Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Overwegende dat Provinciale Staten op 11 mei 2012 het Economische Programma Brabant 2020 hebben vastgesteld waarin de ambitie is uitgesproken om de provincie Noord-Brabant te laten behoren tot de top vijf van de meest innovatieve regio’s;

Overwegende dat Provinciale Staten deze ambitie willen bereiken door het stimuleren van sterke Brabantse clusters, het stimuleren van een goede en flexibele arbeidsmarkt en het zorgen voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat om te wonen, te werken en te recreëren;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten deze doelstellingen willen bereiken door subsidie te verlenen aan projecten die nieuwe of vernieuwende economische activiteiten bevorderen en alle subsidies die gericht zijn op deze doelstellingen te bundelen in één subsidieregeling die tegelijk aanbouwregeling is voor door Gedeputeerde Staten nader te bepalen hoofdstukken binnen de kaders van het Economisch Programma Brabant 2020, zoals het topsectorenbeleid;

Overwegende dat de provincie de vrijetijdseconomie wil versterken en door wil laten groeien tot topsector waarbij Brabant tot meest gastvrije en innovatieve regio van Nederland kan uitgroeien;

Overwegende dat de Rijksoverheid en de provincie Noord-Brabant op 3 oktober 2011 een Green Deal hebben gesloten waarbij namens de Rijksoverheid een bijdrage van € 12.000.000 beschikbaar is gesteld voor het afdekken van (financiële) risico’s die zich kunnen voordoen bij projecten in het zogeheten solar experimenteergebied en de biobased economy en een deel van deze bijdrage bestemd is voor subsidie in de vorm van een garantstelling;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten het concurrerend vermogen en een duurzame economische groei willen bevorderen en de werkgelegenheid in Noord-Brabant willen versterken door middel van het stimuleren van regionale economische samenwerking door subsidie te verlenen aan de zogeheten REAP-organisaties;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Hoofdstuk 1 Vrijetijdseconomie

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    crossover: vrijetijdseconomisch project dat zich bevindt op het snijvlak van de vrijetijdssector met een of meer van de volgende sectoren cultuur, erfgoed, natuur, landschap, leefbaarheid, zorg, sport en economie;

  • b.

    de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EG) Nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun, Pb EG L 379/05 van 28 december 2006, met inbegrip van eventueel in de toekomst vast te stellen wijzigingen;

  • c.

    shortbreakmarkt: markt van korte vakanties die gemiddeld 1 tot 3 dagen duren en met een gemiddeld hogere besteding per dag dan andere vrijetijdsvormen;

  • d.

    vrijetijdseconomie: productie, distributie en consumptie van goederen en diensten ten behoeve van de vrijetijdsbesteding van mensen, zowel binnenshuis als buitenshuis, zowel binnen de eigen woonomgeving als daarbuiten, met inbegrip van verblijf, vervoer en toeleveranciers.

Artikel 1.2 Doelgroep

  • 1 Subsidie kan worden aangevraagd door rechtspersonen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid zijn de door de provincie structureel gesubsidieerde instellingen uitgezonderd.

Artikel 1.3 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van dit hoofdstuk projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het versterken van de vrijetijdseconomie.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien het aangevraagde subsidiebedrag minder dan € 25.000 bedraagt.  

Artikel 1.6 Subsidievereisten

  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant of komt de vrijetijdseconomie in de provincie Noord-Brabant ten goede;

    • b.

      de subsidieaanvrager is statutair of feitelijk gevestigd op het grondgebied van de provincie Noord-Brabant;

    • c.

      de subsidieaanvrager werkt samen met een of meer andere partijen, waarvan ten minste een van de partijen behoort tot de toeristisch-recreatieve sector en ten minste een partij afkomstig is uit een andere sector;

    • d.

      aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

        een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in dit hoofdstuk;

      • 2°.

        een sluitende begroting.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4 in aanmerking te komen voldaan aan ten minste een van de volgende vereisten:

    • a.

      bij het project is sprake van een crossover, die leidt tot een voor de provincie Noord-Brabant:

      • 1°.

        vernieuwend concept; of

      • 2°.

        vernieuwende product- en marktcombinatie;

    • b.

      bij het project is sprake van gezamenlijke marketing en internationale salesactiviteiten die:

      • 1°.

        een directe bijdrage leveren aan het versterken van de Brabantse shortbreakmarkt;

      • 2°.

        gericht zijn op het vermarkten en het profileren van Brabant als geheel en het unieke en internationaal onderscheidende vrijetijdsaanbod in het bijzonder; en

      • 3°.

        het herkomstgebied van de vrijetijdsconsument in Brabant vergroten;

    • c.

      bij het project is sprake van kennisoverdracht tussen kennisinstellingen en Brabantse ondernemers of toekomstige Brabantse ondernemers in de vrijetijdssector die gericht zijn op:

      • 1°.

        het ontwikkelen van vernieuwende concepten; of

      • 2°.

        het ontwikkelen van nieuwe product- en marktcombinaties.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

  • 1 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten voor subsidie in aanmerking.

  • 2 Voor de berekening van uurtarieven past de subsidieaanvrager de berekeningssystematiek, genoemd in artikel 11 van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen Noord-Brabant, toe.

Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten voor beheer en onderhoud;

  • b.

    kosten voor reguliere activiteiten van de subsidieaanvrager en zijn partners;

  • c.

    kosten voor aansprakelijkheid en verhaal.

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend voor 1 januari 2014.  

Artikel 1.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode tot en met 31 december 2013 vast op € 750.000.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 150.000.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, geldt voor ondernemingen in de zin van het Europees recht dat de totaal verstrekt subsidie niet hoger mag zijn dan € 200.000 en € 100.000 voor ondernemingen in het wegvervoer over een periode van drie belastingjaren en ook anderszins dient te voldoen aan de voorwaarden voor de-minimimssteun.

  • 3 Indien toepassing van het eerste lid tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

  • 4 Onverminderd het maximum, genoemd in het eerste lid onder a, wordt indien ter zake van een project reeds op grond van een andere provinciale regeling subsidie is verstrekt, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies het van toepassing zijnde subsidiepercentage in deze regeling als percentage van de subsidiabele kosten niet wordt overschreden.

Artikel 1.12 Verdeelcriteria

  • 1 Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3 Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 1.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1 De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

      het project wordt voor 31 december 2014 gerealiseerd;

    • b.

      de bevindingen en resultaten van het project worden toegankelijk gemaakt voor derden;

    • c.

      bij subsidies van € 125.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

    • d.

      indien er sprake is van een fysiek gerealiseerde zaak houdt de subsidieontvanger de zaak ten minste vijf jaar na subsidievaststelling in stand.

  • 2 De subsidieontvanger kan een aanvraag indienen tot ontheffing van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onder a, indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om te voldoen aan deze verplichting.

Artikel 1.14 Prestatieverantwoording

Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aantoont dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 1.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt in een keer betaald.

Hoofdstuk 2 Green Deal

§ 1 Algemene bepalingen

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in Omnibus Decentraal Regeling, Omnibusregeling voor provincies en gemeenten voor de staatssteunaspecten van subsidiemaatregelen gericht op onderzoek, ontwikkeling en innovatie zoals goedgekeurd door de Europese Commissie bij beschikking van SA.34101 (2011N);

  • b.

    SEAC: Solar Energy Application Center, een centrum dat zich inzet voor de ontwikkeling van applicaties op het gebied van zonnepanelen en de gebouwde omgeving;

  • c.

    Solliance: samenwerkingsverband van industrie en kennisinstellingen op het gebied van dunne film zonneceltechnologie en productieapparatuur;

  • d.

    zon-pv: omzetten van zonlicht in elektriciteit met behulp van photo-voltaïsche cellen.

Artikel 2.2 Doelgroep
  • 1 Subsidie op grond van dit hoofdstuk kan worden aangevraagd door een

    • a.

      rechtspersoon; of

    • b.

      samenwerkingsverband van rechtspersonen.

  • 2 Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid;

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 2.3 Subsidievorm
  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van dit hoofdstuk projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een garantstelling.

§ 2 Zonneceltechnologie

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de installatie en toepassing van innovatieve zonneceltechnologie.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien het aangevraagde subsidiebedrag minder dan € 25.000 bedraagt.

Artikel 2.6 Subsidievereisten
  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      het project wordt uitgevoerd met de nieuwste technologie op het gebied van zonneceltechnologie;

    • c.

      het project is innovatief gelet op de periode waarop de gebruikte technologie op de markt verkrijgbaar is;

    • d.

      de gehanteerde innovatieve technologie heeft nog niet een dusdanige garantie van opbrengst dat deze voor een bank of andere geldverstrekker voldoende is voor het verstrekken van een lening;

    • e.

      de aanvrager betrekt de architect, installateur en de fabrikant bij het project;

    • f.

      het project kan blijkens een realistische planning binnen15 maanden na het verlenen van de subsidie in werking zijn gesteld;

    • g.

      de periode waarover subsidie wordt gevraagd eindigt uiterlijk 1 juli 2020;

    • h.

      het project kent een of meer van de volgende risico’s:

      • 1°.

        technologisch risico wegens uitval van 50% of meer van de gebruikte materialen;

      • 2°.

        risico van daling van de energieprijs;

      • 3°.

        debiteuren risico vanwege het niet of niet op tijd betalen aan de aanvrager van de investeringsgelden voor zon-pv systemen of maandelijkse huur- en gebruikskosten;

    • i.

      het project scoort minimaal 16 punten op basis van de vereisten genoemd in het tweede lid;

  • 2 Het totaal aantal punten, genoemd in het eerste lid onder i, dat aan een project kan worden toegekend wordt op basis van de volgende criteria en wegingsfactoren berekend:

    • a.

      de uitstraling van het project te waarderen met maximaal 30 punten en een wegingsfactor van 35% waarbij de punten worden bepaald aan de hand van de omvang van het project, het iconisch gehalte en de mate van vernieuwing van het project voor ieder maximaal 10 punten;

    • b.

      de kwaliteit van het project te waarderen met maximaal 30 punten en een wegingsfactor van 25% waarbij de punten worden bepaald aan de hand van de technologische haalbaarheid, de organisatiegraad en de mate waarin de financiering solide is voor ieder maximaal 10 punten;

    • c.

      het risicoprofiel van de aanvraag te waarderen met maximaal 30 punten en een wegingsfactor van 5%, waarbij de punten worden bepaald aan de hand van de duur van de garantstelling en de hoogte van de garantstelling ten opzichte van de investeringskosten voor ieder maximaal 10 punten en aan de hand van de te voren ingeschatte risico’s waarvoor subsidie is gevraagd, waarbij per risico waarvoor de subsidie niet is gevraagd, de volgende punten worden toegekend:

      • 1°.

        technologisch risico wegens uitval van meer dan 50% of meer van de gebruikte materialen: 3 punten;

      • 2°.

        risico van daling van de energieprijs: 4 punten;

      • 3°.

        debiteurenrisico vanwege het niet of niet op tijd betalen aan de aanvrager van de investeringsgelden voor pv-systemen of maandelijkse huur- en gebruikskosten: 3 punten;

    • d.

      de koppeling van de nationale en regionale belangen te waarderen met maximaal 30 punten en een wegingsfactor van 35% waarbij de punten worden bepaald door de koppeling met de nationale programma’s Solliance en SEAC, het werken met regionale of nationale toeleveranciers en de uitbesteding aan regionale installateurs ieder voor maximaal 10 punten.

  • 3 Aan het project liggen ten grondslag:

    • a.

      een projectplan waarin ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in de voorgaande leden;

    • b.

      een sluitende begroting;

    • c.

      een schriftelijke verklaring van een bank of andere geldverstrekker waaruit blijkt dat is voldaan aan het vereiste in lid 1, onder d; en

    • d.

      verklaringen van de investeerders waaruit hun betrokkenheid blijkt.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten
  • 1 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende daadwerkelijk gemaakte kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      investeringskosten van zon-pv systemen voor zover en voor zolang zij voor het project worden gebruikt met uitzondering van:

      • 1°.

        kosten voor integratie met energie opslag- en regelsystemen;

      • 2°.

        projectkosten die behoren tot het ondernemersrisico waartoe in ieder geval beheerskosten, onderhoudskosten en kosten van ontvreemding van zon-pv systemen behoren;

    • b.

      kosten van montage en montagematerialen.

  • 2 Subsidies voor de inzet van personeel en op basis van uurtarieven worden berekend overeenkomstig artikel 11 van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen subsidies Noord-Brabant.

Artikel 2.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend voor 1 juni 2020.

Artikel 2.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4 voor de periode van 7 juli 2013 tot 1 juni 2020 vast op € 5.400.000.

Artikel 2.10 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten minus de gerealiseerde opbrengst, tot een maximum van € 1.000.000 per project.

Artikel 2.11 Verdeelcriteria
  • 1 Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3 Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van het aantal punten dat op grond van artikel 2.6, tweede lid, aan een project is toegekend, waarbij projecten met meer punten voorgaan op projecten met minder punten.

  • 4 Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat projecten op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 2.12 Subsidieverlening

De subsidie wordt verleend onder de volgende opschortende voorwaarden:

  • a.

    een van de risico’s genoemd in artikel 2.6. eerste lid, onder i, waarvoor de subsidie is verleend, heeft zich voorgedaan gedurende de periode waarvoor de subsidie is verleend; en

  • b.

    het zich voordoen van een of meer van de risico’s, bedoeld in het vorige lid heeft tot gevolg gehad dat de investeringskosten niet kunnen worden terugverdiend.

Artikel 2.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a.

    de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag;

  • b.

    de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

  • c.

    de aanvrager werkt mee aan actieve communicatie over het project;

  • d.

    het project is uiterlijk 15 maanden na het verlenen van de subsidie in werking gesteld.

Artikel 2.14 Prestatieverantwoording

Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aantoont dat:

  • a.

    tenminste een van de risico’s waarvoor de subsidie is verleend, zich heeft voorgedaan;

  • b.

    de investeringskosten niet of niet geheel zijn terugverdiend als gevolg van het zich voordoen van een of meer van de risico’s waarvoor de subsidie is verleend; en

  • c.

    aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 2.15 Bevoorschotting en betaling

Gedeputeerde Staten verstrekken geen voorschot op het verleende subsidiebedrag.

Artikel 2.16 Subsidievaststelling

Een aanvraag om vaststelling wordt ingediend binnen 13 weken na het vervullen van de opschortende voorwaarden doch uiterlijk 1 juli 2020.

Hoofdstuk 3 Regionaal Economische Actie Programma’s

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    B5-gemeente: gemeente Breda,’s-Hertogenbosch, Eindhoven, Helmond of Tilburg;

  • b.

    jaarprogramma: per kalenderjaar opgesteld kader voor projecten of gebundeld programma van projecten van regionale samenwerking;

  • c.

    meerjarenactieprogramma: programma met doelstellingen voor een periode van vier jaar ter versterking van de economische clusters van de REAP-organisatie;

  • d.

    REAP-organisatie: regionaal economisch samenwerkingsverband in één van de vier Brabantse regio’s te weten Midden-Brabant, Zuidoost-Brabant, Noordoost-Brabant of West-Brabant;

  • e.

    Triple Helix-organisatie: regionaal gedragen samenwerkingsverband waarin vertegenwoordigers van het onderwijs, overheid en ondernemers van een Brabantse regio op een of meerdere specifieke onderwerpen zijn samengebracht.

Artikel 3.2 Doelgroep

  • 1 Subsidie op grond van dit hoofdstuk kan worden aangevraagd door een REAP-organisatie.

  • 2 Indien de REAP-organisatie, als bedoeld in het eerste lid, geen publiekrechtelijk rechtspersoon is, wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van de REAP-organisatie die publiekrechtelijk rechtspersoon is.

Artikel 3.3 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van dit hoofdstuk projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 3.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor het jaarprogramma. 

Artikel 3.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    de uitvoering van projecten uit het jaarprogramma reeds is gestart voordat Gedeputeerde Staten op grond van dit hoofdstuk subsidie hebben verstrekt;

  • b.

    het aangevraagde subsidiebedrag voor het jaarprogramma minder dan € 25.000 bedraagt.

Artikel 3.6 Subsidievereisten

  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4 in aanmerking te komen, voldoet de aanvrager aan de volgende vereisten:

    • a.

      indien sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, beschikt de aanvrager over een door alle deelnemers van de REAP-organisatie ondertekende verklaring waaruit de instemming van alle deelnemers blijkt met betrekking tot het jaarprogramma waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de aanvrager of, indien sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, de REAP-organisatie waarin de aanvrager deelneemt, heeft een meerjarenactieprogramma opgesteld;

    • c.

      de aanvrager of, indien sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, de REAP-organisatie waarin de aanvrager deelneemt, heeft tenminste één B5-gemeente als deelnemer;

    • d.

      de aanvrager maakt de resultaten over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk toegankelijk voor derden.

  • 2 In aanvulling op het eerste lid wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het jaarprogramma is gebaseerd op het meerjarenactieprogramma van de REAP-organisatie;

    • b.

      het meerjarenactieprogramma van de REAP-organisatie past binnen de volgende, met het Economisch Programma Brabant 2020 consistente, economische clusters van de REAP-organisatie:

      • 1°.

        Midden- Brabant: Leisure, Logistiek, Care, Aerospace & Maintenance;

      • 2°.

        Zuidoost-Brabant; High Tech Systems & Materials, Food & Technology, Automotive, Lifetec& Health, Design;

      • 3°.

        Noordoost-Brabant: Food, Health, Farma;

      • 4°.

        West- Brabant: World Class Maintenance, Logistiek, Biobased Economy;

  • 3 In aanvulling op de voorgaande leden voldoet het jaarprogramma, om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4 in aanmerking te komen, aan de volgende vereisten:

    • a.

      het jaarprogramma is niet gelijk aan bestaande beleidsvorming of uitvoering van de provincie;

    • b.

      het jaarprogramma is aantoonbaar gedragen door de Triple Helix-organisatie uit de betreffende regio;

    • c.

      het jaarprogramma draagt bij aan versterking van de Brabantse economische ontwikkeling;

    • d.

      het jaarprogramma richt zich op projecten die nog niet eerder op deze wijze zijn uitgevoerd of zich in de start- of experimentele fase bevinden;

    • e.

      het jaarprogramma richt zich op projecten waarin sprake is regionale samenwerking tussen ondernemers, overheid of onderwijs;

    • f.

      het jaarprogramma richt zich op projecten of initiatieven die tot de reguliere werkzaamheden van de REAP-organisatie of uitvoerende organisatie behoren;

    • g.

      het jaarprogramma wordt uitgevoerd in Noord-Brabant.

  • 4 Aan de subsidiabele activiteit ligt ten grondslag:

    • a.

      een beschrijving waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

        op welke wijze het jaarprogramma voldoet aan de vereisten in het derde lid;

      • 2°.

        een omschrijving van het jaarprogramma en de thema’s en doelstellingen van het jaarprogramma;

    • b.

      een sluitende begroting;

    • c.

      het meerjarenactieprogramma waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

        de naam van het meerjarenactieprogramma;

      • 2°.

        de start- en einddatum van het meerjarenactieprogramma;

      • 3°.

        een uitgebreide toelichting op de thema’s en doelstellingen.

Artikel 3.7 Subsidiabele kosten

  • 1 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten van de subsidiabele activiteit voor subsidie in aanmerking.

  • 2 Voor de berekening van uurtarieven past de subsidieaanvrager de berekeningssystematiek genoemd in artikel 10 onder c van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen Noord-Brabant toe.

Artikel 3.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 3.7 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten voor programmaondersteuning en bekostiging van het programmamanagement door de REAP-organisatie, die meer bedragen dan 20% van de totale kosten van het jaarprogramma;

  • b.

    kosten die subsidiabel zijn op grond van een andere regeling van de provincie.

Artikel 3.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend voor 31 januari van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 3.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 3.4 als volgt vast:

  • a.

    voor het kalenderjaar 2014 op € 1.133.913;

  • b.

    voor het kalenderjaar 2015 op € 1.133.913.

Artikel 3.11 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.4, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 0,54 per inwoner vermenigvuldigd met het aantal inwoners per regio en afgerond naar boven op hele getallen.

  • 2 Het aantal inwoners, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend volgens het inwonersaantal per regio volgens de berekening van het Centraal Bureau voor de Statistiek met als peildatum 1 januari 2011.

  • 3 Indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat de subsidie voor het jaarprogramma minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 3.12 Verdeelcriteria

  • 1 Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3 Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 3.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1 De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

      de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

    • b.

      de subsidieontvanger voert jaarlijks tenminste een voortgangsoverleg met Gedeputeerde Staten over de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt;

    • c.

      indien de hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.11, € 125.000 of meer bedraagt, houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

    • d.

      de projecten uit het jaarprogramma zijn uiterlijk twee jaren na het verlenen van de subsidie afgerond;

    • e.

      de subsidieontvanger doet onverwijld schriftelijk mededeling aan Gedeputeerde Staten bij voorgenomen wijzigingen in de economische clusters van de REAP-organisatie, het meerjarenactieprogramma en in het aantal deelnemers aan de REAP-organisatie.

  • 2 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger de periode als bedoeld in het vorige lid onder c, verlengen met maximaal een jaar.

Artikel 3.14 Prestatieverantwoording

Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 3.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 100% op het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2015 en vervolgens telkens na 2 jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.

Artikel 4.2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 4.3 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling economie en innovatie Noord-Brabant.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 24 juni 2013

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris drs. W.G.H.M. Rutten

 

Toelichting behorende bij de Subsidieregeling economie en innovatie Noord-Brabant.

Algemeen

Op 11 mei 2012 hebben Provinciale Staten het Economisch Programma Brabant 2020 vastgesteld. In het economisch programma wordt enerzijds ingestoken op het in orde houden van de basis en anderzijds worden de ambities op het gebied van economische topsectoren verbonden met maatschappelijke opgaven. Het Economische Programma kent een nauwe relatie met de eerder vastgestelde Energieagenda 2010-2020 en het recent vastgestelde beleidskader en uitvoeringsprogramma Vrijetijdseconomie.

Met deze regeling wordt beoogd om een aantal doelstellingen uit het Economisch Programma Brabant 2020 te realiseren door gebruik te maken van het instrument subsidie. Het betreft een aanbouwregeling waarbij allereerst een subsidiemogelijkheid wordt gecreëerd voor de onderdelen vrijetijdseconomie, Green Deal zonneceltechnologie en Regionaal Economische Actieprogramma’s.

Juridisch kader

Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in deze subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten en algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht. Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Asv noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.

Hoofdstuk 1 Vrijetijdseconomie

Op 22 februari 2013 hebben Provinciale Staten het Beleidskader en Uitvoeringsagenda vrijetijdseconomie vastgesteld. Het beleidskader en de uitvoeringsagenda 2013- 2020 zijn een uitwerking van de Agenda van Brabant, het bestuursakkoord ‘Tien voor Brabant’ 2010-2015 en het Economisch Programma 2020, waarin het belang van de vrijetijdseconomie voor de Brabantse economie wordt onderschreven. De vrijetijdseconomie levert een wezenlijke bijdrage aan de werkgelegenheid en de bestedingen in de provincie Noord-Brabant. Met dit hoofdstuk wordt beoogd uitvoering te geven aan de uitvoeringsagenda.

De provincie wil de vrijetijdseconomie versterken door subsidie beschikbaar te stellen voor projecten die naast de sector vrijetijdseconomie zich bevinden op het snijvlak van een of meer andere sectoren om vernieuwingen in het regulier aanbod te bevorderen. Ook wil de provincie graag projecten, gericht op het internationaal vermarkten van het unieke aanbod en het internationaal onderscheidende vermogen van Brabant, mogelijk maken. Verder vindt de provincie het van belang dat de kennis die aanwezig is bij kennisinstellingen op het gebied van vrijetijd beschikbaar en op maat wordt aangeboden aan ondernemers in de Brabantse vrijetijdssector. Dit alles heeft als doel nieuwe vrijetijdsconsumenten te bereiken, het herkomstgebied van de consument te vergroten of de bestedingen per bezoek van de vrijetijdsconsument te verhogen, om daarmee meer werkgelegenheid en bestedingen naar de provincie Noord-Brabant te krijgen.

De-minimissteun

In het kader van staatssteun is er voor gekozen om voor dit hoofdstuk aan te sluiten bij de vrijstellingsvereisten zoals geformuleerd in Verordening (EG) nr. 1998/2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de-minimissteun (Pb 2006, L379/05). Hiertoe is bepaald dat niet meer subsidie wordt verstrekt dan tot het drempelbedrag van € 200.000 (€ 100.000 voor ondernemingen in het wegvervoer). De subsidieaanvrager dient hier overigens zelf op toe te zien en zelf de juiste gegevens toe aan te dragen.

Hoofdstuk 2 Green Deal

Op 3 oktober 2011 is een Green Deal gesloten tussen het Rijk en de provincie Noord-Brabant. Aan deze Green Deal liggen de provinciale Energieagenda 2010-2020, het daaraan gekoppelde investeringsprogramma en het nationale topsectorenbeleid ten grondslag. Duurzame energie is een van de pijlers van de Brabantse economie. Een groter gebruik van zonne-energie leidt tot een verduurzaming van de energiemix in Brabant en uiteindelijk tot lagere energiekosten voor de Brabanders. Het stimuleren van innovatieve zonne-energieprojecten en daarmee kennisontwikkeling op het gebied van zonne-energie in Brabant kan worden gestimuleerd door subsidies in de vorm van garantstellingen te verlenen;

In de Green Deal is een bedrag van 12 miljoen euro door het Rijk beschikbaar gesteld voor het verlenen van subsidies in de vorm van garantstellingen voor het afdekken van (financiële) risico’s die zich kunnen voordoen bij projecten in het zogeheten solar experimenteergebied en de biobased economy. De aanpak voor de beide gebieden verschilt.

Op 19 maart 2013 zijn de afspraken uit de Green Deal en de uitvoering ervan uitgewerkt in een bestuursovereenkomst. In deze bestuursovereenkomst is vastgelegd dat de subsidie in de vorm van een garantstelling wordt verstrekt.

Garantstelling

De subsidie voor solar wordt verstrekt als een garantstelling van 80% van de financiële verplichting. Een subsidie in de vorm van een garantstelling is hetzelfde als een subsidie onder opschortende voorwaarden. Als de opschortende voorwaarde intreedt, komt de verlening tot stand en kan vaststelling van het subsidiebedrag worden gevraagd. Gedurende de looptijd van de garantie ofwel na de voorwaardelijke verlening en hangende de opschortende voorwaarden wordt geen premie gevraagd van de aanvrager.

Europese regelgeving

Een garantstelling is aan te merken als staatssteun wanneer de ontvangende onderneming door de garantstelling een voordeel verkrijgt dat hij niet op de markt had verkregen. Dit voordeel is niet afhankelijk van het feit of daadwerkelijk tot uitkering van de garantie wordt overgegaan, immers is ook het niet vragen van premie of het vragen van een lagere premie gedurende de looptijd van de garantie, aan te merken als staatssteun. De beoordeling of sprake is van staatssteun vindt derhalve plaats bij aanvang van de garantie. In de Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (2008/C155/02) zijn voorwaarden opgenomen om uit te sluiten dat sprake is van staatssteun. Hierin is bepaald dat de aanwezigheid van staatssteun kan worden uitgesloten indien de garantie

  • niet meer dekt dan 80% van de uitstaande lening of andere financiële verplichting en afneemt als het risico voor de ondernemer afneemt.;

  • de omvang van de garantie goed valt te meten op het tijdstip van toekenning (dit betekent dat de garantie met een welbepaalde financiële transactie verband moet houden, een vast maximumbedrag moet betreft en in de tijd beperkt moet zijn);

  • de kredietnemer niet in financiële moeilijkheden verkeert.

Omdat de garantstelling zelf beperkt is tot maximaal 80% van de financiële verplichting en ook aan de overige voorwaarden is voldaan, is geen sprake van staatssteun ten aanzien van de garantie. Een vierde voorwaarde die wordt gesteld is echter het betalen van een marktconforme prijs voor de garantie: een premie. Deze wordt niet gevraagd.

De niet gevraagde premie is aan te merken als staatssteun. De premie kan voor solar ondergebracht worden onder module 1 van de Omnibus Decentraal regeling, zoals goedgekeurd door de Europese Commissie bij beschikking van SA.34101 (2011N) (hierna ODR). Deze regeling is van toepassing op alle maatregelen van provincies en gemeenten voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (OO&I) die staatssteun bevatten. De steun kan geplaatst worden in module 1: Onderzoek en ontwikkeling projecten, industrieel onderzoek. Van de totale subsidiabele kosten mag in het geval van steun in het kader van industrieel onderzoek 50% en bij experimentele ontwikkeling 25% (de samenwerkingsverhogingen even buiten beschouwing gelaten) aan steun verleend worden. Hiermee is de steun geoorloofd en is melden niet meer nodig.

Premie

De premie wordt als steun in een andere vorm dan een subsidie verleend. De ODR bepaalt in hoofdstuk 2, definities, onder c dat in het geval dat de steun in een andere vorm dan subsidie wordt verleend het steunbedrag het subsidie-equivalent van de steun is, uitgedrukt in een percentage van de in aanmerking komende kosten. Om de berekening van de steuncomponent bij deze en andere vormen van staatssteun te verduidelijken heeft de Europese Commissie een methode van ‘referentie- en disconteringspercentages’ vastgesteld. De rente die op basis van deze methode wordt berekend zal de Commissie als indicatie van de marktrente gebruiken. Voor deze berekening is uitgegaan van een marktconform premie percentage van 10% per jaar. Gezien de looptijd van de regeling (tot 31 december 2020), de ingangsdatum van de regeling en de realisatietermijn van de subsidiabele activiteit zal de periode waarover subsidie wordt verstrekt en dus geen premie wordt gevraagd, maximaal zes jaar en een paar maanden zijn. Hiermee blijft de totale premie onder het maximum te subsidiëren percentage volgens de ODR. Per verleende subsidie wordt de niet gevraagde totale premie inzichtelijk gemaakt in de beschikking. Uitgaande van 10% premie per jaar over 80% van de in aanmerking komende kosten is de jaarlijkse steunintensiteit maximaal 8% over het totaal van de in aanmerking komende kosten. De totale steunintensiteit wordt berekend door de jaarlijkse steunintensiteit te vermenigvuldigen met het aantal jaren waarover de garantstelling wordt verleend.

De garantststelling wordt, om de steunequivalent van de premie uit te kunnen drukken in een percentage van de in aanmerking komende kosten, alleen verstrekt over de in aanmerking komende kosten.

Hoofdstuk 3 Regionaal Economische ActieProgramma’s

Brabant heeft de ambitie om te behoren tot de top van de innovatieregio’s in Europa. Hiertoe hebben Provinciale Staten in 2012 het Economisch Progamma Brabant 2020 vastgesteld. In het Economisch Programma 2020 wordt voortgebouwd op de eerdere inzet van de regio’s, rijk en Europa op de economische clusters: High-tech systems en materialen, ( inclusief automotive en solar), Life sciences/ health, Food, Logistiek, Maintenance en Biobased economy. Het verder ontwikkelen van deze clusters leidt tot het versterken van de Brabantse concurrentiekracht en het verzilveren van de groeipotentie, voldoende werkgelegenheid voor de Brabantse inwoners en een goede koopkracht van de consument.

De vier Brabantse regio’s en de B5-gemeenten hebben voor de komende jaren ambitieuze strategische agenda’s geformuleerd, zoals Brainport 2020 en de strategische agenda’s van West-Brabant, Midden-Brabant en Noordoost Brabant. Het Economische Programma Brabant 2020 sluit hier inhoudelijk bij aan.

De regio’s en steden zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de implementatie van hun strategische agenda’s. De provincie wil op basis van maatwerk een partner zijn in de concrete ontwikkelingopgaven en haar acties, verbinden met Triple Helix aanpak zoals die zich op regionale schaal manifesteren.

Om deze positieve economische ontwikkeling te bewerkstelligen heeft de provincie jaarlijks € 1.133.913 beschikbaar gesteld om als subsidie te verstrekken aan de REAP-organisaties.

De REAP-organisaties stellen in overleg met de provincie, Triple Helix-organisaties, ondernemers en onderwijs een jaarprogramma op dat past binnen de economische clusters van de REAP-organisatie en het beleid en uitvoering van de provincie zelf.

De subsidie wordt verleend als cofinanciering van 50% van het jaarprogramma. De uitvoering van de projecten uit het jaarprogramma is gesteld op maximaal twee jaar, met een mogelijkheid van verlenging op verzoek met maximaal één jaar. Na afronding van (de projecten uit) het jaarprogramma vindt, op verzoek, vaststelling van de subsidie voor het jaarprogramma plaats. Dit is een verandering in de werkwijze ten opzichte van de huidige situatie waar de vaststelling van de subsidie plaatsvond na afloop van het meerjarenprogramma.

Het jaarprogramma is onder andere gebaseerd op het meerjarenprogramma van de REAP-organisatie. Het meerjarenprogramma heeft een looptijd van vier jaar. De looptijd van de meerjarenprogramma’s van de verschillende REAP-organisaties is gelijk. Het tijdens de vaststelling van de subsidieregeling lopende programma betreft de periode 2012-2015.

De REAP-organisatie verstrekt vervolgens een deel van de subsidie samen met 50% eigen middelen aan de uitvoerder van het project. De grondslag voor de verstrekking door de REAP-organisatie is geheel afhankelijk van de organisatie en rechtsvorm van de REAP-organisatie. De eigen middelen van de REAP-organisatie bestaan uit bijdragen van de regionale partners.

Europese regelgeving

Subsidie wordt verstrekt voor het jaarprogramma. Het jaarprogramma stelt ofwel het kader voor concrete projecten of bevat dergelijke concrete projecten reeds. Nu de REAP-organisatie, of de publiekrechtelijk rechtspersoon voor de REAP-organisatie, een deel van de subsidie samen met 50% eigen middelen aan de uitvoerder van het project verstrekt, is de REAP-organisatie verantwoordelijk voor het toetsen van hun subsidie aan Europese regelgeving. Een van de onderwerpen betreft de toets aan staatssteun. De concrete projecten die worden uitgevoerd op grond van het jaarprogramma zijn aan te merken als economische activiteit, subsidie daarvoor is aan te merken als staatssteun. Dit betekent dat voor het verstrekken van subsidie voor de concrete projecten waarop het jaarprogramma is gericht, getoetst dient te worden aan de Europese regelgeving in het kader van de staatssteun.

Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1 Vrijetijdseconomie

Artikel 1.6 Subsidievereisten

Tweede lid

Onder a Crossover Bij cross-overs wordt gezocht naar het leggen van nieuwe verbindingen tussen de vrijetijdssector en andere thema’s zoals: cultuur, erfgoed, natuur, landschap, leefbaarheid, zorgeconomie, topsport en economische sectoren. Het gaat hierbij om vernieuwingen in reeds bestaande reguliere concepten. Dit kan door de samenwerking aan te gaan binnen en buiten de vrijetijdssector en te komen tot nieuwe product- en marktcombinaties op basis van nog niet bestaande concepten. Onder b Gezamenlijke marketing en internationale salesactiviteiten De Brabantse vrijetijdsinfrastructuur is in overwegende mate kleinschalig en die kleinschaligheid draagt bij aan de relatief geringe zichtbaarheid, zowel in Brabant zelf als in de rest van het land en over de grens. Door een bijdrage te leveren aan gezamenlijke marketing van het unieke en internationaal onderscheidende Brabantse aanbod wordt de vrijetijdssector in Noord-Brabant beter zichtbaar gemaakt en wordt het draagvlak onder publiek binnen en buiten de provincie vergroot.

Bij projecten op het gebied van collectieve programmering en de daarbij behorende marketing gaat het om projecten die het unieke, internationaal onderscheidende aanbod van Brabant vermarkten en om het profileren van Brabant in het binnen- en buitenland, met een duidelijk publiek belang dat verder gaat dan het commerciële belang van de separate partners. Het gaat om gezamenlijke marketing en internationale salesactiviteiten die Brabant als geheel als te bezoeken gebied op de kaart zetten.

Daarnaast streven de projecten een algemeen maatschappelijk doel na, namelijk het vergroten van het herkomstgebied van de vrijetijdsconsument. Tevens leveren zij een bijdrage aan het versterken van de shortbreakmarkt. Het unieke en onderscheidende internationale aanbod bepaalt voor een groot deel het imago van de provincie, is van grote waarde voor de internationale zakelijke positionering en is in potentie aanleiding voor het (eerste) bezoek. Van Gogh Brabant, 2018Eindhoven Brabant en Bosch500 zijn hiervan voorbeelden.

Onder c Kennisoverdracht en kennisverspreiding De kennisinfrastructuur op het terrein van vrije tijd is in Brabant sterk ontwikkeld. De provincie wil graag de samenwerking tussen kennisinstellingen en ondernemers in het vrijetijdsdomein verder versterken. Projecten richten zich op de overdracht van kennis op het gebied van innovatie, op het gebied van product- en conceptontwikkeling in de vrijetijdssector of kennis op het gebied van toeristische ontwikkelingen aan ondernemers in de vrijetijdssector, passend bij de strategie van het Beleidskader en Uitvoeringsagenda Vrijetijdseconomie 2013-2020.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

Tweede lid De-minimis

Het bedrag van € 200.000 komt overeen met het drempelbedrag dat de Europese Commissie heeft vastgesteld ten aanzien van de-minimissteun. Dit bedrag geldt per onderneming over een periode van drie belastingjaren. Steun onder deze drempel behoeft niet te worden aangemeld. In deze subsidieregeling is ervoor gekozen om bij de subsidieverlening dit bedrag niet te overschrijden. Het kan echter in de praktijk voorkomen dat een door ons begunstigde onderneming in de afgelopen drie jaar al eens subsidie of een andere vorm van steun van een overheidsorgaan heeft ontvangen. Dit moet blijken uit de “Verklaring de-minimissteun”. Indien de te verlenen subsidie tezamen met de reeds ontvangen steun een bedrag van € 200.000 (resp. € 100.000) overschrijdt, zal in dat specifieke geval onderzocht worden of er op grond van een andere vrijstellingsverordening subsidie kan worden verstrekt.

Hoofdstuk 2 Green Deal

§ 1 Algemene bepalingen

Artikel 2.3 Subsidievorm

De subsidie wordt verstrekt onder opschortende voorwaarden, hiermee krijgt de subsidie de vorm van een garantstelling aan de aanvrager voor het betreffende project. De garantstelling wordt niet verleend aan een kredietverstrekker of ten behoeve van een kredietverstrekker. Dat betekent dat er geen leningsovereenkomst met een kredietverstrekker behoeft te worden overgelegd dan wel dat de garantstelling wordt gebruikt om het krediet te verkrijgen.

Voor de Green Deal solar biedt de subsidie de aanvrager de zekerheid dat zijn investeringskosten worden terugverdiend ook indien zich risico’s voordoen waardoor de opbrengsten lager uitvallen dan geraamd. Hiermee beoogt de provincie de betreffende projecten te stimuleren opdat ondernemers hierdoor het risico durven aangaan.

Vanwege de aard van de garantstelling vindt de verlening onder opschortende voorwaarden plaats en wordt slecht dan de subsidie vastgesteld en vervolgens uitbetaald indien de opschortende voorwaarde zich voordoet.

§ 2 Zonneceltechnologie

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

Samenloop met andere subsidieregelingen is mogelijk.

Artikel 2.6 Subsidievereisten

Eerste lid

Onderdeel d Het project heeft een sluitende begroting en is hiermee op voorhand rendabel. Evengoed kan een dergelijk rendabel project niet bankable zijn omdat een kredietverstrekker de mogelijke risico’s te groot acht om krediet te verstrekken of garantie te willen afgeven.

Onderdeel f Bij de aanvraag dient duidelijk te zijn dat het haalbaar is om het project binnen 15 maanden in werking te stellen. Artikel 2.12 bevat vervolgens de verplichting dat het project ook daadwerkelijk in die 15 maanden in werking moet zijn gesteld.

Onderdeel g De looptijd van de Green Deal eindigt op 31.12.2020. Dat betekent dat voor deze datum alle fasen van het subsidieproces doorlopen moeten zijn en de garantstelling voor deze tijd eindigt ongeacht de looptijd of terugverdientijd van het project.

Onderdeel h De subsidieregeling beoogt het nemen van risico’s die dergelijke innovatieve projecten groter zijn dan een gemiddeld ondernemersrisico, terug te brengen tot het normale ondernemersrisico. Als een project dergelijke risico’s niet in zich heeft, valt het buiten de doelstelling van de regeling. Zodra deze risico’s zich voordoen en met gevolg voor de ondernemer, doet zich de opschortende voorwaarde voor waaronder de verlening tot stand komt. Dit is geregeld in artikel 2.12.

Tweede lid

Schematisch ziet de berekening van het puntentotaal er als volgt uit:

CriteriaIndicatorenWeging (%)
Uitstraling (onder a)Omvang in aantal m2 (10 pnt) Het iconisch gehalte (10 pnt) Mate van vernieuwing (10pnt) 3535
Kwaliteit van het project (onder b)Technologische haalbaarheid (10 pnt) Organisatiegraad (10 pnt) Solide financiering (10 pnt)25
Risicoprofiel aanvraag (onder c)Periode dat garantstelling in werking is (10 pnt) Percentage van de investeringskosten waar garantstelling op werkt (10 pnt) Tevoren ingeschatte risico’s (max.10 pnt totaal naar gelang risico’s waar geen subsidie is gevraagd)5
Koppeling nationale/ regionale belangen (onder d)Koppeling met de nationale programma’s Solliance en SEAC (10 pnt) Werken met regionale/nationale toeleveranciers (10 pnt) Uitbesteding regionale installateurs (10 pnt)35
Totaal 100%

Derde lid

Onderdeel a en b Het projectplan en de sluitende begroting tezamen vormen de businesscase van het project. Hierin dienen voldoende de opbrengsten en uitgaven in beeld te zijn gebracht. Met het vragen van een sluitende begroting van opbrengsten en uitgaven is voldoende te beoordelen of het project op voorhand rendabel is.

Onderdeel c Commitment kan ook voorwaardelijk, te weten onder de voorwaarde dat de subsidie in de vorm van garantstelling wordt verleend.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

Onderdeel a Investeringskosten zijn onder andere kosten van aanschaf van de zonneceltechnologie.

Artikel 2.10 Subsidiehoogte

Eerste lidDe hoogte van de subsidie wordt bepaald door de afschrijvingsduur van de investeringskosten en de mate waarin de investeringskosten in die periode zijn terugverdiend. De subsidie beoogt immers alleen verlies van de ondernemer door het voordoen van de risico’s te compenseren.

Artikel 2.12 Subsidieverlening

De subsidie heeft de vorm van een garantstelling. Dit betekent dat de verlening pas tot stand komt indien een onzekere toekomstige gebeurtenis intreedt, in dit geval indien zich een of meer van de risico’s waarvoor subsidie is gevraagd, voordoen èn dit gevolgen heeft voor het terug kunnen verdienen van de investeringkosten. Het terugverdienen van de investeringskosten is gerelateerd aan de hoogte van de afschrijving gedurende periode waarvoor subsidie is gevraagd.

Indien de opschortende voorwaarde zich niet voordoet, vervalt de subsidieverlening overigens van rechtswege en behoeft geen aanvraag tot vaststelling te worden voldaan.

Artikel 2.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger.

Onderdeel a Het voortgangsverslag dient de jaarlijkse opbrengst te bevatten opdat tussentijds het risico kan worden ingeschat.

Hoofdstuk 3 Regionaal economische actieprogramma’s

Artikel 3.2 Doelgroep

De REAP-organisaties in de vier Brabantse regio’s zijn op verschillende manieren georganiseerd:

  • De REAP-organisatie Midden-Brabant (Midpoint Brabant) wordt uitgevoerd door de Stichting De Ideale Connectie, een regionaal economisch samenwerkingsverband van Midden-Brabant;

  • De REAP-organisatie West-Brabant valt onder de gemeenschappelijke regeling Regio West-Brabant;

  • De REAP-organisatie Zuidoost-Brabant komt voort uit een samenwerkingsverband tussen de Kamer van Koophandel, SRE (-gemeenten), MKB Brabant, BZW, Syntens, Brainport Development en provincie Noord-Brabant. Deze REAP-organisatie heeft geen rechtspersoonlijkheid;

    De REAP-organisatie Noordoost-Brabant valt onder de samenwerkingsvorm 5-sterrenregio Noordoost Brabant. Deze REAP-organisatie heeft geen rechtspersoonlijkheid.

Tweede lid

In artikel 6 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant is bepaald dat subsidie kan worden aangevraagd door natuurlijke of rechtspersonen. In de regeling is dit afgebakend tot publiekrechtelijke rechtspersonen, mede vanwege de Europese regelgeving ten aanzien van staatssteun. Derhalve is bepaald dat in die gevallen dat de REAP-organisatie geen publiekrechtelijk rechtspersoon is, de aanvraag wordt ingediend door een deelnemer van de REAP-organisatie die wel publiekrechtelijk rechtspersoon is.

Artikel 3.3 Subsidievorm

In artikel 7 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant zijn de vormen van subsidie afgebakend tot projectsubsidie, exploitatiesubsidie, begrotingssubsidie of incidentele subsidie. In de regeling dient vervolgens te worden benoemd voor welke subsidievorm is gekozen, in dit geval projectsubsidie.

Het begrip project is in de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant gedefinieerd als activiteit of een samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in de tijd en gericht op een specifiek resultaat. Een projectsubsidie is gedefinieerd als een subsidie voor een project in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen. Vooruitlopend op de subsidiabele activiteit van artikel 3.4 dient het begrip projectsubsidie niet verward te worden met de projecten en initiatieven die gebundeld zijn in het jaarprogramma waar de subsidie voor wordt verleend.

Artikel 3.4 Subsidiabele activiteit

De subsidie wordt verleend voor het jaarprogramma dat jaarlijks door de REAP-organisatie wordt opgesteld. De doelen van de subsidie zijn in artikel 3.6. opgenomen als vereisten die aan dit jaarprogramma worden gesteld.

In de regeling wordt gesproken over jaarprogramma in plaats van subsidiabele activiteit of project om verwarring met de projecten waarvoor het jaarprogramma een kader stelt, te voorkomen.

Artikel 3.5 Weigeringsgronden

In artikel 4:25 van de Algemene wet bestuursrecht is opgenomen dat het overschrijden van het subsidieplafond een verplichte grond is om een subsidie te weigeren. Artikel 4: 35 van de Algemene wet bestuursrecht bevat facultatieve algemene gronden om een subsidie te weigeren, bijvoorbeeld indien reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden. Deze weigeringsgronden uit de Algemene wet bestuursrecht gelden aanvullend op de weigeringsgronden die in artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant en in deze regeling zijn opgenomen. Artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant bevat onder andere de weigeringsgrond dat subsidie in ieder geval wordt geweigerd indien de activiteiten van de aanvrager niet gericht zijn op de provincie Noord-Brabant.

Onderdeel b In de regeling is de keuze gemaakt om het subsidiearrangement tot € 25.000, als bedoeld in artikel 13, eerste lid van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, uit te sluiten van subsidieverstrekking. De regeling is voor wat betreft uitvoerings- en verantwoordingseisen dan ook ingericht voor subsidies waarvan het aangevraagde bedrag voor het jaarprogramma meer dan €25.000 bedraagt.

Artikel 3.6 Subsidievereisten

In artikel 9, eerste lid van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant zijn algemene vereisten aan een projectsubsidie opgenomen. In aanvulling hierop zijn inhoudelijke vereisten opgenomen in dit artikel. Bij de opbouw van dit artikel is rekening gehouden met de aard van de vereisten. Het eerste lid ziet op vereisten aan de aanvrager, het tweede lid ziet op vereisten ten aanzien van de planvorming die ten grondslag ligt aan het jaarprogramma en het derde lid ziet op de inhoud van het jaarprogramma – de subsidiabele activiteit – zelf.

Eerste lid

Onderdeel a Dit vereiste vloeit voort uit artikel 3.2, tweede lid omdat daar is bepaald dat een deelnemer van een REAP-organisatie een aanvraag in kan dienen voor de REAP-organisatie. Van belang is dat alle deelnemers instemmen met een dergelijke aanvraag.

Onderdeel d Bij de aanvraag geeft de aanvrager aan op welke wijze de resultaten over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, toegankelijk gemaakt worden voor derden.

Tweede lid

De regionale samenwerking die via de REAP-organisaties wordt ondersteund heeft regionale clusters bepaald. Deze clusters zijn consistent met het Economisch Programma Brabant 2020. Deze expliciet benoemde clusters zijn leidend bij het opstellen van meerjarenactieprogramma en jaarprogramma.

Derde lid

Onderdeel a Dit vereiste is opgenomen om te voorkomen dat er dubbeling in de beleidsvorming en uitvoering ontstaat tussen de projecten van de REAP-organisatie en hetgeen de provincie reeds doet. Vooroverleg tussen de aanvrager en de provincie of voorafgaande verkenning op andere wijze vergroot de kans dat de aanvraag aansluit bij de door de provincie gestelde vereisten.

Onderdeel b Dit vereiste is opgenomen opdat het jaarprogramma een breed draagvlak bij de Triple Helix-organisatie of in de regio heeft.

Onderdeel e Het woord “of” bij de samenwerking tussen ondernemers, overheid of onderwijs impliceert een samenwerking met twee of drie van de genoemde partijen.

Onderdeel f In artikel 9, eerste lid onder c van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant is reeds bepaald dat voldaan moet worden aan de vereiste dat de aanvraag niet de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager betreft. Dit vereiste is een aanvulling op de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant.

Artikel 3.7 subsidiabele kosten

Tweede lid

Indien tot de subsidiabele kosten ook de kosten voor gemaakte uren behoren, wordt een standaardberekeningswijze in de vorm van een forfait van deze kosten gehanteerd. In de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen is in artikel 10, aanhef en onder c bepaald dat de subsidieaanvrager bij het berekenen van subsidiabele uurtarieven een vastgestelde standaardberekeningswijze in dit geval berekeningswijze op basis van een vastgesteld forfaitair uurtarief, hanteert.

Het forfaitaire uurtarief is in artikel 13 van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen vastgesteld op € 50 per uur.

Artikel 3.8 Niet subsidiabele kosten

Onderdeel a In artikel 11 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant is bepaald dat BTW die op grond van de Wet op de Omzetbelasting 1968 verrekenbaar kan zijn en BTW die op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds 2003 compensabel kan zijn, niet voor subsidie in aanmerking komt. Dit betekent dat BTW niet tot de subsidiabele kosten behoort. Voorts komt de reguliere bedrijfsvoering op grond van artikel 9, eerste lid onder c van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant niet voor subsidie in aanmerking, dus zijn de kosten daarvan niet subsidiabel.

Onderdeel b Indien de kosten (voor een van de projecten) van het jaarprogramma reeds zijn opgevoerd in een andere aanvraag, vanwege een andere subsidieregeling van de provincie, en daar subsidiabel zijn geacht, wordt die kosten niet opnieuw subsidiabel geacht.

Artikel 3.11 Subsidiehoogte

De subsidie wordt verdeeld over de vier REAP-organisaties op basis van het aantal inwoners per regio. Het aantal inwoners wordt berekend volgens het CBS met als peildatum 1 januari 2011.

Daardoor ontstaan de volgende verdeling:

REAP-organisatieAantal inwonersTotaal bedrag
Midden- Brabant459.483€ 248.121
Zuidoost-Brabant738.855€ 398.982
Noordoost-Brabant639.620€ 345.395
West- Brabant616.257€ 332.779

Artikel 3.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Op grond van artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld als de ontvanger niet heeft voldaan aan de verplichtingen.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitterde secretaris
prof. dr. W.B.H.J. van de Donkdrs. W.G.H.M. Rutten

 

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingSubsidieregeling economie en innovatie Noord-Brabant
CiteertitelSubsidieregeling economie en innovatie Noord-Brabant
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpinnovatie, leefomgeving, sociaal-economische zaken, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, art. 2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

29-06-201326-09-2013nieuwe regeling

24-06-2013

Provinciaal Blad, 2013, 104

3424074