Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Overwegende dat Provinciale Staten op 12 oktober 2012 de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant hebben vastgesteld, waarin de uitgangspunten van het Kader financieel beheer rijkssubsidies zijn geïmplementeerd, alsmede een algehele actualisatie is doorgevoerd;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op 17 januari 2012 het Uitvoeringsprogramma Erfgoed 2012-2015 ‘maken dat leven zich hechten kan’ hebben vastgesteld met daarin de aankondiging voor de regelingen Erfgoed in Context en instandhouding monumenten;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten erfgoed willen behouden, toegankelijker willen maken voor Brabanders en bezoekers aan Brabant en willen dat erfgoed nieuwe economische functies krijgt;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten daartoe op 7 april 2009 de Subsidieregeling Cultureel Erfgoed hebben vastgesteld, laatstelijk gewijzigd op 8 januari 2013;

Overwegende dat aanpassing van de Subsidieregeling Cultureel Erfgoed aan de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant leidt tot een groot aantal noodzakelijke wijzigingen en Gedeputeerde Staten het derhalve wenselijk achten een geheel nieuwe regeling vast te stellen;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§ 1 Erfgoed in context

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    businesscase: zakelijke afweging, vastgelegd in een afwegingsdocument, om een project te beginnen op basis van een afweging van kosten en baten, waarin de benodigde experts aangeven dat het project technisch uitvoerbaar is en waaruit blijkt dat de oplevering van het eindresultaat en de voordelen traceerbaar en meetbaar zijn;

  • b.

    erfgoed: roerend, onroerend en immaterieel erfgoed, waaronder in ieder geval historische gebouwen, cultuurhistorische landschappen, historische groenstructuren, archeologische monumenten, plaatsen van herinnering, volksgebruiken en verhalen worden begrepen;

  • c.

    regionaal verhaal: verhaal in woord en beeld over belangrijke aspecten van de bewoningsgeschiedenis van een bepaalde regio of landstreek, waarvan het grondgebied in minimaal twee gemeenten ligt;

  • d.

    tot leven brengen van erfgoed: beter of opnieuw herkenbaar en aantrekkelijk maken van erfgoed of verdwenen of deels verdwenen erfgoed alsmede het virtueel tot leven brengen van erfgoed via diverse media.

Artikel 1.2 Doel

Het herkenbaar en aantrekkelijk maken van erfgoed, verdwenen erfgoed of deels verdwenen erfgoed in Noord-Brabant ten behoeve van een toename van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving en het leef- en vestigingsklimaat.

Artikel 1.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

    openbare lichamen;

  • b.

    verenigingen;

  • c.

    stichtingen;

  • d.

    rechtspersonen.

Artikel 1.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    het tot leven brengen van erfgoed door de doelgroep, bedoeld in artikel 1.3, onder a tot en met c;

  • b.

    het tot stand brengen van een businesscase voor het tot leven brengen van erfgoed door de doelgroep, bedoeld in artikel 1.3, onder d.

Artikel 1.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het project reeds is gestart voor de datum van ontvangst van de subsidieaanvraag;

  • b.

    het totale aangevraagde subsidiebedrag op grond van deze regeling of een andere provinciale subsidieregeling meer dan 70% van de totale projectkosten bedraagt.

Artikel 1.7 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project valt binnen een Cultuurhistorisch landschap of Archeologisch landschap zoals weergegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 van de provincie Noord-Brabant, vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 21 december 2010;

  • b.

    in het project participeren ten minste twee gemeenten waarvan de grondgebieden een overlap hebben met een landschap als bedoeld onder a;

  • c.

    het project heeft betrekking op een regionaal verhaal of maakt deel uit van een al eerder gepubliceerd regionaal verhaal van een gemeente als bedoeld onder b;

  • d.

    het project is geformuleerd rond concrete doelstellingen;

  • e.

    het project beschikt over indicatoren, waarmee het behalen van de doelstellingen, bedoeld onder d, worden gemonitoord;

  • f.

    het project draagt aantoonbaar bij aan het tot leven brengen van erfgoed;

  • g.

    het project draagt aantoonbaar bij aan de betrokkenheid bij Brabants erfgoed;

  • h.

    het project bereikt een publiek van jong tot oud;

  • i.

    het project betrekt of integreert het bedrijfsleven of de omgeving om het erfgoed te verankeren in de leefomgeving ten behoeve van een duurzame toeristische of recreatieve bestemming;

  • j.

    het project borgt de kwaliteit van de historische presentatie, bezoekersinformatie en bewegwijzering;

  • k.

    het project borgt het beheer van het erfgoed;

  • l.

    aan het project liggen ten grondslag:

    • 1°.

      een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

      een sluitende begroting.

Artikel 1.8 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten van het project voor subsidie in aanmerking.

Artikel 1.9 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.8 komen kosten voor restauratie en onderhoud van erfgoed in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking.

 Artikel 1.10 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend in de periode van 1 april 2013 tot en met 31 december 2015.

Artikel 1.11 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 1.5, voor de periode van 1 april 2013 tot en met 31 december 2015, vast op een bedrag van:

  • a.

    € 1.030.000 voor projecten als bedoeld in artikel 1.5, onder a;

  • b.

    € 50.000 voor projecten als bedoeld in artikel 1.5, onder b.

Artikel 1.12 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.5, bedraagt 60% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van:

  • a.

    € 250.000 voor projecten als bedoeld in artikel 1.5, onder a;

  • b.

    € 5.000 voor projecten als bedoeld in artikel 1.5, onder b.

Artikel 1.13 Verdeelcriteria

  • 1 Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3 Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van de procentuele hoogte van de eigen bijdrage en die van derden, waarbij een hoger percentage voorgaat op een lager percentage.

  • 4 Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald op basis van de hoogte van de eigen bijdrage in absolute zin, waarbij een hogere bijdrage voorgaat op een lagere bijdrage.

  • 5 Indien toepassing van het vierde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 1.14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het project is uiterlijk binnen drie jaar na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening gerealiseerd;

  • b.

    bij subsidies van € 125.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • c.

    bij subsidies van € 125.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 1.15 Prestatieverantwoording

  • 1 Bij subsidies tot € 25.000 toont de ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 1.5, onder a, desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van een activiteitenverslag en beeld- en geluidsmateriaal.

  • 2 Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 1.5, onder a, bij de aanvraag tot vaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van een activiteitenverslag en beeld- en geluidsmateriaal.

  • 3 De ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 1.5, onder b, toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van de businesscase.

Artikel 1.16 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies van € 25.000 en hoger, als bedoeld in artikel 1.5, onder a, een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald in termijnen waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 2 Basistaken musea

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    actieve conservering: combinatie van maatregelen en handelingen, die nodig is voor de consolidatie van een museaal object, het tegengaan van geconstateerd verval of het verhinderen van te verwachten verval;

  • b.

    conservering: preventieve conservering of actieve conservering;

  • c.

    museaal object: voorwerp dat past binnen de doelstelling van het collectiebeleid en deel uitmaakt of deel gaat uitmaken van de collectie van een museum;

  • d.

    museum: permanente instelling ten dienste van de gemeenschap en haar ontwikkeling, toegankelijk voor het publiek, niet gericht op het maken van winst, die materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, behoudt, wetenschappelijk onderzoekt, presenteert en hierover informeert voor doeleinden van studie, educatie en genoegen;

  • e.

    preventieve conservering: combinatie van maatregelen en handelingen, die nodig is voor het scheppen van een zo goed mogelijke omgeving voor het bewaren van museale objecten;

  • f.

    restauratie: handeling, inclusief het daaraan voorafgaande onderzoek, die nodig is om een beschadigd of gedeeltelijk verloren gegaan museaal object in de oorspronkelijke of een andere, vooraf gedefinieerde staat terug te brengen.

Artikel 2.2 Doel

Het ondersteunen van activiteiten van musea welke gericht zijn op structurele kwaliteitsverbetering en professionalisering ten aanzien van de uitvoering van de basistaken van musea.

Artikel 2.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door musea.

Artikel 2.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het structureel verbeteren van de kwaliteit en het professionaliseren van een of meer van de volgende de basistaken van musea:

  • a.

    restauratie of conservering;

  • b.

    beheer van de museumcollectie;

  • c.

    presentatie van de museumcollectie;

  • d.

    publieksbereik;

  • e.

    wetenschappelijk onderzoek;

  • f.

    bedrijfsvoering.

Artikel 2.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien door Gedeputeerde Staten voor het project reeds subsidie is verstrekt.

Artikel 2.7 Subsidievereisten

  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de subsidieaanvrager is gevestigd in Noord-Brabant;

    • b.

      de subsidieaanvrager levert een eigen bijdrage van ten minste 50% van de totale projectkosten;

    • c.

      het project resulteert aantoonbaar in een structurele verbetering van de kwaliteit van een of meer basistaken van de subsidieaanvrager;

    • d.

      het project resulteert aantoonbaar in een professionalisering van een of meer basistaken van de subsidieaanvrager;

    • e.

      aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

        een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de van toepassing zijnde vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

        een actueel beleidsplan van de subsidieaanvrager;

      • 3°.

        het meest recente jaarverslag van de subsidieaanvrager;

      • 4°.

        een sluitende begroting.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, voldoet een project als bedoeld in artikel 2.5, onder a, aan de volgende vereisten:

    • a.

      aan het project ligt een collectieplan ten grondslag;

    • b.

      aan het project ligt een goed onderbouwde offerte met behandelplan ten grondslag;

    • c.

      indien sprake is van restauratie of actieve conservering:

      • 1˚.

        wordt voor de uitvoering daarvan opdracht verleend aan een restaurator;

      • 2˚.

        is de restaurator, bedoeld onder 1°, opgenomen in het Restauratoren Register of ingeschreven bij een met name te noemen professionele belangenvereniging;

      • 3˚.

        heeft het museum het desbetreffende object in eigendom en in bezit of in bruikleen;

      • 4˚.

        eindigt de eigendom en het bezit of de bruikleen, bedoeld onder 3°, niet binnen een termijn van tien jaar;

    • d.

      indien het project betrekking heeft op preventieve conservering, onderbouwt de subsidieaanvrager de noodzaak tot uitgaven daartoe, door middel van een onafhankelijk deskundig advies.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, liggen aan een project als bedoeld in artikel 2.5, onder b, ten grondslag:

    • a.

      een collectieregistratieplan;

    • b.

      een offerte.

  • 4 Onverminderd het eerste lid, liggen aan een project als bedoeld in artikel 2.5, onder c, ten grondslag:

    • a.

      een plan dat voorziet in een duidelijke verhaallijn;

    • b.

      een onderbouwde inschatting van het publiekseffect;

    • c.

      een offerte.

  • 5 Onverminderd het eerste lid, ligt aan een project als bedoeld in artikel 2.5, onder d, een onderbouwde inschatting van het te verwachten publiekseffect en het structurele karakter van dit effect ten grondslag.

  • 6 Onverminderd het eerste lid, voldoet een project als bedoeld in artikel 2.5, onder e, aan de volgende vereisten:

    • a.

      het wetenschappelijk onderzoek is gericht op de collectie van de subsidieaanvrager;

    • b.

      aan het project ligt een onderzoeksplan ten grondslag.

  • 7 Onverminderd het eerste lid, geeft de aanvrager van een subsidie voor een project als bedoeld in artikel 2.5, onder f, in het projectplan aan hoe dit plan zich verhoudt tot het beleidsplan.

Artikel 2.8 Subsidiabele kosten

  • 1 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder a, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten voor restauratie en actieve conservering, uitgevoerd door de restaurator, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, onderdeel c, onder 1° en 2° voor subsidie in aanmerking;

    • b.

      de kosten voor preventieve conservering, bestaande uit:

      • 1°.

        de kosten voor depotinrichting;

      • 2°.

        de kosten voor UV-wering;

      • 3°.

        de kosten voor de aanschaf van klimaatbeheersings- en klimaatregistratieapparatuur.

  • 2 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder b, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten voor aanschaf van hardware, software en randapparatuur ten behoeve van collectieregistratie en -documentatie;

    • b.

      de kosten voor converteren van gegevens.

  • 3 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder c, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten voor herinrichting en verbouwing van de permanente of semi-permanente presentatie;

    • b.

      de kosten voor vervaardiging van maquettes, replica’s, modellen en publieksinformatiesystemen.

  • 4 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder d, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten voor ontwikkeling en productie van structureel inzetbaar educatief materiaal;

    • b.

      de kosten voor verbetering van de toegankelijkheid voor een breed publiek of de fysieke toegankelijkheid;

    • c.

      de kosten voor een publieks- en marketingonderzoek.

  • 5 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder e, de onderzoekskosten voor subsidie in aanmerking.

  • 6 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder f, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten ter verbetering van bedrijfsmanagement op het gebied van personeels-, financieel, project-, collectie-, facility- en veiligheidsmanagement;

    • b.

      de kosten die direct verband houden met de totstandkoming van een beleidsplan.

Artikel 2.9 Niet subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    de kosten voor periodieke vervanging van apparatuur;

  • b.

    de kosten voor personeel binnen de reguliere taakstelling en formatie van het museum;

  • c.

    de kosten voor reguliere exploitatie;

  • d.

    de kosten voor aankoop van museale objecten.

Artikel 2.10 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van:

  • a.

    1 april tot en met 30 juni, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van september tot en met december;

  • b.

    1 september tot en met 30 november, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van januari tot en met juni.

Artikel 2.11 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.5, voor de tenderperiode van 1 april 2013 tot en met 30 juni 2013 vast op € 0.

Artikel 2.12 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.5, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder dan € 1.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 2.13 Verdeelcriteria

  • 1 Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het subsidieplafond, genoemd in artikel 2.12, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige subsidieaanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      het project is ingediend door een subsidieaanvrager met de status ‘geregistreerd museum’ of ‘voorlopig geregistreerd museum’ in het Museumregister van de stichting Museumregister Nederland, te waarderen met 5 punten;

    • b.

      de mate waarin het project van doorslaggevend belang is voor het behoud van werken of (deel)collecties van grote culturele waarde voor de provincie Noord-Brabant, te waarderen met maximaal 5 punten;

    • c.

      de mate waarin het project bijdraagt aan vergroting of verbreding van het publieksbereik van musea in Noord-Brabant, te waarderen met maximaal 5 punten;

    • d.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de vergroting van de toegankelijkheid en zichtbaarheid van museumcollecties, te waarderen met maximaal 5 punten;

    • e.

      de mate waarin het project nieuwe kansrijke manieren verkent om structurele kwaliteitsverbetering en professionalisering te realiseren, te waarderen met maximaal 5 punten.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 2.14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de verplichting dat het project uiterlijk twee jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening is gerealiseerd.

Artikel 2.15 Prestatieverantwoording

  • 1 Bij subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van een activiteitenverslag.

  • 2 Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van een activiteitenverslag.

  • 3 Onverminderd het eerste en tweede lid, kunnen Gedeputeerde Staten aan de beschikking tot subsidieverlening de verplichting verbinden om het activiteitenverslag vergezeld te laten gaan van beeld- of geluidsmateriaal.

Artikel 2.16 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies van € 25.000 en hoger een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald in termijnen waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 3 Eco-archeologisch onderzoek

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    C14-dateringsonderzoek: radiometrische datering waarmee de ouderdom van organisch materiaal wordt bepaald met behulp van koolstof-14 isotopen;

  • b.

    conservering: combinatie van maatregelen en handelingen, die nodig is voor de consolidatie van een archeologisch object en het tegengaan van geconstateerd verval of het verhinderen van te verwachten verval van een archeologisch object;

  • c.

    eco-archeologische waarden: archeologische waarden van flora en fauna die met name in natte contexten goed bewaard zijn gebleven en kwetsbaar zijn;

  • d.

    OSL: Optically Stimulated Luminescence;

  • e.

    OSL-dateringsonderzoek: methode van onderzoek waarmee bepaald wordt hoe lang het geleden is dat een object verdwenen is onder de grond;

  • f.

    programma van eisen: document waarin onderzoekseisen worden opgelegd aan een initiatiefnemer van een ruimtelijk project die voldoen aan de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie zoals uitgegeven door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer te Gouda;

  • g.

    specialistisch eco-archeologisch onderzoek: onderzoek van plantaardige en dierlijke overblijfselen en van textiel uit archeologische context, dendrochronologie, C14-dateringsonderzoek, isotopenonderzoek en OSL-dateringsonderzoek.

Artikel 3.2 Doel

Het behoud van eco-archeologische waarden en het behoud van informatie van en uit eco-archeologische waarden ex situ in de provincie Noord-Brabant die een bijdrage leveren aan de kennis over het klimaat, de flora en fauna en het menselijk handelen in het verleden.

Artikel 3.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

    waterschappen;

  • b.

    gemeenten;

  • c.

    terreinbeherende instanties;

  • d.

    universiteiten;

  • e.

    erkende wetenschappelijke instituten;

  • f.

    organisaties die specialistisch eco-archeologisch onderzoek uitvoeren.

Artikel 3.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 3.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    het uitvoeren van specialistische eco-archeologische onderzoek;

  • b.

    het conserveren van eco-archeologische waarden.

Artikel 3.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het project menselijke skeletonderdelen betreft;

  • b.

    het project of een onderdeel ervan, door het bevoegd gezag verplicht is gesteld aan de initiatiefnemer van het project;

  • c.

    het bevoegd gezag het project redelijkerwijze had kunnen voorzien en dit had moeten opnemen in een programma van eisen.

Artikel 3.7 Subsidievereisten

  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op:

      • 1°.

        het behoud van eco-archeologische waarden in de provincie Noord-Brabant; of

      • 2°.

        het behoud van informatie van of uit eco-archeologische waarden in de provincie Noord-Brabant en draagt aantoonbaar bij aan de kennis over het klimaat, de flora en fauna, en het menselijk handelen in het verleden;

    • b.

      aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

        een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

        een sluitende begroting, in kalenderjaren uitgesplitst.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.5, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is uitgevoerd in het kader van:

      • 1°.

        een natuurproject;

      • 2°.

        een waterproject; of

      • 3°.

        een ander ruimtelijk project;

    • b.

      de opdrachtgever of initiatiefnemer van het project, bedoeld in artikel 3.5, onder a, is:

      • 1°.

        een waterschap;

      • . een gemeente; of

      • 3°.

        een terreinbeherende instantie;

    • c.

      het specialistische eco-archeologische onderzoek wordt uitgevoerd door een afgestudeerd academicus;

    • d.

      de academicus, bedoeld onder c, is verbonden aan:

      • 1˚.

        een universiteit;

      • 2˚.

        een erkend wetenschappelijk instituut; of

      • 3˚.

        een organisatie die specialistisch eco-archeologisch onderzoek uitvoert;

    • e.

      de academicus, bedoeld onder c, voert zijn werkzaamheden uit in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

    • f.

      aan het project ligt een onderzoeksplan ten grondslag.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.5, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het conserveren van eco-archeologische waarden wordt uitgevoerd door een persoon die verbonden is aan een organisatie, gespecialiseerd in de conservering van organische materialen;

    • b.

      de persoon, genoemd onder a, voert zijn werkzaamheden uit in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

    • c.

      het project is uitgevoerd in het kader van een natuurproject, een waterproject of ander ruimtelijk project;

    • d.

      aan het project ligt een conserveringsplan ten grondslag.

Artikel 3.8 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten voor het project voor subsidie in aanmerking.

Artikel 3.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen kunnen het hele jaar door worden ingediend.

Artikel 3.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 3.5, voor de periode van 1 april 2013 tot en met 31 december 2013, vast op € 50.000.

Artikel 3.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.5, bedraagt ten hoogste € 24.500.

Artikel 3.12 Verdeelcriteria

  • 1 Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3 Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van de percentuele hoogte van de eigen bijdrage en die van derden, waarbij een hoger percentage voorgaat op een lager percentage.

  • 4 Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald op basis van de hoogste eigen bijdrage in absolute zin, waarbij een hogere bijdrage voorgaat op een lagere bijdrage.

  • 5 Indien toepassing van het vierde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 3.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de verplichting dat het project uiterlijk twee jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening is gerealiseerd.

Artikel 3.14 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

  • a.

    een activiteitenverslag;

  • b.

    beeld- of geluidsmateriaal.

§ 4 Instandhouding molens

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    Brim: Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011;

  • b.

    inspectierapport: rapport met overzichts- en detailfoto’s, waaruit de technische staat van de molen nauwkeurig blijkt en waarmee de noodzaak van de ingrepen voldoende wordt onderbouwd;

  • c.

    instandhouding: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde;

  • d.

    molen: al dan niet meer voor de oorspronkelijke functie in bedrijf zijnde wind- of watermolen of molenrestant;

  • e.

    moleneigenaar: natuurlijke persoon of rechtspersoon die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht heeft op een molen.

Artikel 4.2 Doel

De instandhouding van monumentale molens in Noord-Brabant.

Artikel 4.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door moleneigenaren.

Artikel 4.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 4.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de instandhouding van molens die zijn aangewezen als:

  • a.

    rijksmonument;

  • b.

    gemeentelijk monument; of

  • c.

    ‘overige bouwkunst’, zoals aangeduid op de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010, vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 21 december 2010.

Artikel 4.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien aan de subsidieaanvrager door Gedeputeerde Staten reeds eerder subsidie is verstrekt voor de instandhouding van de molen voor een of meerdere kalenderjaren van het instandhoudingsplan.

Artikel 4.7 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de molen is gelegen binnen het grondgebied van de provincie Noord-Brabant;

  • b.

    aan het project ligt een instandhoudingsplan ten grondslag, dat betrekking heeft op zes kalenderjaren en waarin in ieder geval zijn opgenomen:

    • 1°.

      een specificatie van de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden;

    • 2°.

      een omschrijving van de hiermee beoogde resultaten;

    • 3°.

      een actueel inspectierapport van ten hoogste twee jaar oud;

    • 4°.

      een sluitende meerjarenbegroting waarin wordt aangegeven in welk jaar de onderscheiden werkzaamheden worden verricht.

  • c.

    Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 4.5, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat de subsidieaanvrager beschikt over de beschikking van het Rijk, strekkende tot subsidieverlening op grond van het Brim voor de betreffende molen, inclusief bijlagen inzake het vaststellen van de subsidiabele kosten.

Artikel 4.8 Subsidiabele kosten

  • 1 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 4.5, onder a, de door het Rijk bij beschikking als bedoeld in artikel 4.7, onder c, vastgestelde totale subsidiabele kosten voor subsidie in aanmerking.

  • 2 Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor subsidies als bedoeld in artikel 4.5, onder b en c, de kosten zoals begroot in het instandhoudingsplan voor subsidie in aanmerking, voor zover die kosten zijn gebaseerd op de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten Brim 2011, die als bijlage is opgenomen bij de Regeling rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011.

Artikel 4.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 1 januari tot en met 31 maart.

Artikel 4.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4.5, voor 2013 vast op € 0.

Artikel 4.11 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 4.5, onder a, bedraagt 20% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 10.000.

  • 2 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 4.5, onder b en c, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 24.500.

Artikel 4.12 Verdeelcriteria

  • 1 Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2 Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3 Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 4.13 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van een activiteitenverslag.

§ 5 Restauratie molens

Artikel 5.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    communicatie paragraaf: een paragraaf waarin staat op welke wijze de communicatie van het project wordt gerealiseerd;

  • b.

    molen: al dan niet meer voor de oorspronkelijke functie in bedrijf zijnde wind- of watermolen of combinatie van beide met inbegrip van molenrestanten;

  • c.

    monumenten commissie: commissie als bedoeld in artikel 15 van de Monumentenwet 1988.

Artikel 5.2 Doel

Het behoud van molens in Noord-Brabant door middel van restauratie.

Artikel 5.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door moleneigenaren.

Artikel 5.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 5.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het restaureren van als rijksmonument aangewezen molens.

Artikel 5.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 10.000;

  • b.

    het project reeds is gestart voor de datum van ontvangst van de subsidieaanvraag.

Artikel 5.7 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 5.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de molen is gelegen binnen het grondgebied van de provincie Noord-Brabant;

  • b.

    de molen wordt opengesteld voor publiek;

  • c.

    in het geval van een complete molen draait de molen en waar mogelijk maalt de molen;

  • d.

    het project heeft de instemming van de Molenstichting Noord-Brabant;

  • e.

    voor het project is een omgevingsvergunning verleend;

  • f.

    aan het project liggen ten grondslag:

    • 1°.

      een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

      een positief advies van de monumenten commissie voor het restauratieplan, inclusief communicatieparagraaf;

    • 3°.

      een bouwhistorische verkenning;

    • 4°.

      een sluitende begroting.

Artikel 5.8 Subsidiabele kosten.

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de door het Rijk op grond van de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten 2013, die als bijlage is opgenomen bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten, vastgestelde totale subsidiabele kosten voor subsidie in aanmerking.

Artikel 5.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van:

  • a.

    1 april tot en met 30 juni, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van augustus tot en met december;

  • b.

    1 september tot en met 30 september, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van januari tot en met juli.

Artikel 5.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 5.5, voor de tenderperiode van 1 april 2013 tot en met 30 juni 2013, vast op € 3.400.000.

Artikel 5.11 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 5.5, bedraagt 70% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 900.000.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 10.000, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 5.12 Verdeelcriteria

  • 1 Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het subsidieplafond, genoemd in artikel 5.11, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige subsidieaanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin het project bijdraagt aan het opwekken van duurzame energie in de provincie Noord-Brabant, te waarderen met maximaal 20 punten;

    • b.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de vergroting van de toegankelijkheid en de zichtbaarheid van de molen, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • c.

      de omvang van het aandeel cofinanciering door andere partijen dan de eigenaar, ten opzichte van de eigen bijdrage van de eigenaar, te waarderen met maximaal 10 punten.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 5.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het project is uiterlijk binnen drie jaar na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening gerealiseerd;

  • b.

    bij subsidies van € 125.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • c.

    bij subsidies van € 125.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 5.14 Prestatieverantwoording

  • 1 Bij subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de subsidiabele activiteit is verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een activiteitenverslag.

  • 2 Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de subsidiabele activiteit is verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een activiteitenverslag.

  • 3 Onverminderd het eerste en tweede lid, kunnen Gedeputeerde Staten aan de beschikking tot subsidieverlening de verplichting verbinden om het activiteitenverslag vergezeld te laten gaan van beeld- of geluidsmateriaal.

Artikel 5.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies van € 25.000 en hoger een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald in termijnen waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 6 Restauratie her te bestemmen kerken

Artikel 6.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    communicatie paragraaf: een paragraaf waarin staat op welke wijze de communicatie van het project wordt gerealiseerd;

  • b.

    her te bestemmen kerk: voor de eredienst gebouwde kerk, die een nieuwe bestemming krijgt met respect voor de aanwezige monumentwaarden;

  • c.

    restauratie: handeling die nodig is om het onroerend erfgoed duurzaam, sober en doelmatig instand te houden ten behoeve van een stabiele, maatschappelijk verantwoorde of duurzame functie;

  • d.

    tijdelijke instandhouding: situatie waarin een leegstaand monument, waarvoor nog gezocht wordt naar een nieuwe bestemming, wind- en waterdicht gehouden wordt.

Artikel 6.2 Doel

Het behoud van kerken in Noord-Brabant door middel van restauratie en tijdelijke instandhouding.

Artikel 6.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door eigenaren van her te bestemmen kerken.

Artikel 6.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 6.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    het restaureren van het casco van her te bestemmen kerken;

  • b.

    de tijdelijke instandhouding van kerken.

Artikel 6.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien het project reeds is gestart voor datum van ontvangst van de subsidieaanvraag.

Artikel 6.7 Subsidievereisten

  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.5 in aanmerking te komen, dient voldaan te zijn aan alle volgende vereisten:

    • a.

      de kerk is aangewezen als rijksmonument;

    • b.

      het project wordt gerealiseerd in Noord-Brabant;

    • c.

      het project heeft de instemming van de Stichting Behoud en Herbestemming Religieus Erfgoed.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.5, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      voor het project is een omgevingsvergunning afgegeven;

    • b.

      de herbestemming is in overeenstemming met het bestemmingsplan;

    • c.

      bewijsmateriaal betreffende de realisatie en financiële haalbaarheid van de nieuwe bestemming, dan wel een beoordeling van het herbestemmingproject door deskundigen;

    • d.

      aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

        een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

        een positief advies van de monumenten commissie voor het restauratieplan, inclusief communicatieparagraaf;

      • 3°.

        een sluitende begroting.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 6.5, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

Artikel 6.8 Subsidiabele kosten.

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    de door het Rijk op grond van de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten 2013, die als bijlage is opgenomen bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten, vastgestelde totale subsidiabele kosten;

  • b.

    de kosten van het opstellen van een restauratieplan, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid onder d.

Artikel 6.9 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 6.8 komen de kosten voor het realiseren van de herbestemming in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 6.10 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van:

  • a.

    1 april tot en met 30 juni, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van augustus tot en met december;

  • b.

    1 september tot en met 30 september, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van augustus tot en met december.

Artikel 6.11 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 6.4, voor de tenderperiode van 1 april 2013 tot en met 30 juni 2013 vast op € 3.400.000.

Artikel 6.12 Subsidiehoogte

  • 1 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 6.5, onder a, bedraagt 70% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 1.000.000.

  • 2 De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 6.5, onder b, bedraagt 70% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 10.000.

Artikel 6.13 Verdeelcriteria

  • 1 Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het subsidieplafond, genoemd in artikel 6.11, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige subsidieaanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin het project bijdraagt aan het realiseren van een maatschappelijke functie voor het kerkgebouw, te waarderen met maximaal 20 punten;

    • b.

      de mate waarin het project bijdraagt aan het bewaren van waardevol religieus erfgoed en het beeld van stad en platteland, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • c.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de toegankelijkheid van religieus erfgoed voor publiek, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • d.

      de mate waarin het project een voorbeeldfunctie heeft in het proces van herbestemming, te waarderen met maximaal 10 punten.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 6.14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het project is uiterlijk binnen vijf jaar na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening gerealiseerd;

  • b.

    bij subsidies van € 125.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • c.

    bij subsidies van € 125.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 6.15 Prestatieverantwoording

  • 1 Bij subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de subsidiabele activiteit, is verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een activiteitenverslag.

  • 2 Bij subsidies van € 25.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de subsidiabele activiteit is verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een activiteitenverslag.

  • 3 Onverminderd het eerste en tweede lid, kunnen Gedeputeerde Staten aan de beschikking tot subsidieverlening de verplichting verbinden om het activiteitenverslag vergezeld te laten gaan van beeld- of geluidsmateriaal.

Artikel 6.16 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies van € 25.000 en hoger een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2 Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald in termijnen waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

§ 7 Regionale geschiedbeoefening

Artikel 7.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt onder geschiedbeoefening verstaan: bijdragen aan de bewustwording van de waarde van het regionale materiële en immateriële erfgoed, alsmede het tot stand brengen van educatieve activiteiten en projecten op dat gebied.

Artikel 7.2 Doel

Het bevorderen van activiteiten op het gebied van de geschiedbeoefening in Noord-Brabant.

Artikel 7.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door rechtspersonen.

Artikel 7.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 7.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het bevorderen van activiteiten op het gebied van geschiedbeoefening.

Artikel 7.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 7.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de subsidieaanvrager draagt via een eigen bijdrage of cofinanciering ten minste 50% van de totale projectkosten;

  • b.

    het project staat in relatie tot de Noord-Brabantse geschiedbeoefening;

  • c.

    het project is van bovenlokaal belang;

  • d.

    het project heeft een voorbeeldfunctie;

  • e.

    aan het project liggen ten grondslag:

    • 1°.

      een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze paragraaf;

    • 2°.

      een sluitende begroting, waarin een overzicht wordt geboden van de overige subsidieaanvragen.

Artikel 7.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten voor het project voor subsidie in aanmerking.

Artikel 7.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 7.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    salariskosten;

  • b.

    onderzoekskosten.

Artikel 7.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van:

  • a.

    1 april tot en met 30 juni, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van september tot en met december;

  • b.

    1 september tot en met 30 november, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van januari tot en met juni.

Artikel 7.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 7.5, voor de tenderperiode van 1 april 2013 tot en met 30 juni 2013 vast op € 0.

Artikel 7.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 7.5, bedraagt maximaal € 5.000.

Artikel 7.12 Verdeelcriteria

  • 1 Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het subsidieplafond, genoemd in artikel 7.10, te boven gaan, vindt de verdeling van de subsidie plaats op basis van de percentuele hoogte van de eigen bijdrage en die van cofinanciering, waarbij een hoger percentage voorgaat op een lager percentage.

  • 2 Indien toepassing van eerste lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de rangschikking van die aanvragen bepaald op basis van de hoogste eigen bijdrage in absolute zin, waarbij een hogere bijdrage voorgaat op een lagere bijdrage.

  • 3 Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 7.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de verplichting dat het project uiterlijk binnen twee jaar na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening is gerealiseerd.

Artikel 7.14 Prestatieverantwoording

  • 1 De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van:

    • a.

      een activiteitenverslag;

    • b.

      een tot stand gekomen publicatie.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, kunnen Gedeputeerde Staten aan de beschikking tot subsidieverlening de verplichting verbinden om het activiteitenverslag vergezeld te laten gaan van beeld- of geluidsmateriaal.

§ 8 Prof. dr. H.F.J.M. van den Eerenbeemtfonds

Artikel 8.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt onder geschiedbeoefening verstaan: bijdrage aan de reconstructie van de geschiedenis.

Artikel 8.2 Doel

Het bevorderen van de wetenschappelijke geschiedbeoefening van Brabant.

Artikel 8.3 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door rechtspersonen.

Artikel 8.4 Subsidievorm

  • 1 Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2 Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 8.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    het uitgeven van wetenschappelijke publicaties over de Brabantse geschiedenis;

  • b.

    activiteiten die de wetenschappelijke geschiedbeoefening van Brabant bevorderen.

Artikel 8.6 Subsidievereisten

  • 1 Om voor subsidie als bedoeld in artikel 8.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de subsidieaanvrager draagt via een eigen bijdrage of cofinanciering ten minste 50% van de totale projectkosten;

    • b.

      het project heeft de intentie bij te dragen aan het wetenschappelijk debat;

    • c.

      het project is van bovenlokaal belang;

    • d.

      het project kan de toets van wetenschappelijke kritiek doorstaan;

    • e.

      het project levert een bijdrage aan het historisch besef;

    • f.

      aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

        een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

        een sluitende begroting.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 8.5, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat de thematiek van de publicatie in relatie staat tot het werkterrein van het fonds, de wetenschappelijke geschiedenis van Brabant.

Artikel 8.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    drukkosten;

  • b.

    onderzoekskosten.

Artikel 8.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 8.7 komen salariskosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 8.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van:

  • a.

    1 april tot en met 30 juni, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van september tot en met december;

  • b.

    1 september tot en met 30 november, voor projecten die starten in de daaropvolgende periode van januari tot en met juni.

Artikel 8.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 8.5, voor de tenderperiode van 1 april 2013 tot en met 30 juni 2013, vast op € 0.

Artikel 8.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 8.5, bedraagt maximaal € 2.500.

Artikel 8.12 Verdeelcriteria

  • 1 Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 8.10, te boven gaan, vindt de verdeling van de subsidie plaats op basis van de percentuele hoogte van de eigen bijdrage en die van confinanciering, waarbij een hoger percentage voorgaat op een lager percentage.

  • 2 Indien toepassing van eerste lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de rangschikking van die aanvragen bepaald op basis van de hoogste eigen bijdrage.

  • 3 Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 8.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de verplichting dat het project uiterlijk binnen twee jaar na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening is gerealiseerd.

Artikel 8.14 Prestatieverantwoording

  • 1 De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van:

    • a.

      een activiteitenverslag;

    • b.

      een tot stand gekomen publicatie.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, kunnen Gedeputeerde Staten aan de beschikking tot subsidieverlening de verplichting verbinden om het activiteitenverslag vergezeld te laten gaan van beeld- of geluidsmateriaal.

§ 9 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 9.1 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2015 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.

Artikel 9.2 Intrekking

De Subsidieregeling Cultureel Erfgoed wordt ingetrokken.

Artikel 9.3 Overgangsrecht

Voor subsidieaanvragen ingediend voor de inwerkingtreding van deze regeling blijft de Subsidieregeling Cultureel Erfgoed zijn werking behouden.

Artikel 9.4 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2013.

Artikel 9.5 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 19 maart 2013

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris drs. W.G.H.M. Rutten

 

Algemeen

Erfgoed staat niet op zichzelf, maar is een waardevol onderdeel van onze leefomgeving. Monumenten, cultuurlandschappen en archeologisch erfgoed vertellen het verhaal van de Brabanders van toen, hoe ze ploeterden om hun brood te verdienen, hoe ze rouwden om hun doden, hoe ze streden voor hun vrijheid. De tastbare herinneringen aan deze verhalen maken dat de Brabanders van nu en de Brabanders van straks zich aan Brabant kunnen hechten. Zij vormen een wezenlijk onderdeel van de Brabantse identiteit.

Erfgoed biedt kansen voor het verbeteren van de leefbaarheid van stad en platteland, voor de vestiging van nieuwe bedrijven en voor het trekken van toeristen. Het is aan de Brabanders om deze kansen te grijpen. Waar burgers en bedrijven het initiatief nemen om erfgoed te behouden en beleefbaar te maken, wil het provinciaal bestuur hen daarbij helpen. Onze hulp bestaat uit het bij elkaar brengen van partijen, uit het bieden van kennis, uit deelname in investeringen, uit borgstellingen voor investeringen en uit cofinanciering. Slechts deze laatste lijn wordt door middel van dit juridisch instrument geoperationaliseerd.

Met het Uitvoeringsprogramma Erfgoed 2012-2015 geeft het provinciaal bestuur van Brabant verder richting en vorm aan de koers die zij heeft uitgezet in de Agenda van Brabant, de Kaderstellende notitie Monumenten 2011 en De transitie van stad en platteland. Het doel van dit algehele proces is dat erfgoed toegankelijker wordt voor Brabanders en bezoekers aan Brabant, dat erfgoed behouden blijft, dat erfgoed nieuwe economische functies krijgt en dat kennis over erfgoed wordt opgebouwd. Onze inspanningen hebben als oogmerk dat meer Brabanders actief zijn met erfgoed in hun omgeving, er meer participatie, betrokkenheid en financiële inzet van burgers en ondernemers is, er meer zorg komt voor erfgoed vanuit samenwerkingsverbanden uit de hele maatschappij en vanuit overheden en er een (re)vitalisering van erfgoed plaatsvindt.

Noord-Brabant zet in op een integrale aanpak – met name bij vraagstukken rond gebiedsontwikkeling – waarbij erfgoed wordt verbonden met leefbaarheid, vestigingsklimaat, ruimtelijke kwaliteit, ecologie, toerisme en economie. Hier is nog pionierswerk te doen waardoor de uitkomsten nog niet altijd concreet te maken zijn.

Juridisch kader Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in deze subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten en algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.

Paragraafsgewijs

§ 1 Erfgoed in context Omdat regio’s steeds belangrijker worden, moeten ze innovatiever worden en in de toekomst permanente veerkracht kunnen tonen. Regio’s zullen elkaar in de toekomst steeds scherper beconcurreren op kwaliteit. In dit tijdsgewricht is de ecologische en sociaal-culturele kwaliteit van regio’s steeds vaker doorslaggevend voor de economische ontwikkeling ervan. Om burgers en bedrijven te boeien en talenten te binden, is niet alleen het werk of salaris van belang. De culturele kwaliteit van de leefomgeving en het leefklimaat zijn steeds vaker een doorslaggevende factor. Herkenbaar en aantrekkelijk erfgoed draagt in belangrijke mate bij of een regio aantrekkelijk wordt bevonden. Herkenbaar erfgoed vormt vaak een landmark en kan toonaangevend zijn voor de identiteit en het imago van een regio, stad of dorp.

Deze paragraaf heeft als oogmerk het herkenbaar en aantrekkelijk maken van erfgoed ten behoeve van een toename van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving en het leef- en vestigingsklimaat, waarbij het erfgoed in de context van de samenleving wordt geplaatst: ruimtelijk, cultureel, sociaal en economisch. Onze algehele inzet richt zich erop om hardware (restauratie, stenen) en software (draagvlak, bewustzijn, beleving) bij elkaar te brengen om als motor voor nieuwe ontwikkelingen te dienen. Wij focussen ons in deze regeling op projecten binnen de provinciale landschappen zoals benoemd in onze Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en nader aangeduid op onze Cultuurhistorische Waardenkaart. De inzet is de projecten een meerwaarde te laten hebben voor ondernemerschap, recreatie en toerisme en maatschappelijke binding.

De paragraaf voorziet nadrukkelijk niet in de dekking van kosten van restauratie, onderhoud of instandhouding. Daarvoor zijn andere regelingen, zoals het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2013 (BRIM) van het Rijk en de paragrafen 4 en 5 van deze regeling. De regeling voorziet uitdrukkelijk in de dekking van kosten van het ruimtelijk tot leven brengen van erfgoed dat onderdeel uitmaakt van een regionaal verhaal, ook wel culturele biografie, cultureel streekdiagram of (historische) canon genoemd. In het project moeten ten minste twee gemeenten participeren.

§ 2 Basistaken musea Deze paragraaf is bedoeld voor de hulp bij kleinschalige museale projecten die als doel hebben de museale basistaken te verbeteren. Wij ondersteunen hiermee activiteiten van musea welke gericht zijn op structurele kwaliteitsverbetering en professionalisering ten aanzien van de uitvoering van hun basistaken van. Ons oogmerk hierbij is dat het erfgoed behouden blijft en Brabants erfgoed toegankelijker wordt gemaakt voor Brabanders en bezoekers aan Brabant. Deze paragraaf wordt uitgevoerd door Erfgoed Brabant.

§ 3 Eco-archeologisch onderzoek Recente archeologische ontdekkingen hebben duidelijk gemaakt hoe rijk en gedifferentieerd het archeologisch bodemarchief is in de Brabantse beekdalen. In veel gevallen blijkt de conservering van het bodemarchief zeer goed te zijn, vanwege de ligging van dit archief beneden het grondwater. De beekdalen hebben echter ook een groot maatschappelijk belang vanwege de actualiteit van het water- en natuurbeheer. De sterke wijzigingen in het mondiale klimaat alsook de verscherpte doelstellingen in het Europese milieubeleid dwingen met name waterschappen tot tal van nieuwe initiatieven op het gebied van het kwalitatieve en kwantitatieve waterbeheer. Dit heeft tot gevolg dat grootschalige ingrepen in de regionale beeksystemen onvermijdelijk zijn. Deze ingrepen zullen gelet op het Verdrag van Malta gepaard gaan met archeologische onderzoeken. Te voorzien is echter dat belangrijke eco-archeologische waarden onderzocht dienen te worden, omdat zij niet ter plekke behouden kunnen worden. Bij deze archeologische onderzoeken in met name natte contexten, zoals beekdalen, worden veelal zeer vergankelijk erfgoed aangetroffen, waarvan het onderzoek zeer kostenintensief is. Deze paragraaf is bedoeld voor de hulp voor het behoud van deze eco-archeologische waarden en het behoud van informatie van deze eco-archeologische waarden, indien en voor zover de initiatiefnemer van het ruimtelijk project de (mate van) aanwezigheid van deze waarden redelijkerwijze niet had kunnen voorzien. Het behoud van dit erfgoed levert een belangrijke bijdrage aan de kennis over het klimaat, de flora en fauna en het menselijk handelen in het verleden in de provincie Noord-Brabant.

§ 4 Instandhouding molens Deze paragraaf wordt uitgevoerd door de Monumentwacht Noord-Brabant en biedt een mogelijkheid tot financiële ondersteuning van de instandhouding van monumentale molens en molenrompen in de provincie Noord-Brabant met als oogmerk dat het erfgoed behouden blijft voor Brabanders en bezoekers aan Brabant. Belangrijke voorwaarde hierbij is dat de eigenaar en/of beheerder een instandhoudingsplan opstelt en uitvoert. Per molen kan één keer per zes jaar subsidie worden verleend.

§ 5 Restauratie molens Molens zijn landmarks in het Brabantse landschap. Zij geven een gebied een unieke herkenbaarheid. In tijden van snelle ontwikkelingen, is het goed dat we aandacht besteden aan de dingen die blijven. En om deze monumenten in de toekomst te laten voortbestaan. Deze monumenten vragen om een duurzaam behoud. Oogmerk van deze paragraaf is het inlopen van de restauratie-achterstand voor molens, die zijn geplaatst op de rijksmonumentenlijst. Deze molens kennen in onze provincie een grotere restauratieachterstand dan elders. De Molenstichting Noord-Brabant heeft een molenconsulent benoemd die met de moleneigenaren plannen gaat ontwikkelen. Gedeputeerde Staten subsidiëren restauratiewerkzaamheden aan rijksmonumenten. De werkzaamheden moeten sober en doelmatig zijn en staan in dienst van het behoud van de cultuurhistorische waarden. Verplaatsing of completering van molenfragmenten valt buiten de regeling.

§ 6 Restauratie her te bestemmen kerken Kerken zijn ankerpunten in de Brabantse dorpen en steden. Zij geven de omgeving een unieke herkenbaarheid en vertellen het verhaal van het ontstaan en de ontwikkelingen van gemeenschappen. In tijden van snelle ontwikkelingen, is het goed dat we aandacht besteden aan de dingen die blijven. En om deze monumenten in de toekomst te laten voortbestaan. Deze monumenten vragen om herbestemming ten behoeve van hun duurzame instandhouding. Oogmerk van deze paragraaf is het inlopen van de restauratieachterstand voor kerken die worden herbestemd. Het gaat om kerkgebouwen die zijn geplaatst op de rijksmonumentenlijst. De Stichting Behoud en Herbestemming Religieus Erfgoed gaat in overleg met eigenaren en andere partners uit het veld plannen ontwikkelen voor restauratie en herbestemming. Gedeputeerde Staten subsidiëren de restauratiewerkzaamheden aan deze rijksmonumenten. Ook is subsidie mogelijk voor tijdelijke instandhouding van deze kerkgebouwen. Het eigenaarsdeel in de financiering moet rond zijn evenals de herbestemming. Dit laatste geldt niet voor de tijdelijke instandhouding. De werkzaamheden moeten sober en doelmatig zijn en staan in dienst van het behoud van de cultuurhistorische waarden.

§ 7 Regionale geschiedbeoefening In ons Uitvoeringsprogramma Erfgoed 2012-2015 geven wij aan dat relevante kennis moet worden gecommuniceerd aan onderwijs, ondernemers, inwoners en bezoekers van binnen en buiten Brabant. Deze paragraaf is bedoeld om activiteiten, projecten en publicaties op het gebied van Noord-Brabantse cultuur- en geschiedbeoefening te stimuleren. De paragraaf wordt uitgevoerd door Erfgoed Brabant. Ons oogmerk is hierbij niet alleen kennis over erfgoed op te laten bouwen, maar ook om meer participatie, betrokkenheid en financiële inzet van burgers en ondernemers te stimuleren op het gebied van het erfgoed in Noord-Brabant.

§ 8 Prof. dr. H.F.J.M. van den Eerenbeemtfonds Relevante kennis over erfgoed moet worden gecommuniceerd aan onderwijs, ondernemers, inwoners en bezoekers van binnen en buiten Brabant. Wetenschappelijk historisch onderzoek, doorlopende leerlijnen en multimediale ontsluiting worden in de context van economie en ruimte geplaatst. Het nieuw op te starten Kenniscentrum Erfgoed moet via zijn gebundelde kennis en deskundigheid op het gebied van cultureel erfgoed, geschiedenis, streektaal en volkscultuur in Brabant bij dragen aan het verduurzamen van erfgoed. Deze paragraaf maakt de uitgave van wetenschappelijke monografieën over de Noord-Brabantse geschiedenis mogelijk en wordt uitgevoerd door Erfgoed Brabant. Ons oogmerk hiermee is niet alleen kennis over erfgoed op te laten bouwen, maar ook om meer participatie, betrokkenheid en financiële inzet van burgers en ondernemers te stimuleren op het gebied van het erfgoed in Noord-Brabant.

Subsidieplafond, subsidiehoogte en verdeelcriteria Het subsidieplafond geeft het bedrag aan dat voor het lopende begrotingsjaar respectievelijk voor de komende begrotingsjaren tot en met 2015 beschikbaar is voor de verlening van subsidies. Wijzigingen in de beleidsmatige keuzes of de begroting van de provincie Noord-Brabant kunnen aanleiding geven tot een wijzigingsregeling waarin subsidieplafonds worden aangepast.

Omdat de omvang van het voor verstrekking van subsidies beschikbare bedrag wordt beperkt door een subsidieplafond, wordt in de subsidieregeling bepaald hoe de beschikbare gelden over de in beginsel voor honorering in aanmerking komende aanvragen worden verdeeld. In artikel 1.13 en artikel 3.12 is dit uitgewerkt in het systeem ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. In dit systeem wordt op subsidieaanvragen beslist in volgorde van ontvangst. Niet uitgesloten is dat op dezelfde dag meerdere volledige subsidieaanvragen binnenkomen en dat honorering van al deze aanvragen tot een overschrijding van het subsidieplafond zal leiden. Daarom is een voorziening opgenomen om voor die situatie een nadere rangorde aan te kunnen brengen in de aanvragen van de desbetreffende dag. Deze rangorde wordt dan bepaald door een rangschikking te maken van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen op basis van de percentuele hoogte van de eigen bijdrage en die van derden. Indien toepassing hiervan leidt dat aanvragen op een gelijke plaats eindigen wordt rangschikking bepaald op basis van de hoogste eigen bijdrage. Als na toepassing van vorenstaande blijkt dat aanvragen op een gelijke plaats eindigen, dan wordt rangschikking bepaald door loting. In paragraaf 4 van deze subsidieregeling is eveneens sprake van deze verdeelmethodiek.

In paragrafen 2, 5, 6, 7 en 8 wordt gewerkt met een tendersysteem. Bij het tendersysteem in deze paragrafen moeten aanvragen binnen een in de regeling bepaalde periode worden ingediend, waarna wordt voorzien in een gelijktijdige beslissing op aanvragen op grond van een onderlinge vergelijking aan de hand van een aantal criteria. De subsidieaanvragen die voldoen aan alle vereisten worden bij elkaar opgeteld. Indien het totaal van die subsidieaanvragen het subsidieplafond van de tenderperiode niet overschrijdt, komen alle subsidieaanvragen voor subsidie in aanmerking. Indien het totaal van de voornoemde subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond wél te boven gaat, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie een afweging tussen de verschillende aanvragen op basis van de kwalitatieve criteria uit artikel 2.13, 5.12 , 6.13, 7.12 en 8.12. De subsidie wordt dan verdeeld in de volgorde van de rangschikking totdat het subsidieplafond wordt bereikt. In de situatie dat de hoogst gerangschikte subsidieaanvrager in aanmerking komt voor de maximale subsidiehoogte, heeft subsidieverlening aan deze subsidieaanvrager tot gevolg dat het subsidieplafond automatisch bereikt zal zijn. Alle andere subsidieaanvragen moeten van rechtswege geweigerd worden.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitterde secretaris
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk drs. W.G.H.M. Rutten

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingSubsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant
CiteertitelSubsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpcultuur, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, art.2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-04-201329-08-2013Nieuwe regeling

19-03-2013

Provinciaal Blad, 2013, 41

3370774