Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Overwegende dat Provinciale Staten op 12 oktober 2012 de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant hebben vastgesteld, waarin de uitgangspunten van het Kader financieel beheer rijkssubsidies zijn geïmplementeerd, alsmede een algehele actualisatie is doorgevoerd;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op 17 januari 2012 het Uitvoeringsprogramma Erfgoed 2012-2015 ‘maken dat leven zich hechten kan’ hebben vastgesteld met daarin de aankondiging voor de regelingen Erfgoed in Context en instandhouding monumenten;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten erfgoed willen behouden, toegankelijker willen maken voor Brabanders en bezoekers aan Brabant en willen dat erfgoed nieuwe economische functies krijgt;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten daartoe op 7 april 2009 de Subsidieregeling Cultureel Erfgoed hebben vastgesteld, laatstelijk gewijzigd op 8 januari 2013;

Overwegende dat aanpassing van de Subsidieregeling Cultureel Erfgoed aan de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant leidt tot een groot aantal noodzakelijke wijzigingen en Gedeputeerde Staten het derhalve wenselijk achten een geheel nieuwe regeling vast te stellen;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§ 1 Erfgoed in context

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    businesscase: zakelijke afweging, vastgelegd in een afwegingsdocument, om een project te beginnen op basis van een afweging van kosten en baten, waarin de benodigde experts aangeven dat het project technisch uitvoerbaar is en waaruit blijkt dat de oplevering van het eindresultaat en de voordelen traceerbaar en meetbaar zijn;

  • b.

    erfgoed: roerend, onroerend en immaterieel erfgoed, waaronder in ieder geval historische gebouwen, cultuurhistorische landschappen, historische groenstructuren, archeologische monumenten, plaatsen van herinnering, volksgebruiken en verhalen worden begrepen;

  • c.

    leefomgeving: leefmilieu zijnde het fysiek tastbare ruimtelijke geofysische landschap;

  • d.

    regionaal verhaal: verhaal in woord en beeld over belangrijke aspecten van de bewoningsgeschiedenis van een bepaalde regio of landstreek, waarvan het grondgebied in minimaal twee gemeenten ligt en ook wel een culturele biografie, cultureel streekdiagram, canon of historische canon wordt genoemd;

  • e.

    tot leven brengen van erfgoed: beter of opnieuw herkenbaar en aantrekkelijk maken van erfgoed of verdwenen of deels verdwenen erfgoed alsmede het virtueel tot leven brengen van erfgoed via diverse media;

  • f.

    verankeren: fysiek plaatsen, stevig vastmaken of bevestigen van tastbare zaken, waardoor erfgoed en de betekenis van dit erfgoed kan worden opgemerkt door bewoners en bezoekers van de leefomgeving.

Artikel 1.2 Doel

Het herkenbaar en aantrekkelijk maken van erfgoed, verdwenen erfgoed of deels verdwenen erfgoed in Noord-Brabant ten behoeve van een toename van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving en het leef- en vestigingsklimaat.

Artikel 1.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

    openbare lichamen;

  • b.

    verenigingen;

  • c.

    stichtingen;

  • d.

    rechtspersonen.

Artikel 1.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    het tot leven brengen van erfgoed door de doelgroep, bedoeld in artikel 1.3, onder a tot en met c;

  • b.

    het tot stand brengen van een businesscase voor het tot leven brengen van erfgoed door de doelgroep, bedoeld in artikel 1.3, onder d;

  • c.

     het herkenbaar maken van erfgoed, verdwenen erfgoed of deels verdwenen erfgoed in de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Artikel 1.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien het project reeds is gestart voor de datum van ontvangst van de subsidieaanvraag. 

Artikel 1.7 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.5 onder a en b in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project valt binnen een Cultuurhistorisch landschap of Archeologisch landschap zoals weergegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 van de provincie Noord-Brabant, vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 21 december 2010;

    • b.

      in het project participeren ten minste twee gemeenten waarvan de grondgebieden een overlap hebben met een landschap als bedoeld onder a;

    • c.

      het project heeft betrekking op een regionaal verhaal of maakt deel uit van een al eerder gepubliceerd regionaal verhaal van een gemeente als bedoeld onder b;

    • d.

      het project is geformuleerd rond concrete doelstellingen;

    • e.

      het project beschikt over indicatoren, waarmee het behalen van de doelstellingen, bedoeld onder d, worden gemonitoord;

    • f.

      het project draagt aantoonbaar bij aan het tot leven brengen van erfgoed;

    • g.

      het project draagt aantoonbaar bij aan de betrokkenheid bij Brabants erfgoed;

    • h.

      het project bereikt een publiek van jong tot oud;

    • i.

      het project betrekt of integreert het bedrijfsleven of de omgeving om het erfgoed te verankeren in de leefomgeving ten behoeve van een duurzame toeristische of recreatieve bestemming;

    • j.

      het project borgt de kwaliteit van de historische presentatie, bezoekersinformatie en bewegwijzering;

    • k.

      het project borgt het beheer van het erfgoed;

    • l.

      aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

        een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

        een sluitende begroting.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, onder d tot en met l, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.5, onder c in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd in de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals begrensd in de Verordening ruimte 2012;

    • b.

       het project draagt bij aan het zichtbaar en herkenbaar maken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Artikel 1.8 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten van het project voor subsidie in aanmerking.

Artikel 1.9 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.8 komen kosten voor restauratie en onderhoud van erfgoed in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking.

 Artikel 1.10 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1 Subsidieaanvragen, voor de subsidies, bedoeld in artikel 1.5 onder a en b, worden ingediend in de periode van 1 april 2013 tot en met 14 december 2015.

  • 2 Subsidieaanvragen voor de subsidie, bedoeld in artikel 1.5. onder c, worden ingediend in de periode van 6 januari 2014 tot en met 14 december 2015.

Artikel 1.11 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in:

  • a.

     artikel 1.5, onder a, voor de periode van 1 april 2013 tot en met 14 december 2015, vast op € 1.030.000;

  • b.

     b. artikel 1.5, onder b, voor de periode van 1 april 2013 tot en met 14 december 2015, vast op € 50.000;

  • c.

    artikel 1.5, onder c, voor de periode van 6 januari 2014 tot en met 14 december 2015, vast op € 400.000.

Artikel 1.12 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie bedraagt:

    • a.

       60% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 250.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onder a;

    • b.

       b. 60% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 5.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onder b;

    • c.

      70% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 100.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onder c.

  • 2 Onverminderd het eerste lid onder a en b, wordt, indien aan de subsidieaanvrager reeds subsidie is verstrekt op grond van deze of een andere provinciale regeling, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer dan 70% van de totale projectkosten bedraagt.

  • 3 Onverminderd het maximum, genoemd in de voorgaande leden, wordt, indien aan de subsidieaanvrager reeds door een ander bestuursorgaan subsidie is verstrekt, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun van € 200.000 voor rechtspersonen en €100.000 voor ondernemingen in het wegvervoer niet wordt overschreden.

Artikel 1.13 Verdeelcriteria

  • 1 Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3 Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van de procentuele hoogte van de eigen bijdrage en die van derden, waarbij een hoger percentage voorgaat op een lager percentage.

  • 4 Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald op basis van de hoogte van de eigen bijdrage in absolute zin, waarbij een hogere bijdrage voorgaat op een lagere bijdrage.

  • 5 Indien toepassing van het vierde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 1.14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het project is uiterlijk binnen drie jaar na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening gerealiseerd;

  • b.

    bij subsidies van € 125.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • c.

    bij subsidies van € 125.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 1.15 Prestatieverantwoording

  • 1 Bij subsidies tot € 25.000 toont de ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 1.5, onder a, desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van een activiteitenverslag en beeld- en geluidsmateriaal.

  • 2 Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 1.5, onder a, bij de aanvraag tot vaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van een activiteitenverslag en beeld- en geluidsmateriaal.

  • 3 De ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 1.5, onder b, toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van de businesscase.

Artikel 1.16 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies van € 25.000 en hoger, als bedoeld in artikel 1.5, onder a, een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald in termijnen waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 2 Basistaken musea

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    actieve conservering: combinatie van maatregelen en handelingen, die nodig is voor de consolidatie van een museaal object, het tegengaan van geconstateerd verval of het verhinderen van te verwachten verval;

  • b.

    conservering: preventieve conservering of actieve conservering;

  • c.

    museaal object: voorwerp dat past binnen de doelstelling van het collectiebeleid en deel uitmaakt of deel gaat uitmaken van de collectie van een museum;

  • d.

    museum: permanente instelling ten dienste van de gemeenschap en haar ontwikkeling, toegankelijk voor het publiek, niet gericht op het maken van winst, die materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, behoudt, wetenschappelijk onderzoekt, presenteert en hierover informeert voor doeleinden van studie, educatie en genoegen;

  • e.

    preventieve conservering: combinatie van maatregelen en handelingen, die nodig is voor het scheppen van een zo goed mogelijke omgeving voor het bewaren van museale objecten;

  • f.

    restauratie: handeling, inclusief het daaraan voorafgaande onderzoek, die nodig is om een beschadigd of gedeeltelijk verloren gegaan museaal object in de oorspronkelijke of een andere, vooraf gedefinieerde staat terug te brengen.

Artikel 2.2 Doel

Het ondersteunen van activiteiten van musea welke gericht zijn op structurele kwaliteitsverbetering en professionalisering ten aanzien van de uitvoering van de basistaken van musea.

Artikel 2.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door musea.

Artikel 2.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het structureel verbeteren van de kwaliteit en het professionaliseren van een of meer van de volgende de basistaken van musea:

  • a.

    restauratie of conservering;

  • b.

    beheer van de museumcollectie;

  • c.

    presentatie van de museumcollectie;

  • d.

    publieksbereik;

  • e.

    wetenschappelijk onderzoek;

  • f.

    bedrijfsvoering.

Artikel 2.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien door Gedeputeerde Staten voor het project reeds subsidie is verstrekt.

Artikel 2.7 Subsidievereisten

  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de subsidieaanvrager is gevestigd in Noord-Brabant;

    • b.

      de subsidieaanvrager levert een eigen bijdrage van ten minste 50% van de totale projectkosten;

    • c.

      het project resulteert aantoonbaar in een structurele verbetering van de kwaliteit van een of meer basistaken van de subsidieaanvrager;

    • d.

      het project resulteert aantoonbaar in een professionalisering van een of meer basistaken van de subsidieaanvrager;

    • e.

      aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

        een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de van toepassing zijnde vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

        een actueel beleidsplan van de subsidieaanvrager;

      • 3°.

        het meest recente jaarverslag van de subsidieaanvrager;

      • 4°.

        een sluitende begroting.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, voldoet een project als bedoeld in artikel 2.5, onder a, aan de volgende vereisten:

    • a.

      aan het project ligt een collectieplan ten grondslag;

    • b.

      aan het project ligt een goed onderbouwde offerte met behandelplan ten grondslag;

    • c.

      indien sprake is van restauratie of actieve conservering:

      • 1°.

        wordt voor de uitvoering daarvan opdracht verleend aan een restaurator;

      • 2°.

        is de restaurator, bedoeld onder 1°, opgenomen in het Restauratoren Register of ingeschreven bij een met name te noemen professionele belangenvereniging;

      • 3°.

        heeft het museum het desbetreffende object in eigendom en in bezit of in bruikleen;

      • 4°.

        eindigt de eigendom en het bezit of de bruikleen, bedoeld onder 3°, niet binnen een termijn van tien jaar;

    • d.

      indien het project betrekking heeft op preventieve conservering, onderbouwt de subsidieaanvrager de noodzaak tot uitgaven daartoe, door middel van een onafhankelijk deskundig advies.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, liggen aan een project als bedoeld in artikel 2.5, onder b, ten grondslag:

    • a.

      een collectieregistratieplan;

    • b.

      een offerte.

  • 4 Onverminderd het eerste lid, liggen aan een project als bedoeld in artikel 2.5, onder c, ten grondslag:

    • a.

      een plan dat voorziet in een duidelijke verhaallijn;

    • b.

      een onderbouwde inschatting van het publiekseffect;

    • c.

      een offerte.

  • 5 Onverminderd het eerste lid, ligt aan een project als bedoeld in artikel 2.5, onder d, een onderbouwde inschatting van het te verwachten publiekseffect en het structurele karakter van dit effect ten grondslag.

  • 6 Onverminderd het eerste lid, voldoet een project als bedoeld in artikel 2.5, onder e, aan de volgende vereisten:

    • a.

      het wetenschappelijk onderzoek is gericht op de collectie van de subsidieaanvrager;

    • b.

      aan het project ligt een onderzoeksplan ten grondslag.

  • 7 Onverminderd het eerste lid, geeft de aanvrager van een subsidie voor een project als bedoeld in artikel 2.5, onder f, in het projectplan aan hoe dit plan zich verhoudt tot het beleidsplan.

Artikel 2.8 Subsidiabele kosten

  • 1 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder a, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten voor restauratie en actieve conservering, uitgevoerd door de restaurator, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, onderdeel c, onder 1° en 2° voor subsidie in aanmerking;

    • b.

      de kosten voor preventieve conservering, bestaande uit:

      • 1°.

        de kosten voor depotinrichting;

      • 2°.

        de kosten voor UV-wering;

      • 3°.

        de kosten voor de aanschaf van klimaatbeheersings- en klimaatregistratieapparatuur.

  • 2 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder b, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten voor aanschaf van hardware, software en randapparatuur ten behoeve van collectieregistratie en -documentatie;

    • b.

      de kosten voor converteren van gegevens.

  • 3 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder c, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten voor herinrichting en verbouwing van de permanente of semi-permanente presentatie;

    • b.

      de kosten voor vervaardiging van maquettes, replica’s, modellen en publieksinformatiesystemen.

  • 4 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder d, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten voor ontwikkeling en productie van structureel inzetbaar educatief materiaal;

    • b.

      de kosten voor verbetering van de toegankelijkheid voor een breed publiek of de fysieke toegankelijkheid;

    • c.

      de kosten voor een publieks- en marketingonderzoek.

  • 5 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder e, de onderzoekskosten voor subsidie in aanmerking.

  • 6 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder f, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten ter verbetering van bedrijfsmanagement op het gebied van personeels-, financieel, project-, collectie-, facility- en veiligheidsmanagement;

    • b.

      de kosten die direct verband houden met de totstandkoming van een beleidsplan.

Artikel 2.9 Niet subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    de kosten voor periodieke vervanging van apparatuur;

  • b.

    de kosten voor personeel binnen de reguliere taakstelling en formatie van het museum;

  • c.

    de kosten voor reguliere exploitatie;

  • d.

    de kosten voor aankoop van museale objecten.

Artikel 2.10 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend in de periode van 2 maart 2015 tot en met 3 april 2015 voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van juni tot en met december.

Artikel 2.11 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.5, voor de periode van 2 maart 2015 tot en met 3 april 2015 vast op € 319.727.

Artikel 2.12 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.5, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder dan € 1.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 2.13 Verdeelcriteria

  • 1 Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het subsidieplafond, genoemd in artikel 2.12, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige subsidieaanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      het project is ingediend door een subsidieaanvrager met de status ‘geregistreerd museum’ of ‘voorlopig geregistreerd museum’ in het Museumregister van de stichting Museumregister Nederland, te waarderen met 5 punten;

    • b.

      de mate waarin het project van doorslaggevend belang is voor het behoud van werken of (deel)collecties van grote culturele waarde voor de provincie Noord-Brabant, te waarderen met maximaal 5 punten;

    • c.

      de mate waarin het project bijdraagt aan vergroting of verbreding van het publieksbereik van musea in Noord-Brabant, te waarderen met maximaal 5 punten;

    • d.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de vergroting van de toegankelijkheid en zichtbaarheid van museumcollecties, te waarderen met maximaal 5 punten;

    • e.

      de mate waarin het project nieuwe kansrijke manieren verkent om structurele kwaliteitsverbetering en professionalisering te realiseren, te waarderen met maximaal 5 punten.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 2.14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    uiterlijk in de periode van juni 2015 tot en met december 2015wordt gestart met de uitvoering van het project;

  • b.

    het project is uiterlijk twee jaar na het verlenen van de subsidie gerealiseerd.

Artikel 2.15 Prestatieverantwoording

  • 1 Bij subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van een activiteitenverslag.

  • 2 Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van een activiteitenverslag.

  • 3 Onverminderd het eerste en tweede lid, kunnen Gedeputeerde Staten aan de beschikking tot subsidieverlening de verplichting verbinden om het activiteitenverslag vergezeld te laten gaan van beeld- of geluidsmateriaal.

Artikel 2.16 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies van € 25.000 en hoger een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald in termijnen waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 3 Eco-archeologisch onderzoek

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    C14-dateringsonderzoek: radiometrische datering waarmee de ouderdom van organisch materiaal wordt bepaald met behulp van koolstof-14 isotopen;

  • b.

    conservering: combinatie van maatregelen en handelingen, die nodig is voor de consolidatie van een archeologisch object en het tegengaan van geconstateerd verval of het verhinderen van te verwachten verval van een archeologisch object;

  • c.

    eco-archeologische waarden: archeologische waarden van flora en fauna die met name in natte contexten goed bewaard zijn gebleven en kwetsbaar zijn;

  • d.

    OSL: Optically Stimulated Luminescence;

  • e.

    OSL-dateringsonderzoek: methode van onderzoek waarmee bepaald wordt hoe lang het geleden is dat een object verdwenen is onder de grond;

  • f.

    programma van eisen: document waarin onderzoekseisen worden opgelegd aan een initiatiefnemer van een ruimtelijk project die voldoen aan de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie zoals uitgegeven door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer te Gouda;

  • g.

    specialistisch eco-archeologisch onderzoek: onderzoek van plantaardige en dierlijke overblijfselen en van textiel uit archeologische context, dendrochronologie, C14-dateringsonderzoek, isotopenonderzoek en OSL-dateringsonderzoek.

Artikel 3.2 Doel

Het behoud van eco-archeologische waarden en het behoud van informatie van en uit eco-archeologische waarden ex situ in de provincie Noord-Brabant die een bijdrage leveren aan de kennis over het klimaat, de flora en fauna en het menselijk handelen in het verleden.

Artikel 3.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

    waterschappen;

  • b.

    gemeenten;

  • c.

    terreinbeherende instanties;

  • d.

    universiteiten;

  • e.

    erkende wetenschappelijke instituten;

  • f.

    organisaties die specialistisch eco-archeologisch onderzoek uitvoeren.

Artikel 3.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 3.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    het uitvoeren van specialistische eco-archeologische onderzoek;

  • b.

    het conserveren van eco-archeologische waarden.

Artikel 3.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het project menselijke skeletonderdelen betreft;

  • b.

    het project of een onderdeel ervan, door het bevoegd gezag verplicht is gesteld aan de initiatiefnemer van het project;

  • c.

    het bevoegd gezag het project redelijkerwijze had kunnen voorzien en dit had moeten opnemen in een programma van eisen.

Artikel 3.7 Subsidievereisten

  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op:

      • 1°.

        het behoud van eco-archeologische waarden in de provincie Noord-Brabant; of

      • 2°.

        het behoud van informatie van of uit eco-archeologische waarden in de provincie Noord-Brabant en draagt aantoonbaar bij aan de kennis over het klimaat, de flora en fauna, en het menselijk handelen in het verleden;

    • b.

      aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

        een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

        een sluitende begroting, in kalenderjaren uitgesplitst.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.5, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is uitgevoerd in het kader van:

      • 1°.

        een natuurproject;

      • 2°.

        een waterproject; of

      • 3°.

        een ander ruimtelijk project;

    • b.

      de opdrachtgever of initiatiefnemer van het project, bedoeld in artikel 3.5, onder a, is:

      • 1°.

        een waterschap;

      • . een gemeente; of

      • 3°.

        een terreinbeherende instantie;

    • c.

      het specialistische eco-archeologische onderzoek wordt uitgevoerd door een afgestudeerd academicus;

    • d.

      de academicus, bedoeld onder c, is verbonden aan:

      • 1°.

        een universiteit;

      • 2°.

        een erkend wetenschappelijk instituut; of

      • 3°.

        een organisatie die specialistisch eco-archeologisch onderzoek uitvoert;

    • e.

      de academicus, bedoeld onder c, voert zijn werkzaamheden uit in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

    • f.

      aan het project ligt een onderzoeksplan ten grondslag.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.5, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het conserveren van eco-archeologische waarden wordt uitgevoerd door een persoon die verbonden is aan een organisatie, gespecialiseerd in de conservering van organische materialen;

    • b.

      de persoon, genoemd onder a, voert zijn werkzaamheden uit in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

    • c.

      het project is uitgevoerd in het kader van een natuurproject, een waterproject of ander ruimtelijk project;

    • d.

      aan het project ligt een conserveringsplan ten grondslag.

Artikel 3.8 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten voor het project voor subsidie in aanmerking.

Artikel 3.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen kunnen van 5 januari 2015 tot en met 14 december 2015 worden ingediend.

Artikel 3.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 3.5, voor de periode van 5 januari 2015 tot en met 14 december 2015, vast op € 85.146.

Artikel 3.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.5, bedraagt ten hoogste € 24.500.

Artikel 3.12 Verdeelcriteria

  • 1 Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3 Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van de percentuele hoogte van de eigen bijdrage en die van derden, waarbij een hoger percentage voorgaat op een lager percentage.

  • 4 Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald op basis van de hoogste eigen bijdrage in absolute zin, waarbij een hogere bijdrage voorgaat op een lagere bijdrage.

  • 5 Indien toepassing van het vierde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 3.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de verplichting dat het project uiterlijk twee jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening is gerealiseerd.

Artikel 3.14 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

  • a.

    een activiteitenverslag;

  • b.

    beeld- of geluidsmateriaal.

§ 4 Instandhouding molens

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     Brim 2013: Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2013;

  • b.

    inspectierapport: rapport met overzichts- en detailfoto’s, waaruit de technische staat van de molen nauwkeurig blijkt en waarmee de noodzaak van de ingrepen voldoende wordt onderbouwd;

  • c.

    instandhouding: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde;

  • d.

    molen: al dan niet meer voor de oorspronkelijke functie in bedrijf zijnde wind- of watermolen of molenrestant;

  • e.

    moleneigenaar: natuurlijke persoon of rechtspersoon die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht heeft op een molen.

Artikel 4.2 Doel

De instandhouding van monumentale molens in Noord-Brabant.

Artikel 4.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door moleneigenaren.

Artikel 4.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 4.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de instandhouding van molens die zijn aangewezen als:

  • a.

    rijksmonument;

  • b.

    gemeentelijk monument; of

  • c.

    ‘overige bouwkunst’, zoals aangeduid op de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010, vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 21 december 2010.

Artikel 4.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien aan de subsidieaanvrager door Gedeputeerde Staten reeds eerder subsidie is verstrekt voor de instandhouding van de molen voor een of meerdere kalenderjaren van het instandhoudingsplan.

Artikel 4.7 Subsidievereisten

  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de molen is gelegen binnen het grondgebied van de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      aan het project ligt een instandhoudingsplan ten grondslag, dat betrekking heeft op de periode 2014-2019 of de periode 2015-2020 en waarin in ieder geval zijn opgenomen:

      • 1°.

        een specificatie van de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden;

      • 2°.

        een omschrijving van de hiermee beoogde resultaten;

      • 3°.

        een actueel inspectierapport dat uiterlijk is opgesteld twee jaar voorafgaand aan de periode van het instandhoudingsplan;

      • 4°.

        een sluitende meerjarenbegroting waarin wordt aangegeven in welk jaar de onderscheiden werkzaamheden worden verricht.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.5, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat de subsidieaanvrager beschikt over de beschikking van het Rijk, strekkende tot subsidieverlening op grond van het Brim 2013 voor de betreffende molen, inclusief bijlagen inzake het vaststellen van de subsidiabele kosten.

Artikel 4.8 Subsidiabele kosten

  • 1 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 4.5, onder a, de door het Rijk bij beschikking als bedoeld in artikel 4.7, onder c, vastgestelde totale subsidiabele kosten voor subsidie in aanmerking.

  • 2 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor subsidies als bedoeld in artikel 4.5, onder b en c, de kosten zoals begroot in het instandhoudingsplan voor subsidie in aanmerking, voor zover die kosten zijn gebaseerd op de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten 2013, die als bijlage is opgenomen bij de Regeling rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2013.

Artikel 4.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 5 januari tot en met 11 december 2015.

Artikel 4.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4.5, voor de periode van 5 januari tot en met 11 december 2015 vast op € 117.290.

Artikel 4.11 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 4.5, onder a, bedraagt 20% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 10.000.

  • 2 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 4.5, onder b en c, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 24.500.

  • 3 Onverminderd het maximum, genoemd in de voorgaande leden, wordt, indien aan de subsidieaanvrager reeds door een ander bestuursorgaan subsidie is verstrekt, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun van € 200.000 voor rechtspersonen en €100.000 voor ondernemingen in het wegvervoer niet wordt overschreden.

Artikel 4.12 Verdeelcriteria

  • 1 Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3 Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 4.13 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van een activiteitenverslag.

§ 5 Restauratie molens

Artikel 5.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    communicatie paragraaf: een paragraaf waarin staat op welke wijze de communicatie van het project wordt gerealiseerd;

  • b.

    molen: al dan niet meer voor de oorspronkelijke functie in bedrijf zijnde wind- of watermolen of combinatie van beide met inbegrip van molenrestanten;

  • c.

    monumenten commissie: commissie als bedoeld in artikel 15 van de Monumentenwet 1988.

Artikel 5.2 Doel

Het behoud van molens in Noord-Brabant door middel van restauratie.

Artikel 5.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door moleneigenaren.

Artikel 5.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 5.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het restaureren van als rijksmonument aangewezen molens.

Artikel 5.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 10.000;

  • b.

    het project reeds is gestart voor de datum van ontvangst van de subsidieaanvraag.

Artikel 5.7 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de molen is gelegen binnen het grondgebied van de provincie Noord-Brabant;

  • b.

    de molen wordt opengesteld voor publiek;

  • c.

    in het geval van een complete molen draait de molen en waar mogelijk maalt de molen;

  • d.

    het project heeft de instemming van de Molenstichting Noord-Brabant;

  • e.

    voor het project is een positief advies voor een omgevingsvergunning verleend;

  • f.

    aan het project liggen ten grondslag:

    • 1°.

      een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

      een positief advies van de monumenten commissie voor het restauratieplan, inclusief communicatieparagraaf;

    • 3°.

      een bouwhistorische verkenning;

    • 4°.

      een sluitende begroting.

Artikel 5.8 Subsidiabele kosten.

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de door het Rijk op grond van de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten 2013, die als bijlage is opgenomen bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten, vastgestelde totale subsidiabele kosten voor subsidie in aanmerking.

Artikel 5.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van:

  • a.

     3 maart 2014 tot en met 7 april 2014, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van juni tot en met december;

  • b.

     1 september 2014 tot en met 29 september 2014, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van januari tot en met juni.

Artikel 5.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 5.5 vast op € 0.

Artikel 5.11 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 5.5, bedraagt 70% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 900.000.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 10.000, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 5.12 Verdeelcriteria

  • 1 Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het subsidieplafond, genoemd in artikel 5.11, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige subsidieaanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin het project bijdraagt aan het opwekken van duurzame energie in de provincie Noord-Brabant, te waarderen met maximaal 20 punten;

    • b.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de vergroting van de toegankelijkheid en de zichtbaarheid van de molen, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • c.

      de omvang van het aandeel cofinanciering door andere partijen dan de eigenaar, ten opzichte van de eigen bijdrage van de eigenaar, te waarderen met maximaal 10 punten.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 5.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het project is uiterlijk binnen drie jaar na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening gerealiseerd;

  • b.

    bij subsidies van € 125.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • c.

    bij subsidies van € 125.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

  • d.

    voor aanvragen die zijn ingediend in de periode van 3 maart 2014 tot en met 7 april 2014, wordt uiterlijk in de daaropvolgende periode van juni tot en met december gestart met de uitvoering van het project;

  • e.

    voor aanvragen die zijn ingediend in de periode van 1 september 2014 tot en met 29 september 2014, wordt uiterlijk in de daaropvolgende periode van januari tot en met juni gestart met de uitvoering van het project.

Artikel 5.14 Prestatieverantwoording

  • 1 Bij subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de subsidiabele activiteit is verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een activiteitenverslag.

  • 2 Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de subsidiabele activiteit is verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een activiteitenverslag.

  • 3 Onverminderd het eerste en tweede lid, kunnen Gedeputeerde Staten aan de beschikking tot subsidieverlening de verplichting verbinden om het activiteitenverslag vergezeld te laten gaan van beeld- of geluidsmateriaal.

Artikel 5.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies van € 25.000 en hoger een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald in termijnen waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 6 Restauratie her te bestemmen kerken

Artikel 6.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    communicatie paragraaf: een paragraaf waarin staat op welke wijze de communicatie van het project wordt gerealiseerd;

  • b.

    her te bestemmen kerk: voor de eredienst gebouwde kerk, die een nieuwe bestemming krijgt met respect voor de aanwezige monumentwaarden;

  • c.

    restauratie: handeling die nodig is om het onroerend erfgoed duurzaam, sober en doelmatig instand te houden ten behoeve van een stabiele, maatschappelijk verantwoorde of duurzame functie;

  • d.

    tijdelijke instandhouding: situatie waarin een leegstaand monument, waarvoor nog gezocht wordt naar een nieuwe bestemming, wind- en waterdicht gehouden wordt.

Artikel 6.2 Doel

Het behoud van kerken in Noord-Brabant door middel van restauratie en tijdelijke instandhouding.

Artikel 6.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door eigenaren van her te bestemmen kerken.

Artikel 6.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 6.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    het restaureren van het casco van her te bestemmen kerken;

  • b.

    de tijdelijke instandhouding van kerken;

  • c.

     het opstellen van technische plannen voor restauratie en herbestemming van vrijkomende kerken.

Artikel 6.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien het project reeds is gestart voor datum van ontvangst van de subsidieaanvraag.

Artikel 6.7 Subsidievereisten

  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.5 in aanmerking te komen, dient voldaan te zijn aan alle volgende vereisten:

    • a.

      de kerk is aangewezen als rijksmonument;

    • b.

      het project wordt gerealiseerd in Noord-Brabant;

    • c.

      het project heeft de instemming van de Stichting Behoud en Herbestemming Religieus Erfgoed.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.5, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      voor het project is een positief advies voor een omgevingsvergunning afgegeven;

    • b.

      de herbestemming is in overeenstemming met het bestemmingsplan;

    • c.

      bewijsmateriaal betreffende de realisatie en financiële haalbaarheid van de nieuwe bestemming, dan wel een beoordeling van het herbestemmingproject door deskundigen;

    • d.

      aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

        een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

        een positief advies van de monumenten commissie voor het restauratieplan, inclusief communicatieparagraaf;

      • 3°.

        een sluitende begroting.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.5, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

Artikel 6.8 Subsidiabele kosten.

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    de door het Rijk op grond van de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten 2013, die als bijlage is opgenomen bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten, vastgestelde totale subsidiabele kosten;

  • b.

    de kosten van het opstellen van een restauratieplan, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid onder d.

Artikel 6.9 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 6.8 komen de kosten voor het realiseren van de herbestemming in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 6.10 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van:

  • a.

     van 2 maart 2015 tot en met 20 april 2015 , voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van juni tot en met december;

  • b.

     Vervallen.

Artikel 6.11 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 6.5 voor de tenderperiode van 2 maart 2015 tot en met 20 april 2015 vast op €2.050.000.

Artikel 6.12 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 6.5, onder a, bedraagt 70% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 1.000.000.

  • 2 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 6.5, onder b, bedraagt 70% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 10.000.

  • 3  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 6.5, onder c, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 15.000.

Artikel 6.13 Verdeelcriteria

  • 1 Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het subsidieplafond, genoemd in artikel 6.11, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige subsidieaanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin het project bijdraagt aan het realiseren van een maatschappelijke functie voor het kerkgebouw, te waarderen met maximaal 20 punten;

    • b.

      de mate waarin het project bijdraagt aan het bewaren van waardevol religieus erfgoed en het beeld van stad en platteland, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • c.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de toegankelijkheid van religieus erfgoed voor publiek, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • d.

      de mate waarin het project een voorbeeldfunctie heeft in het proces van herbestemming, te waarderen met maximaal 10 punten.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 6.14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het project is uiterlijk binnen vijf jaar na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening gerealiseerd;

  • b.

    bij subsidies van € 125.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • c.

    bij subsidies van € 125.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

  • d.

    voor aanvragen die zijn ingediend in de periode van 2 maart 2015 tot en met 20 april 2015, wordt uiterlijk in de daaropvolgende periode van juni tot en met december gestart met de uitvoering van het project.

Artikel 6.15 Prestatieverantwoording

  • 1 Bij subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de subsidiabele activiteit, is verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een activiteitenverslag.

  • 2 Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de subsidiabele activiteit is verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een activiteitenverslag.

  • 3 Onverminderd het eerste en tweede lid, kunnen Gedeputeerde Staten aan de beschikking tot subsidieverlening de verplichting verbinden om het activiteitenverslag vergezeld te laten gaan van beeld- of geluidsmateriaal.

Artikel 6.16 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies van € 25.000 en hoger een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald in termijnen waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 6A Procesondersteuning vrijkomende kerken

Artikel 6A.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

     dorpsraad: organisatie van bewoners die de belangen van het dorp behartigen;

  • b.

     herbestemming: geven van een nieuwe functie aan een kerk;

  • c.

     onderneming: eenheid die een economische uitoefent ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop ze wordt gefinancierd;

  • d.

     vereniging van bewoners: organisatie van bewoners die de gezamenlijke belangen van hun wijk behartigen.

Artikel 6A.2 Doelgroep

  • 1  Subsidie kan worden aangevraagd door:

    • a.

       eigenaren van kerken;

    • b.

       dorpsraden;

    • c.

       verenigingen van bewoners.

  • 2  De aanvragers, bedoeld in het eerste lid, bezitten rechtspersoonlijkheid.

  • 3  In afwijking van het eerste lid zijn ondernemingen uitgezonderd.

Artikel 6A.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 6A.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op procesondersteuning bij het vinden van een herbestemming van een vrijkomende kerk.

Artikel 6A.5 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 6A.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

     het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

  • b.

     de kerk is of wordt onttrokken aan de eredienst;

  • c.

     het project heeft in ieder geval betrekking op onderzoek naar:

    • 1°.

       de mogelijke nieuwe functies van de kerk;

    • 2°.

       de financiële haalbaarheid van de in het eerste onderdeel onderzochte mogelijke nieuwe functies;

  • d.

     het project heeft de instemming van de eigenaar van de kerk, indien de aanvrager niet tevens de eigenaar is;

  • e.

     de beoogde functie heeft de instemming van de desbetreffende gemeente;

  • f.

     aan het project liggen ten grondslag:

    • 1°.

       een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze regeling;

    • 2°.

       een sluitende begroting;

    • 3°.

       voor de inhuur van een adviesbureau, tenminste twee offertes van bureaus die ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel.

Artikel 6A.6. Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen alle kosten voor subsidie in aanmerking.

Artikel 6A.7 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 6A.6 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     kosten voor roerende en onroerende zaken;

  • b.

     kosten voor reguliere activiteiten van de subsidieaanvrager;

  • c.

     loonkosten voor deskundigen boven een maximum van € 93 per uur, inclusief sociale lasten en overhead;

  • d.

     vergoeding voor ureninzet van vrijwilligers;

  • e.

     reiskosten.

Artikel 6A.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 1 oktober 2014 tot en met 1 april 2015.

Artikel 6A.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 6A.4, voor de periode van 1 oktober 2014 tot en met 1 april 2015, vast op € 150.000.

Artikel 6A.10 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 6A.4, bedraagt maximaal 80% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 24.500.

Artikel 6A.11 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 6A.12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de verplichting dat de bevindingen en resultaten van het project toegankelijk worden gemaakt voor derden.

Artikel 6A.13 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een verslag van de bevindingen en resultaten van het project.  

§ 7 Regionale geschiedbeoefening

Artikel 7.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt onder geschiedbeoefening verstaan: bijdragen aan de bewustwording van de waarde van het regionale materiële en immateriële erfgoed, alsmede het tot stand brengen van educatieve activiteiten en projecten op dat gebied.

Artikel 7.2 Doel

Het bevorderen van activiteiten op het gebied van de geschiedbeoefening in Noord-Brabant.

Artikel 7.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door rechtspersonen.

Artikel 7.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 7.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor publicaties of projecten gericht op het bevorderen van activiteiten op het gebied van de Noord-Brabantse geschiedbeoefening.

Artikel 7.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 7.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de subsidieaanvrager draagt via een eigen bijdrage of cofinanciering ten minste 50% van de totale projectkosten;

  • b.

    het project staat in relatie tot de Noord-Brabantse geschiedbeoefening;

  • c.

    het project is van bovenlokaal belang;

  • d.

    het project heeft een voorbeeldfunctie;

  • e.

    aan het project liggen ten grondslag:

    • 1°.

      een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

      een sluitende begroting, waarin een overzicht wordt geboden van de overige subsidieaanvragen.

Artikel 7.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten voor het project voor subsidie in aanmerking.

Artikel 7.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 7.7 komen salariskosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 7.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van:

  • a.

     2 maart 2015 tot en met 3 april 2015, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van juni tot en met december;

  • b.

     1 september 2015 tot en met 2 oktober 2015, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van januari tot en met juni.

Artikel 7.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 7.5:

  • a.

     voor de tenderperiode van 2 maart 2015 tot en met 3 april 2015 vast op € 52.000;

  • b.

     voor de tenderperiode van 1 september 2015 tot en met 2 oktober 2015 vast op € 0.

Artikel 7.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 7.5, bedraagt maximaal € 5.000.

Artikel 7.12 Verdeelcriteria

  • 1 Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het subsidieplafond, genoemd in artikel 7.10, te boven gaan, vindt de verdeling van de subsidie plaats op basis van de percentuele hoogte van de eigen bijdrage en die van cofinanciering, waarbij een hoger percentage voorgaat op een lager percentage.

  • 2 Indien toepassing van eerste lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de rangschikking van die aanvragen bepaald op basis van de hoogste eigen bijdrage in absolute zin, waarbij een hogere bijdrage voorgaat op een lagere bijdrage.

  • 3 Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 7.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1  De subsidieontvanger heeft in ieder geval de verplichting dat het project uiterlijk binnen twee jaar na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening is gerealiseerd.

  • 2  Voor aanvragen die zijn ingediend in de periode van 2 maart 2015 tot en met 3 april 2015, wordt uiterlijk in de daaropvolgende periode van juni tot en met december gestart met de uitvoering van het project.

  • 3  Voor aanvragen die zijn ingediend in de periode van 1 september 2015 tot en met 2 oktober 2015, wordt uiterlijk in de daaropvolgende periode van januari tot en met juni gestart met de uitvoering van het project.

Artikel 7.14 Prestatieverantwoording

  • 1 De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van:

    • a.

      een activiteitenverslag;

    • b.

      een tot stand gekomen publicatie.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, kunnen Gedeputeerde Staten aan de beschikking tot subsidieverlening de verplichting verbinden om het activiteitenverslag vergezeld te laten gaan van beeld- of geluidsmateriaal.

§ 8 Prof. dr. H.F.J.M. van den Eerenbeemtfonds

Artikel 8.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt onder geschiedbeoefening verstaan: bijdrage aan de reconstructie van de geschiedenis.

Artikel 8.2 Doel

Het bevorderen van de wetenschappelijke geschiedbeoefening van Brabant.

Artikel 8.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door rechtspersonen.

Artikel 8.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 8.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    het uitgeven van wetenschappelijke publicaties over de Brabantse geschiedenis;

  • b.

    activiteiten die de wetenschappelijke geschiedbeoefening van Brabant bevorderen.

Artikel 8.6 Subsidievereisten

  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 8.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de subsidieaanvrager draagt via een eigen bijdrage of cofinanciering ten minste 50% van de totale projectkosten;

    • b.

      het project heeft de intentie bij te dragen aan het wetenschappelijk debat;

    • c.

      het project is van bovenlokaal belang;

    • d.

      het project kan de toets van wetenschappelijke kritiek doorstaan;

    • e.

      het project levert een bijdrage aan het historisch besef;

    • f.

      aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

        een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

        een sluitende begroting.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 8.5, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat de thematiek van de publicatie in relatie staat tot het werkterrein van het fonds, de wetenschappelijke geschiedenis van Brabant.

Artikel 8.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    drukkosten;

  • b.

    onderzoekskosten.

Artikel 8.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 8.7 komen salariskosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 8.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van:

  • a.

     2 maart 2015 tot en met 3 april 2015, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van juni tot en met december;

  • b.

     1 september 2015 tot en met 2 oktober 2015, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van januari tot en met juni.

Artikel 8.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 8.5:

  • a.

     voor de tenderperiode van 2 maart 2015 tot en met 3 april 2015 vast op € 22.000;

  • b.

     voor de tenderperiode van 1 september 2015 tot en met 2 oktober 2015 vast op € 0.

Artikel 8.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 8.5, bedraagt maximaal € 5.000.

Artikel 8.12 Verdeelcriteria

  • 1 Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 8.10, te boven gaan, vindt de verdeling van de subsidie plaats op basis van de percentuele hoogte van de eigen bijdrage en die van confinanciering, waarbij een hoger percentage voorgaat op een lager percentage.

  • 2 Indien toepassing van eerste lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de rangschikking van die aanvragen bepaald op basis van de hoogste eigen bijdrage.

  • 3 Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 8.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het project is uiterlijk binnen twee jaar na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening is gerealiseerd;

  • b.

    voor aanvragen die zijn ingediend in de periode van 2 maart 2015 tot en met 3 april 2015, wordt uiterlijk in de daaropvolgende periode van juni tot en met december gestart met de uitvoering van het project;

  • c.

    voor aanvragen die zijn ingediend in de periode van 1 september 2015 tot en met 2 oktober 2015, wordt uiterlijk in de daaropvolgende periode van januari tot en met juni gestart met de uitvoering van het project.

Artikel 8.14 Prestatieverantwoording

  • 1 De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van:

    • a.

      een activiteitenverslag;

    • b.

      een tot stand gekomen publicatie.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, kunnen Gedeputeerde Staten aan de beschikking tot subsidieverlening de verplichting verbinden om het activiteitenverslag vergezeld te laten gaan van beeld- of geluidsmateriaal.

§ 9 Restauratie rijksmonumenten

Artikel 9.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    communicatieparagraaf: paragraaf waarin staat op welke wijze de communicatie van het project wordt gerealiseerd;

  • b.

    restauratie: handeling die nodig is om het onroerend erfgoed duurzaam, sober en doelmatig in stand te houden ten behoeve van een stabiele, maatschappelijk verantwoorde of duurzame functie;

  • c.

    rijksmonument: onroerend monument dat op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 als beschermd monument is aangewezen.

Artikel 9.2 Doel

Het behoud van:

  • a.

    rijksmonumenten in Noord-Brabant door middel van restauratie;

  • b.

    vakmanschap op het gebied van restauratie.

Artikel 9.3 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

    natuurlijke personen;

  • b.

    rechtspersonen.

Artikel 9.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 9.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het restaureren van een rijksmonument in een van de volgende categorieën:

  • a.

    industrieel erfgoed;

  • b.

    kastelen en landhuizen;

  • c.

    militair erfgoed;

  • d.

    religieus erfgoed.

Artikel 9.6 Weigeringsgrond

Subsidie op grond van deze paragraaf wordt geweigerd indien het project reeds is gestart voor de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag.

Artikel 9.7 Subsidievereisten

  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 9.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de aanvrager heeft het recht van eigendom op het rijksmonument;

    • b.

      het rijksmonument is gelegen binnen het grondgebied van de provincie Noord-Brabant;

    • c.

      het project wordt uitgevoerd door een erkend of vakbekwaam restauratiebedrijf;

    • d.

      de exploitatie van het rijksmonument is niet toereikend voor de uitvoering van het project.

  • 2 Aan het project liggen ten grondslag:

    • a.

      een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in het eerste lid;

    • b.

      een positief preadvies van de monumentencommissie voor het restauratieplan, inclusief communicatieparagraaf;

    • c.

      een onderzoek naar de mogelijkheden van het project als restauratie opleidingsproject en het betrekken van de Vereniging Restauratie Opleidingsprojecten bij het project;

    • d.

      een sluitende begroting.

Artikel 9.8 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die als zodanig zijn aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten 2013, die als bijlage is opgenomen bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten voor subsidie in aanmerking.

Artikel 9.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 1 oktober 2014 tot en met 17 november 2014.

Artikel 9.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 9.5 vast op € 0.

Artikel 9.11 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 9.5 bedraagt 70 % van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 500.000.

  • 2 Onverminderd het maximum, genoemd in het eerste lid, wordt indien de subsidieaanvrager minder dan 70% van de subsidiabele kosten aanvraagt, slechts het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.

  • 3 Onverminderd het maximum, genoemd in de voorgaande leden, wordt, indien aan de subsidieaanvrager reeds op grond van een andere regeling subsidie is verstrekt, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies het van toepassing zijnde subsidiepercentage van 100% op grond van N606/2009 Nederland, Nationale regeling voor de instandhouding en het herstel van beschermde historische monumenten. als percentage van de subsidiabele kosten niet wordt overschreden.

  • 4 Indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan €10.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 9.12 Verdeelcriteria

  • 1 Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 9.10, te boven gaan, vindt rangschikking van de aanvragen plaats op basis van de hoogte van de aangevraagde subsidie, waarbij een lager aangevraagde subsidie voorgaat op een hogere aangevraagd subsidiebedrag.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, dan vindt rangschikking van die aanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 9.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1 De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

      uiterlijk tien maanden na het verlenen van de subsidie wordt gestart met de uitvoering van het project;

    • b.

      het project is uiterlijk drie jaren na het verlenen van de subsidie gerealiseerd;

    • c.

      bij subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

    • d.

      bij subsidies van € 125.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

  • 2 Gedeputeerde Staten kunnen gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid, onder b, eenmalig op verzoek van de subsidieontvanger de periode, bedoeld in het vorige lid onder b, verlengen met maximaal één jaar.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, wordt het project uitgevoerd als restauratieopleidingsproject door een erkend leerbedrijf, indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 9.7, tweede lid, onder c, blijkt dat het project geschikt is als opleidingsproject.

Artikel 9.14 Prestatieverantwoording

  • 1 Bij subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • a.

      inspectierapport van de Monumentenwacht;

    • b.

      activiteitenverslag.

  • 2 Bij subsidies van € 25.000 of hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • a.

      inspectierapport van de Monumentenwacht;

    • b.

      activiteitenverslag.

  • 3 Onverminderd de voorgaande leden, kunnen Gedeputeerde Staten aan de beschikking tot subsidieverlening de verplichting verbinden om het activiteitenverslag vergezeld te laten gaan van beeld- of geluidsmateriaal.

Artikel 9.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies van € 25.000 en hoger een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald

§ 10 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 10.1 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2015 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.

Artikel 10.2 Intrekking

De Subsidieregeling Cultureel Erfgoed wordt ingetrokken.

Artikel 10.3 Overgangsrecht

Voor subsidieaanvragen ingediend voor de inwerkingtreding van deze regeling blijft de Subsidieregeling Cultureel Erfgoed zijn werking behouden.

Artikel 10.4 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2013.

Artikel 10.5 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 19 maart 2013

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris drs. W.G.H.M. Rutten

 

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingSubsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant
CiteertitelSubsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpcultuur, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Artikel I, onder A en B, van de Zesde wijzigingsregeling Subsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant werkt terug tot en met 1 oktober 2014, respectievelijk tot en met 12 december 2013.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, art.2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-201506-03-2015Art. 2.10, 2.11, 2.14, 3.9, 3.10, 4.1, 4.7, 4.9, 4.10, 5.10, 6.10, 6.11, 6.14, 7.9, 7.10, 7.13, 8.9, 8.10, 8.13, 9.10

16-12-2014

Provinciaal Blad, 2014, 180

S0292684
06-11-201401-01-2015Art. 9.7, 9.11

28-10-2014

Provinciaal Blad, 2014, 136

S0290083
29-08-201412-12-201329-08-2014Art. 9.7, 9.10, 9.13

26-08-2014

Provinciaal Blad, 2014, 93

3615990
29-08-201406-11-2014Art. 5.7, 5.10, 6.5, 6.7, 6.10, 6.11, 6.12, 6A.1 t/m 6A.13, 7.10, 8.10, 9.5, 9.9, 9.10, 9.11, 9.12

26-08-2014

Provinciaal Blad, 2014, 94

3615990
13-06-201429-08-2014Art. 1.1.

10-06-2014

Provinciaal Blad, 2014, 75

S0285113
12-12-201312-06-2014Art.1.6, 1.7, 1.10, 1.11, 1.12, 2.10, 2.11, 2.14, 3.9, 3.10, 4.1, 4.7, 4.8, 4.9, 4.10, 4.11, 5.9, 5.10, 5.13, 6.10, 6.11, 6.14, 7.9, 7.10, 7.13, 8.9, 8.10, 8.13, 9.1 t/m 9.15, 10.1 t/m 10.5

10-12-2013

Provinciaal Blad, 2013, 178

3501039
29-08-201312-12-2013Art. 2.10, 2.11, 5.10, 6.10, 6.11, 7.5, 7.8, 7.9, 7.10, 8.9. 8.10, 8.11

27-08-2013

Provinciaal Blad, 2013, 118

S0271285
01-04-201329-08-2013Nieuwe regeling

19-03-2013

Provinciaal Blad, 2013, 41

3370774