Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Overwegende dat Provinciale Staten op 20 november 2009 het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2010-2015 ‘Waar water werkt en leeft’ hebben vastgesteld;

Overwegende dat in het uitvoeringsprogramma bij dit plan middelen beschikbaar zijn gesteld voor initiatieven van derden die bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van het provinciale waterbeleid ten aanzien van onder meer venherstel, de inzet van alternatieven voor de openbare watervoorziening en herstel van wijst;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten daartoe op 23 november 2010 de Subsidieregeling water Noord-Brabant hebben vastgesteld;

Overwegende dat Provinciale Staten op 12 oktober 2012 de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant hebben vastgesteld, waarin de uitgangspunten van het Kader financieel beheer rijkssubsidies zijn geïmplementeerd, alsmede een algehele actualisatie is doorgevoerd;

Overwegende dat aanpassing van de Subsidieregeling water Noord-Brabant aan de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant leidt tot een groot aantal noodzakelijke wijzigingen en Gedeputeerde Staten het derhalve wenselijk achten een geheel nieuwe regeling vast te stellen;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

 § 1 Herstel van kansrijke vennen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    beheerplan: ontwerp-beheerplan of vastgesteld beheerplan op grond van de Natuurbeschermingswet 1998;

  • b.

    Habitat- of Vogelrichtlijngebied: beschermd gebied als bedoeld in richtlijn 92/43/EEG en richtlijn 79/409/EEG;

  • c.

     LIFE+-project: project dat mede wordt gefinancierd door het LIFE+ programma van de Europese Commissie bedoeld voor ondersteuning van klimaat- en natuurprojecten binnen Europa;

  • d.

     programma: gebundelde reeks van projecten;

  • e.

    TOP-lijstgebied: gebied dat als ‘natte natuurparel’ is aangeduid op de kaart van bijlage III van de Verordening water Noord-Brabant;

  • f.

    ven: ven, vennencomplex of zwakgebufferd wiel dat met vennen vergelijkbare levensgemeenschappen herbergt.

Artikel 1.2 Doelgroep

  • 1 Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

    • a.

      waterschappen;

    • b.

      natuurterreinbeherende organisaties;

    • c.

      gemeenten, particuliere grondeigenaren en particuliere natuurterreinbeheerders in samenwerking met:

      • 1°.

        de Coöperatieve Bosgroep Zuid-Nederland U.A.; of

      • 2°.

        een doelgroep genoemd onder a of b;

    • d.

      een samenwerkingsverband van de doelgroepen als genoemd onder a tot en met c.

  • 2 Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid;

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 1.3 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten of programma’s gericht op:

  • a.

     het herstellen van vennen;

  • b.

     het herstellen van vennen als onderdeel van een LIFE+-project.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien aan de subsidieaanvrager voor het project reeds subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling biodiversiteit en leefgebieden Noord-Brabant.

Artikel 1.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de subsidiabele activiteit is gericht op herstel van een ven dat voorkomt op de lijst met Prioritaire Vennen in bijlage 1 en waarvan herstel kansrijk is gelet op de uitkomsten van het vooronderzoek;

    • b.

      ter behoud van het projectresultaat zijn afspraken gemaakt en vastgelegd over de taakverdeling en de wijze waarop het beheer en onderhoud na afloop van de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      indien de subsidiabele activiteit ligt in een TOP-lijstgebied, waarbij hydrologische herstelmaatregelen noodzakelijk zijn in de omgeving van het ven:

      • 1°.

        voorziet de subsidiabele activiteit in een gekoppelde aanpak met de verdrogingsbestrijding in het TOP-lijstgebied; of

      • 2°.

        voorziet de subsidiabele activiteit in een gekoppelde aanpak met de verdrogingsbestrijding in het TOP-lijstgebied met uitzondering van de tijdsplanning indien de kans op duurzaam herstel van het ven niet hieronder lijdt.

    • d.

      aan de subsidiabele activiteit ligt een uitgevoerd vooronderzoek ten grondslag, waarbij onderzoek is gedaan met inachtneming van de uitgangspunten van bijlage 3 ten aanzien van:

      • 1°.

        venkarakteristieken;

      • 2°.

        knelpunten voor de thema’s verzuring, vermesting en verdroging;

      • 3°.

        het maatregelenpakket voor het ven zelf en voor de omgeving;

      • 4°.

        de waterbodemkwaliteit door middel van een indicatief bodemonderzoek, voor zover wordt gebaggerd.

    • e.

      de resultaten van het indicatieve bodemonderzoek, bedoeld onder d, onderdeel 4°:

      • 1°.

        onderbouwen ten minste de begrote baggerkosten;

      • 2°.

        geven ten minste inzicht in de kwaliteit van de waterbodem na de herstelwerkzaamheden.

    • f.

       de subsidiabele activiteit voorziet in projectmonitoring zoals beschreven in bijlage 4, waarbij de parameters worden betrokken van:

      • 1°.

        de in de subsidiabele activiteit betrokken doelsoorten en overige aandachtsoorten;

      • 2°.

        de fysisch-chemische waterkwaliteit;

      • 3°.

        de vegetatiestructuur;

      • 4°.

        de effecten op de waterhoudendheid, het grondwaterpeil en de grondwaterkwaliteit van het ven, voor zover in het kader van de subsidiabele activiteit hydrologische maatregelen worden getroffen.

    • g.

      aan de subsidiabele activiteit liggen ten grondslag:

      • 1°.

        een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten van deze paragraaf;

      • 2°.

        indien een beheerplan is vastgesteld, een verwijzing naar de daarin opgenomen paragraaf, waarin het venherstelproject als maatregel wordt genoemd;

      • 3°.

        een sluitende begroting.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, is de subsidiabele activiteit, om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder b, in aanmerking te komen aangemerkt als LIFE+-project in Brabant.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

  • 1 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen in ieder geval de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

      kosten van maatregelen voor aanpassing van de waterhuishouding van een ven;

    • b.

      kosten van maatregelen tot behoud, herstel en ontwikkeling van het ven als leefgebied van specifiek aan deze biotoop verbonden flora en fauna;

    • c.

      baggerkosten:

      • 1°.

        indien geen sprake is van vervuilde bagger en een ven wordt hersteld met maatregelen ter verhoging van de buffercapaciteit in zeer zwak tot zwak gebufferde vennen; of

      • 2°.

        indien het ven is gelegen in een TOP-lijstgebied dat tevens deel uitmaakt van een Vogel- of Habitatrichtlijngebied en het ven van groot ecologisch belang is gelet op het zeldzame ventype of de aanwezigheid van herstelmogelijkheden voor zeldzame, kwetsbare of bedreigde soorten vennen.

    • d.

      kosten van plaggen, bekalken en andere ondersteunende maatregelen ten behoeve van hydro-ecologisch herstel, die niet gesubsidieerd of subsidiabel zijn op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer Noord-Brabant 2010 of de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Noord-Brabant;

    • e.

      externe kosten van een vooronderzoek dat is uitgevoerd conform de uitgangspunten van bijlage 3, inclusief de kosten voor het opstellen van een definitief uitvoeringsplan en het bestekgereed maken, tot maximaal twaalf maanden voorafgaand aan de ontvangst van de subsidieaanvraag;

    • f.

      legeskosten;

    • g.

      kosten van ontwerp, aanleg en uitvoering van de projectmonitoring en periodieke evaluatie van de meetresultaten van projectmonitoring zoals omschreven in bijlage 4;

    • h.

      kosten van communicatiemiddelen.

  • 2 Onverminderd het eerste lid zijn, indien sprake is van een ven in een TOP-lijstgebied waarbij subsidie voor verdrogingsbestrijding is aangevraagd of verstrekt op grond van de Subsidieverordening inrichting landelijk gebied, uitsluitend de kosten subsidiabel die de eenheidsprijs, bedoeld in artikel 15 van de Tijdelijke subsidieregeling inrichting landelijk gebied Noord-Brabant, te boven gaan.

Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten in verband met het opstellen van een milieueffectrapportage;

  • b.

    kosten van rente, bankdiensten, financieringen, verzekeringspremies, gerechtelijke procedures, boetes en sancties;

  • c.

    kosten van regulier beheer en onderhoud;

  • d.

    kosten om te voldoen aan gangbare minimumkwaliteitseisen of wettelijke verplichtingen;

  • e.

    interne apparaats- of bedrijfskosten van de subsidieaanvrager.

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de periode van 2 oktober 2014 tot en met 19 december 2014.

Artikel 1.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4, onder a en b vast op € 0.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 1.12 Verdeelcriteria

  • 1 Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3 Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door een afweging te maken op basis van de volgende criteria:

    • a.

      het project is opgenomen in een beheerplan en ligt in een Vogel- of Habitatrichtlijngebied, te waarderen met 6 punten;

    • b.

      het project ligt in een Vogel- of Habitatrichtlijngebied en is niet opgenomen in een beheerplan, te waarderen met 5 punten;

    • c.

      het project wordt uitgevoerd in combinatie met verdrogingsbestrijding binnen een TOP-lijstgebied, te waarderen met 5 punten;

    • d.

      de mate waarin het project bijdraagt aan een gunstige combinatie met andere maatregelen in het gebied met betrekking tot vermesting en verzuring, te waarderen met maximaal 2 punten.

  • 4 Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 1.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1 De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

      met de uitvoering van het project wordt binnen twee maanden na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening gestart, tenzij in die beschikking een andere termijn is bepaald;

    • b.

      het project is uiterlijk binnen twee jaar na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening gerealiseerd, tenzij in die beschikking een andere termijn is bepaald;

    • c.

      na afloop van de termijn waarin de projectmonitoring, bedoeld in artikel 1.6, onder f, heeft plaatsgevonden, zendt de subsidieontvanger de resultaten ervan binnen drie maanden aan Gedeputeerde Staten.

  • 2 Onverminderd het eerste lid heeft de subsidieontvanger bij een subsidie van € 125.000 en hoger de volgende verplichtingen:

    • a.

      de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

    • b.

      de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

  • 3 Gedeputeerde Staten kunnen eenmalig uitstel verlenen van de termijn, genoemd in het eerste lid, onder b, indien de subsidieontvanger uiterlijk twee maanden voorafgaand aan het einde van de bepaalde termijn daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend.

Artikel 1.14 Prestatieverantwoording

  • 1 Bij subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een proces-verbaal van oplevering met betrekking tot de werkzaamheden ten behoeve van venherstel.

  • 2 Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan aan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • a.

      een activiteitenverslag;

    • b.

      een proces-verbaal van oplevering met betrekking tot de werkzaamheden ten behoeve van venherstel.

Artikel 1.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies van € 25.000 en hoger een voorschot van ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3 Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 2 Alternatieven openbare watervoorziening

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt onder laagwaardig gebruik verstaan: gebruik anders dan voor menselijke consumptie.

Artikel 2.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door drinkwaterbedrijven als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet.

Artikel 2.3 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    het ontwikkelen of het toepassen van alternatieven voor grondwater ten behoeve van laagwaardig gebruik; of

  • b.

    het toepassen van grondwaterbesparende maatregelen.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 25.000.

Artikel 2.6 Subsidievereisten

  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder a, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd en gerealiseerd in Noord-Brabant;

    • b.

      het project is innovatief:

    • c.

      het project heeft een voorbeeldwerking;

    • d.

      het project is gericht op de verbetering van de werkwijze ten opzichte van de bestaande werkwijze, onder meer door integraliteit en duurzaamheid.

  • 2 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder b, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd en gerealiseerd in Noord-Brabant;

    • b.

      het project getuigt van een kosteneffectieve aanpak;

    • c.

      bij het project is geen alternatief voor grondwater ten behoeve van laagwaardig gebruik mogelijk.

  • 3 Onverminderd het eerste en het tweede lid, liggen aan een project als bedoeld in artikel 2.4 ten grondslag:

    • a.

      een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

        op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten van deze paragraaf;

      • 2°.

        de inhoudelijke omschrijving en de planning van het project; een beschrijving van de effecten en concrete resultaten die met het project worden beoogd;

    • b.

      een communicatieplan;

    • c.

      een sluitende begroting.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

  • 1 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten van onderzoek naar, de voorbereiding van en de implementatie van alternatieven voor grondwater ten behoeve van laagwaardig gebruik;

    • b.

      kosten van communicatie ter verspreiding van de projectresultaten.

  • 2 Onverminderd het eerste lid komen voor projecten als bedoeld in artikel 2.4, onder a, uitsluitend de meerkosten ten opzichte van de bestaande werkwijze als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder d voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 2.7, komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten die voorafgaand aan de datum van ontvangst van de aanvraag, zijn gemaakt;

  • b.

    kosten in verband met het opstellen van een milieueffectrapportage;

  • c.

    kosten van rente, bankdiensten, financieringen, verzekeringspremies, gerechtelijke procedures, boetes en sancties;

  • d.

    kosten om te voldoen aan gangbare minimumkwaliteitseisen of wettelijke verplichtingen, overeenkomstig de Europese bepalingen inzake staatssteun voor milieu-investeringen;

  • e.

    kosten van regulier beheer en onderhoud;

  • f.

    kosten van de interne organisatie van de subsidieaanvrager.

Artikel 2.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 1 april 2013 tot en met 31 december 2015.

Artikel 2.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4 voor de periode van 1 april 2013 tot en met 31 december 2015 vast op € 300.000.

Artikel 2.11 Subsidiehoogte

  • 1 De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten, tot ten hoogste € 300.000.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 2.12 Verdeelcriteria

  • 1 Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3 Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 2.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1 De subsidieontvanger heeft de volgende verplichtingen:

    • a.

      met de uitvoering van het project wordt binnen twee maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening gestart, tenzij in deze beschikking een andere termijn is bepaald;

    • b.

      het project is uiterlijk binnen twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening gerealiseerd, tenzij in deze beschikking een andere termijn is bepaald;

    • c.

      bij subsidies van € 125.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt vertrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

    • d.

      Bij subsidies van € 125.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

  • 2 Gedeputeerde Staten kunnen eenmalig uitstel verlenen van de termijn zoals genoemd in het eerste lid, onder b, indien de subsidieontvanger uiterlijk twee maanden voorafgaand aan het einde van de bepaalde termijn daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend.

Artikel 2.14 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

  • a.

    een activiteitenverslag;

  • b.

    indien sprake is van subsidie als genoemd in artikel 2.4, onder a, een onderzoeksrapport waarin de resultaten van het onderzoek naar en de voorbereiding en de implementatie van alternatieven zijn beschreven.

Artikel 2.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3 Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 3 Behoud of herstel van wijst

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

 In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    GGOR-studie: onderzoek naar het te realiseren en te behouden grond- en oppervlaktewaterregime, afgestemd op de kenmerken van het betreffende gebied en de functies die er voorkomen;

  • b.

    prioritaire wijstgebieden: gebieden St. Annabos te Uden, Graspeel en Nieuwveld te Zeeland, Donzel te Nistelrode, Slabroek en Hengstheuvel in de Maashorst te Uden en Geeneneindseheide te Bakel;

  • c.

    wijst: het geohydrologisch verschijnsel, voortvloeiend uit de aardkundige omstandigheden langs de Peelrandbreuk, met bijzondere waterhuishoudkundige omstandigheden en chemische samenstelling van het grond- en oppervlaktewater tot gevolg.

Artikel 3.2 Doelgroep

  • 1 Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

    • a.

      waterschappen;

    • b.

      gemeenten;

    • c.

      natuurterreinbeherende organisaties;

    • d.

      natuurlijke personen;

    • e.

      samenwerkingsverbanden van de doelgroepen als bedoeld onder a tot en met d.

  • 2 Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid;

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

  • 3 Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het tweede lid, geen rechtspersoonlijkheid bezit en alle deelnemers natuurlijke personen zijn:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband;

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 3.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 3.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het behoud of het herstel van wijst.

Artikel 3.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 25.000.

Artikel 3.6 Subsidievereisten

 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project is gericht op:

    • 1°.

      ten minste een van de prioritaire wijstgebieden die als "projectgebieden wijst" zijn aangewezen op Plankaart 2 "Structuurvisie water" van bijlage 5; of

    • 2°.

      ten minste een van de gebieden buiten de prioritaire wijstgebieden als genoemd in het eerste onderdeel, voor zover deze vallen onder een van de gebieden die op Plankaart 2 "Structuurvisie water" van bijlage 5 zijn aangewezen als "overige wijstgronden".

  • b.

    het project richt zich op behoud van de specifiek bij wijst horende aardkundige, ecologische, landschappelijke of cultuurhistorische waarden;

  • c.

    het project is gericht op een integrale aanpak van behoud of herstel van het natuurlijke watersysteem en bevat ten minste een van de volgende maatregelen:

    • 1°.

      het nemen van waterkwaliteitsmaatregelen in het intrekgebied;

    • 2°.

      het voorkomen van vervlakking van de karakteristieke terreintrede, herstel van de oorspronkelijke terreintrede, herstel van de oorspronkelijke terreintrede of het ongedaan maken van ophogingen;

    • 3°.

      maatregelen gericht op het behoud of herstel van de karakteristieke natuurlijke vegetatie;

    • 4°.

      maatregelen gericht op het behoud of herstel van de landschappelijke elementen die een relatie hebben met wijstgronden;

    • 5°.

      maatregelen gericht op het behoud of herstel van de historische gebruiksfunctie.

  • d.

    indien sprake is van een noodzaak tot aankoop van gronden waarvan het agrarisch gebruik een belemmerende schakel vormt voor behoud of herstel van wijst, of indien sprake is van een waardedaling als gevolg van functieverandering, is voorzien in een GGOR-studie of een ander hydrologisch onderzoek, waaruit blijkt dat na hydrologisch herstel de gronden niet meer kunnen worden gebruikt voor een volwaardige landbouwbestemming;

  • e.

    indien sprake is van noodzaak tot aankoop van gronden of waardedaling als bedoeld onder d, is voorzien in een onafhankelijke taxatie van de gronden voorafgaand aan het uitvoeren van de subsidiabele activiteit;

  • f.

    aan het project ligt ten grondslag:

    • 1°.

      een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten van deze paragraaf;

    • 2°.

      een communicatieplan;

    • 3°.

      een sluitende begroting.

Artikel 3.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten van maatregelen voor aanpassing van de waterhuishouding ten behoeve van behoud en herstel van wijst met een maximum van 50 procent;

  • b.

    kosten van technische compenserende maatregelen voor agrarische gebruikers van de gronden op of rond de herstelde percelen binnen het projectgebied voor behoud of herstel van wijst met een maximum van 50 procent;

  • c.

    kosten voor de aankoop van gronden waarvan het agrarische gebruik een belemmering vormt voor behoud of herstel van wijst met een maximum van 85 procent;

  • d.

    kosten van nadeelcompensatie in verband met technische of financiële compensatie met een eenmalige afkoopsom met een maximum van 50 procent;

  • e.

    kosten voor herstel van landschap en natuurlijke vegetatie met een maximum van 50 procent;

  • f.

    externe voorbereidingskosten voor onderzoek en planvorming inclusief het bestekgereed maken, tot maximaal twaalf maanden voorafgaand aan de ontvangst van de subsidieaanvraag met een maximum van 50 procent;

  • g.

    kosten van een monitoringsonderzoek, dat wordt gedaan om de effecten van de genomen maatregelen te onderzoeken, tot maximaal drie jaar na afloop van de subsidiabele activiteiten met een maximum van 50 procent;

  • h.

    kosten voor communicatie en visualisatie in het projectgebied ter verspreiding van kennis en bekendheid van wijst met een maximum van 50 procent;

  • i.

    waardedaling van de grond als gevolg van functieverandering met een maximum van 85 procent van de getaxeerde waarde van de grond voorafgaand aan het project;

  • j.

    notariskosten ten behoeve van het aangaan van kwalitatieve verplichtingen.

Artikel 3.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 3.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten in verband met het opstellen van een milieueffectrapportage;

  • b.

    kosten van rente, bankdiensten, financieringen, verzekeringspremies, gerechtelijke procedures, boetes en sancties;

  • c.

    kosten om te voldoen aan gangbare minimumkwaliteitseisen of wettelijke verplichtingen;

  • d.

    kosten van regulier beheer en onderhoud;

  • e.

    interne apparaats- of bedrijfskosten van de subsidieaanvrager.

Artikel 3.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 19 november 2015 tot en met 3 december 2015.

Artikel 3.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond als bedoeld in artikel 3.4, voor de periode, genoemd in artikel 3.9, vast op €120.000.

Artikel 3.11 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie bedraagt 100 procent van de totale subsidiabele kosten met een maximum van € 120.000 per project.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 3.12 Verdeelcriteria

  • 1 Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3 Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door voorrang te geven aan aanvragen die gericht zijn op gebieden buiten de Ecologische Hoofdstructuur.

  • 4 Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat aanvragen alsnog gelijk worden gerangschikt, wordt een nadere rangschikking van die aanvragen bepaald door middel van loting.

Artikel 3.13 Subsidieverlening

  • 1 De subsidie als bedoeld in artikel 3.4, wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat tussen de subsidieontvanger en de provincie een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek bij de notaris wordt gevestigd, indien:

    • a.

      de subsidieontvanger of een deelnemer van het samenwerkingsverband dat subsidie ontvangt, een gemeente of natuurlijk persoon betreft als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder b en d; en

    • b.

      de subsidieontvanger of deelnemer, bedoeld onder b, kosten heeft opgevoerd in verband met de waardedaling van de grond als gevolg van functieverandering als bedoeld in artikel 3.7, onder i.

  • 2 De kwalitatieve verplichting, bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      wordt aangegaan voor de duur van 10 jaar;

    • b.

      wordt ingeschreven in de openbare registers.

  • 3 In de kwalitatieve verplichting, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt in ieder geval opgenomen:

    • a.

      dat de eigenaar, beheerder of erfpachter van de grond het terrein na aanvang van de inrichting niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond;

    • b.

      dat de eigenaar, beheerder of erfpachter van de grond het terrein gebruikt overeenkomstig het projectplan;

    • c.

      dat de eigenaar, beheerder of erfpachter van de grond effecten op het terrein duldt, die ontstaan door hydrologische maatregelen ten behoeve van wijstherstel;

    • d.

      dat de eigenaar, beheerder of erfpachter van de grond handelingen nalaat die het behoud of het herstel van wijst in gevaar brengen of verstoren;

    • e.

      dat de verplichtingen, genoemd onder a tot en met d, over gaan op degene die de grond onder algemene of bijzondere titel zal verkrijgen en zullen eveneens gelden voor degene die van de rechthebbende een recht op het gebruik van de grond krijgt.

Artikel 3.14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1 De subsidieontvanger heeft de volgende verplichtingen:

    • a.

      met de uitvoering van het project wordt binnen twee maanden na de beschikking tot subsidieverlening gestart, tenzij Gedeputeerde Staten in die beschikking een andere termijn hebben bepaald;

    • b.

      het project is uiterlijk voor 31 maart 2016 gerealiseerd, tenzij Gedeputeerde Staten in die beschikking een andere termijn hebben bepaald;

    • c.

      de resultaten van projectmonitoring worden drie jaar na afloop van het project beschikbaar gesteld aan Gedeputeerde Staten;

    • d.

      de subsidieontvanger houdt ten minste tien jaar na subsidievaststelling de activiteiten of de resultaten van het project in stand, tenzij Gedeputeerde Staten hiervan op verzoek ontheffing hebben verleend of in de beschikking tot subsidievaststelling een andere termijn is bepaald.

  • 2 Onverminderd het eerste lid heeft de subsidieontvanger bij subsidie van € 125.000 en hoger de volgende verplichtingen:

    • a.

      de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag;

    • b.

      de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

  • 3 Gedeputeerde Staten kunnen eenmalig ontheffing verlenen van de termijn zoals genoemd in het eerste lid, onder b, indien de subsidieontvanger uiterlijk twee maanden voorafgaand aan het einde van de bepaalde termijn hiertoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend.

Artikel 3.15 Prestatieverantwoording

  • 1  De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • a.

      een activiteitenverslag;

    • b.

      een evaluatie van de communicatie;

    • c.

      een proces-verbaal van oplevering, indien ter uitvoering van de subsidiabele activiteiten werkzaamheden in het desbetreffende gebied zijn uitgevoerd.

  • 2 Onverminderd het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening aanvullende bewijsstukken verlangen.

Artikel 3.16 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3 Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 4 Aanpak van verdroging in natte natuurparels

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     ambitiekaart: kaart als bedoeld in de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Noord-Brabant en de Subsidieregeling natuurbeheer Noord-Brabant 2010;

  • b.

     ecologische hoofdstructuur: samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel het veiligstellen van ecosystemen met de daarbij horende soorten;

  • c.

     GGOR: gewenst en gewogen grond- en oppervlaktewaterregime;

  • d.

     natte natuurparel: waardevol waterafhankelijk natuurgebied in Brabant met bijzondere ecologische waarden, waarvan sommige delen verdroogd zijn zoals opgenomen op plankaart I van het Waterplan;

  • e.

     Natura 2000: samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie zoals opgenomen op plankaart I Waterplan;

  • f.

     OGOR: optimaal grond- en oppervlaktewaterregime;

  • g.

     plan MER: milieueffectrapport voor plannen die kunnen leiden tot concrete projecten of activiteiten met mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu;

  • h.

     programma: gebundelde reeks van projecten;

  • i.

     Tweede Bestuursovereenkomst: overeenkomst tussen de provincie Noord-Brabant en de Brabantse waterschappen over de gecoördineerde en integrale uitvoering van de wateropgave in Brabant in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2015;

  • j.

     Waterplan: het door Provinciale Staten op 20 november 2009 vastgestelde Waterplan Noord-Brabant.

Artikel 4.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door waterschappen.

Artikel 4.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 4.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

     projecten of programma’s gericht op de voorbereiding van maatregelen voor verdrogingsbestrijding van natte natuurparels;

  • b.

     projecten of programma’s gericht op de voorbereiding en uitvoering van maatregelen voor verdrogingsbestrijding van natte natuurparels.

Artikel 4.5 Weigeringsgronden

  • 1  Subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder a, wordt geweigerd indien:

    • a.

       voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 4.4, onder b, reeds subsidie is verstrekt;

    • b.

       voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 5.4,onder b, reeds subsidie is verstrekt;

    • c.

       voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 6.4, reeds subsidie is verstrekt.

  • 2  Subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder b, wordt geweigerd indien:

    • a.

       voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 4.4, onder a, reeds subsidie is verstrekt;

    • b.

       voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 5.4,onder a, reeds subsidie is verstrekt.

Artikel 4.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       de subsidiabele activiteit is gericht op het afstemmen van de waterhuishouding op de ecologische doelstellingen van het gebied, overeenkomstig de doelstellingen opgenomen in de ambitiekaart;

    • c.

       de subsidiabele activiteit is gericht op het bereiken van het OGOR voor de natuurdoelen uit de ambitiekaart, waarbij de ondergrens gevormd wordt door de provinciale beleidsuitgangspunten uit de nota ‘Kaders voor het GGOR’;

    • d.

       de subsidiabele activiteit is afgestemd op de prioriteiten en doelstellingen voor Natura 2000;

    • e.

       aan de subsidiabele activiteit ligt ten grondslag:

      • 1°.

         een project- of programmaplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

         een sluitende begroting.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd in een natte natuurparel, die tevens als Natura 2000 gebied is aangemerkt;

    • b.

       de subsidiabele activiteit is gericht op het behoud of ontwikkeling van de Natura 2000 doelen.

Artikel 4.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4 de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

       kosten voor onderzoek en voorbereiding, inclusief planvorming en bestek gereed maken vanaf 1-1-2007;

    • b.

       kosten voor het ontwerp van monitoring conform het Handboek Projectmonitoring verdrogingsbestrijding Provincie Noord-Brabant;

    • c.

       kosten voor communicatie ter vergroting van het draagvlak voor de subsidiabele activiteit en ter verbreiding van de resultaten van de subsidiabele activiteit.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, komen, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4, onder b, de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

       kosten voor verhoging van de grond- en oppervlaktewaterstand of ter versterking van de kwel;

    • b.

       kosten voor stremming van de afvoer, met als doel het vasthouden van water en de bevordering van infiltratie;

    • c.

       kosten voor het verhogen van de drainagebasis;

    • d.

       kosten voor externe aanvoer voor suppletie en infiltratie van water;

    • e.

       kosten voor het hydrologisch isoleren van watergangen of gebieden;

    • f.

       kosten voor het verminderen van grondwateronttrekkingen;

    • g.

       kosten voor ondersteunende maatregelen binnen de ecologische hoofdstructuur ten behoeve van hydro-ecologisch herstel;

    • h.

       kosten voor aanleg en inrichting van monitoring conform het Handboek Projectmonitoring verdrogingsbestrijding Provincie Noord-Brabant;

    • i.

       kosten voor maatregelen ter voorkoming van schade aan bebouwing als gevolg van vernattingsmaatregelen;

    • j.

       kosten voor nadeelcompensatie door het waterschap in verband met:

      • 1°.

         landbouwkundige opbrengstvermindering door natschade als gevolg van vernattingsmaatregelen;

      • 2°.

         schade, bedoeld onder i;

    • k.

       kosten van grondverwerving buiten de ecologische hoofdstructuur voor zover:

      • 1°.

         grondverwerving noodzakelijk blijkt voor het uitvoeren van de maatregelen als bedoeld onder a tot en met g;

      • 2°.

         de grond tegen een marktconforme prijs wordt verworven.

Artikel 4.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 4.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten voor het opstellen van een plan MER;

  • b.

     grondverwerving binnen de ecologische hoofdstructuur;

  • c.

     kosten van beheer en onderhoud;

  • d.

     reguliere werkzaamheden van de subsidieaanvrager.

Artikel 4.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 2 oktober 2014 tot en met 19 december 2014.

Artikel 4.10 Subsidieplafond

  • 1 Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4.4, onder a, voor de tenderperiode van 2 oktober 2014 tot en met 19 december 2014, vast op € 2.820.000.

  • 2 Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond als bedoeld in artikel 4.4, onder b, voor de tenderperiode van 2 oktober 2014 tot en met 19 december 2014, vast op € 6.856.745.

Artikel 4.11 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 4.4, onder a, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.

  • 2  Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt, dat het gemiddelde bedrag per hectare te herstellen areaal over het totaal van aanvragen voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 4.4, onder a, afwijkt van het normbedrag van € 2.000 per hectare te herstellen areaal, wordt de subsidie, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid verminderd tot het gemiddelde bedrag overeenkomt met het normbedrag.

  • 3  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 4.4, onder b, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

  • 4  Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt, dat het gemiddelde bedrag per hectare te herstellen areaal over het totaal van aanvragen voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 4.4, onder b, afwijkt van het normbedrag van € 4.000 per hectare te herstellen areaal, wordt de subsidie, bedoeld in het derde lid, naar evenredigheid verminderd tot het gemiddelde bedrag overeenkomt met het normbedrag.

  • 5  Indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan €125.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 4.12 Verdeelcriteria

  • 1  Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 4.4, onder a, het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 4.10, onder a, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende aanvragen op basis van de mate waarin de kosten afwijken van het normbedrag van € 2.000 per hectare te herstellen areaal.

  • 2  Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 4.4, onder b, het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 4.10, onder b, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende aanvragen op basis van de mate waarin de kosten afwijken van het normbedrag van € 4.000 per hectare te herstellen areaal.

  • 3  Bij de toepassing van het eerste en het tweede lid gaan aanvragen die het normbedrag dichter benaderen voor op aanvragen die verder afwijken van het normbedrag.

  • 4  Indien toepassing van het eerste lid en tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijke plaats in de rangorde eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 4.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 4.4, onder a, is uiterlijk 31 december 2015 afgerond;

  • b.

     de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 4.4, onder b, is uiterlijk 31 december 2017 afgerond;

  • c.

     in afwijking van het vorige onderdeel is de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 4.4, onder b, uiterlijk 31 december 2015 afgerond indien de activiteit onderdeel uitmaakt van de Tweede Bestuursovereenkomst;

  • d.

     de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • e.

     de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

Artikel 4.14 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

  • a.

     activiteitenverslag, gespecificeerd in relatie tot de gerealiseerde doelen;

  • b.

     communicatieverslag.

Artikel 4.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 80 % van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 5 Beek- en kreekherstel

Artikel 5.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     ambitiekaart: kaart als bedoeld in de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Noord-Brabant en de Subsidieregeling natuurbeheer Noord-Brabant 2010;

  • b.

     ecologische hoofdstructuur: samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel het veiligstellen van ecosystemen met de daarbij horende soorten;

  • c.

     integrale opzet: opzet waarbij de doelstellingen voor de inrichting van waterlopen gecombineerd worden met de doelstellingen voor verdrogingsbestrijding en overige thema’s;

  • d.

     GGOR: gewenst en gewogen grond- en oppervlaktewaterregime;

  • e.

     Natura 2000: samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie zoals opgenomen op plankaart I Waterplan;

  • f.

     Natura 2000: samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie zoals opgenomen op plankaart I Waterplan;

  • g.

     OGOR: optimaal grond- en oppervlaktewaterregime;

  • h.

     programma: gebundelde reeks van projecten;

  • i.

     Tweede Bestuursovereenkomst: overeenkomst tussen de provincie Noord-Brabant en de Brabantse waterschappen over de gecoördineerde en integrale uitvoering van de wateropgave in Brabant in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2015;

  • j.

     Waterplan: het door Provinciale Staten op 20 november 2009 vastgestelde Waterplan Noord-Brabant.

Artikel 5.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door waterschappen.

Artikel 5.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 5.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

     projecten of programma’s gericht op voorbereiding van maatregelen voor beek- en kreekherstel;

  • b.

     projecten of programma’s gericht op de voorbereiding en uitvoering van maatregelen voor beek- en kreekherstel.

Artikel 5.5 Weigeringsgronden

  • 1  Subsidie als bedoeld in artikel 5.4, onder a, wordt geweigerd indien:

    • a.

       voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 4.4, onder b, reeds subsidie is verstrekt;

    • b.

       voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 5.4,onder b, reeds subsidie is verstrekt;

    • c.

       voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 6.4, reeds subsidie is verstrekt.

  • 2  Subsidie als bedoeld in artikel 5.4, onder b, wordt geweigerd indien:

    • a.

       voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 4.4, onder a, reeds subsidie is verstrekt;

    • b.

       voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 5.4,onder a, reeds subsidie is verstrekt.

Artikel 5.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd in of ten behoeve van een natte natuurparel;

    • c.

       de subsidiabele activiteit is gericht op het bereiken van het OGOR voor de natuurdoelen uit de ambitiekaart, waarbij de ondergrens gevormd wordt door de provinciale beleidsuitgangspunten uit de nota ‘Kaders voor het GGOR’;

    • d.

       de subsidiabele activiteit is afgestemd op de prioriteiten en doelstellingen voor Natura 2000;

    • e.

       de subsidiabele activiteit is gericht op beken en kreken waaraan een specifieke natuurfunctie of functie verweven is toegekend in het Waterplan;

    • f.

       de subsidiabele activiteit is gericht op het behoud, herstel en ontwikkeling van beken en kreken;

    • g.

       de subsidiabele activiteit voldoet aan de criteria voor beek- en kreekherstel, die zijn opgenomen in Appendix II van de Tweede Bestuursovereenkomst;

    • h.

       de subsidiabele activiteit heeft een integrale opzet;

    • i.

       de parameters voor de na te streven waterkwaliteit zijn conform de parameters voor de ecologische potenties van het watersysteem behorende bij de functie zoals omschreven in het Waterplan;

    • j.

       het maai- en peilbeheer wordt aangepast aan de ecologische potenties van het watersysteem;

    • k.

       aan de subsidiabele activiteit ligt ten grondslag:

      • 1°.

         een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

         een sluitende begroting.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, is de subsidiabele activiteit om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.4, onder b, aanmerking te komen, gericht op het behoud of ontwikkeling van de Natura 2000 doelen.

Artikel 5.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie als bedoeld in artikel 5.4 de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

       kosten voor onderzoek en voorbereiding, inclusief planvorming en bestek gereed maken vanaf 1-1-2007;

    • b.

       kosten voor het ontwerp van monitoring;

    • c.

       kosten voor communicatie ter vergroting van het draagvlak voor de subsidiabele activiteit en ter verbreiding van de resultaten van de subsidiabele activiteit.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, komen, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie voor subsidie als bedoeld in artikel 5.4, onder b, de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

       kosten voor maatregelen ten behoud, herstel en ontwikkeling van de hydrologie zoals verhang, stroomsnelheid, voeding, watervoerendheid, overstromingsfrequentie, peilfluctuatie en insnijding;

    • b.

       kosten voor maatregelen ten behoud, herstel en ontwikkeling van de morfologie zoals profielvorm, tracévorm, substraat, sedimentatie en erosie, transporterend vermogen en karakteristieke beplanting;

    • c.

       kosten voor aanleg en inrichting van monitoring;

    • d.

       kosten voor maatregelen ter voorkoming van schade aan bebouwing als gevolg van vernattingsmaatregelen;

    • e.

       kosten voor nadeelcompensatie door het waterschap in verband met:

      • 1°.

         landbouwkundige opbrengstvermindering door natschade als gevolg van vernattingsmaatregelen;

      • 2°.

         schade, bedoeld onder d;

    • f.

       kosten van grondverwerving buiten de ecologische hoofdstructuur voor zover:

      • 1°.

         grondverwerving noodzakelijk blijkt voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteit;

      • 2°.

         de grond tegen een marktconforme prijs wordt verworven.

Artikel 5.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 5.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     grondverwerving binnen de ecologische hoofdstructuur;

  • b.

     kosten van beheer en onderhoud;

  • c.

     reguliere werkzaamheden van de subsidieaanvrager .

Artikel 5.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 2 oktober 2014 tot en met 19 december 2014.

Artikel 5.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 5.4, onder a en b vast op € 0.

Artikel 5.11 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 5.4, onder a, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.

  • 2  Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt, dat het gemiddelde bedrag per strekkende kilometer te realiseren herstel, inclusief waterberging, over het totaal van aanvragen voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 5.4, onder a, afwijkt van het normbedrag van €127.500 per strekkende kilometer te realiseren herstel, inclusief waterberging, wordt de subsidie, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid verminderd tot het gemiddelde bedrag overeenkomt met het normbedrag.

  • 3  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 5.4, onder b, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van €255.000 per strekkende kilometer te realiseren herstel, inclusief waterberging.

  • 4  Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt, dat het gemiddelde bedrag per strekkende kilometer te realiseren herstel, inclusief waterberging, over het totaal van aanvragen voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 5.4, onder b, afwijkt van het normbedrag van €255.000 per strekkende kilometer te realiseren herstel, inclusief waterberging, wordt de subsidie, bedoeld in het derde lid, naar evenredigheid verminderd tot het gemiddelde bedrag overeenkomt met het normbedrag.

  • 5  Indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan €125.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 5.12 Verdeelcriteria

  • 1  Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 5.4, onder a, het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 5.10, onder a, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende aanvragen op basis van de mate waarin de kosten afwijken van het normbedrag van €127.500 per strekkende kilometer te realiseren herstel, inclusief waterberging.

  • 2  Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 5.4, onder b, het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 5.10,onder b, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende aanvragen op basis van de mate waarin de kosten afwijken van het normbedrag van €255.000 per strekkende kilometer te realiseren herstel, inclusief waterberging.

  • 3  Bij de toepassing van het eerste en het tweede lid gaan aanvragen die het normbedrag dichter benaderen voor op aanvragen die verder afwijken van het normbedrag.

  • 4  Indien toepassing van het eerste lid en tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijke plaats in de rangorde eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 5.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 5.4, onder a, is uiterlijk 31 december 2015 afgerond;

  • b.

     de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 5.4, onder b, is uiterlijk 31 december 2017 afgerond;

  • c.

     in afwijking van het vorige onderdeel is de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 5.4, onder b, uiterlijk 31 december 2015 afgerond indien de activiteit onderdeel uitmaakt van de Tweede Bestuursovereenkomst;

  • d.

     de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • e.

     de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 5.14 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

  • a.

     activiteitenverslag, gespecificeerd in relatie tot de gerealiseerde doelen;

  • b.

     communicatieverslag.

Artikel 5.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 6 Aanleg vispassages

Artikel 6.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     ecologische hoofdstructuur: samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel het veiligstellen van ecosystemen met de daarbij horende soorten;

  • b.

     Natura 2000: samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie zoals opgenomen op plankaart I Waterplan;

  • c.

     programma: gebundelde reeks van projecten;

  • d.

     Tweede Bestuursovereenkomst: overeenkomst tussen de provincie Noord-Brabant en de Brabantse waterschappen over de gecoördineerde en integrale uitvoering van de wateropgave in Brabant in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2015;

  • e.

     Waterplan: het door Provinciale Staten op 20 november 2009 vastgestelde Waterplan Noord-Brabant.

Artikel 6.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door waterschappen.

Artikel 6.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 6.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten of programma’s gericht op de voorbereiding en uitvoering van de aanleg van een vispassage.

Artikel 6.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

     voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 4.4, onder a, reeds subsidie is verstrekt;

  • b.

     voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 5.4, onder a, reeds subsidie is verstrekt.

Artikel 6.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

     de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

  • b.

     de subsidiabele activiteit is gericht op het behoud of ontwikkeling van de Natura2000 doelstellingen;

  • c.

     de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd in beken en kreken waaraan een specifieke natuurfunctie of functie verweven is toegekend in het Waterplan;

  • d.

     de subsidiabele activiteit voldoet aan de criteria die zijn opgenomen in Appendix II van de Tweede Bestuursovereenkomst;

  • e.

     aan de subsidiabele activiteit ligt ten grondslag:

    • 1°.

       een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

       een sluitende begroting.

Artikel 6.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten van uitvoering voor de aanleg van een vispassage en direct daarmee samenhangende maatregelen ter behoud, herstel en ontwikkeling van migratie van aquatische en semi-aquatische organismen;

  • b.

     kosten voor onderzoek en voorbereiding, inclusief planvorming en bestek gereed maken vanaf 1-1-2007;

  • c.

     kosten voor het ontwerp van monitoring;

  • d.

     kosten voor communicatie ter vergroting van draagvlak voor project en ter openbaring van de resultaten van de subsidiabele activiteit.

Artikel 6.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 6.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     grondverwerving binnen de ecologische hoofdstructuur;

  • b.

     kosten van beheer en onderhoud;

  • c.

     reguliere werkzaamheden van de subsidieaanvrager .

Artikel 6.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 2 oktober 2014 tot en met 19 december 2014.

Artikel 6.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 6.4 vast op € 0.

Artikel 6.11 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 6.4, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2  Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt, dat het gemiddelde bedrag per vispassage over het totaal van aanvragen voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 6.4, afwijkt van het normbedrag van € 110.000 per vispassage, wordt de subsidie, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid verminderd tot het gemiddelde bedrag overeenkomt met het normbedrag.

  • 3  Indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan €125.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 6.12 Verdeelcriteria

  • 1  Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 6.4, het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 6.10 te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende aanvragen op basis van de mate waarin de kosten afwijken van het normbedrag van € 110.000 per vispassage.

  • 2  Bij de toepassing van het eerste lid gaan aanvragen die het normbedrag dichter benaderen voor op aanvragen die verder afwijken van het normbedrag.

  • 3  Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijke plaats in de rangorde eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 6.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     de subsidiabele activiteit is uiterlijk 31 december 2017 afgerond;

  • b.

     in afwijking van het vorige onderdeel is de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 6.4, uiterlijk 31 december 2015 afgerond indien de activiteit onderdeel uitmaakt van de Tweede Bestuursovereenkomst;

  • c.

     de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • d.

     de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 6.14 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

  • a.

     activiteitenverslag, gespecificeerd in relatie tot de gerealiseerde doelen;

  • b.

     communicatieverslag.

Artikel 6.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2  Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 3  Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald. 

§ 7 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 7.1 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2015 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.

Artikel 7.2 Intrekking

De Subsidieregeling water Noord-Brabant wordt ingetrokken.

Artikel 7.3 Overgangsrecht

Voor subsidieaanvragen ingediend voor de inwerkingtreding van deze regeling blijft de Subsidieregeling water Noord-Brabant zijn werking behouden.

Artikel 7.4 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2013.

Artikel 7.5 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 19 maart 2013

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris drs. W.G.H.M. Rutten

Bijlagen

Bijlage 1 bij de Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013

Prioritaire vennen [Klik hier om het document te downloaden]

Bijlage 2 bij de Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013

Plankaart 1 Waterhuishoudkundige functies [Klik hier om het document te downloaden]

Bijlage 3 bij de Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013

Vooronderzoek venherstel [Klik hier om het document te downloaden]

Bijlage 4 bij de Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013

Projectmonitoring venherstel [Klik hier om het document te downloaden]

Bijlage 5 bij de Subsidieregeling water Noord-Brabant 2013

Plankaart 2 Structuurvisie water [Klik hier om het document te downloaden]

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingSubsidieregeling water Noord-Brabant 2013
CiteertitelSubsidieregeling water Noord-Brabant 2013
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerpsubsidies, water, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze wijziging werkt terug tot en met 17 november 2015.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, art. 2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen. 

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

21-11-201517-11-201504-02-2016art. 3.9, 3.10, 3.11, 3.14

17-11-2015

Provinciaal Blad, 2015, 138

S0305756
19-11-201521-11-2015art. 3.9, 3.10, 3.11, 3.14

17-11-2015

Provinciaal Blad, 2015, 134

S0305621
21-05-201519-11-2015art. 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.5, 3.6, 3.7, 3.8, 3.9, 3.10, 3.11, 3.12, 3.13, 3.14, 3.15, 3.16

19-05-2015

Provinciaal Blad, 2015, 62

S0298813
06-03-201501-04-201321-05-2015art. 2.9, 2.10, 3.10, 4.10

03-03-2015

Provinciaal Blad, 2015, 20

S0295615
01-01-201506-03-2015Art. 1.10, 3.10, 4.10, 5.10, 6.10

16-12-2014

Provinciaal Blad, 2014, 180

S0292684
02-10-201401-01-2015Art. 1.1, 1.4, 1.5, 1.6, 1.7, 1.9, 1.10, 1.11, 3.2, 3.6, 3.7, 3.11, vernummering 4.1 t/m 4.5 tot 7.1 t/m 7.5, 4.1 t/m 6.15, bijlage 1

30-09-2014

Provinciaal Blad, 2014, 111

3669780
01-01-201402-10-2014Art. 1.9, 1.10

17-12-2013

Provinciaal Blad, 2013, 187

S0277053
24-08-201301-01-2014Art. 3.6, 3.7, 3.11,

20-08-2013

Provinciaal Blad, 2013, 115

3434148
01-04-201324-08-2013Nieuwe regeling

19-03-2013

Provinciaal Blad, 2013, 49

3370774