

  • 2  Subsidieaanvragen voor subsidies als bedoeld in:

    • a.

       artikel 4.4, eerste lid en die opgenomen zijn in een regionaal uitvoeringsprogramma, worden ingediend voor 1 januari van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft;

    • b.

       artikel 4.4, tweede lid en die opgenomen zijn in een regionaal uitvoeringsprogramma, worden ingediend voor 1 september van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.

Artikel 4.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, voor 2016 en 2017 in totaal vast op € 30.913.800.

Artikel 4.11 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie bedraagt voor projecten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid:

    • a.

       onder a en d, maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 5.000.000;

    • b.

       onder b, maximaal 80% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 8.000.000.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, wordt de hoogte van de subsidie voor de volgende projectenonderdelen als volgt bepaald:

    • a.

       een vast bedrag voor de aanleg van fietspaden, zoals opgenomen in tabel 1 van bijlage 3;

    • b.

       een vast bedrag voor de aanleg van fietsstraten, zoals opgenomen in tabel 2 van bijlage 3;

    • c.

       een vast bedrag voor de aanleg van rotondes, zoals opgenomen in tabel 3 van bijlage 3;

    • d.

       een vast bedrag voor de vervanging van betontegels door asfalt, zoals opgenomen in tabel 4 van bijlage 3;

    • e.

       een vast bedrag voor de aanleg van fietsenstallingen, zoals opgenomen in tabel 5 van bijlage 3;

    • f.

       een vast bedrag voor het realiseren van duurzaam veilig maatregelen, zoals opgenomen in tabel 6 van bijlage 3;

    • g.

       een vast bedrag voor mensgerichte activiteiten, zoals opgenomen in tabel 7 van bijlage 3;

    • h.

       in totaal ten hoogste € 40.000 voor maximaal twee projectonderdelen waarvoor geen normbedragen als bedoeld in de onderdelen a tot en met g zijn opgenomen en die niet vallen onder de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 4.7, eerste lid.

  • 3  Onverminderd het eerste lid, bedraagt de hoogte van de subsidie voor projecten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder c:

    • a.

       € 7.500 per buurtbushalte;

    • b.

       € 10.000 per stads- of streekbushalte.

  • 4  Indien door de rijksoverheid subsidie is verstrekt, wordt dit bedrag in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.

  • 5  Indien reeds door een ander regionaal overheidsorgaan subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens deze regeling kan worden verstrekt.

  • 6  Indien er sprake is van financiering uit grondexploitatie wordt deze in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.

  • 7  Indien de totale subsidiabele kosten minder dan € 10.000 bedragen, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 4.12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1  De subsidieontvanger heeft bij subsidies als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

       opdrachtverlening in het kader van de werkzaamheden bij het project vindt uiterlijk plaats in het jaar van subsidieverlening;

    • b.

       bij subsidies van € 25.000 en hoger dient de subsidieontvanger een einddeclaratie in voor 1 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin de subsidie is verleend.

  • 2  Onverminderd het eerste lid heeft de subsidieontvanger bij subsidies als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder c, de verplichting dat:

    • a.

       bij subsidies van € 25.000 en hoger een einddeclaratie vergezeld gaat van een overzicht van alle wijzigingen die per halte zijn uitgevoerd en de daarbij behorende data;

    • b.

       de halte conform de criteria van bijlage 1 toegankelijk is gemaakt.

  • 3  Onverminderd het eerste lid heeft de subsidieontvanger bij subsidies als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder d, de verplichting dat de werkzaamheden conform de criteria van bijlage 1 worden uitgevoerd.

  • 4  Gedeputeerde Staten kunnen na een daartoe door de subsidieontvanger ingediend schriftelijk verzoek eenmalig de termijn van opdrachtverlening als bedoeld in het eerste lid, onder a, en eenmalig het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, onder b, verlengen, indien de subsidieontvanger aantoont dat niet aan de voorgeschreven termijnen kan worden voldaan vanwege:

    • a.

       het niet tijdig kunnen verwerven van de benodigde gronden als gevolg van wettelijke of procedurele oorzaken, die niet aan de subsidieontvanger te wijten zijn, mits op redelijke termijn zicht is op daadwerkelijke grondverwerving;

    • b.

       het langer in beslag nemen dan gepland van de bestemmingsplanprocedure als gevolg van wettelijke, juridische of procedurele zaken;

    • c.

       vertraging in samenhangende projecten of beïnvloeding van andere projecten waardoor de subsidieontvanger genoodzaakt is de uitvoeringsperiode te verlengen;

    • d.

       vertraging in de uitvoering als gevolg van extreme of onverwachte weersomstandigheden; of,

    • e.

       vertraging in de opdrachtverlening of in de uitvoering als gevolg van andere aan derden toe te schrijven omstandigheden.

  • 5  Onverminderd het eerste tot en met het vierde lid, heeft de subsidieontvanger bij subsidies als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, in ieder geval de verplichting dat het project in het jaar van subsidieverlening in uitvoering wordt genomen.

Artikel 4.13 Prestatieverantwoording

  • 1  Bij subsidies tot € 25.000 leggen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger desgevraagd aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 2  Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling door middel van het door Gedeputeerde Staten vastgestelde einddeclaratieformulier aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 4.14 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Bij subsidies tussen de € 25.000 en € 125.000 verstrekken Gedeputeerde Staten geen voorschot op het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Bij subsidies van € 125.000 en hoger verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van ten hoogste 100% van het verleende subsidiebedrag.

  • 3  Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het tweede lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 4  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot, bedoeld in het derde lid, in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 5 Gelabelde BDU-uitkeringen

Artikel 5.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     BDU: Brede Doeluitkering;

  • b.

     openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig.

Artikel 5.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

     gemeenten;

  • b.

     openbaar vervoerbedrijven.

Artikel 5.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 5.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

     actieprogramma regionaal openbaar vervoer;

  • b.

     actieprogramma Groei op het Spoor.

Artikel 5.5 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

     het project past binnen de Wet BDU;

  • b.

     aan het project liggen ten grondslag:

    • 1°.

       een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

       een sluitende begroting en een kostenraming.

Artikel 5.6 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten voor werkzaamheden ten behoeve van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur;

  • b.

     kosten voor verwerving van een onroerende zaak tot maximaal de taxatiewaarde;

  • c.

     kosten voor vergunningen en leges;

  • d.

     kosten voor materiaal;

  • e.

     kosten voor bijkomende voorzieningen die nodig zijn om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen;

  • f.

     schadevergoeding aan derden;

  • g.

     kosten voor voorlichting over de uitvoering van het project gericht op begeleiding gedurende de bouw;

  • h.

     kosten voor omleidingsroutes voor openbaar vervoer vanaf drie maanden na start van de werkzaamheden;

  • i.

     kosten voor verleggen van kabels en leidingen;

  • j.

     kosten voor grondverwerving;

  • k.

     meerkosten indien sprake is van slechte bodemgesteldheid;

  • l.

     kosten voor aanbrengen of aanpassen van verkeersregelinstallaties;

  • m.

     vaste vergoeding voor voorbereidings-, administratie- en toezichtskosten van 15% van de voor subsidie in aanmerking komende kosten, bedoeld onder a tot en met l.

Artikel 5.7 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 5.6 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     interne apparaatskosten van de subsidieaanvrager;

  • b.

     kosten voor het uitvoeren van reguliere werkzaamheden;

  • c.

     onderhoudskosten die worden bespaard vanwege het niet uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden;

  • d.

     kosten van vervanging van kabels en leidingen van derden.

Artikel 5.8 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1  Subsidieaanvragen voor subsidies als bedoeld in artikel 5.4, onder a, worden ingediend van 4 januari 2016 tot en met 15 december 2020.

  • 2  Subsidieaanvragen voor subsidies als bedoeld in artikel 5.4, onder b, worden ingediend van 4 januari 2016 tot en met 15 december 2016.

Artikel 5.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 5.4:

  • a.

     onder a, voor de periode genoemd in artikel 5.8, eerste lid, vast op € 3.031.000;

  • b.

     onder b, voor de periode genoemd in artikel 5.8, tweede lid, vast op € 4.462.000.

Artikel 5.10 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 5.4:

    • a.

       onder a, bedraagt maximaal 46,59% van de subsidiabele kosten;

    • b.

       onder b, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.

  • 2  Indien toepassing van het eerste lid tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 5.11 Verdeelcriteria

Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

Artikel 5.12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1  De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

       de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

    • b.

       opdrachtverlening in het kader van de werkzaamheden bij het project vindt uiterlijk plaats in het jaar van subsidieverlening;

    • c.

       de subsidieontvanger dient een einddeclaratie in voor 1 december van het jaar dat twee jaar later is dan het jaar waarin de subsidie is verleend.

  • 2  Gedeputeerde Staten kunnen na een daartoe door de subsidieontvanger ingediend schriftelijk verzoek eenmalig de termijn van opdrachtverlening als bedoeld in het eerste lid, onder b, en eenmalig het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, onder c, verlengen, indien de subsidieontvanger aantoont dat niet aan de voorgeschreven termijnen kan worden voldaan vanwege:

    • a.

       het niet tijdig kunnen verwerven van de benodigde gronden als gevolg van wettelijke of procedurele oorzaken, die niet aan de subsidieontvanger te wijten zijn, mits op redelijke termijn zicht is op daadwerkelijke grondverwerving;

    • b.

       het langer in beslag nemen dan gepland van de bestemmingsplanprocedure als gevolg van wettelijke, juridische of procedurele zaken;

    • c.

       vertraging in samenhangende projecten of beïnvloeding van andere projecten waardoor de subsidieontvanger genoodzaakt is de uitvoeringsperiode te verlengen;

    • d.

       vertraging in de uitvoering als gevolg van extreme of onverwachte weersomstandigheden; of

    • e.

       vertraging in de opdrachtverlening of in de uitvoering als gevolg van andere aan derden toe te schrijven omstandigheden.

Artikel 5.13 Prestatieverantwoording

Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 5.14 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 100% op het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 6 Infrastructuur voor hoogwaardig openbaar vervoer en knooppunten

Artikel 6.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     ABRI: wachthokje bij bushaltes;

  • b.

     besloten busvervoer: personenvervoer per bus, niet zijnde openbaar vervoer;

  • c.

     businfrastructuur: fundering en verhardingen van busbanen of busstroken met daarbij behorende kunstwerken;

  • d.

     busstation- en bushalte-infrastructuur: perron, overkapping, toegangspad, haltehaven en de hierbij behorende verhardingen en funderingen;

  • e.

     DRIS: Dynamisch reisinformatiesyteem;

  • f.

     KAR-systeem: Korteafstandsradio die verkeerslichten beïnvloedt met een radiosignaal;

  • g.

     knooppunt: voorziening waar overstapfaciliteiten wordt geboden tussen hoogwaardig openbaar vervoer zijnde trein en bus en andere modaliteiten zijnde fiets, bromfiets, auto, voetgangersvoorzieningen of vliegtuig;

  • h.

     openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;

  • i.

     P&R-voorziening: een openbaar toegankelijke parkeervoorziening bij een halte of station die bedoeld is voor automobilisten die aansluitend met het openbaar vervoer of besloten busvervoer verder reizen;

  • j.

     toeleidende infrastructuur: infrastructuur die noodzakelijk is om een nieuwe P&R-voorziening naar de OV-voorziening te leiden of de P&R-voorziening te verbinden met de doorgaande weg.

Artikel 6.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

     wegbeheerders;

  • b.

     openbaar vervoerbedrijven.

Artikel 6.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 6.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

     businfrastructuur;

  • b.

     busstations- of haltevoorzieningen ten aanzien van de volgende voorzieningen:

    • 1°.

       busstation- en bushalte-infrastructuur;

    • 2°.

       ABRI’s of wachtgelegenheden;

    • 3°.

       DRIS;

    • 4°.

       fietsparkeervoorzieningen ten behoeve van voor- en natransport bij openbaar vervoer;

  • c.

     beïnvloedingssystemen voor verkeersregelinstallaties gebaseerd op het KAR-systeem;

  • d.

     de aanleg van een nieuw P&R-terrein, inclusief toeleidende infrastructuur;

  • e.

     de uitbreiding van een bestaand P&R-terrein, inclusief toeleidende infrastructuur.

Artikel 6.5 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.4, onder a tot en met c, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       het project draagt bij aan rijtijdvermindering van het openbaar vervoer of aan comfortverbetering voor reizigers in het openbaar vervoer.

  • 2  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.4, onder d en e, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       het P&R-terrein is gelegen bij een treinstation of een bushalte;

    • c.

       het project draagt bij aan een overstapfaciliteit van auto op:

      • 1°.

         openbaar vervoer; of,

      • 2°.

         besloten busvervoer dat plaatsvindt binnen de provincie Noord-Brabant;

    • d.

       het project sluit aan bij de vraag van reizigers.

  • 3  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.4, onder b, eerste onderdeel, in aanmerking te komen voldaan aan de eisen zoals gesteld in de handleiding toegankelijke haltevoorzieningen provincie Noord-Brabant september 2007.

  • 4  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.4, onder b, vierde onderdeel, in aanmerking te komen voldaan aan het keurmerk fietsparkeur.

  • 5  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.4, onder c, in aanmerking te komen voldaan aan het KAR-systeem.

  • 6  Onverminderd het tweede lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.4, onder d, in aanmerking te komen voldaan aan het vereiste dat de te verwachten bezettingsgraad twee jaar na realisatie van het nieuwe P&R-terrein 50% is.

  • 7  Onverminderd het tweede lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.4, onder e, in aanmerking te komen voldaan aan het vereiste dat de bezettingsgraad hoger is dan 65%, gemeten over ten minste vijf werkdagen in een gewone werkweek.

  • 8  Onverminderd de voorgaande leden, liggen aan het project ten grondslag:

    • a.

       een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • b.

       een ontwerptekening van het project;

    • c.

       een sluitende begroting en een kostenraming.

Artikel 6.6 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten voor werkzaamheden ten behoeve van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur;

  • b.

     kosten voor verwerving van een onroerende zaak tot maximaal de taxatiewaarde;

  • c.

     kosten voor vergunningen en leges;

  • d.

     kosten voor materiaal;

  • e.

     kosten voor bijkomende voorzieningen die nodig zijn om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen;

  • f.

     schadevergoeding aan derden;

  • g.

     kosten voor voorlichting over de uitvoering van het project gericht op begeleiding gedurende de bouw;

  • h.

     kosten voor omleidingsroutes voor openbaar vervoer vanaf drie maanden na start van de werkzaamheden;

  • i.

     kosten voor verleggen van kabels en leidingen;

  • j.

     kosten voor grondverwerving;

  • k.

     meerkosten indien sprake is van slechte bodemgesteldheid;

  • l.

     kosten voor aanbrengen of aanpassen van verkeersregelinstallaties;

  • m.

     vaste vergoeding voor voorbereidings-, administratie- en toezichtskosten van 15% van de voor subsidie in aanmerking komende kosten, bedoeld onder a tot en met l.

Artikel 6.7 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 6.6 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     interne apparaatskosten van de subsidieaanvrager;

  • b.

     kosten voor het uitvoeren van reguliere werkzaamheden;

  • c.

     onderhoudskosten die worden bespaard vanwege het niet uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden;

  • d.

     kosten van vervanging van kabels en leidingen van derden.

Artikel 6.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen voor subsidies als bedoeld in artikel 6.4 worden ingediend van 4 januari 2016 tot en met 15 december 2016.

Artikel 6.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 6.4, voor de periode genoemd in artikel 6.8, vast op € 3.000.000.

Artikel 6.10 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 6.4, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 2.000.000.

Artikel 6.11 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 6.12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     bij subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • b.

     bij subsidies van € 125.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 6.13 Prestatieverantwoording

  • 1  Bij subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een proces-verbaal van oplevering.

  • 2  Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een proces-verbaal van oplevering.

Artikel 6.14 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot op het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 7 Kleinschalige mobiliteitsoplossingen

Artikel 7.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     concessie: recht als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000 om met uitsluiting van anderen openbaar vervoer te verrichten in een bepaald gebied gedurende een bepaald tijdvak;

  • b.

     concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder aan wie op grond van artikel 20 van de Wet personenvervoer 2000 door Gedeputeerde Staten een concessie is verleend;

  • c.

     de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb EU L 352/9 van 24 december 2013, met inbegrip van eventueel in de toekomst vast te stellen wijzigingen;

  • d.

     mobiliteit: mogelijkheid om korte of lange afstanden via vervoersmiddelen te overbruggen;

  • e.

     openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig.

Artikel 7.2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door rechtspersonen.

Artikel 7.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 7.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

     het vergroten van vervoersmogelijkheden voor reizigers;

  • b.

     ontwikkeling en gebruik van ICT-toepassingen ter vergroting van de mobiliteit.

Artikel 7.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien voor het project reeds op grond van deze regeling of een andere provinciale subsidieregeling subsidie is verstrekt.

Artikel 7.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 7.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

         een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

         een businesscase, indien er sprake is van een project als bedoeld in artikel 7.4, onder a, waaruit in ieder geval blijkt dat de continuïteit van het project is geborgd;

      • 3°.

         een sluitende begroting.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 7.4, onder a, in aanmerking te komen voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       de subsidieaanvrager werkt samen met een of meer andere partijen;

    • b.

       het project combineert verschillende reizigersgroepen;

    • c.

       er is sprake van een vervoersbehoefte;

    • d.

       de vervoersbehoefte wordt niet ingevuld door het openbaar vervoer of ander gesubsidieerd doelgroepenvervoer.

  • 3  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 7.4, onder b, in aanmerking te komen voldaan aan het vereiste dat het project innovatief is.

  • 4  Onverminderd het eerste en derde lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 7.4, onder b, in aanmerking te komen voldaan aan een van de volgende vereisten:

    • a.

       het project verbetert de bekendheid van vervoersmogelijkheden aanvullend op het openbaar vervoer;

    • b.

       het project koppelt de vervoersvraag aan het vervoersaanbod ter verbetering van de aansluitingsmogelijkheden van de reiziger.

Artikel 7.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten voor subsidie in aanmerking.

Artikel 7.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 7.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten voor exploitatie van vervoermiddelen vanaf twee jaar na subsidieverlening;

  • b.

     vergoeding voor ureninzet van vrijwilligers boven een maximum van € 400 per jaar per vrijwilliger.

Artikel 7.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen voor subsidies als bedoeld in artikel 7.4 worden ingediend van 4 januari 2016 tot en met 15 december 2016.

Artikel 7.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 7.4 voor de periode genoemd in artikel 7.9, vast op € 300.000.

Artikel 7.11 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 7.4:

    • a.

       onder a, bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 30.000;

    • b.

       onder b, bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, geldt voor ondernemingen in de zin van het Europees recht dat de totaal verstrekte subsidie niet hoger mag zijn dan € 200.000 en € 100.000 voor ondernemingen in het wegvervoer over een periode van drie belastingjaren en ook dat anderszins wordt voldaan aan de voorwaarden voor de-minimissteun.

Artikel 7.12 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 7.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     de resultaten van het project worden toegankelijk gemaakt voor derden;

  • b.

     het motorvoertuig voldoet aan de geldende wet- en regelgeving met betrekking tot veiligheid en milieu;

  • c.

     bij subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt.

Artikel 7.14 Prestatieverantwoording

  • 1  Bij subsidies als bedoeld in artikel 7.4, onder a, toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • a.

       dienstrooster van de chauffeurs;

    • b.

       aantal passagiers per rit.

  • 2  Bij subsidies tot € 25.000 als bedoeld in artikel 7.4, onder b, toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van het overleggen van het ontwikkelde product.

  • 3  Bij subsidies van € 25.000 en hoger als bedoeld in artikel 7.4, onder b, toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van het overleggen van het ontwikkelde product.

Artikel 7.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Bij subsidies van € 25.000 en hoger verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 8 Landelijk verbeterprogramma overwegen

Artikel 8.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     geprioriteerde overweg: overweg die is opgenomen in de landelijke 140-lijst;

  • b.

     Landelijk Verbeterprogramma Overwegen: meerjarig programma van het ministerie van Infrastructuur & Milieu met als doel het bevorderen van een veilige en vlotte doorstroming van wegverkeer en treinen op overwegen door middel van kosteneffectieve maatregelen, zodat het aantal incidenten of de kans daarop vermindert;

  • c.

     landelijke 140-lijst: lijst van het rijk, waarop de 140 overwegen staan vermeld met het meeste verbeterpotentieel;

  • d.

     LVO: Landelijke Verbeterprogramma Overwegen;

  • e.

     LVO-lijst Noord-Brabant: lijst waarop de overwegen in Noord-Brabant staan vermeld.

Artikel 8.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door gemeenten in de provincie Noord-Brabant.

Artikel 8.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 8.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het bevorderen van een veilige en vlotte doorstroming van spoor- en wegverkeer nabij overwegen in Brabant.

Artikel 8.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien aan de subsidieaanvrager voor hetzelfde project of projectonderdeel reeds subsidie is verstrekt op basis van deze of een andere provinciale regeling.

Artikel 8.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 8.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

     het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

  • b.

     het project:

    • 1°.

       heeft betrekking op een overweg die als geprioriteerde overweg staat vermeld op de LVO-lijst Noord-Brabant; of,

    • 2°.

       heeft betrekking op een overweg die vermeld staat op de LVO-lijst Noord-Brabant en niet is geprioriteerd, maar waarvan de verbetering wel een integraal effect heeft op een geprioriteerde overweg;

  • c.

     het project wordt mede door de rijksoverheid gesubsidieerd;

  • d.

     aan het project liggen ten grondslag:

    • 1°.

       een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze regeling;

    • 2°.

       een sluitende begroting.

Artikel 8.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie in aanmerking de kosten van:

  • a.

     werkzaamheden ten behoeve van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur;

  • b.

     verwerving van een onroerende zaak tot maximaal de taxatiewaarde;

  • c.

     vergunningen en leges;

  • d.

     materiaal;

  • e.

     schadevergoeding aan derden;

  • f.

     bijkomende voorzieningen die nodig zijn om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen;

  • g.

     voorlichting over de uitvoering van het project gericht op begeleiding gedurende de bouw;

  • h.

     vaste vergoeding voor voorbereidings-, administratie- en toezichtskosten van 15% van de voor subsidie in aanmerking komende kosten, bedoeld onder a tot en met g.

Artikel 8.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 8.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     interne apparaatskosten van de subsidieaanvrager;

  • b.

     kosten voor het uitvoeren van reguliere werkzaamheden;

  • c.

     onderhoudskosten die worden bespaard vanwege het niet uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden;

  • d.

     kosten van vervanging van kabels en leidingen van derden.

Artikel 8.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 4 januari 2016 tot en met 1 december 2020.

Artikel 8.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 8.4, voor de periode, genoemd in artikel 8.9, vast op €15.000.000.

Artikel 8.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 8.4, bedraagt 25% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van €5.000.000.

Artikel 8.12 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van de hoogste score op de landelijke 140-lijst.

Artikel 8.13 Subsidieverlening

De subsidie, bedoeld in artikel 8.4, wordt aan de subsidieontvanger verleend onder de opschortende voorwaarde dat voor het project een goedkeurende verklaring is afgegeven op grond van het LVO en is overgelegd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 8.14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     bij subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • b.

     bij subsidies van € 25.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

  • c.

     het project start binnen drie jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 8.15 Prestatieverantwoording

  • 1  Bij subsidies tot € 25.000 leggen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger desgevraagd aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 2  Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling door middel van het door Gedeputeerde Staten vastgestelde einddeclaratieformulier aan, dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 8.16 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 9 Goederenvervoer

Artikel 9.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb EU L 352/9 van 24 december 2013, met inbegrip van eventueel in de toekomst vast te stellen wijzigingen;

  • b.

     dienst van algemeen economisch belang: dienst zoals bedoeld in artikel 106 tweede lid van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (2012C 326/01) en in de mededeling van de Commissie (2012C 8/02) van 11 januari 2012 betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie, met inbegrip van eventueel in de toekomst vast te stellen wijzigingen;

  • c.

     terminal: goederenoverslag en -opslagpunt.

Artikel 9.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

     privaatrechtelijke rechtspersonen;

  • b.

     gemeenten.

Artikel 9.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 9.4 Subsidiabele activiteiten

  • 1  Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het verbeteren van het goederenvervoer door:

    • a.

       de uitbreiding van de capaciteit van terminals;

    • b.

       de aanleg of uitbreiding van voorzieningen;

    • c.

       het ontwikkelen van nieuwe vervoersconcepten gericht op vervoer over water of spoor;

    • d.

       het ontwikkelen van voorzieningen of systemen gericht op het beter benutten van modaliteiten.

  • 2  Subsidie kan worden verstrekt voor onderzoeksprojecten die gericht zijn op de activiteiten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

     met het project reeds is gestart voor indiening van de subsidieaanvraag;

  • b.

     voor het project reeds op grond van een andere provinciale subsidieregeling subsidie is verstrekt.

Artikel 9.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 9.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project komt het goederenvervoer in de provincie Noord-Brabant ten goede;

    • b.

       indien de subsidieaanvrager een onderneming is:

      • 1°.

         voldoet de subsidieaanvrager aan de voorwaarden van de de-minimisverordening; of,

      • 2°.

         kan het project worden aangemerkt als dienst van algemeen economisch belang;

    • c. aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

         een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

         een positieve en sluitende businesscase, indien er sprake is van een project als bedoeld in artikel 9.4, eerste lid;

      • 3°.

         een tijdsplanning;

      • 4°.

         een sluitende begroting.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, onder a, in aanmerking te komen voldaan aan het vereiste dat het project gericht is op de verlenging van een kade of spoor van een water- of spoorterminal, waardoor meer of grotere schepen of meer of langere treinen afgehandeld kunnen worden.

  • 3  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, onder b, in aanmerking te komen voldaan aan ten minste een van de volgende vereisten:

    • a.

       de aanleg of uitbreiding van op- of overslagvoorzieningen op een terminal waardoor meer bulkgoederen of containers afgehandeld kunnen worden;

    • b.

       de aanleg van voorzieningen om ongevallen te voorkomen;

    • c.

       de aanleg of uitbreiding van voorzieningen gericht op vermindering van de CO²-uitstoot van de transportketen, transportmiddelen of goederenoverslagpunten.

Artikel 9.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten voor subsidie in aanmerking.

Artikel 9.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 9.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     loonkosten;

  • b.

     beheer en onderhoud;

  • c.

     vervangingsinvesteringen;

  • d.

     reclame en marketing.

Artikel 9.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen voor subsidies als bedoeld in artikel 9.4 worden ingediend:

  • a.

     van 1 december 2015 tot en met 23 december 2015;

  • b.

     van 4 januari 2016 tot en met 1 december 2016.

Artikel 9.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 9.4:

  • a.

     voor de periode genoemd in artikel 9.9, onder a, vast op € 800.000;

  • b.

     voor de periode genoemd in artikel 9.9, onder b, vast op € 1.000.000.

Artikel 9.11 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 9.4, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 250.000.

  • 2  Subsidies als bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, worden niet verstrekt indien toepassing van het eerste lid tot gevolg heeft de subsidie minder bedraagt dan € 50.000.

  • 3  Subsidies als bedoeld in artikel 9.4, tweede lid, worden niet verstrekt indien toepassing van het eerste lid tot gevolge heeft dat de subsidie minder bedraagt dan € 12.500.

  • 4  Indien de subsidieaanvrager gebruik maakt van de-minimissteun mag, in afwijking van het maximum, genoemd in het eerste lid, het maximumbedrag aan de-minimissteun van € 200.000 en € 100.000 voor ondernemingen in het wegvervoer, dat over een periode van drie belastingjaren door bestuursorganen is verstrekt, niet worden overschreden.

Artikel 9.12 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 9.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1  De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

       bij subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

    • b.

       bij subsidies van € 125.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

    • c.

       het project wordt binnen twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening gerealiseerd.

  • 2  De subsidieontvanger kan een aanvraag indienen tot ontheffing van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onder c, indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om te voldoen aan deze verplichting en waarbij er geen sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de subsidieontvanger.

Artikel 9.14 Prestatieverantwoording

  • 1  Bij subsidies tot € 25.000 leggen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger desgevraagd aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 2  Bij subsidies van € 25.000 en hoger leggen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieaanvrager aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 9.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Bij subsidies van € 25.000 en hoger verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 10 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 10.1 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2017 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.

Artikel 10.2 Intrekking

De Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant 2013 wordt ingetrokken.

Artikel 10.3 Overgangsrecht

Voor subsidieaanvragen ingediend voor de inwerkingtreding van deze regeling blijft de Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant 2013 zijn werking behouden.

Artikel 10.4 Inwerkingtreding

  • 1  Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016 met uitzondering van de paragrafen 4 en 9 die met terugwerkende kracht in werking treden op 1 december 2015.

  • 2  In afwijking van het eerste lid, treedt artikel 10.2 voor zover het betreft paragraaf 8 van die regeling, met terugwerkende kracht in werking op 1 december 2015.

Artikel 10.5 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant 2016.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 1 december 2015 Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter, prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris, mw. ir. A.M. Burger

 

 

Toelichting behorende bij de Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant 2016.

Algemeen De Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant 2013 is in de afgelopen jaren op een behoorlijk aantal onderdelen gewijzigd. Per 1 januari 2016 worden de geldstromen vanuit het Rijk niet langer via de Wet BDU verstrekt, maar gaan deze via het provinciefonds lopen. Dat betekent dat er geen financiële verantwoording meer zal plaatsvinden via single-information, single-audit (hierna: SiSa-systematiek), maar via de systematiek van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant. (Asv). Omdat een aantal paragrafen ziet op verantwoording via de SiSa-systematiek, leidt dit tot een aanzienlijke wijziging van de Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant 2013. Om voorgaande redenen is er voor gekozen om een nieuwe subsidieregeling vast te stellen. Deze regeling is opgedeeld in paragrafen, waarbij de inhoud van de paragrafen los van elkaar staan.

Juridisch kader Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in de subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten en algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht. Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Asv noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.

§ 1 Regiotaxi Regiotaxi vormt een samenwerking tussen gemeenten in een regio en de provincie. Voor de uitvoering hiervan zijn regionale beheersorganisaties opgericht. De gemeenten bekostigen het vervoer van mensen met een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ontwikkeling. De provincie bekostigt het vervoer van de vrije reiziger, dat wil zeggen elke reiziger die van de regiotaxi gebruik wil maken en niet tot een doelgroep behoort waarvoor een (wettelijke) voorziening bestaat zoals bijvoorbeeld leerlingen en AWBZ vervoer.

§ 2 Stimulering bedrijfsvervoer Op basis van deze paragraaf kunnen werkgevers in Noord-Brabant subsidie aanvragen voor het gemaakte bedrijfsvervoer van werknemers. De subsidiehoogte wordt berekend door het in deze regeling vastgestelde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal gerealiseerde dagen bedrijfsvervoer per werknemer. Dit is onafhankelijk van de afstand en of het vervoer is uitbesteed of in eigen beheer is verricht. Het vaste bedrag per werknemer per dag is zo vastgesteld dat het voor de werkgever, in verhouding tot de kosten voor openbaar vervoer, interessant is om het woon-werkvervoer van zijn werknemers als bedrijfsvervoer te organiseren. Er is gekozen voor verdeling van het subsidieplafond naar evenredigheid, waarbij evenredige verdeling plaatsvindt op basis van de subsidiehoogte van de ingediende volledige aanvragen. De subsidie voor bedrijfsvervoer wordt stapsgewijs afgebouwd naar nul. Het jaar 2016 is het laatste jaar dat bedrijfsvervoer nog wordt gesubsidieerd door de provincie. Aan de ontvangers wordt daarmee een overgangsperiode gegund waarbinnen zij naar alternatieven kunnen zoeken.

§ 3 Doorstromingsmaatregelen openbaar vervoer In de praktijk is het een regelmatig voorkomend probleem dat op de routes van de stad- en streekbussen belemmerende obstakels voorkomen. Deze zorgen voor een (te) lange omlooptijd van de bussen en discomfort voor de reizigers en daarmee voor een slecht imago van het openbaar vervoer. Deze obstakels bestaan bijvoorbeeld uit te krappe boogstralen, drempels, chicanes, wegversmallingen, verkeersborden of lantaarnpalen. Deze obstakels worden zowel door de vervoerder, als de wegnetbeheerder en de provincie als probleem onderkend. Om dit probleem te ondervangen heeft de provincie Noord-Brabant als verantwoordelijke voor het openbaar vervoer in Noord-Brabant deze subsidiemogelijkheid in het leven geroepen.

§ 4 GGA-regio’s De regionale uitvoeringsprogramma’s hebben betrekking op kleine infrastructurele projecten en niet-infrastructurele verkeer en vervoerprojecten. De regionale uitvoeringsprogramma’s komen tot stand in het bestuurlijk overleg van de GGA-regio’s, waaraan de provincie ook deelneemt.

§ 6 Infrastructuur voor hoogwaardig openbaar vervoer en knooppunten De provincie streeft naar betrouwbaar, comfortabel en snel openbaar vervoer. Om de doorstroming, kwaliteit en het comfort van het openbaar vervoer te bevorderen stelt de provincie geld beschikbaar voor het realiseren van specifieke infrastructuur voor het openbaar vervoer. Met bijvoorbeeld parkeer- en reisvoorzieningen wordt beoogd om de bereikbaarheid van een stad, een stadscentrum of regio te verbeteren. Door ervoor te zorgen dat automobilisten een deel van hun reis met de auto afleggen en de rest met het openbaar vervoer, vermindert het aantal afgelegde autokilometers op de weg. Daarnaast kan met parkeer- en reisvoorzieningen de parkeerdruk worden verlegd van bijvoorbeeld het stadscentrum naar de stadsrand. Dit komt de verblijfskwaliteit in het centrum van een stad ten goede. Parkeer- en reisvoorzieningen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het behalen van bereikbaarheidsdoelstellingen en het verminderen van de negatieve effecten van het autogebruik.

§ 7 Kleinschalige mobiliteitsoplossingen In de OV-visie Brabant is de ambitie vastgelegd voor een meer vraaggericht OV-systeem. Met deze paragraaf wordt beoogd om kleinschalige mobiliteitsoplossingen te stimuleren waardoor kan worden voorzien in een mobiliteitsbehoefte van een groep reizigers voor wie geen openbaar vervoer beschikbaar is of waarvoor het openbaar vervoer een minder aantrekkelijke optie is. De-minimissteun In het kader van staatssteun is er voor gekozen om deze paragraaf aan te sluiten bij de vrijstellingsvereisten zoals geformuleerd in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb EU L 352/9 van 24 december 2013. Hierbij is bepaald dat niet meer subsidie wordt verstrekt dan tot het drempelbedrag van € 200.000 (€ 100.000 voor ondernemingen in het wegvervoer). De subsidieaanvrager dient hier zelf op toe te zien en zelf de juiste gegevens aan te dragen.

§ 8 Landelijk verbeterprogramma overwegen Het LVO is een rijksprogramma met als doel om het aantal incidenten op overwegen of de kans daarop te verminderen door slimme kosteneffectieve maatregelen te treffen ten behoeve van een vlotte en veilige doorstroming van rail- en wegverkeer. Het LVO richt zich op overwegen met een duidelijk verbeterpotentieel. Belangrijke uitgangspunten zijn: a) integrale benadering van weg en rail; b) kosteneffectiviteit; c) cofinanciering 50% (Rijk)/50%(Regio).

De provincie heeft mede op verzoek van de staatssecretaris een rol op zich genomen om de LVO-initiatieven van Brabantse gemeenten te coördineren. Daarnaast heeft de provincie het voornemen om financieel bij te dragen in kansrijke LVO-projecten. Hierbij wordt uitgegaan van een provinciale subsidiebijdrage van maximaal 25% van de subsidiabele kosten.

§ 9 Goederenvervoer Brabant versterkt zich als een topregio voor duurzaam goederenvervoer. Dat is waar de provincie met haar partners op inzet. De provincie streeft naar een verschuiving van vervoer over de weg naar vervoer over water, spoor en door buisleidingen. De bestaande infrastructuur moet beter worden benut. Samen met publieke en private partners en kennisinstellingen werkt de provincie aan slimme oplossingen en zoekt ze naar het meest passende vervoerssysteem rond infrastructuur. Slim, veilig en duurzaam zijn daarbij de thema’s. Met deze paragraaf worden middelen beschikbaar gesteld voor projecten en onderzoeken die daarop gericht zijn.

Artikelsgewijs

§ 2 Stimulering bedrijfsvervoer Artikel 2.9 Subsidiehoogte Tweede lid De-minimis Het bedrag van € 200.000 komt overeen met het drempelbedrag dat de Europese Commissie heeft vastgesteld ten aanzien van de-minimissteun. Dit bedrag geldt per onderneming over een periode van drie belastingjaren. Steun onder deze drempel behoeft niet te worden aangemeld. Het kan in de praktijk voorkomen dat een door ons begunstigde onderneming in de afgelopen drie jaar al eens subsidie of een andere vorm van steun van een overheidsorgaan heeft ontvangen. Dit moet blijken uit de “Verklaring de-minimissteun”.

Artikel 2.10 Verdeelcriteria De subsidieaanvragen die voldoen aan alle vereisten worden bij elkaar opgeteld. Indien het totale bedrag van die subsidieaanvragen het subsidieplafond van de tenderperiode niet overschrijdt, komen alle subsidieaanvragen voor subsidie in aanmerking. Indien het totale bedrag van die subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond wel te boven gaat, wordt het subsidieplafond evenredig verdeeld onder de voornoemde aanvragen. Evenredige verdeling vindt plaats op basis van de subsidiehoogte per aanvraag, die is berekend op basis van artikel 2.9.

Voorbeeld berekening verdeling naar evenredigheid:

Subsidiehoogte volledig ingediende subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten, berekend op basis van artikel 2.9: Subsidieaanvraag 1: € 25.000 Subsidieaanvraag 2: € 40.000 Subsidieaanvraag 3: € 60.000

€ 25.000 + € 40.000 + € 60.000 = € 125.000 totaal gevraagde subsidie € 25.000/€ 125.000x100=20% van het subsidieplafond voor subsidieaanvraag 1 € 40.000/€ 125.000x100=32% van het subsidieplafond voor subsidieaanvraag 2 € 60.000/€ 125.000x100=48% van het subsidieplafond voor subsidieaanvraag 3

§ 4 GGA-regio’s

Artikel 4.2 Doelgroep Een gemeente kan een aanvraag indienen voor een project ten behoeve van een maatschappelijke organisatie. Een maatschappelijke organisatie, die in aanmerking wil komen voor een subsidie voor een niet-infrastructureel project, dient een schriftelijk verzoek in bij een of meer gemeenten binnen de desbetreffende regio. Nadat een verzoek is binnengekomen zorgt de gemeente voor het inbrengen van dergelijke projecten in het regionaal uitvoeringsprogramma van de desbetreffende GGA-regio. De desbetreffende gemeente is verantwoordelijk voor de financiële afhandeling, zowel richting maatschappelijke organisatie voor het specifieke project, als richting de provincie voor het hele pakket.

Artikel 4.4 Subsidiabele activiteitenEerste lid Projecten Onder a Kleine infrastructurele projecten Bij deze projecten bedragen de totale subsidiabele kosten minimaal € 10.000 en maximaal € 10.000.000.  Onder b Niet-infrastructurele projecten Voorbeelden van niet-infrastructurele verkeer en vervoer projecten zijn mensgerichte maatregelen. Dit zijn maatregelen die het gedrag van de verkeersdeelnemers proberen te beïnvloeden, via communicatie, educatie en handhaving. Het gaat hierbij om educatieprojecten, voorlichtingsprogramma’s, communicatiemiddelen en communicatie in combinatie met verkeershandhaving, zoals alcohol, helm, gordel en fietsverlichting.

Tweede lid Reserveprojecten In het regionale uitvoeringsprogramma zijn reserveprojecten opgenomen. Mocht er geld overblijven doordat een project niet kan worden uitgevoerd, kan de GGA-regio een besluit nemen om een reserveproject te gaan uitvoeren. Dat besluit wordt voor 1 september aan Gedeputeerde Staten medegedeeld. Deze mededeling geldt als een verzoek tot subsidieverlening ten behoeve van het reserveproject.

Artikel 4.5 Weigeringsgronden Tweede lid Schriftelijke toestemming Indien een subsidieaanvrager na schriftelijke toestemming van Gedeputeerde Staten, voorafgaand aan de vaststelling van een regionaal uitvoeringsprogramma door Gedeputeerde Staten, van start gaat met de activiteiten waarvoor subsidie is gevraagd, dan geschiedt dat geheel op eigen risico. Aan de schriftelijke toestemming kan geen recht op subsidie worden ontleend. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het project te zijn opgenomen in het door de desbetreffende regio bestuurlijk vast te stellen uitvoeringsprogramma.

Artikel 4.6 Subsidievereisten De GGA-regio’s stellen jaarlijks een regionaal uitvoeringsprogramma vast waarin projecten worden opgenomen die het eerstvolgende uitkeringsjaar worden uitgevoerd. Het regionale uitvoeringsprogramma is het resultaat van een dialoog tussen de regionale partners, te weten de deelnemende gemeenten, de provincie, Rijkswaterstaat en in sommige regio’s de maatschappelijke organisaties, over de kwaliteit van de projecten en over de integrale afweging tussen de projecten. Alleen de gemeenten en de provincie zijn stemgerechtigd. Voor het regionale uitvoeringsprogramma en de totstandkoming daarvan gelden kwaliteitseisen. De zeven kernregels in artikel 4.6, tweede lid, onder e, zijn belangrijke aandachtspunten bij het beantwoorden van de vraag welke problemen als eerste worden opgepakt, hoe die problemen worden opgepakt, tot welke maatregelen de regio besluit en met welke prioriteit die maatregelen worden uitgevoerd. Het uitvoeringsprogramma geeft een samenvatting van de manier waarop de integrale afweging van de geprogrammeerde projecten heeft plaatsgevonden en waarom de keuze uiteindelijk op die projecten is gevallen. Het uitvoeringsprogramma geeft ook een meerjarig perspectief van de voorgenomen projecten en vormt op die manier een voortschrijdend meerjarig uitvoeringsprogramma. De kwaliteit van de projecten wordt bepaald aan de hand van en met gebruikmaking van het PRIOR-systeem. Aan de hand van dit systeem worden de projecten getoetst aan bereikbaarheid, verkeersveiligheid, leefbaarheid, ontsnippering en draagvlakaspecten. Of Gedeputeerde Staten het door de GGA-regio voorgesteld uitvoeringsprogramma overnemen is afhankelijk van de mate van overeenstemming in de regio. Indien de bestuurlijke besluitvorming binnen de GGA-regio unaniem tot stand is gekomen, zullen Gedeputeerde Staten het voorstel van de regio ongewijzigd overnemen en tot subsidieverlening overgaan. Indien de GGA-regio niet tot unanimiteit kan besluiten, zullen Gedeputeerde Staten ten aanzien van de regionale geschilpunten zelf het programma vaststellen. Nadat Gedeputeerde Staten het uitvoeringsprogramma hebben vastgesteld, volgt subsidieverlening conform het vastgestelde programma. In het derde lid van dit artikel wordt met regionaal studieproject bedoeld regionale gebiedsverkenningen of probleemanalyses voor een of meerdere modaliteiten of het opstellen van regionale beleidskaders. Onder een regionaal studieproject wordt niet verstaan de planvoorbereiding in de verkennings-, plan- of realisatiefase op wegvak of kruispuntniveau of de verdere uitwerking op maatregelenniveau van de regionale studies. Een startnotitie voor verkenningen valt onder de verkenningsfase.

Artikel 4.7 Subsidiabele kosten Eerste lid Onder b Onroerende zaak De marktwaarde van de onroerende zaak wordt door een onafhankelijke taxateur vastgesteld. Onder e Bijkomende voorzieningen Voorbeelden van bijkomende voorzieningen zijn verlichting, bebording, markeringen en bewegwijzering.

Artikel 4.8 Niet subsidiabele kosten Eerste lid onder a Interne apparaatskosten Voorbeelden van interne apparaatskosten zijn ambtenarensalarissen en kantoorinventaris.

Artikel 4.11 Subsidiehoogte Eerste lid Het subsidiepercentage voor infrastructurele projecten bedraagt maximaal 50% en voor niet-infrastructurele verkeer en vervoer projecten maximaal 80%. De regio kan wel besluiten voor een project een lager subsidiepercentage toe te kennen dan het maximaal toegestane percentage. Echter de regio kan nooit besluiten tot een hoger percentage.

Derde lid Op grond van het eerste lid wordt maximaal 50% van de subsidiabele kosten vergoed. Dit betekent dat de aanvraag voor een buurtbushalte € 15.000 moet bedragen en de aanvraag voor een stads- of streekbushalte € 20.000.

§ 6 Infrastructuur voor hoogwaardig openbaar vervoer en knooppunten

Artikel 6.4 Subsidiabele activiteitenOnder b, onderdeel 4° Fietsparkeervoorzieningen Bij fietsparkeervoorzieningen kan worden gedacht aan: fietsenstallingen, fietskluizen, fietsrekken, fietsklemmen en daarbij behorende ict-voorzieningen.

Artikel 6.5 SubsidievereistenZesde lid Bezettingsgraad Dit vereiste houdt in dat voor een nieuw aan te leggen P&R-terrein door middel van een onderzoek een onderbouwde prognose wordt gegeven van het aantal gebruikers van die parkeervoorziening.

§ 7 Kleinschalige mobiliteitsoplossingen

Artikel 7.6 Subsidievereisten Eerste lid Onder b, tweede onderdeel Businesscase De provincie subsidieert het project voor een periode van maximaal twee jaar. Het is de bedoeling dat het project ook na deze twee jaar zonder provinciale subsidie blijft bestaan. Uit de businesscase blijkt hoe de continuïteit van het project is geborgd. Tweede lid Onder a Samenwerking Met een of meerdere partijen wordt bedoeld dat bijvoorbeeld een voetbalclub niet een busje alleen voor eigen gebruik aanvraagt, of bijvoorbeeld voor de senioren in een bepaalde plaats, maar dat het busje voor meerdere partijen wordt ingezet. Onder b Reizigersgroepen Het combineren van verschillende reizigersgroepen houdt in dat verschillende reizigersgroepen kunnen worden vervoerd in hetzelfde voertuig of na elkaar met hetzelfde voertuig worden vervoerd. Het vervoer kan bijvoorbeeld op afroep voor iedereen beschikbaar zijn of eerst worden ingezet om scholieren en forenzen naar een OV-knooppunt te vervoeren en vervolgens ouderen naar de markt te brengen. Het is niet de bedoeling dat bijvoorbeeld een zorginstelling of school een voertuig vraagt voor alleen het vervoer van hun bewoners of scholieren.

Onder d Vervoersbehoefte Onder gesubsidieerd doelgroepenvervoer wordt onder andere verstaan vervoer op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, gesubsidieerd leerlingenvervoer en het vervoer op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Derde lid Innovatief Met innovatief wordt bedoeld dat de ICT oplossing waarvoor subsidie wordt aangevraagd vernieuwend is, in die zin dat de ICT oplossing wezenlijk verschilt van reeds bestaande oplossingen. Voorbeelden van ICT oplossingen die niet vernieuwend zijn: een telewerkoplossing, een App voor het bekijken van een dienstregeling of een App voor mee te rijden met anderen.

Artikel 7.11 Subsidiehoogte Tweede lid De-minimis Het bedrag van € 200.000 komt overeen met het drempelbedrag dat de Europese Commissie heeft vastgesteld ten aanzien van de-minimissteun. Dit bedrag geldt per onderneming over een periode van drie belastingjaren. Steun onder deze drempel behoeft niet te worden aangemeld. In deze subsidieregeling is ervoor gekozen om bij de subsidieverlening dit bedrag niet te overschrijden. Het kan echter in de praktijk voorkomen dat een door ons begunstigde onderneming in de afgelopen drie jaar al eens subsidie of een andere vorm van steun van een overheidsorgaan heeft ontvangen. Dit moet blijken uit de “Verklaring de-minimissteun”.

§ 9 Goederenvervoer

Artikel 9.6 SubsidievereistenEerste lid, onder b, De-minimis of dienst van algemeen economisch belang Indien de aanvrager een onderneming is, is ingeval van subsidieverlening in het kader van deze paragraaf, sprake van staatssteun. Staatssteun is in beginsel verboden, maar uitzonderingen zijn mogelijk. Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvrager te voldoen aan de voorwaarden van de de-minimisverordening of aan de voorwaarden voor een dienst van algemeen economisch belang (DAEB). Om voor de-minimissteun in aanmerking te komen geldt onder andere dat niet meer subsidie aan een onderneming wordt verstrekt dan tot het drempelbedrag van € 200.000 en € 100.000 voor ondernemingen in het wegvervoer, over een periode van drie belastingjaren.

Om een project aan te kunnen merken als DAEB, geldt het volgende: DAEB onderscheiden zich van gewone diensten door de aanwezigheid van publieke belangen met betrekking tot kwaliteit en toegankelijkheid. Indien de overheid van mening is dat bepaalde economische diensten in het algemeen belang zijn en het marktmechanisme niet in voldoende mate in deze diensten voorziet, kan zij besluiten om de DAEB te gaan ondersteunen. Per project dient te worden onderzocht of hier sprake van is.

De compensatie voor het verrichten van DAEB dient vervolgens aan een aantal strikte voorwaarden te voldoen: 1. De begunstigde onderneming moet daadwerkelijk belast zijn met de uitvoering van openbare dienst verplichtingen en die verplichtingen moeten duidelijk omschreven zijn (artikel 4 van het DAEB-Vrijstellingsbesluit). 2. De parameters op basis waarvan de compensatie wordt berekend, moeten vooraf op objectieve en doorzichtige wijze worden vastgesteld (artikel 4 van het DAEB-Vrijstellingsbesluit). 3. De compensatie mag niet hoger zijn dan nodig is om de kosten van de uitvoering van de openbare dienst verplichting, rekening houdend met de opbrengsten alsmede met een redelijke winst uit de uitvoering van die verplichtingen, geheel of gedeeltelijk te dekken (artikel 5 van het DAEB-Vrijstellingsbesluit). 4. Er dient verwezen te worden naar het DAEB-Vrijstellingsbesluit van de Europese Commissie. Dit vrijstellingsbesluit stelt als voorwaarde dat iedere twee jaar gerapporteerd wordt over het gebruik van het vrijstellingsbesluit.

Derde lid Aanleg of uitbreiding van voorzieningen Onder c Vermindering van CO²-uitstoot Bij vermindering van CO²-uitstoot valt te denken aan vergroening van de hele terminal inclusief reach stackers, aanleg LNG-vulpunten en snellaadpalen voor vrachtauto’s.

Artikel 9.11 Subsidiehoogte Vierde lid De-minimis Het bedrag van € 200.000 komt overeen met het drempelbedrag dat de Europese Commissie heeft vastgesteld ten aanzien van de-minimissteun. Dit bedrag geldt per onderneming over een periode van drie belastingjaren. Steun onder deze drempel behoeft niet te worden aangemeld. Het kan in de praktijk voorkomen dat een door ons begunstigde onderneming in de afgelopen drie jaar al eens subsidie of een andere vorm van steun van een overheidsorgaan heeft ontvangen. Dit moet blijken uit de “Verklaring de-minimissteun”.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

de voorzitter, de secretaris, prof. dr. W.B.H.J. van de Donk mw. ir. A.M. Burger