Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Overwegende dat Provinciale Staten op 9 december 2011 het Koersdocument Transitie Stad en Platteland hebben vastgesteld;

Overwegende dat Provinciale Staten op 21 september 2012 de kaderstellende nota Leefbaarheid@Brabant, Beleidskader 2012-2015 hebben vastgesteld als uitwerking van het Koersdocument Transitie Stad en Platteland voor het onderdeel leefbaarheid;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op 20 november 2012 het uitvoeringsprogramma Leefbaarheid@Brabant heeft vastgesteld als uitwerking van het de kaderstellende nota Leefbaarheid@Brabant;

Overwegende dat de provincie de leefbaarheid wil stimuleren door het versterken van het zelforganiserend vermogen van samenwerkingsverbanden en door innovatieve benaderingen waarbij burgers, overheden, ondernemers, onderzoeksorganisaties en maatschappelijke organisaties zijn betrokken;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op de te subsidiëren projecten de module 1 van de Omnibus Decentraal Regeling, zoals goedgekeurd door de Europese Commissie bij beschikking SA.34101 (2011N) van 20 februari 2012 van toepassing verklaren;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    kleine en middelgrote onderneming: onderneming als bedoeld in Bijlage I van Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008;

  • b.

    leefbaarheid: mate waarin de leefomgeving aansluit bij de voorwaarden en behoeften die er door de burger aan worden gesteld;

  • c.

    maatschappelijke organisatie: organisatie met een publieke functie zonder winstoogmerk;

  • d.

    onderneming: eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd;

  • e.

    onderzoeksorganisatie: organisatie als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008;

  • f.

    zelforganiserend vermogen: vermogen om vanuit gezamenlijk gedefinieerde problemen of opgaven vorm te geven aan de woon- en leefomgeving.

Artikel 2 Doelgroep

  • 1 Subsidie kan worden aangevraagd door rechtspersonen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid zijn de volgende rechtspersonen uitgezonderd:

    • a.

      de door de provincie structureel gesubsidieerde instellingen;

    • b.

      adviesbureaus.

Artikel 3 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, kunnen worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het versterken van de leefbaarheid.

Artikel 5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien voor het project reeds subsidie is verstrekt op grond van een andere provinciale subsidieregeling.

Artikel 6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

  • b.

    de subsidieaanvrager is deelnemer van een samenwerkingsverband dat in ieder geval bestaat uit een groep georganiseerde burgers en ten minste uit een of meer van de volgende organisaties:

    • 1°.

      maatschappelijke organisatie;

    • 2°.

      zorginstelling of medisch centrum;

    • 3°.

      een onderzoeksorganisatie;

    • 4°.

      een commerciële onderneming;

    • 5°.

      een overheidsinstelling;

  • c.

    het project versterkt het zelforganiserend vermogen van samenwerkingsverbanden om in regionaal of bovenlokaal verband maatschappelijke vraagstukken op te lossen;

  • d.

    het project levert een verbetering op van de leefbaarheid in relatie tot demografische ontwikkelingen;

  • e.

    bij deelname van een grote onderneming aan het samenwerkingsverband wordt het stimulerend effect van het project aangetoond;

  • f.

    aan het project liggen ten grondslag:

    • 1°.

      een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze regeling;

    • 2°.

      een sluitende begroting.

Artikel 7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    loonkosten van medewerkers die direct bij de uitvoering van het project betrokken zijn;

  • b.

    loonkosten voor deskundigen tot een maximum van gemiddeld € 93 per uur, inclusief sociale lasten en overhead;

  • c.

    vergoeding voor vrijwilligers en studenten van maximaal € 25 per uur, die direct bij de uitvoering van het project betrokken zijn;

  • d.

    kosten voor apparatuur voor zover en voor zolang zij voor het project worden gebruikt;

  • e.

    indien de apparatuur en uitrusting bedoeld onder e niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten voor de looptijd van het project berekend;

  • f.

    kosten voor onderzoek en gelijkwaardige diensten van kennisinstituten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

  • g.

    kosten die rechtstreeks uit het project voortvloeien;

  • h.

    kosten voor publiciteit en communicatie.

Artikel 8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend:

  • a.

    van 1 april 2013 tot en met 30 juni 2013;

  • b.

    van 1 november 2013 tot en met 31 december 2013.

Artikel 9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4:

  • 1.

    voor de periode van 1 april 2013 tot en met 30 juni 2013, vast op € 4.800.000;

  • 2.

    voor de periode van 1 november 2013 tot en met 31 december 2013 vast op € 4.800.000.

Artikel 10 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 4 bedraagt 25% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 500.000 per project.

  • 2 Onverminderd het maximum, genoemd in het eerste lid, wordt het percentage, genoemd in het eerste lid, verhoogd met:

    • a.

      20% indien subsidie wordt verstrekt aan een kleine onderneming;

    • b.

      10% indien subsidie wordt verstrekt aan een middelgrote onderneming.

  • 3 Onverminderd het tweede lid, kan het percentage genoemd in het eerste lid, worden verhoogd met 15% wanneer er sprake is van een samenwerkingsverband tussen een onderneming en een onderzoeksorganisatie bij een project waarbij:

    • a.

      de onderzoeksorganisatie ten minste 10% van de subsidiabele kosten van het project draagt;

    • b.

      de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren, voor zover deze afkomstig zijn van het door de onderzoeksorganisatie uitgevoerde onderzoek.

  • 4 Onverminderd het maximum, genoemd in het eerste lid, wordt indien ter zake van een project reeds door een ander bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies het van toepassing zijnde subsidiepercentage als percentage van de subsidiabele kosten niet wordt overschreden.

Artikel 11 Verdeelcriteria

  • 1 Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3 Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het project start binnen drie maanden na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening;

  • b.

    bij subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • c.

    de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

  • d.

    de bevindingen en resultaten van het project worden toegankelijk gemaakt voor derden.

Artikel 13 Prestatieverantwoording

Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger bij de aanvraag aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 14 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Bij subsidies van € 25.000 en hoger verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt in een keer betaald.

Artikel 15 Subsidievaststelling

  • 1 Gelet op de Omnibus Decentraal Regeling worden, in afwijking van de artikelen 13, 20 en 21 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, subsidies tot € 125.000 vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.

  • 2 Op de subsidies, bedoeld in het eerste lid, is artikel 22 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het tweede lid, onder b, en het vijfde lid, onder a, onderdeel 2˚ en onder b.

Artikel 16 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2015 na de inwerkingtreding van deze regeling en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk of nadere omlijning van aspecten of onderdelen van de regeling.

Artikel 17 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2013.

Artikel 18 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling leefbaarheid@Brabant Noord-Brabant.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 19 maart 2013

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris drs. W.G.H.M. Rutten

 

Algemeen

Op 21 september 2012 hebben Provinciale Staten de kaderstellende nota Leefbaarheid@Brabant, Beleidskader 2012-2015 vastgesteld als uitwerking van het Koersdocument Transitie Stad en Platteland voor het onderdeel leefbaarheid. In het beleidskader is ervoor gekozen om leefbaarheid te stimuleren via het versterken van het zelforganiserend vermogen van samenwerkingsverbanden. Dit beleidskader is uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma Leefbaarheid@Brabant dat op 20 november 2012 door Gedeputeerde Staten is vastgesteld. In het uitvoeringsprogramma worden middelen beschikbaar gesteld om leefbaarheidsinitiatieven te stimuleren. Met deze regeling wordt beoogd uitvoering te geven aan het uitvoeringsprogramma.

De provincie wil het zelforganiserend vermogen van regionale of bovenlokale samenwerkingsverbanden versterken met het oog op de oplossing van leefbaarheidsvraagstukken als gevolg van demografische ontwikkelingen. De ambitie is dat diverse coalities van maatschappelijke organisaties, bewoners, ondernemers, onderzoeksorganisaties en overheden op regionaal of bovenlokaal niveau gaan samenwerken om uitvoering te geven aan projecten die de leefbaarheid in hun woon- en leefomgeving ten goede komen.

Juridisch kader Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in deze subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten en algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht. Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Asv noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.

Subsidies en Europese staatssteunregels Deze subsidieregeling valt binnen module 1, onderdeel experimentele ontwikkeling, van de Omnibus Decentraal Regeling die door de Europese Commissie is goedgekeurd op 3 april 2008. Onder experimentele ontwikkeling wordt verstaan: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden voor plannen, schema’s of ontwerpen van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, procédés of diensten. De provincie wil naast de samenwerking tussen overheden, maatschappelijke organisaties en burgers ook de samenwerking tussen voornoemde partijen en bedrijven en kennisinstituten bevorderen. Deze samenwerking kan bijdragen aan het oplossen van leefbaarheidsvraagstukken. Om deze reden sluit deze subsidieregeling aan op de Omnibus Decentraal Regeling.

Artikelsgewijs

Artikel 1 Begripsbepalingen Onder a Kleine en middelgrote ondernemingen In bijlage I van de Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus worden de begrippen kleine en middelgrote ondernemingen gedefinieerd. Een kleine onderneming is een onderneming waar minder dan 50 personen voltijds werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijks balanstotaal de 10 miljoen niet overschrijdt. Een middelgrote onderneming is een onderneming waar minder dan 250 personen voltijds werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet de 50 miljoen of het jaarlijks balanstotaal de 43 miljoen niet overschrijdt. Onder e Onderzoeksorganisatie In artikel 30, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 wordt het begrip onderzoeksorganisatie gedefinieerd. Een onderzoeksorganisatie is een entiteit, zoals een universiteit of onderzoeksorganisatie, ongeacht haar rechtsvorm of financieringswijze, die zich in hoofdzaak bezighoudt met het verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling en het verspreiden van de resultaten daarvan door middel van onderwijs, publicaties of technologieoverdracht.

Artikel 6 Subsidievereisten Onder b Samenwerkingsverband Om het zelforganiserend vermogen van natuurlijke personen zoveel mogelijk te bevorderen bestaat een samenwerkingsverband in ieder geval uit een groep georganiseerde burgers, zoals ouderenorganisaties, patiëntenorganisaties, wijk- en dorpsraden e.d. Daarnaast wordt het samenwerkingsverband aangevuld met tenminste een van de organisaties genoemd in de onderdelen 1° tot en met 5°. De groep georganiseerde burgers hoeft geen rechtspersoon te zijn. Onder c Zelforganiserend vermogen De verantwoordelijkheid voor behoud en versterking van de leefbaarheid ligt primair bij de burgers, gemeenten, zorginstellingen, woningbouwcorporaties, onderwijs, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. De provincie wil erbij behulpzaam zijn dat deze partners elkaar vinden en samenwerkingsverbanden aangaan om innovatieve oplossingen voor leefbaarheidsvraagstukken te ontwikkelen en te realiseren. De provincie wil daarbij in het bijzonder aansluiten op de bewegingen of initiatieven die door regionale of bovenlokale netwerken reeds in gang worden of zijn gezet. Door onder andere demografische ontwikkelingen is de aanpak van leefbaarheid in bovenlokale samenwerkingsverbanden urgent. Voorbeelden daarvan zijn het vinden van innovatieve oplossingen voor voorzieningen en het ontwikkelingen van nieuwe woonzorg-concepten in regionaal of bovenlokaal verband. Bij bijvoorbeeld zorgcoöperaties nemen bewoners zelf het initiatief om diensten rondom zorg en welzijn te organiseren en aan te bieden aan de gemeenschap. Zij maken het in een woon- of leefomgeving mogelijk dat ouderen langer zelfstandig thuis en derhalve in hun vertrouwde woonomgeving kunnen blijven wonen. Dit kan bijvoorbeeld door op een innovatieve wijze de rol van de professional en die van de mantelzorger of vrijwilliger op elkaar af te stemmen en zorg- en welzijnsarrangementen op maat te ontwikkelen en in te richten. Daarbij wordt in regionaal verband samengewerkt. Onder d Demografische ontwikkelingen Met het project wordt geanticipeerd op zaken als krimp, ontgroening of vergrijzing van de bevolking. Onder e Stimulerend effect Staatssteun voor experimentele ontwikkeling moet ertoe leiden dat de subsidieontvanger zijn gedrag wijzigt en de activiteit dankzij de subsidie in omvang, reikwijdte, bedrag of uitvoeringssnelheid toeneemt. Voor kleine en middelgrote ondernemingen is het stimulerend effect voldoende aangetoond indien deze met het project pas starten na indiening van de subsidieaanvraag. Een grote onderneming dient het stimulerend effect van het project aan te tonen op basis van een analyse waarbij een situatie waarin geen steun wordt verleend, wordt vergeleken met een situatie waarin wel steun wordt verleend. Daarbij kan worden gebruikt gemaakt van de volgende criteria: - Verruiming van de projectomvang: verhoging van de totale projectkosten, zonder dat de begunstigde zijn uitgaven vermindert ten opzichte van een situatie zonder steun of uitbreiding van het aantal personen dat voor het project wordt ingezet; - Uitbreiding van de reikwijdte: uitbreiding van het aantal van het project te verwachten resultaten; - Verhoging van de snelheid: er is minder tijd nodig om het project af te ronden dan wanneer het project zonder steun zou plaatsvinden; - Stijging van de totale projectuitgaven van de begunstigde. Wanneer een significant effect op ten minste een van deze punten kan worden aangetoond kan er, rekening houdend met de normale gedragingen van een onderneming in de betrokken sector, besloten worden dat het steunvoornemen een stimulerend effect heeft.

Artikel 7 Subsidiabele kosten Onder c Vergoeding voor vrijwilligers en studenten Alleen de werkelijk gemaakte kosten voor vrijwilligers en studenten zijn subsidiabel. Dat betekent dat alleen die kosten worden vergoed die daadwerkelijk worden gemaakt voor de inzet van vrijwilligers en studenten tot een maximum van € 25 per uur. Onder g Kosten die rechtstreeks uit het project voortvloeien Bij deze kosten kan onder meer gedacht worden aan onkosten van vrijwilligers en deelname aan symposia.

Artikel 10 Subsidiehoogte In dit artikel wordt aangegeven welke percentages van de subsidiabele kosten worden gehanteerd. Hiertoe wordt bekeken uit welke deelnemers het samenwerkingsverband bestaat. Indien het samenwerkingsverband uit een of meerdere kleine ondernemingen bestaat kan het percentage worden verhoogd met 20 procentpunten naar 45%. Indien bij het samenwerkingsverband een of meerdere middelgrote ondernemingen horen kan het percentage worden verhoogd met 10 procentpunten naar 35%. Wanneer een of meerdere grote ondernemingen deelnemen mag er maximaal 25% van de subsidiabele kosten worden verleend. Het percentage kan met 15 procentpunten worden verhoogd indien het samenwerkingsverband in ieder geval bestaat uit een onderneming en een onderzoeksorganisatie. Wanneer hetzelfde project door verschillende overheden wordt gesubsidieerd mag het subsidiepercentage dat van toepassing is op het desbetreffende project niet worden overschreden.

Artikel 12 Verplichtingen van de subsidieontvanger Onder d Resultaten toegankelijk maken De subsidieontvanger kan de bevindingen en resultaten van het project toegankelijk maken voor derden door actief deel te nemen aan de te organiseren kennisdelingsbijeenkomsten van de provincie. Bij deze bijeenkomsten kunnen de subsidieontvangers worden gevraagd om de bevindingen en resultaten van hun projecten te presenteren en met anderen te delen.

Artikelen 12, onder c, 13 en 15 Verplichtingen van de subsidieontvanger, prestatieverantwoording, subsidievaststelling Omdat deze subsidieregeling valt binnen module 1 van de Omnibus Decentraal Regeling, worden alle projecten afgerekend op grond van prestaties en gerealiseerde kosten. De reden hiervoor is dat de Europese Commissie specifieke eisen stelt aan de verantwoording en controle van subsidies. Omdat de Omnibus Decentraal Regeling een door de Europese Commissie goedgekeurde regeling is prevaleren de verplichtingen betreffende de verantwoording boven die van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitterde secretaris
prof. dr. W.B.H.J. van de Donkdrs. W.G.H.M. Rutten

 

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingSubsidieregeling leefbaarheid@Brabant Noord-Brabant
CiteertitelSubsidieregeling leefbaarheid@Brabant Noord-Brabant
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpleefomgeving, ruimtelijke ordening, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen. 

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, art. 2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen. 

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-04-201325-10-2013Nieuwe regeling

19-03-2013

Provinciaal Blad, 2013, 44

3370774