Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Overwegende dat de provincie met de maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en medeoverheden in het Brabant Beraad afspraken heeft gemaakt over het opheffen van overlast door veehouderijbedrijven, waarbij de gemeenten het voortouw hebben;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten gemeenten en agrarische bedrijven financieel willen ondersteunen bij het opstellen en uitvoeren van verbeterplannen om de overlast aan te pakken;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten daartoe op 30 september 2014 de Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant hebben vastgesteld;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten de subsidieplafonds in die regeling wensen aan te passen en daarbij tevens van de gelegenheid gebruik maken om diverse redactionele aanpassingen door te voeren, alsmede de nummering van de regeling aan te passen, zodat de regeling flexibeler als aanbouwregeling is te hanteren.

Overwegende dat Gedeputeerde Staten gebruik willen maken van de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën van steun van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB EU L 187 van 26 juni 2014);

Overwegende dat Gedeputeerde Staten gebruik willen maken van de Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën van steun van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB EU L 193 van 1 juli 2014);

Overwegende dat Gedeputeerde Staten gebruik willen maken van de Richtsnoeren (EU) nr. 2014/C van de Commissie van 1 juli 2014 voor staatssteun in de landbouw- en bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (PB EU C 204 van 1 juli 2014);

Overwegende dat Gedeputeerde Staten vanwege het grote aantal redactionele wijzigingen de Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant opnieuw wensen vast te stellen.

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§ 1 Opstellen verbeterplannen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     Brabant Beraad: platform inzake Agrofood bestaande uit provincie, maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en medeoverheden;

  • b.

     urgentiegebied: gebied waar de kwaliteit van de leefomgeving of de gezondheidssituatie als gevolg van overlast door een veehouderij onder de maat is, blijkend uit tenminste de indicatoren geurhinder of fijn stof, bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, onderdeel a, onder III en IV en artikel 7.3, tweede lid, onderdeel a, onder III en IV van de Verordening ruimte 2014;

  • c.

     urgentieteam: samenwerkingsverband binnen het Brabant Beraad van provincie, gemeenten, GGD, de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie en de Brabantse Milieu Federatie, met als taak het ondersteunen van het opheffen van overlast door de veehouderij in urgentiegebieden;

  • d.

     veehouderij: activiteiten die gekoppeld zijn aan het voortbrengen van producten door middel van het houden van vee;

  • e.

     verbeterplan: plan met als doel de overlast door de veehouderij in een urgentiegebied op te heffen.

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door gemeenten.

Artikel 1.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor het opstellen van verbeterplannen.

Artikel 1.5 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

     het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

  • b.

     het project heeft betrekking op een urgentiegebied;

  • c.

     aan het project liggen ten grondslag:

    • 1°.

       een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

       een advies van het urgentieteam over de opzet van het project;

    • 3°.

       een sluitende begroting.

Artikel 1.6 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de kosten die de subsidieaanvrager maakt bij het opstellen van het verbeterplan voor subsidie in aanmerking.

Artikel 1.7 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.6 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten van de inzet van medewerkers van de subsidieaanvrager;

  • b.

     kosten waarvoor de subsidieaanvrager reeds subsidie heeft ontvangen;

  • c.

     kosten van reguliere gemeentelijke taken.

Artikel 1.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 1 oktober 2014 tot en met 30 juni 2015.

Artikel 1.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4, voor de periode, genoemd in artikel 1.8, vast op € 115.000.

Artikel 1.10 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000.

  • 2  Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 5.000, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 1.11 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 1.12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de verplichting dat het verbeterplan wordt opgesteld:

  • a.

     met betrokkenheid van alle relevante belanghebbenden;

  • b.

     onder onafhankelijke begeleiding.

Artikel 1.13 Prestatieverantwoording

  • 1  Bij subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • a.

       het verbeterplan; of,

    • b.

       een rapportage over verloop en uitkomst van het proces en waarom dit niet heeft geleid tot een verbeterplan.

  • 2  Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieaanvrager aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • a.

       het verbeterplan; of,

    • b.

       een rapportage over verloop en uitkomst van het proces en waarom dit niet heeft geleid tot een verbeterplan.

Artikel 1.14 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Bij subsidies van € 25.000 en hoger verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot, bedoeld in het eerste lid, in een keer.

§ 2 Aanpassing of verplaatsing van agrarische bedrijven

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     belanghebbende: natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij de overlast ofwel als gehinderde ofwel als veroorzaker;

  • b.

     beperkingen veehouderij: gebied als bedoeld in artikel 1, onder 1.14, van de Verordening ruimte 2014;

  • c.

     Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij: instrument als bedoeld in artikel 1, onder 1.1, van de Nadere regels Verordening ruimte 2014 - Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij;

  • d.

     grote onderneming: onderneming waar meer dan 250 mensen voltijds werkzaam zijn, met een jaaromzet van meer dan € 50 miljoen of een jaarlijks balanstotaal van meer dan € 43 miljoen;

  • e.

     urgentiegebied: gebied waar de kwaliteit van de leefomgeving of de gezondheidssituatie als gevolg van overlast door een veehouderij onder de maat is, blijkend uit tenminste de indicatoren geurhinder of fijn stof, bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, onderdeel a, onder III en IV en artikel 7.3, tweede lid, onderdeel a, onder III en IV van de Verordening ruimte 2014;

  • f.

     veehouderij: activiteiten die gekoppeld zijn aan het voortbrengen van producten door middel van het houden van vee;

  • g.

     verbeterplan: plan met als doel de overlast door de veehouderij in een urgentiegebied op te heffen.

Artikel 2.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door agrarische bedrijven die veehouderij en de daaraan gekoppelde activiteiten uitoefenen, met uitzondering van grote ondernemingen.

Artikel 2.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

     de aanpassing van een agrarisch bedrijf;

  • b.

     de verplaatsing van een agrarisch bedrijf.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • 1.

     met het project reeds is gestart voor indiening van de subsidieaanvraag;

  • 2.

     de subsidieaanvrager in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder c, Verordening (EU) 651/2014, dan wel daarvoor in de plaats tredende regelgeving;

  • 3.

     ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering voor onrechtmatig verleende staatssteun uitstaat;

  • 4.

     er sprake is van de verplaatsing van een agrarisch bedrijf en op de uitplaatsingslocatie en de daarbij behorende gronden woningbouw is toegestaan volgens een geldend bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening of volgens een geldend besluit als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 2.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       het project maakt onderdeel uit van een door de subsidieaanvrager ondertekend verbeterplan, waaruit in ieder geval blijkt dat:

      • 1°.

         het project het meest kosteneffectief is ten opzichte van de onderzochte alternatieven;

      • 2°.

         alternatieve financieringsmogelijkheden zijn onderzocht en indien mogelijk benut;

      • 3°.

         het verbeterplan leidt tot het blijvend opheffen van de overlast van de veehouderij op de omgeving;

      • 4°.

         het verbeterplan de instemming heeft van de belanghebbenden in het urgentiegebied;

      • 5°.

         het verbeterplan de instemming heeft van de gemeente of gemeenten in het urgentiegebied;

    • c.

       het project gaat verder dan de aan de subsidieaanvrager verleende omgevingsvergunning of de verplichtingen voortvloeiend uit het Activiteitenbesluit milieubeheer;

    • d.

       het project gaat verder dan de geldende Europese milieunormen of, bij het ontbreken daarvan, door uitvoering van het project wordt voldaan aan de geldende provinciale en nationale milieunormen;

    • e.

       in het geval het project leidt tot veranderingen in het uiterlijk van het bedrijf, draagt het project bij aan een goede beeldkwaliteit;

    • f.

       aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

         een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

         een tijdsplanning;

      • 3°.

         een sluitende begroting.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder b, in aanmerking te komen voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       de inplaatsingslocatie ligt buiten een gebied beperkingen veehouderij en buiten stedelijk gebied;

    • b.

       het project voldoet op de inplaatsingslocatie aan de geldende provinciale, nationale en Europese milieunormen.

  • 3  Indien een of enkele belanghebbenden niet met het verbeterplan hebben ingestemd, kan, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, onder 4°, de uitvoering van het plan doorgang vinden, indien de goede kwaliteit van de leefomgeving desondanks bereikt kan worden.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder a, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie de investeringskosten in aanmerking die nodig zijn om verder te gaan dan de geldende Europese milieunormen of bij het ontbreken daarvan de investeringskosten die nodig zijn om te voldoen aan de geldende provinciale milieunormen.

  • 2  Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder b, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

       het aankoopbedrag van de inplaatsingslocatie, inclusief de eventueel aanwezige bedrijfswoningen, verminderd met de getaxeerde waarde van de uitplaatsingslocatie, inclusief de eventueel aanwezige bedrijfswoningen, na beëindiging;

    • b.

       investeringen voor aanpassing van de inplaatsingslocatie tot een maximum van 100% van de productiecapaciteit van de uitplaatsingslocatie;

    • c.

       notaris- en makelaarskosten, onderzoeks- en advieskosten en plankosten;

    • d.

       kosten voor sloop van gebouwen op de uitplaatsingslocatie.

Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 2.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten voor de aankoop van productierechten, betalingsrechten en eenjarige gewassen;

  • b.

     kosten voor afwateringswerkzaamheden;

  • c.

     investeringen om aan de geldende Europese milieunormen te voldoen;

  • d.

     kosten voor de aankoop van dieren;

  • e.

     kosten voor uitvoering van wettelijke taken;

  • f.

     kosten voor openbare infrastructuur en landschappelijke voorzieningen buiten het erf.

Artikel 2.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4 worden ingediend van 15 september 2015 tot en met 31 oktober 2016.

Artikel 2.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, voor de periode genoemd in artikel 2.9, vast op € 2.500.000.

Artikel 2.11 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, onder a, bedraagt 40% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 500.000.

  • 2  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, onder b, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 750.000.

  • 3  Onverminderd het maximum, genoemd in het eerste of tweede lid, wordt indien ter zake van een project reeds door een ander bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies het maximum, genoemd in het eerste of tweede lid, niet wordt overschreden.

Artikel 2.12 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 2.13 Subsidieverlening

De subsidie, bedoeld in artikel 2.4, wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat tussen de subsidieontvanger en de provincie Noord-Brabant een overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening tot stand komt.

Artikel 2.14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1  De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

       bij subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

    • b.

       de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, onder b, in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

       alle activiteiten in het kader van het agrarisch bedrijf op de uitplaatsingslocatie worden beëindigd;

    • b.

       alle gebouwen, bouwwerken en vaste installaties, inclusief kelderruimten, sleufsilo’s en vloerplaten ten behoeve van de veehouderij, met de bijbehorende fundamenten en ondergrondse voorzieningen van de uitplaatsingslocatie worden verwijderd, op een wijze die verantwoord is uit een oogpunt van milieuzorg en de bedrijfskavel wordt geëgaliseerd;

    • c.

       door de subsidieontvanger wordt een wettelijk bindende toezegging gedaan dat de sluiting van de betrokken productiecapaciteit definitief en onomkeerbaar is;

    • d.

       de subsidieontvanger werkt mee aan de verlening van een passende andere bestemming door het gemeentebestuur aan de uitplaatsingslocatie en voor zover nodig, aan de daarbij behorende gronden, en in afwachting van de aanpassing van het bestemmingsplan worden geen bouwwerken op de uitplaatsingslocatie opgericht;

    • e.

       voor de uitplaatsingslocatie zijn na de indiening van de aanvraag om subsidie geen aanvragen om een omgevingsvergunning ingediend en de, ten tijde van de indiening van de aanvraag om subsidie, aanhangige aanvragen om een omgevingsvergunning of nog niet gebruikte omgevingsvergunningen, zijn ingetrokken;

    • f.

       de subsidieontvanger toont door middel van een bodemonderzoek aan dat de bodemverontreiniging op de uitplaatsingslocatie en de daarbij behorende gronden, indien aanwezig, zijn teruggebracht tot een niveau dat in verband met het te verwachten grondgebruik aanvaardbaar kan worden geacht;

    • g.

       indien een melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, wordt een melding gedaan met betrekking tot het veranderen van de inrichting en de werking daarvan, inhoudende dat de uitoefening van de veehouderij op de uitplaatsingslocatie niet langer mogelijk is;

    • h.

       indien voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf een omgevingsvergunning of een natuurbeschermingswetvergunning is verleend, worden deze ingetrokken of zodanig gewijzigd dat de uitoefening van de veehouderij op de uitplaatsingslocatie niet langer mogelijk is;

    • i.

       de aan de uitplaatsingslocatie verbonden productierechten en bijbehorende rechten mogen uitsluitend worden verplaatst naar de inplaatsingslocatie, waarbij de rechten, die niet worden verplaatst naar de inplaatsingslocatie, worden ingetrokken.

    • j.

       het project leidt op de inplaatsingslocatie tot:

      • 1°.

         een productiecapaciteit die tenminste 80% bedraagt van de productiecapaciteit op de uitplaatsingslocatie, of;

      • 2°.

         een productiecapaciteit die met tenminste 80% van de capaciteit op de inplaatsingslocatie is uitgebreid indien de inplaatsingslocatie op de datum van in werking treding van deze regeling al in het bezit is van de aanvrager;

    • k.

       het project leidt tot een veehouderij die op de inplaatsingslocatie voldoende scoort op de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij;

    • l.

       subsidieontvanger toont met een schriftelijke rapportage aan dat voorafgaand aan de uitvoering van het project een dialoog is gevoerd met de omgeving gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het project op de inplaatsingslocatie.

Artikel 2.15 Prestatieverantwoording

  • 1  Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 2  Onverminderd het eerste lid en gelet op de toepasselijke Europese regelgeving overlegt de subsidieontvanger daarbij een overzicht van gerealiseerde kosten.

Artikel 2.16 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Bij subsidies van € 25.000 en hoger verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

Artikel 2.17 Subsidievaststelling

Gelet op de toepasselijke Europese regelgeving worden de verleende subsidies vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.

Artikel 2.18 Intrekking van de subsidievaststelling

Een beschikking tot subsidievaststelling wordt ingetrokken, indien binnen vijf jaar nadat deze is genomen voor de uitplaatsingslocatie een bestemmingsplan of een besluit als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand komt op basis waarvan woningbouw is toegelaten.

§ 3 Beëindiging van agrarische bedrijven

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     belanghebbende: natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij de overlast ofwel als gehinderde ofwel als veroorzaker;

  • b.

     beperkingen veehouderij: gebied als bedoeld in artikel 1, onder 1.14, van de Verordening ruimte 2014;

  • c.

     grote onderneming: onderneming waar meer dan 250 mensen voltijds werkzaam zijn met een jaaromzet van meer dan € 50 miljoen of met een jaarlijks balanstotaal van meer dan € 43 miljoen;

  • d.

     urgentiegebied: gebied waar de kwaliteit van de leefomgeving of de gezondheidssituatie als gevolg van overlast door een veehouderij onder de maat is, blijkend uit ten minste de indicatoren geurhinder of fijn stof, bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, onderdeel a, onder III en IV en artikel 7.3, tweede lid, onderdeel a, onder III en IV van de Verordening ruimte 2014;

  • e.

     veehouderij: activiteiten die gekoppeld zijn aan het voortbrengen van producten door middel van het houden van vee;

  • f.

     verbeterplan: plan met als doel de overlast door de veehouderij in een urgentiegebied op te heffen.

Artikel 3.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door agrarische bedrijven die veehouderij en de daaraan gekoppelde activiteiten uitoefenen, met uitzondering van grote ondernemingen.

Artikel 3.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 3.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de beëindiging van een agrarisch bedrijf.

Artikel 3.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

     met het project reeds is gestart voor indiening van de subsidieaanvraag;

  • b.

     de subsidieaanvrager in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld onder randnummer 35, vijftiende lid, Richtsnoeren (2014/C 204/01);

  • c.

     ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering voor onrechtmatig verleende staatssteun uitstaat;

  • d.

     op de bedrijfskavel en de daarbij behorende gronden woningbouw is toegestaan volgens een geldend bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening of volgens een geldend besluit als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 3.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

     het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

  • b.

     de subsidieaanvrager heeft de laatste vijf jaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag het bedrijf onafgebroken actief geëxploiteerd, behoudens onderbrekingen in verband met de normale bedrijfsvoering of een wisseling van eigenaar- of beheerderschap;

  • c.

     de subsidieaanvrager voldoet aan de geldende Europese milieunormen;

  • d.

     het bedrijf wordt beëindigd om dier-, plant- of volksgezondheidsredenen of sanitaire, ethische of milieuredenen;

  • e.

     het project maakt onderdeel uit van een door de subsidieaanvrager ondertekend verbeterplan, waaruit in ieder geval blijkt dat:

    • 1°.

       het project het meest kosteneffectief is ten opzichte van de onderzochte alternatieven;

    • 2°.

       alternatieve financieringsmogelijkheden zijn onderzocht en indien mogelijk benut;

    • 3°.

       het verbeterplan leidt tot het blijvend opheffen van de overlast van veehouderij op de omgeving;

    • 4°.

       het verbeterplan de instemming heeft van de belanghebbenden in het urgentiegebied;

    • 5°.

       het verbeterplan de instemming heeft van de gemeente of gemeenten in het urgentiegebied;

  • f.

     aan het project liggen ten grondslag:

    • 1°.

       een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

       een taxatie van een beëdigd taxateur;

    • 3°.

       een tijdsplanning;

    • 4°.

       een sluitende begroting.

Artikel 3.7 Subsidiabele kosten

Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4 komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, de volgende kosten in aanmerking:

  • a.

     een vergoeding van het waardeverlies van de activa, berekend op basis van de actuele verkoopwaarde van de activa;

  • b.

     de kosten die verbonden zijn aan de vernietiging van de productiecapaciteit.

Artikel 3.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen voor subsidies als bedoeld in artikel 3.4 worden ingediend van 15 september 2015 tot en met 31 oktober 2016.

Artikel 3.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 3.4, voor de periode genoemd in artikel 3.8, vast op € 1.000.000.

Artikel 3.10 Subsidiehoogte

  • a.

     De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.4, bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 400.000.

  • b.

     Onverminderd het maximum, genoemd in het eerste lid, wordt indien ter zake van een project reeds door een ander bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies het maximum, genoemd in het eerste lid, niet wordt overschreden.

Artikel 3.11 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 3.12 Subsidieverlening

De subsidie, bedoeld in artikel 3.4, wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat tussen de subsidieontvanger en de provincie Noord-Brabant een overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening tot stand komt.

Artikel 3.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     alle activiteiten in het kader van het agrarisch bedrijf op de bedrijfskavel worden beëindigd;

  • b.

     alle gebouwen, bouwwerken en vaste installaties, inclusief kelderruimten, sleufsilo’s en vloerplaten ten behoeve van de veehouderij, met de bijbehorende fundamenten en ondergrondse voorzieningen van de bedrijfskavel worden verwijderd, op een wijze die verantwoord is uit een oogpunt van milieuzorg en de bedrijfskavel wordt geëgaliseerd;

  • c.

     door de subsidieontvanger wordt een wettelijk bindende toezegging gedaan dat de sluiting van de betrokken productiecapaciteit definitief en onomkeerbaar is en dat de subsidieontvanger dezelfde activiteit niet opnieuw zal beginnen op een andere plaats;

  • d.

     de subsidieontvanger werkt mee aan de verlening van een passende andere bestemming door het gemeentebestuur aan de bedrijfskavel en voor zover nodig, aan de daarbij behorende gronden, en in afwachting van de aanpassing van het bestemmingsplan worden geen bouwwerken op de bedrijfskavel opgericht;

  • e.

     voor de bedrijfskavel zijn na de indiening van de aanvraag om subsidie geen aanvragen om een omgevingsvergunning ingediend en de, ten tijde van de indiening van de aanvraag om subsidie, aanhangige aanvragen om een omgevingsvergunning of nog niet gebruikte omgevingsvergunningen, zijn ingetrokken;

  • f.

     de subsidieontvanger toont door middel van een bodemonderzoek aan dat de bodemverontreiniging op de bedrijfskavel en de daarbij behorende gronden, indien aanwezig, is teruggebracht tot een niveau dat in verband met het te verwachten grondgebruik aanvaardbaar kan worden geacht;

  • g.

     indien een melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, wordt een melding gedaan met betrekking tot het veranderen van de inrichting en de werking daarvan, inhoudende dat de uitoefening van de veehouderij op de bedrijfskavel niet langer mogelijk is;

  • h.

     indien voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf een omgevingsvergunning of een natuurbeschermingswetvergunning is verleend, worden deze ingetrokken of zodanig gewijzigd dat de uitoefening van de veehouderij op de uitplaatsingslocatie niet langer mogelijk is.

  • i.

     de aan de bedrijfskavel verbonden productierechten en bijbehorende rechten worden ingetrokken en mogen niet aan een derde worden verkocht;

  • j.

     bij subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • k.

     de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 3.14 Prestatieverantwoording

  • 1  Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 2  Onverminderd het eerste lid en gelet op de toepasselijke Europese regelgeving overlegt de subsidieontvanger daarbij een overzicht van gerealiseerde kosten.

Artikel 3.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Bij subsidies van € 25.000 en hoger verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

Artikel 3.16 Subsidievaststelling

Gelet op de toepasselijke Europese regelgeving worden de verleende subsidies vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.

Artikel 3.17 Intrekking van de subsidievaststelling

Een beschikking tot subsidievaststelling wordt ingetrokken, indien binnen vijf jaar nadat deze is genomen, voor de bedrijfskavel een bestemmingsplan of een besluit als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand komt op basis waarvan woningbouw is toegelaten.

§ 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2017 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.

Artikel 4.2 Intrekking

De Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant wordt ingetrokken.

Artikel 4.3 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 4.4 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2015.

Ondertekening

s-Hertogenbosch, 7 september 2015

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris mw. ir. A.M. Burger

      

Toelichting behorende bij de Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2015

Algemeen

Juridisch kader Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in de subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten en algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht. Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Asv noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.

Artikelsgewijs

Artikel 1.1 Begripsbepalingen De definitie van urgentiegebieden sluit aan op de Nadere afspraken Zorgvuldige veehouderij 2014, die de partners in het Brabant beraad in januari 2014 hebben gemaakt. Als vervolg op deze afspraken is het urgentieteam ingesteld en hebben gemeenten het voortouw bij het aanpakken van de overlast door veehouderijbedrijven in deze gebieden.

Artikel 1.5 Subsidievereisten Een subsidieaanvraag heeft altijd betrekking op een urgentiegebied, die voor het merendeel in Oost- en Midden-Brabant liggen. Het is aan de desbetreffende gemeenten om te bepalen wat een urgentiegebied is (aan de hand van de definitie genoemd in artikel 1.1, onder b) en hoe groot dat gebied is. De aard en omvang van de problematiek verschilt tussen urgentiegebieden en daarmee de optimaal te volgen aanpak om te komen tot een oplossing. Het urgentieteam heeft tot taak gemeenten hierover te adviseren. In het projectplan maakt de gemeente duidelijk hoe zij tot de voorgenomen aanpak heeft besloten en hoe deze aansluit op het (verplichte) advies van het urgentieteam.

Artikel 1.7 Niet subsidiabele kosten Met reguliere taken wordt gedoeld op de taken die een gemeente vanuit haar bevoegdheden en verantwoordelijkheden regulier uitoefent, zoals het opstellen of aanpassen van bestemmingsplannen, vergunningverlening, toezicht en handhaving.

Artikel 1.12 Verplichtingen van de subsidieontvanger Voor het succesvol verlopen van het proces dat leidt tot een verbeterplan is een goede, onafhankelijke begeleiding cruciaal. Deze begeleiders moeten het vertrouwen hebben van alle betrokkenen en geen belang hebben in het desbetreffende urgentiegebied.

Artikel 1.13 Prestatieverantwoording Verantwoording is verplicht bij een subsidiebedrag van € 25.000 of meer. Bij lagere subsidies is alleen een verantwoording nodig als de provincie daar om vraagt.

Artikel 2.2 en 3.2 Doelgroep Het kan hier zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon betreffen.

Artikel 2.6, eerste lid, onder b en artikel 3.6, onder e, Verbeterplan De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, vloeien voort uit een voor het desbetreffende urgentiegebied vastgesteld verbeterplan, dat de instemming heeft van de belanghebbenden en de gemeente(n) in het desbetreffende urgentiegebied. De gemeente bepaalt samen met de belanghebbenden de ligging van het urgentiegebied. Uitgangspunt is dat alle belanghebbenden instemmen met het verbeterplan. Instemming blijkt uit ondertekening van het plan. Mocht één of enkele belanghebbende zich bijzonder oncoöperatief opstellen en niet met het plan willen instemmen, dan is dit acceptabel als de desbetreffende gemeente samen met de overige belanghebbenden aannemelijk maakt dat desondanks toch een goede kwaliteit van de leefomgeving bereikt kan worden, bijvoorbeeld door het toepassen van publiekrechtelijke bevoegdheden om de oncoöperatieve belanghebbende toch tot medewerking te dwingen. Het verbeterplan moet ertoe leiden dat in het urgentiegebied de normen voor geurbelasting en fijn stof, zoals opgenomen in de Verordening ruimte 2014 blijvend worden gerealiseerd. Daarnaast voorziet het verbeterplan in het opheffen van andere vormen van overlast zoals door geluid of verkeer.

Artikel 2.6, eerste lid, onder e, Beeldkwaliteit De goede beeldkwaliteit van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd blijkt uit een ontwerp van de inpassing in de omgeving door bijvoorbeeld de vormgeving van de gebouwen, inrichting van het erf of de landschappelijke inpassing.

Artikel 2.7, Subsidiabele kosten Alle investeringskosten die op basis van een verbeterplan moeten worden gemaakt komen in principe in aanmerking, uitgezonderd de kosten genoemd in artikel 2.8. Dit kunnen kosten zijn die op het desbetreffende veehouderijbedrijf worden gemaakt, maar ook kosten die gemaakt worden aan nabijgelegen woningen of erven. Kosten die betrekking hebben op de exploitatie, zoals energiekosten en onderhoudskosten vallen niet onder investeringskosten. Uit het verbeterplan dient te blijken dat de te maken kosten tot de meest kosteneffectieve oplossing zal leiden. Investeringen die alleen betrekking hebben op het reduceren van de emissie van fijn stof zijn slechts dan subsidiabel voor zover door die investeringen de Europese en daarmee de provinciale norm onderschreden wordt. Overige investeringen moeten leiden tot een betere milieusituatie in vergelijking met de situatie op basis van vigerende vergunningen of op basis van de verplichtingen die voortvloeien uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter de secretaris prof. dr. W.B.H.J. van de Donk mw. ir. A.M. Burger

Kenmerk: 3857007 Uitgegeven, 10 september 2015 De secretaris van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, mw. ir. A.M. Burger.

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingSubsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2015
CiteertitelSubsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2015
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpleefomgeving, ruimtelijke ordening, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, art. 2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

11-09-201515-04-2016nieuwe regeling

07-09-2015

Provinciaal Blad, 2015, 93

3829174