Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Overwegende dat de vereniging Zuidelijke Land en Tuinbouw Organisatie en de provincie Noord-Brabant gezamenlijk door middel van innovatie een duurzame en in de maatschappij verankerde landbouw willen bevorderen;

Overwegende dat zij dit willen bereiken door investeringen in landbouwbedrijven, ontwikkeling van kwaliteitslandbouwproducten en technische ondersteuning in de landbouwsector te stimuleren;

Overwegende dat Verordening (EG) nr. 1857/2006 van 15 december 2006 van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 hiervoor in de artikelen 4, 14 en 15 een vrijstellingsmogelijkheid biedt;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten daartoe op 19 februari 2008 de Beleidsregels inzake de subsidieverlening in het kader van het convenant Stuurgroep Landbouw Innovatie Noord-Brabant hebben vastgesteld, laatstelijk gewijzigd op 31 mei 2011, waarbij de regeling de citeertitel Subsidieregeling landbouw innovatie Noord-Brabant heeft gekregen;

Overwegende dat Provinciale Staten op 12 oktober 2012 de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant hebben vastgesteld, waarin de uitgangspunten van het Kader financieel beheer rijkssubsidies zijn geïmplementeerd, alsmede een algehele actualisatie is doorgevoerd;

Overwegende dat aanpassing van de Subsidieregeling landbouw innovatie Noord-Brabant aan de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant leidt tot een aantal noodzakelijke wijzigingen en Gedeputeerde Staten het derhalve wenselijk achten een geheel nieuwe regeling vast te stellen;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    dienstverlener: degene die diensten verleent aan een producent;

  • b.

    kwaliteitslandbouwproduct: kwaliteitslandbouwproduct als bedoeld in de Verordening;

  • c.

    producent: kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in de Verordening;

  • d.

    Verordening: Verordening (EG) nr. 1857/2006 van 15 december 2006 van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001.

Artikel 2 Doelgroep

  • 1 Subsidie kan worden aangevraagd door:

    • a.

      privaatrechtelijke rechtspersonen;

    • b.

      publiekrechtelijke rechtspersonen;

    • c.

      een samenwerkingsverband, waarvan ten minste één deelnemer producent is.

  • 2 Indien sprake is van een samenwerkingsverband treedt één deelnemer van het samenwerkingsverband op als penvoerder en draagt zorg voor:

    • a.

      de subsidieaanvraag;

    • b.

      de overige correspondentie; en

    • c.

      de inhoudelijke en financiële verantwoording.

Artikel 3 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    investeringen in landbouwbedrijven;

  • b.

    ontwikkeling van kwaliteitslandbouwproducten; of

  • c.

    technische ondersteuning in de landbouwsector.

Artikel 5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het project reeds is gerealiseerd op het moment van indiening van de subsidieaanvraag;

  • b.

    een project een wezenlijke samenhang heeft met een project of projecten, waarvoor reeds subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling landbouw innovatie Noord-Brabant of deze regeling en het gezamenlijke subsidiebedrag van deze projecten meer bedraagt dan € 100.000;

  • c.

    de subsidieaanvraag betrekking heeft op de verwerking of de afzet van landbouwproducten;

  • d.

    het een subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 4 betreft, waarbij de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de Verordening.

Artikel 6 Subsidievereisten

  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de producent is actief in de primaire productie van landbouwproducten;

    • b.

      het project is met name gericht op:

      • 1°.

        verlaging van de productiekosten;

      • 2°.

        verbetering en omschakeling van de productie;

      • 3°.

        verhoging van de kwaliteit van het productieproces of agrarisch product;

      • 4°.

        instandhouding of verbetering van het milieu, of verbetering van de hygiëneomstandigheden of de normen inzake dierenwelzijn;

    • c.

      het project is gericht op innovatieve technieken of bedrijfssystemen die zich lenen voor grootschalige toepassing of samenwerkingsverbanden die nog niet gebruikelijk zijn in de Noord-Brabantse agrarische sector;

    • d.

      het project heeft voldoende draagvlak binnen de landbouwsector en een reële slagingskans;

    • e.

      het project draagt bij aan de maatschappelijke acceptatie van de landbouwsector;

    • f.

      het project voldoet aan minimaal twee van de volgende criteria:

      • 1°.

        het project is gericht op bevordering van samenwerking van partners in de landbouwketen en het leggen van verbindingen met nieuwe partners;

      • 2°.

        het project speelt in op de behoeftes van het gebied rondom het project of nabij gelegen steden;

      • 3°.

        het project richt zich op kringloopsluiting met afval- en reststromen als mogelijke grondstof voor productieprocessen;

      • 4°.

        het project is gericht op ontwikkeling van biologische landbouw;

      • 5°.

        het project is gericht op de verbreding van agrarische bedrijfsactiviteiten van producenten en de versterking van ondernemerschap in de landbouw;

      • 6°.

        het project is gericht op het terugdringen van de milieubelasting en het verhogen van de grondstoffenefficiëntie;

    • g.

      aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

        een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze regeling;

      • 2°.

        een sluitende begroting.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder b en c, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat het diensten betreft die door een dienstverlener worden uitgevoerd.

Artikel 7 Subsidiabele kosten

  • 1 Voor projecten als bedoeld in artikel 4, onder a, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie de volgende daadwerkelijk gemaakte kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen;

    • b.

      kosten in verband met de koop of huurkoop van machines en materieel, met inbegrip van computerapparatuur, tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • c.

      algemene kosten in verband met de onder a en b bedoelde uitgaven.

  • 2 Voor projecten als bedoeld in artikel 4, onder b, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

      kosten van marktonderzoek;

    • b.

      kosten voor het bedenken en vormgeven van producten;

    • c.

      kosten voor de voorbereiding van aanvragen om erkenning van geografische oorsprongsaanduidingen en -benamingen of om een specificiteitscertifering te krijgen overeenkomstig de desbetreffende Europese verordeningen.

  • 3 Voor projecten in de landbouwsector als bedoeld in artikel 4, onder c, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      met betrekking tot onderwijs en opleiding voor landbouwers en bedrijfsmedewerkers:

      • 1°.

        kosten die met het organiseren van het opleidingsprogramma zijn gemoeid;

      • 2°.

        reis- en verblijfskosten van de deelnemers;

    • b.

      kosten van door derden geleverde adviesdiensten die niet van permanente of periodieke aard zijn en niet tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming behoren;

    • c.

      met betrekking tot de organisatie van en de deelname aan fora voor de uitwisseling van kennis tussen bedrijven, wedstrijden, tentoonstellingen en beurzen:

      • 1°.

        deelnamekosten;

      • 2°.

        reiskosten;

      • 3°.

        kosten van publicaties;

      • 4°.

        huur van expositieruimte;

      • 5°.

        symbolische prijzen die in het kader van wedstrijden worden uitgereikt, met een maximumwaarde van € 250 per prijs en per winnaar;

    • d.

      met betrekking tot de volgende activiteiten, op voorwaarde dat geen melding wordt gemaakt van het individuele bedrijf of merk van de individuele oorsprong:

      • 1°.

        kosten van het verspreiden van wetenschappelijke kennis binnen de publieke massa;

      • 2°.

        kosten van het verschaffen van feitelijke informatie over voor producten uit andere landen toegankelijke kwaliteitssystemen, over generieke producten, alsmede over de voedingswaarde van die producten en tips voor het gebruik;

    • e.

      kosten van publicaties, mits de informatie en de presentatie neutraal zijn en alle producenten dezelfde kans hebben om in de publicatie aan bod te komen.

Artikel 8 Niet subsidiabele kosten

  • 1 In afwijking van artikel 7, komen de kosten van reguliere bedrijfsactiviteiten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, komen voor investeringen in landbouwbedrijven als bedoeld in artikel 4, onder a, de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten voor de aankoop van productierechten, dieren en eenjarige gewassen;

    • b.

      kosten voor de aanplant van eenjarige gewassen;

    • c.

      kosten voor draineerwerkzaamheden, irrigatieapparatuur of irrigatiewerkzaamheden, tenzij dergelijke investeringen leiden tot een daling van het waterverbruik met ten minste 25%;

    • d.

      kosten voor reguliere vervangingsinvesteringen;

    • e.

      grondkosten;

    • f.

      kosten voor de vervaardiging van producten die melk en zuivelproducten imiteren of vervangen.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, komen voor ontwikkeling van kwaliteitslandbouwproducten als bedoeld in artikel 4, onder b, de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      investeringskosten;

    • b.

      kosten voor controles, die door de landbouwer of fabrikant zelf worden uitgevoerd of waarin de Europese wetgeving, zonder het daadwerkelijke niveau van de lasten aan te geven, de producent tot het betalen van controlekosten verplicht.

Artikel 9 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1 Subsidieaanvragen voor het jaar 2013 worden ingediend van 1 april 2013 tot en met 31 december 2013.

  • 2 Subsidieaanvragen voor het jaar 2014 worden ingediend van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014.

  • 3 Subsidieaanvragen voor het jaar 2015 worden ingediend van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015.

Artikel 10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4, voor de periode van 1 april 2013 tot en met 31 december 2015 vast op een totaal van € 1.500.000, waarvan:

  • a.

    € 500.000 voor de periode 1 april 2013 tot en met 31 december 2013;

  • b.

    € 500.000 voor de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014;

  • c.

    € 500.000 voor de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015.

Artikel 11 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie voor projecten als bedoeld in artikel 4, bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 35.000 per project.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, bedraagt de hoogte van de subsidie ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 35.000 per project, indien projecten als bedoeld in artikel 4, onder a, leiden tot extra kosten verband houdende met de bescherming of de verbetering van het milieu, de verbetering van hygiënische omstandigheden van veebedrijven of het welzijn van dieren, voorzover deze investeringen verder gaan dan de minimale geldende voorschriften van de Europese Unie.

  • 3 In afwijking van het eerste en tweede lid bedraagt de hoogte van de subsidie ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 35.000 per project, indien projecten als bedoeld in artikel 4, onder c, leiden tot kosten die betrekking hebben op onderwijs, opleiding of voorlichting voor landbouwers en bedrijfsmedewerkers.

  • 4 De percentages, genoemd in het eerste tot en met het derde lid, worden gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen aan subsidieontvanger niet meer bedraagt dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan.

Artikel 12 Verdeelcriteria

  • 1 Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3 Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a.

    de subsidieontvanger draagt de innovaties uit en verspreid ze naar sectorgenoten en partners in de landbouwketen;

  • b.

    de subsidieontvanger maakt de resultaten over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk toegankelijk voor derden;

  • c.

    bij subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode vanaf de verlening van de subsidie tot de vaststelling van de subsidie meer dan twaalf maanden bedraagt.

Artikel 14 Prestatieverantwoording

  • 1 Bij subsidies tot € 25.000 leggen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger desgevraagd aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 2 Bij subsidies van € 25.000 en hoger leggen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 3 Onverminderd het eerste en tweede lid, overlegt de ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 4, onder b en c, de factuur van de dienstverlener.

Artikel 15 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Bij subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 4, onder a, van € 25.000 en hoger verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van ten hoogste 80 % van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte.

  • 3 Het voorschot, bedoeld in het tweede lid, wordt betaald in termijnen waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

  • 4 Betaling van de subsidie voor projecten als bedoeld in artikel 4, onder b en c, vindt plaats door betaling aan een ander dan de producent.

Artikel 16 Subsidievaststelling

  • 1 Gelet op de Verordening worden, in afwijking van de artikelen 13, 20 en 21 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, subsidies tot € 125.000 vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.

  • 2 Op de subsidies, bedoeld in het eerste lid, is artikel 22 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het tweede lid, onder b, en het vijfde lid, onder a, onderdeel 2˚ en onder b.

Artikel 17 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2015 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.

Artikel 18 Intrekking

De Subsidieregeling landbouw innovatie Noord-Brabant wordt ingetrokken.

Artikel 19 Overgangsrecht

Voor subsidieaanvragen ingediend voor de inwerkingtreding van deze regeling blijft de Subsidieregeling landbouw innovatie Noord-Brabant zijn werking behouden.

Artikel 20 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2013.

Artikel 21 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling landbouw innovatie Noord-Brabant 2013.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 19 maart 2013

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris drs. W.G.H.M. Rutten

 

Algemeen

De ZLTO en de provincie Noord-Brabant hebben de intentie uitgesproken om gezamenlijk innovaties te bevorderen die de ontwikkeling van een duurzame en in de maatschappij verankerde land- en tuinbouw bevorderen. Deze intentie is vastgelegd in het convenant Stuurgroep Landbouw Innovatie Noord-Brabant (LIB) 2012 - 2015. Onderdeel van dit convenant is de subsidieregeling landbouw innovatie Noord-Brabant. Aan deze subsidieregeling dragen zowel de provincie als de ZLTO financieel bij.

Juridisch kader

Algemene wet bestuursrecht en de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant In titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het wettelijke kader van subsidies vastgelegd. In artikel 4:23 van de Awb wordt bepaald dat een bestuursorgaan slechts subsidie verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. In de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv) is voor de provincie Noord-Brabant nader uitgewerkt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 2 en artikel 4 van de Asv krachtens delegatie van verordenende bevoegdheid of bij beleidsregels, regels vaststellen met betrekking tot de wijze van indiening en afhandeling van aanvragen, aan de subsidiebeschikking te verbinden voorwaarden en verplichtingen en de maximaal te verlenen subsidie. Om een volledig beeld te krijgen van het gehele juridische subsidiekader is het dus niet voldoende om alleen deze subsidieregeling te lezen. De Awb, Asv en de subsidieregeling vormen samen de basis voor subsidieverstrekking.

Verordening (EG) Nr. 1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 Steun voor investeringen in binnen de Europese Unie gelegen landbouwbedrijven, die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten, is vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting bij de Europese Commissie. Hierbij moet worden voldaan aan de in artikel 4 genoemde eisen. Hetzelfde geldt voor activiteiten, gericht op de bevordering van de productie van kwaliteitslandbouwproducten, indien wordt voldaan aan de in artikel 14 van de Verordening genoemde eisen. Eveneens geldt voor activiteiten gericht op de technische ondersteuning in de landbouwsector een vrijstelling van de aanmeldingsverplichting, indien wordt voldaan aan de eisen van artikel 15 van de Verordening.

De eisen van de artikelen 4, 14 en 15 zijn zoveel mogelijk en in dezelfde bewoording in deze regeling overgenomen om op voorhand voor de aanvrager duidelijk te maken wat subsidiabel is en wat niet. De Verordening zelf is niettemin onvoorwaardelijk van toepassing. Daarom worden de aanvragen nog altijd aan de Verordening zelf getoetst.

De Verordening schrijft voor op welke wijze de verrichte activiteiten worden verantwoord. Dit wordt gedaan door vaststelling op basis van de daadwerkelijke kosten en baten. De Asv schrijft een andere systematiek voor bij subsidies lager dan € 125.000. De systematiek van de Asv geldt echter alleen bij deze regeling, voor zover zij niet strijdig is met de regels van de Verordening.

Artikelsgewijs

Artikel 2 Doelgroep Naast verlening aan een rechts- of natuurlijke persoon kan de subsidie tevens verleend worden aan een samenwerkingsverband. Van een samenwerkingsverband is sprake als bijvoorbeeld een groep particulieren besluit om gezamenlijk een project uit te voeren. In dat geval dient een penvoerder aangewezen te worden. De penvoerder is degene die de aanvraag doet. De deelname van de overige deelnemers blijkt uit een verklaring, die bij de aanvraag overlegd moet worden.

Artikel 5 Weigeringsgronden Onder d Dit kan aangetoond worden door bijvoorbeeld een financieel verslag, een bestuursverklaring of een jaarrekening.

Artikel 6 Subsidievereisten, eerste lid Onder d Het draagvlak wordt ingeschat op basis van de waardering die het project in het landbouwbedrijfsleven krijgt, in de vorm van belangstelling in en financiële bijdrage door deze sector. Onder f, onderdeel 5º De verbreding van de agrarische activiteiten verwijst naar niet-agrarische producten en diensten die het agrarische bedrijf kan leveren zoals zorg, recreatie en energie.

Artikel 7 Subsidiabele kosten In dit artikel wordt aangeven welke kosten van de verschillende activiteiten in een project subsidiabel zijn. Eerste lid Investeringen in landbouwbedrijven Onder b Koop of huurkoop Hieruit volgt dat kosten in verband met de koop of huurkoop van machines en materieel, met inbegrip van computerapparatuur, tot maximaal de marktwaarde van de activa subsidiabel zijn. Alle andere kosten in verband met huurkoop zoals belastingen, marge voor de verhuurder, kosten voor de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies komen niet voor subsidie in aanmerking. Onder c Algemene kosten Hierbij kan gedacht worden aan kosten voor architecten, ingenieurs en adviseurs, haalbaarheidsstudies en het verkrijgen van octrooien en licenties.

Derde lid Technische ondersteuning Onder e Publicaties Bij de publicaties kan gedacht worden aan catalogi of websites met feitelijke informatie over producenten uit een bepaald gebied of producenten van een bepaald product.

Artikel 8 Niet subsidiabele kosten Uit het eerste lid volgt dat alleen meerkosten ten opzichte van de gangbare bedrijfsvoering voor ondersteuning in aanmerking komen. Bij deze meerkosten kan worden gedacht aan specifieke voorlichting, het opzetten van samenwerkingsverbanden, marktontwikkeling, advisering, marktonderzoeken, specifieke investeringen met een verhoogd risico en andere activiteiten, die op grond van artikel 7 wel onder de subsidiabele kosten vallen.

Artikel 11 Subsidiehoogte Door middel van het vierde lid wordt geregeld dat de subsidie die een project al van een andere overheid heeft ontvangen, in mindering wordt gebracht bij het bepalen van het subsidiebedrag. Cumulatie van subsidie wordt daarmee voorkomen met als gevolg dat de staatssteunregels worden nageleefd.

Artikel 13 Verplichtingen van de subsidieontvanger Aan de verplichtingen onder a en b kan onder meer worden voldaan door publicatie op een website, het houden van een open dag of het organiseren van een bijeenkomst.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitterde secretaris
prof. dr. W.B.H.J. van de Donkdrs. W.G.H.M. Rutten

 

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingSubsidieregeling landbouw innovatie Noord-Brabant 2013
CiteertitelSubsidieregeling landbouw innovatie Noord-Brabant 2013
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpagrarische sector, innovatie, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen. 

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, art. 2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen. 

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-04-201301-08-2015nieuwe regeling

19-03-2013

Provinciaal Blad, 2013, 43

3370774