• Geldig sinds 01 november 2012.
    Geldig tot 22 november 2013.

    Print deze versie:
  • Overige versies

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

Gelet op artikel 43 van de Wet bodembescherming;

Gezien de Eindnotitie project afstemming/bevel kostenverhaal Wet bodembescherming d.d. 11 februari 2003 en de beleidsregels kostenverhaal artikel 75 Wet bodembescherming april 2007 (Stcrt. 10 mei 2007, nr. 90, p.15-17);

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

 Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    bedrijfsterrein: perceel als bedoeld in artikel 55a Wbb;

  • b.

    bevel bodembeschermingsmaatregelen: bevel tot het nemen van maatregelen in het belang van bescherming van de bodem als bedoeld in artikel 43, derde lid, Wbb;

  • c.

    bevel NO: bevel tot het verrichten van nader bodemonderzoek als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder a en artikel 43, derde lid Wbb;

  • d.

    bevel SO: bevel tot het verrichten van saneringsonderzoek als bedoeld in artikel 43, derde lid, Wbb;

  • e.

    bevel TBM: bevel tot het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder b Wbb dan wel artikel 43, vierde lid, Wbb;

  • f.

    bevoegd gezag: Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

  • g.

     saneringsbevel: bevel tot het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 43, derde lid, Wbb;

  • h.

    veroorzaker: degene door wiens feitelijke handelingen de verontreiniging is veroorzaakt, en voorts degene door wiens handelingen een bepaald gevaar in het leven is geroepen of degene die nalatig is geweest bepaalde voorzorgsmaatregelen te treffen die - indien wel getroffen - de verontreiniging zou hebben voorkómen of verminderd;

  • i.

    Wbb: Wet bodembescherming.

Hoofdstuk 2 Het bevel jegens de veroorzaker

Paragraaf 1 Het bevel NO 
Artikel 2
  • 1 Het bevoegd gezag kan een bevel NO geven aan de veroorzaker.

  • 2 Indien vaststaat dat de verontreiniging in zijn geheel vóór 1 januari 1975 is ontstaan, geeft het bevoegd gezag geen bevel NO aan de veroorzaker , tenzij de veroorzaker in materiële zin voldoet aan de criteria van artikel 75, vijfde lid, Wbb.

  • 3 Het bevoegd gezag kan besluiten de veroorzaker op diens verzoek gedeeltelijk te compenseren in de onderzoekskosten indien deze kan aantonen dat de verontreiniging gedeeltelijk voor 1 januari 1975 is ontstaan.

  • 4 De compensatie wordt gerelateerd aan de verhouding tussen het deel van de verontreiniging dat voor en het deel van de verontreiniging dat na 1 januari 1975 is ontstaan.

  • 5 De compensatie kan maximaal het percentage zijn gelijk aan dat deel van de verontreiniging dat voor 1 januari 1975 is ontstaan ten opzichte van de gehele periode van veroorzaking.

  • 6 Indien de veroorzaker in materiële zin voldoet aan de criteria van artikel 75, vijfde lid, Wbb wordt geen compensatie aangeboden.

Artikel 3

Een bevel NO aan de veroorzaker strekt tot onderzoek van het gehele geval van verontreiniging.

Paragraaf 2 Het bevel TBM 
Artikel 4
  • 1 Het bevoegd gezag kan een bevel TBM geven aan de veroorzaker.

  • 2 Indien vaststaat dat de verontreiniging in zijn geheel vóór 1 januari 1975 is ontstaan, geeft het bevoegd gezag geen bevel TBM aan de veroorzaker, tenzij de veroorzaker in materiële zin voldoet aan de criteria van artikel 75, vijfde lid, Wbb.

  • 3 Het bevoegd gezag kan besluiten de veroorzaker gedeeltelijk te compenseren in de kosten van tijdelijke beveiliging indien deze kan aantonen dat de verontreiniging gedeeltelijk voor 1 januari 1975 is ontstaan.

  • 4 Artikel 2, vierde, vijfde en zesde lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Een bevel TBM wordt niet aan de veroorzaker gegeven indien de verplichting tot het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar is jegens de eigenaar of erfpachter van een bedrijfsterrein.

Artikel 5

Een bevel TBM aan de veroorzaker strekt tot beveiliging van het gehele geval van verontreiniging.

Paragraaf 3 Het bevel bodembeschermingsmaatregelen 
Artikel 6
  • 1 Het bevoegd gezag kan een bevel bodembeschermingsmaatregelen geven aan de veroorzaker.

  • 2 Indien vaststaat dat de verontreiniging in zijn geheel vóór 1 januari 1975 is ontstaan, geeft het bevoegd gezag geen bevel bodembeschermingsmaatregelen aan de veroorzaker, tenzij de veroorzaker in materiële zin voldoet aan de criteria van artikel 75 vijfde lid Wbb.

  • 3 Het bevoegd gezag kan besluiten de veroorzaker gedeeltelijk te compenseren in de kosten van de te nemen bodembeschermingsmaatregelen indien deze kan aantonen dat de verontreiniging gedeeltelijk voor 1 januari 1975 is ontstaan.

  • 4 Artikel 2, vierde, vijfde en zesde lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Een bevel bodembeschermingsmaatregelen wordt niet aan de veroorzaker gegeven indien de verplichting tot het nemen van bodembeschermingsmaatregelen ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar is jegens de eigenaar of erfpachter van een bedrijfsterrein.

Paragraaf 4 Het bevel saneringsonderzoek en het saneringsbevel
Artikel 7
  • 1 Het bevoegd gezag kan een bevel SO en een saneringsbevel geven aan de veroorzaker.

  • 2 Indien vaststaat dat de verontreiniging in zijn geheel vóór 1 januari 1975 is ontstaan, geeft het bevoegd gezag geen bevel SO of saneringsbevel aan de veroorzaker, tenzij de veroorzaker in materiële zin voldoet aan de criteria van artikel 75 vijfde lid Wbb.

  • 3 Het bevoegd gezag kan besluiten de veroorzaker gedeeltelijk te compenseren in de kosten van het hier bedoelde onderzoek en/of de saneringskosten indien deze kan aantonen dat de verontreiniging gedeeltelijk voor 1 januari 1975 is ontstaan.

  • 4 Artikel 2, vierde, vijfde en zesde lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Indien het bevoegd gezag besluit tot compensatie in de kosten van sanering, dan worden op de compensatie eventuele voordelen in mindering gebracht.

  • 6 Een bevel SO en een saneringsbevel worden niet aan de veroorzaker gegeven indien de wettelijke saneringsplicht ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar is jegens de eigenaar of erfpachter van een bedrijfsterrein.

Artikel 8

Een bevel SO en een saneringsbevel aan de veroorzaker strekken tot onderzoek respectievelijk sanering van het gehele geval van verontreiniging.

Hoofdstuk 3 Het bevel jegens de eigenaar/de beperkt zakelijk gerechtigde/persoonlijk gerechtigde 

Paragraaf 1 Algemeen 
Artikel 9 

Voor de eigenaar, de erfpachter, de beperkt zakelijk of persoonlijk gerechtigde die het grondgebied bedrijfsmatig gebruikt of heeft gebruikt, en die tevens veroorzaker is gelden de artikelen 2 tot en met 8.

Paragraaf 2 Het bevel NO 
Artikel 10 

Het bevoegd gezag kan een bevel NO geven aan de eigenaar, de erfpachter, de beperkt zakelijk of persoonlijk gerechtigde die het grondgebied bedrijfsmatig gebruikt of heeft gebruikt.

Artikel 11 
  • 1 Een bevel NO jegens de eigenaar, de erfpachter, de beperkt zakelijk of persoonlijk gerechtigde die het grondgebied bedrijfsmatig gebruikt of heeft gebruikt strekt tot onderzoek van het grondgebied waar de verontreiniging of de directe gevolgen zich voordoen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan een bevel NO jegens de eigenaar, de erfpachter of de beperkt zakelijk of persoonlijk gerechtigde die het grondgebied bedrijfsmatig gebruikt of heeft gebruikt strekken tot onderzoek van het gehele geval van verontreiniging indien sprake is van een mobiele verontreiniging, waarvan de bron zich bevindt of heeft bevonden op diens grondgebied.

  • 3 Voor de geadresseerde van het bevel als bedoeld in het eerste en tweede lid bestaat geen aanspraak op een bijdrage in de onderzoekskosten tenzij het achterwege laten daarvan, naar het oordeel van het bevoegd gezag, leidt tot onevenredig nadeel.

Paragraaf 3 Het bevel TBM 
Artikel 12 
  • 1 Het bevoegd gezag kan een bevel TBM geven aan de eigenaar of de erfpachter of de beperkt zakelijk of persoonlijk gerechtigde die het grondgebied bedrijfsmatig gebruikt of heeft gebruikt.

  • 2 Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing op het bevel TBM.

  • 3 Een bevel TBM wordt niet aan de eigenaar of erfpachter gegeven indien de verplichting tot het nemen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar is jegens de eigenaar of erfpachter van een bedrijfsterrein.

Paragraaf 4 Het bevel bodembeschermingsmaatregelen 
 Artikel 13 
  • 1 Het bevoegd gezag kan een bevel bodembeschermingsmaatregelen geven aan de eigenaar of erfpachter.

  • 2 Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing op het bevel bodembeschermingsmaatregelen.

  • 3 Een bevel bodembeschermingsmaatregelen wordt niet aan de eigenaar of erfpachter gegeven indien de verplichting tot het nemen van bodembeschermingsmaatregelen ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar is jegens de eigenaar of erfpachter van een bedrijfsterrein.

Paragraaf 5 Het bevel SO 
Artikel 14 
  • 1 Het bevoegd gezag kan een bevel SO geven aan de eigenaar of erfpachter.

  • 2 Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing op het bevel SO.

  • 3 Een bevel SO wordt niet aan de eigenaar of erfpachter gegeven indien de wettelijke saneringsplicht ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar is jegens de eigenaar of erfpachter van een bedrijfsterrein.

Paragraaf 6 Het saneringsbevel 
Artikel 15 
  • 1 Het bevoegd gezag kan een saneringsbevel geven aan de schuldig eigenaar en de schuldig erfpachter.

  • 2 Een eigenaar of erfpachter is onschuldig indien hij aan de voorwaarden van artikel 46, eerste lid Wbb voldoet.

  • 3 Het bevoegd gezag kan besluiten tot compensatie in de saneringskosten indien de geadresseerde van het bevel als bedoeld in het eerste lid kan aantonen dat het achterwege laten daarvan leidt tot onevenredig nadeel.

  • 4 Indien het bevoegd gezag besluit tot compensatie in de kosten van sanering dan worden op de compensatie eventuele voordelen in mindering gebracht.

  • 5 Een saneringsbevel wordt niet aan de eigenaar of erfpachter gegeven indien de wettelijke saneringsplicht ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar is jegens de eigenaar of erfpachter van een bedrijfsterrein.

 Artikel 16 
  • 1 Van een duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker of veroorzakers in de zin van artikel 46, eerste lid onder a Wbb is sprake wanneer de eigenaar of erfpachter een duurzame relatie heeft of heeft gehad met de veroorzaker, die betrekking had op de beschikbaarheid van de grond of die ingrijpen in de bedrijfsvoering van de veroorzaker mogelijk maakt(e) en de eigenaar of erfpachter redelijkerwijs op de hoogte is, was of had kunnen zijn van de activiteiten van de veroorzaker, die tot bodemverontreiniging hebben geleid.

  • 2 Indien de duurzame rechtsbetrekking als bedoeld in het eerste lid is geëindigd en de veroorzaker op grond daarvan door de eigenaar of erfpachter had kunnen worden aangesproken tot herstel in de oude toestand, wordt de eigenaar of erfpachter als schuldig aangemerkt.

Artikel 17 

Betrokkenheid bij de veroorzaking van de bodemverontreiniging in de zin van artikel 46, eerste lid onder b Wbb wordt gelijkgesteld met het (mede)veroorzaken daarvan.

Artikel 18 

Voor het vereiste "op de hoogte zijn dan wel redelijkerwijs had kunnen zijn ten tijde van de verkrijging van het recht op het grondgebied" in de zin van artikel 46, eerste lid onder c Wbb is het moment waarop het recht werd verkregen bepalend. Daarbij worden de volgende momenten onderscheiden en de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • a.

    verkrijging vóór 1 januari 1975: de eigenaar of erfpachter is onschuldig, ook al wist hij op het moment van verkrijging dat het terrein was verontreinigd, tenzij hij een duurzame rechtsbetrekking heeft of had met de veroorzaker, of hij betrokkenheid heeft gehad bij de veroorzaking van de verontreiniging;

  • b.

    verkrijging tussen 1 januari 1975 en 1 januari 1983: de eigenaar of erfpachter is onschuldig, tenzij kan worden aangetoond dat hij op het moment van verkrijging wist dat het terrein was verontreinigd. Ook is de professionele koper van verdachte (voormalige) industrieterreinen, die door eenvoudig onderzoek kennis had kunnen nemen van de bodemverontreiniging schuldig;

  • c.

    verkrijging tussen 1 januari 1983 en 1 januari 1987: de eigenaar of erfpachter die op de hoogte was of op de hoogte had kunnen zijn van de verontreiniging en de professionele koper die door bodemonderzoek kennis had kunnen nemen van de bodemverontreiniging is schuldig;

  • d.

    verkrijging na 1 januari 1987: de eigenaar of erfpachter die na 1 januari 1987 een verontreinigd grondgebied heeft verkregen is in beginsel schuldig, met uitzondering van de bewoner of een “kleine zelfstandige” die ten tijde van de koop niet was voorzien van deskundige bijstand;

  • e.

    vanaf 1993 is iedere verkrijger van een verontreinigd terrein als schuldig aan te merken, met dien verstande dat:

    • -

      bij een verkrijging vanaf 1 maart 1993: de eigenaar of erfpachter als bedoeld in artikel 21 die een huis heeft gekocht met een (al dan niet nadien) lekkende huisbrandolietank of een andere aan de woonfunctie gerelateerde verontreiniging, is schuldig;

    • -

      bij een verkrijging na 1 juli 1993: de professionele verkrijger die na 1 juli 1993 een met asbest verontreinigd terrein heeft verkregen is schuldig;

    • -

      bij een verkrijging na 27 februari 2000: de niet-professionele eigenaar of erfpachter die na 27 februari 2000 een met asbest verontreinigd terrein heeft verkregen, is schuldig.

Artikel 19 

Een saneringsbevel aan de eigenaar of erfpachter wordt alleen gegeven indien door middel van een besluit op basis van artikel 29 en 37 Wbb door het bevoegd gezag is vastgesteld dat de verontreiniging spoedig moet worden gesaneerd.

Artikel 20 
  • 1 Een saneringsbevel jegens de eigenaar of erfpachter strekt tot sanering van diens grondgebied waar de verontreiniging of de directe gevolgen daarvan zich voordoen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan een saneringsbevel jegens de eigenaar, de erfpachter of de gebruiker strekken tot sanering van het gehele geval van verontreiniging, indien sprake is van een mobiele verontreiniging waarvan de bron van verontreiniging zich bevindt of heeft bevonden op diens grondgebied.

  • 3 Het bevoegd gezag kan besluiten tot compensatie in de saneringskosten die betrekking hebben op het deel van de verontreiniging dat buiten het eigendoms- of erfpachtrecht van de geadresseerde van het bevel als bedoeld in het tweede lid is gelegen, indien de geadresseerde van het bevel kan aantonen dat het achterwege laten daarvan leidt tot onevenredig nadeel.

Hoofdstuk 4 Bijzondere categorieën 

Paragraaf 1 Particuliere eigenaren die tevens bewoner zijn 
Artikel 21 

In afwijking van artikel 15 wordt aan de eigenaar of erfpachter die een verontreinigd grondgebied uitsluitend gebruikt voor particuliere bewoning door hemzelf, geen saneringsbevel gegeven, tenzij de eigenaar of erfpachter:

  • a.

    tevens de veroorzaker is van de bodemverontreiniging, dan wel

  • b.

    een duurzame rechtsbetrekking heeft of heeft gehad met de veroorzaker van de bodemverontreiniging, dan wel

  • c.

    betrokken is of is geweest bij de veroorzaking van de bodemverontreiniging, dan wel

  • d.

    het grondgebied na 1 maart 1993 heeft verkregen en de verontreiniging is veroorzaakt door een aan de woonfunctie gerelateerde verontreiniging.

Paragraaf 2 Verkrijging onder algemene titel door erfopvolging 
Artikel 22 
  • 1  Indien sprake is van verkrijging onder algemene titel als bedoeld in artikel 80, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt de verkrijger onder algemene titel voor de toepassing van het bevelsbeleid geplaatst in de positie van degene van wie hij onder algemene titel verkrijgt.

  • 2  Wanneer een erfgenaam verkrijgt van een onschuldig eigenaar wordt deze aangemerkt als onschuldig eigenaar, tenzij de verkrijger:

    • de verontreiniging heeft veroorzaakt;

    • betrokken is geweest bij de veroorzaking van de bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 17 dan wel;

    • een duurzame rechtsbetrekking heeft (gehad) met de veroorzaker.

  • 3  Bij erfopvolging kan een erfgenaam die de nalatenschap heeft aanvaard compensatie in de kosten van onderzoek, tijdelijke beveiligingsmaatregelen, bodembeschermingsmaatregelen en sanering worden geboden, indien en voor zover de kosten daarvan de omvang van de nalatenschap overtreffen.

  • 4  Dit artikel is niet van toepassing indien de verplichtingen tot het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen, bodembeschermingsmaatregelen, het uitvoeren van saneringsonderzoek dan wel de wettelijke saneringsplicht ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar zijn jegens de hier bedoelde verkrijgers en erfgenamen.

  Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 23 Citeertitel 

Deze beleidsregel wordt aangehaald als Beleidsregel bevel Wet bodembescherming Noord-Brabant.

Artikel 24 Inwerkingtreding  

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst. 

Ondertekening

's-Hertogenbosch, 23 oktober 2012

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris drs.. W.G.H.M. Rutten

 

Toelichting behorende bij de Beleidsregel bevel Wet bodembescherming Noord-Brabant

1. AlgemeenIn deze toelichting wordt allereerst de aanleiding tot het vaststellen van beleidsregels op het gebied van de inzet van het nader onderzoeksbevel (bevel NO), het bevel tot het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen(bevel TBM), het bevel bodembeschermingsmaatregelen, het saneringsonderzoeksbevel (bevel SO) en het saneringsbevel weergegeven. Verder de status daarvan en de verhouding tot de kostenverhaalbevoegdheid van de Minister en andere regelingen. Vervolgens wordt een aantal algemene onderwerpen van het bevelsinstrumentarium Wet bodembescherming en het bevelsbeleid besproken.

AanleidingLandelijk beleid In de periode van september 1999 tot en met mei 2000 heeft een landelijke werkgroep, bestaande uit een aantal bevoegde gezagen Wet bodembescherming (hierna: Wbb), het ministerie van VROM (thans I&M) en het kantoor van de Landsadvocaat, een notitie opgesteld waarin het bevelsinstrumentarium van de Wbb en het kostenverhaal op grond van die wet op elkaar zijn afgestemd. Aanleiding voor de afstemming was onder andere de onduidelijkheid die heerst rondom de mogelijkheid tot toepassing van diverse bevelen. De “duurzame rechtsbetrekking” en de wetenschap bij verkrijging van het terrein zoals die voorkomen in artikel 46 van de Wet bodembescherming worden met de beleidsregels nader ingevuld. Daarnaast werd het wenselijk geacht een gemeenschappelijk kader te vormen waarbinnen de bevoegde gezagen hun regels kunnen opstellen. Ook was er de wens om tot meer gemengde financiering te komen. Bodemsanering dient zoveel mogelijk aan te haken bij maatschappelijke dynamiek die ontstaat door gebiedsontwikkeling, waardoor meer partijen belang hebben bij het gebied. Door zoveel mogelijk saneringen vanuit de marktdynamiek te benaderen moet het aantal bodemsaneringen dat geheel uit de publieke middelen wordt gefinancierd steeds meer worden beperkt. Met behulp van het wettelijk bevelsinstrumentarium is het mogelijk om veroorzakers en eigenaren meer expliciet aan te spreken op hun verantwoordelijkheden om bij te dragen aan de bodemsanering. Hierdoor kan een extra geldstroom vanuit de markt worden aangewend. De notitie is destijds aangeboden als een handreiking aan de bevoegde gezagen bij het opstellen van hun eigen bevelsbeleid . In het Convenant “bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties” (Bodemconvenant) dat op 9 juli 2009 is ondertekend door de Ministers van VROM en LNV, de Staatssecretaris van V&W en vertegenwoordigers van het IPO, VNG en het UVW, wordt het bevelsinstrumentarium expliciet genoemd als instrument om een van de doelen van het convenant te bereiken, namelijk de aanpak van de verontreinigde locaties die vanwege risico’s met spoed moeten worden gesaneerd, kort gezegd de aanpak van de spoedlocaties. Daarom is het van belang om de landelijke notitie “afstemming bevel/kostenverhaal Wbb” te vertalen naar provinciaal bevelsbeleid. De Wbb zoals die luidt vanaf 1 januari 2006 is hierbij het uitgangspunt.

StatusHet bevelsbeleid heeft betrekking op het inzetten van onderzoeks- en saneringsbevelen, het bevel tot het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen (bevel TBM) en het bevel bodembeschermingsmaatregelen die Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant als bevoegd gezag Wbb op grond van de wet ter beschikking staan. Na vaststelling en publicatie overeenkomstig artikel 3:40 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn dit beleidsregels in de zin van de Awb.

KostenverhaalBinnen het toenmalige ministerie van VROM is een notitie opgesteld, “Beleid inzake kostenverhaal" (maart 2002), die later is vastgesteld als ”de Beleidsregel kostenverhaal, artikel 75 Wet bodembescherming” (april 2007). Die notitie bevat, in hoofdlijnen, het beleid van het ministerie rond het kostenverhaal op grond van artikel 75 Wbb en vormt mede een basis voor dit bevelsbeleid. De beleidsregel kostenverhaal betreft de juridische randvoorwaarden die gelden voor situaties dat een sanering van overheidswege is uitgevoerd en gaat als zodanig dan ook niet over bevelsbeleid.

Verhouding tot andere regelingen/jurisprudentieBij het hanteren van het bevelsbeleid is het van belang de positie daarvan te kennen ten opzichte van andere regelgeving en de jurisprudentie. In dit kader zijn vooral van belang:

  • • Zorgplicht op grond van artikel 13 Wbb;

  • • Europese regelgeving;

  • • Wijziging Wet bodembescherming per 1 januari 2006;

  • • Jurisprudentie.

ZorgplichtBodemverontreiniging die na 1 januari 1987 is ontstaan, valt in beginsel onder de zogenaamde zorgplicht van artikel 13 Wbb en voor zover sprake is van een ongewoon voorval onder artikel 30 Wbb. Op grond van de zorgplicht dient de veroorzaker van een dergelijke bodemverontreiniging deze in principe geheel te verwijderen, dan wel de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Het bevelsbeleid stelt regels op het gebied van verontreiniging, die vóór 1 januari 1987 is ontstaan en is in principe niet van toepassing als de verontreiniging na die datum is ontstaan. Er zijn echter situaties denkbaar waarin de veroorzaker van een verontreiniging die na 1 januari 1987 is ontstaan, niet meer kan worden achterhaald of niet kan worden aangesproken. In die situaties kan de saneringsparagraaf van toepassing zijn en daarmee ook deze regeling inzake bevelsbeleid. De beleidsregels voor compensatie zijn dan niet onverkort van toepassing. Per geval zal een afweging moeten worden gemaakt.

Europese regelgevingBij de vaststelling van eigen beleid dient rekening te worden gehouden met Europeesrechtelijke beperkingen die de vrijheid tot het vaststellen van eigen beleid inperken. Daarbij zijn vooral twee onderwerpen van belang. Allereerst is dit het principe van de vervuiler betaalt. Dat is één van de beginselen van het milieubeleid van de EU (artikel 174, tweede lid, EG-Verdrag). Tijdens de parlementaire behandeling is destijds wel een voorkeursvolgorde aangegeven waarbij in eerste instantie wordt gekeken of er een veroorzaker is die kan worden aangesproken. Onder “voorkeursvolgorde” wordt dit verder besproken. Daarnaast zijn de regels rond staatssteun relevant bij het in voorkomende gevallen niet-inzetten van het juridisch instrumentarium tegen veroorzakers en/of eigenaren van vervuilde terreinen.

BedrijfsterreinenOp 1 januari 2006 is de Wbb gewijzigd. De wijziging van regelgeving in 2006 heeft onder andere betrekking op de sanering van in gebruik zijnde bedrijfsterreinen (artikel 55b Wbb). Voor deze terreinen is een saneringsplicht in de Wbb opgenomen, waarop rechtstreeks kan worden gehandhaafd. Deze bepaling is in de plaats gekomen van het saneringsbevel. In die zin is het bevelsinstrumentarium niet meer relevant voor de eigenaren van deze terreinen. Een uitzondering hierop is echter het onderzoeksbevel. Dit bevel kan wel worden opgelegd aan eigenaren en erfpachters van in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen.

JurisprudentieTot medio 2010 is er weinig jurisprudentie over de inzet van bevelen. Voor zover aanwezig heeft die betrekking op onderzoeksbevelen (zie voetnoot 6 en7). Als er nieuwe jurisprudentie ontstaat, die verschilt van het hier gestelde beleid, kan dit aanleiding zijn om van onderhavig bevelsbeleid af te wijken. Dit kan daarnaast leiden tot aanpassing van het bevelsbeleid. Ook kan nieuwe jurisprudentie van de burgerlijke rechter op het gebied van kostenverhaal van invloed zijn op de inzet van bevelen.

AfbakeningDe Wbb kent een groot aantal bevelen, die het bevoegde gezag in het kader van de bodemsaneringsoperatie kan inzetten. In grote lijnen zijn de volgende bevelen te onderscheiden:

  • 1.

     bevel tot nader onderzoek, (artikel 43, eerste lid, onder a, en derde lid, Wbb);

  • 2.

     bevel tot saneringsonderzoek, (artikel 43, derde lid, Wbb);

  • 3.

     saneringsbevel (artikel 43, derde lid, Wbb);

  • 4.

     bevel tijdelijke beveiligingsmaatregelen (TBM) (artikel 43, eerste lid, onder b, Wbb);

  • 5.

     bevel bodembeschermingsmaatregelen (artikel 43, derde lid, Wbb);

  • 6.

     gedoogbevel (artikel 49 juncto artikel 30, derde en vierde lid, Wbb);

  • 7.

     stakingsbevel (artikel 49 juncto artikel 30, tweede lid, Wbb);

  • 8.

     aanwijzing op grond van artikel 72 Wbb juncto artikel 4 Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen.

Het bevelsbeleid gaat uitsluitend in op de onderzoeks- en saneringsbevelen alsmede het bevel TBM en het bevel bodembeschermingsmaatregelen van de artikelen 43 en 46 Wbb (nummers 1 tot en met 5). Voor wat betreft het gedoogbevel en het stakingsbevel is het kader van de wet zelf voldoende duidelijk.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • ♦ 

    een bevel jegens de veroorzaker;

  • ♦ 

    een bevel jegens de eigenaar, de erfpachter of de beperkt zakelijk of persoonlijk gerechtigde die het grondgebied bedrijfsmatig gebruikt of heeft gebruikt (hierna: gebruiker),

  • ♦ 

    en twee bijzondere categorieën:

    •  bewoners;

    •  erfgenamen.

Naast genoemde bevelen kent de Wbb nog de wettelijke verplichtingen voor eigenaren en erfpachters van bedrijfsterreinen (artikel 55a en 55b Wbb). Indien deze wettelijke verplichtingen uitvoerbaar zijn, is het bevelsbeleid met betrekking tot sanering niet aan de orde.

VoorkeursvolgordeIn de landelijke notitie “afstemming bevel/kostenverhaal Wbb” wordt aangegeven dat meerdere personen zijn aan te spreken (een bevel kunnen krijgen) voor het doen van een bodemonderzoek en sanering. De Wbb geeft, met uitzondering van de verplichtingen voor bedrijfsterreinen zoals neergelegd in artikel 55b Wbb, geen regels ten aanzien van de zogenaamde "voorkeursvolgorde". Tijdens de parlementaire behandeling van de Wbb is destijds wel een voorkeursvolgorde aangegeven waarbij in eerste instantie wordt gekeken of er een veroorzaker is, die kan worden aangesproken. Daarbij is het bevoegd gezag echter niet verplicht om per geval een diepgaand onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden om een bevel in te zetten tegen een veroorzaker of eigenaar wanneer een bevel aan een andere (rechts)persoon meer in de rede ligt. Dit wordt ook in de jurisprudentie bevestigd. De Afdeling heeft in een tweetal uitspraken aangegeven dat het bevoegd gezag de bevoegdheid heeft om respectievelijk een beheersmaatregel en een onderzoeksbevel op te leggen aan de eigenaar, ongeacht of deze tevens de veroorzaker is. Ook is met de opname van de saneringsplicht in de Wbb (artikel 55b) in 2006 het beginsel “de vervuiler betaalt” meer naar de achtergrond verschoven.

De Wbb maakt onderscheid tussen onderzoeks- en saneringsbevelen. Onderzoeksbevelen, met uitzondering van het bevel SO, kunnen worden gegeven aan veroorzakers en/ of eigenaren, erfpachters of (bedrijfsmatige) gebruikers. Het bevel SO is nauw met het saneringsbevel verbonden en kan aan de veroorzaker en/of eigenaar of erfpachter (zowel schuldig als onschuldig, zie voor de vereisten artikel 46, eerste lid, Wbb) worden gericht. Saneringsbevelen zijn geclausuleerd; deze worden alleen gegeven aan de veroorzaker en of de schuldig eigenaar of schuldig erfpachter. Het verschil is te verklaren uit het feit dat het saneringsbevel verstrekkender (financiële) gevolgen heeft dan de andere bevelen.

Voor de inzet van het bevelinstrumentarium wordt, zoals hiervoor vastgesteld, primair bezien of er een veroorzaker is die kan worden aangesproken. Daarbij zal geen sprake zijn van een diepgaand onderzoek per afzonderlijk geval naar de mogelijkheden om een bevel jegens de veroorzaker in te zetten. Een bevel zal doorgaans tot de eigenaar gericht zijn. Als eigenaar van het grondgebied heeft hij er belang bij om de kwaliteit van de bodem te kennen, de verontreinigingssituatie te beheersen, de risico’s te beperken en/of de bodem te saneren. Verder is de eigenaar bekend via het kadaster en dat maakt hem direct benaderbaar. Bovendien is hij als eigenaar beschikkingsbevoegd om handelingen te verrichten op het grondgebied. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een veroorzaker die geen eigenaar (meer) is. De gebruiker komt alleen in beeld als de eigenaar en de veroorzaker niet te achterhalen zijn.

Een erfpachter heeft in beginsel alle rechten van de eigenaar. Voor de toepassing van het bevelsinstrumentarium wordt de positie van de erfpachter gelijk getrokken met die van de eigenaar.

1975Het bevelsbeleid geeft regels voor de inzet van een aantal bevelen jegens de veroorzaker van bodemverontreiniging en de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een verontreinigd grondgebied. Daarbij speelt het jaartal 1975 een belangrijke rol. Dit jaartal 1975 is afkomstig uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. Hoewel de wet bepaalde eisen stelt, waaraan moet worden voldaan voordat een bevel kan worden gegeven, is op grond van de wet niet vereist dat de verontreiniging na een bepaald tijdstip moet zijn ontstaan. Strikt genomen kunnen bevelen worden gegeven voor onderzoek of sanering van bodemverontreiniging, die vóór 1975 is ontstaan. De Hoge Raad heeft echter, in een kostenverhaalprocedure op grond van artikel 21 Interimwet bodemsanering (IBS) - het latere artikel 75 Wbb - beslist dat degene die vóór 1 januari 1975 bodemverontreiniging heeft veroorzaakt er in beginsel geen rekening mee hoefde te houden dat de overheid zich op enig moment het belang van de bescherming van de bodem zou gaan aantrekken. Dit betekent dat degene die vóór 1 januari 1975 bodemverontreiniging heeft veroorzaakt in het algemeen niet onrechtmatig heeft gehandeld en hij daarom niet aansprakelijk is. Inmiddels is er artikel 75, vijfde lid Wbb op grond waarvan een veroorzaker in specifieke situaties toch aansprakelijk kan zijn tegenover de overheid voor de bodemsaneringskosten.Tijdens de parlementaire behandeling van de Wbb is vastgesteld dat van de jurisprudentie van de Hoge Raad reflexwerking zal uitgaan bij het inzetten van het saneringsbevel.

OntwikkelingenEen tweetal ontwikkelingen in de landelijke wetgeving sinds de laatste wijziging van 2006 kan betekenis hebben voor de onderwerpen van deze beleidsregels. Dit betreft allereerst de wijziging van de Wet bodembescherming in verband met de gebiedsgerichte aanpak van het diepere grondwater (dossier 32712), welke wetswijziging per 1 juli 2012 in werking trad. Met deze nieuwe wet wordt beoogd een doorbraak te geven rond de aanpak en beheersing van de vaak door elkaar heen lopende, mobiele verontreinigingen in het diepere grondwater onder met name bedrijfsterreinen. Voor bronhouders van mobiele verontreinigingen wordt het aldus eenvoudiger om een definitieve regeling te treffen. Ook is er een wetsvoorstel in de maak (dossier 33150) dat beoogt naast de al bestaande saneringsplicht ook een bij wet geregelde nader onderzoeksplicht voor bedrijfsterreinen in het leven te roepen.

ArtikelsgewijsHieronder worden enkele bepalingen van het bevelsbeleid nader toegelicht. Deze toelichting is mede gebaseerd op de landelijke notitie “afstemming bevel/kostenverhaal”. Voor verdere toelichting wordt verwezen naar deze notitie.

Artikel 1Het begrip veroorzaker wordt voor de toepassing van het bevelsbeleid breed opgevat. Enerzijds gaat het niet alleen om degene die door zijn feitelijke handelingen de verontreiniging heeft veroorzaakt, bijvoorbeeld door het laten leeglopen van vaten met vloeibaar chemisch afval of het storten/opslaan van chemisch afval op het eigen bedrijfsterrein of elders. Anderzijds gaat het om degene die door zijn handelingen een bepaald gevaar in het leven heeft geroepen of nalatig is geweest bepaalde voorzorgsmaatregelen te treffen die - indien wel getroffen - de verontreiniging zouden hebben voorkomen of verminderd. Bijvoorbeeld door het (doen) voeren van een vervuilende bedrijfsvoering. Ook degene onder wiens bedrijfsvoering een calamiteit heeft plaatsgevonden, met als gevolg bodemverontreiniging, wordt beschouwd als een veroorzaker. Tenzij in dit laatste geval sprake was van overmacht, bijvoorbeeld door oorlogshandelingen of uitzonderlijk natuurgeweld.

In het geval dat de sanering met spoed moet worden uitgevoerd kan het nodig zijn om in de periode tot aan de sanering tijdelijk beveiligingsmaatregelen te treffen. Tijdelijke beveiligingsmaatregelen kunnen bestaan uit het plaatsen van een waarschuwingsbord, een hekwerk, een ventilator in een kruipruimte of het afdekken van de bodem om contact te voorkomen. Daarnaast kan het gaan om maatregelen om het gebruik van een tuin als moestuin te beperken, een verbod op het in de handel brengen van groenten, geteeld op de verontreinigde bodem of (eenvoudige) hydrologische maatregelen om verspreiding te beperken, zoals het plaatsen van een scherm, drainage of onttrekking.

Indien geen sprake is van een spoedeisende sanering kan het nodig zijn maatregelen te nemen die de bodem beschermen en/of gebruiksbeperkingen in acht te nemen ten aanzien van de verontreinigde bodem. Bodembeschermingsmaatregelen worden gezien als geohydrologische maatregelen om verdere verspreiding van verontreinigende stoffen via het grondwater te beperken. De maatregelen kunnen bestaan uit het afdekken van de bodem om infiltratie van regenwater te vermijden, eventueel in combinatie met het plaatsen van schermen in de bodem met interceptiedrainage en aansluitende bemaling om verspreiding via het grondwater te beperken. Ook het monitoren van het functioneren van de maatregelen of van verspreiding kan een bodembeschermingsmaatregel zijn. Gebruiksbeperkingen hebben een tweeledig doel. In de eerste plaats zijn ze bedoeld om de verontreinigingsituatie niet te laten verstoren door grondwerkzaamheden of grondwateronttrekkingen. In de tweede plaats zijn ze bedoeld om de risico's voor de gebruiker beperkt te houden. Zo kan op enig moment sprake zijn van een ernstige niet spoedig noodzakelijke sanering omdat op de locatie een verharding aanwezig is, terwijl er wel sprake van spoed zou zijn geweest als de verharding zou hebben ontbroken en de locatie als een tuin gebruikt moet gaan worden. De locatie kan dan niet zonder meer worden omgezet in een tuin.

Artikel 2,4,6 en 7-artikel 75,vijfde lid Wbb-

In de artikelen 2, 4, 6 en 7 wordt bepaald dat geen bevel aan de veroorzaker wordt gegeven indien de verontreiniging geheel voor 1 januari 1975 is ontstaan. Een uitzondering hierop wordt gemaakt voor de veroorzaker die voldoet aan de criteria van artikel 75, vijfde lid van de Wbb. Hiervan is sprake als de veroorzaker op het moment waarop de verontreiniging of aantasting door zijn toedoen werd veroorzaakt de ernstige gevaren kende of behoorde te kennen van de stoffen die de verontreiniging of aantasting hebben veroorzaakt. Dat de veroorzaker met het oog op die ernstige gevaren zich niet van de verontreinigende of aantastende gedragingen heeft onthouden is hem aan te rekenen (ernstig verwijtbaar). Indien deze gedragingen in beroep of bedrijf hebben plaatsgevonden moet, voor wat betreft de ernstige verwijtbaarheid, in het bijzonder in aanmerking worden genomen de destijds in vergelijkbare bedrijven gebruikelijke bedrijfsvoering en de destijds bestaande en voor de veroorzaker redelijkerwijs toepasbare alternatieven. Indien dit van toepassing is op een veroorzaker dan speelt het moment van veroorzaking geen rol meer bij de mogelijkheid tot het opleggen van een bevel.

-compensatie-

Wanneer een verontreiniging deels voor en deels na 1975 is ontstaan kan een bevel worden gegeven aan de veroorzaker. Het bevoegd gezag kan besluiten de veroorzaker gedeeltelijk te compenseren in de kosten indien deze kan aantonen dat de verontreiniging gedeeltelijk voor 1 januari 1975 is ontstaan. Deze compensatie wordt gerelateerd aan de verhouding tussen het deel van de verontreiniging dat voor en het deel van de verontreiniging dat na 1 januari 1975 is ontstaan. De compensatie kan maximaal het percentage zijn gelijk aan dat deel van de verontreiniging dat voor 1 januari 1975 is ontstaan ten opzichte van de gehele periode van veroorzaking. Indien de veroorzaker in materiële zin voldoet aan de criteria van artikel 75, vijfde lid, Wbb wordt geen compensatie aangeboden.

Op het punt van verrekening van de waardestijging wijkt de regeling voor de saneringsfase (artikel 7) af van die rond de onderzoeksfase (artikel 2). Dit is een gevolg van het feit dat de waardestijging eerst intreedt wanneer is gesaneerd. Onderzoek heeft als zodanig geen werkelijk effect op de waarde van het grondgebied al is het op zichzelf wel mogelijk om ook de kosten van bodemonderzoek te verhalen. In het kostenverhaal op grond van ongerechtvaardigde verrijking is het uitgangspunt dat de eigenaar die zijn grondgebied heeft verontreinigd de waardestijging als gevolg van de sanering door de overheid moet afdragen. Die lijn is hier in het bevelsbeleid doorgetrokken. Verder dienen bij een sanering eventuele andere voordelen zoals samenloopkosten in mindering te worden gebracht op de compensatie. De compensatie geschiedt alleen over de netto-saneringskosten. Van samenloop is sprake wanneer na de sanering bijvoorbeeld bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Kosten van sloop en dergelijke dienen dan op de saneringskosten in mindering te worden gebracht.

-bedrijfsterreinen-

In navolging van het bepaalde in de Memorie van Toelichting bij artikel 55b Wbb richt de overheid zich sinds de invoering van de wettelijke saneringsplicht niet meer tot de veroorzaker wanneer sprake is van een bedrijfsterrein. Wel wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid open gehouden om voor bijzondere gevallen waarin de wettelijke saneringsplicht van de eigenaar of erfpachter niet uitvoerbaar is, aan de veroorzaker een saneringsbevel te geven.

Hoewel artikel 55b, tweede lid Wbb zich niet expliciet uitstrekt tot het bevel SO wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het SO in combinatie met het saneringsplan wordt opgesteld door de eigenaar of erfpachter op wie de wettelijke saneringsplicht rust.

Artikel 5 Het bevel TBM dient er toe om de onaanvaardbare risico’s weg te nemen. Bijvoorbeeld door hekken te plaatsen om het grondgebied heen en het zo af te schermen voor betreding door onbevoegden. Al naar gelang de verontreinigingssituatie omvatten tijdelijke beveiligingsmaatregelen dus de gehele verontreinigingscontour of een gedeelte daarvan. Voor een verdere toelichting over tijdelijke beveiligingsmaatregelen wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1.

Artikel 6Sinds de wijziging van de Wbb per 1 januari 2006 bestaat de mogelijkheid tot het opleggen van een bevel bodembeschermingsmaatregelen. De daarvoor opgestelde beleidsregels sluiten aan bij de beleidsregels inzake het bevel NO, TBM, SO en sanering. Ook voor het bevel bodembeschermingsmaatregelen geldt evenwel dat bij bedrijfsterreinen de verplichting tot het nemen van bodembeschermingsmaatregelen rechtstreeks uit artikel 55b Wbb kan voortvloeien en in dat geval een bevel bodembeschermingsmaatregelen niet aan de orde is. Indien de verplichting om bodembeschermingsmaatregelen te nemen niet uitvoerbaar is op grond van artikel 55b Wbb zal, net als ten aanzien van verontreinigingen op niet-bedrijfsterreinen, het bevel bodembeschermingsmaatregelen zijn betekenis kunnen hebben. Voor een verdere toelichting over bodembeschermingsmaatregelen wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1.

Artikel 8Het onderzoek en de sanering dienen zodanig te worden uitgevoerd dat aan de saneringsdoelstelling, zoals bepaald in artikel 38 van de Wbb wordt voldaan, waarbij in elk geval de risico’s voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging en de verspreidingsrisico’s moeten worden weggenomen.

Artikel 9De bepalingen van het derde hoofdstuk gelden voor de eigenaar, erfpachter of gebruiker. Voor degene die de hoedanigheid bezit van eigenaar, erfpachter of gebruiker en die tevens veroorzaker is van de verontreiniging, gelden primair de bepalingen van hoofdstuk 2 en daarnaast de bepalingen van hoofdstuk 3. De eigenaar, erfpachter of gebruiker die tevens veroorzaker is, wordt dus in eerste instantie vanuit zijn hoedanigheid als veroorzaker aangesproken en subsidiair vanuit zijn hoedanigheid als eigenaar.

Artikel 10Een bevel NO kan worden gegeven aan eigenaren, erfpachters of (bedrijfsmatige) gebruikers. In beginsel wordt de eigenaar aangeschreven tot het doen van een nader onderzoek, subsidiair de veroorzaker en alleen in het uiterste geval komt de gebruiker in beeld.

Artikel 11, eerste en tweede lidHet uitgangspunt is dat het bevel tot het doen van een nader onderzoek zich in principe beperkt tot het eigen grondgebied van de eigenaar. Als de verontreiniging perceelsgrensoverschrijdend is kan het dus voor komen dat er meerdere eigenaren tegelijk zullen worden aangeschreven voor het doen van een nader onderzoek. Bij mobiele verontreinigingen is het van te voren moeilijk vast te stellen tot waar de verontreiniging precies zal reiken. In die situaties zal het bevel tot het doen van een nader onderzoek voor het hele geval zich in eerste instantie tot de eigenaar van het bronperceel richten. Mobiele verontreinigingen zijn verontreinigingen in de bodem, meer concreet in het grondwater, die zich kunnen verspreiden en risico’s voor mens, plant of dier kunnen veroorzaken.

Artikel 11, derde lidDe eigenaar, erfpachter of gebruiker van een bronperceel kan gecompenseerd worden in de onderzoekskosten en dan met name wanneer de omvang van de verontreiniging op het (eigen) grondgebied niet in verhouding staat tot de omvang ervan buiten het grondgebied.

Om voor compensatie in de onderzoekskosten in aanmerking te komen dient men in beginsel onschuldig te zijn in de zin van artikel 46, eerste lid, Wbb. In beginsel omdat er situaties denkbaar kunnen zijn waarin ook de schuldig eigenaar of erfpachter recht kan hebben op compensatie. Dit kan onder andere het geval zijn in de situatie waarin de eigenaar of erfpachter schuldig is vanwege zijn duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker, bijvoorbeeld huur en de veroorzaking op een dusdanig tijdstip (voor 1 januari 1975) heeft plaatsgevonden dat de veroorzaker ingevolge artikel 2 niet met een onderzoeksbevel geconfronteerd kan worden. In deze situatie is het niet gerechtvaardigd de eigenaar of erfpachter wel een onderzoeksbevel op te leggen zonder hem daarbij (gedeeltelijk) te compenseren in de kosten. Eenzelfde redenering geldt voor een bevel TBM (artikel 12, tweede lid), het bevel bodembeschermingsmaatregelen (artikel 13, tweede lid) en een bevel saneringsonderzoek (artikel 14, tweede lid). Voor het moment van verkrijging van het recht op het grondgebied blijft overigens wel vereist dat de eigenaar of erfpachter niet op de hoogte was dan wel redelijkerwijs niet op de hoogte had kunnen zijn van de verontreiniging op zijn grondgebied en eventueel daar buiten. Voldoet de betrokken eigenaar of erfpachter niet aan deze voorwaarde, dan is het uitgangspunt: geen compensatie mogelijk.

Artikel 12Een bevel TBM kan worden gegeven aan dezelfde partijen als het bevel NO. Ook de onschuldig eigenaar of erfpachter of de onschuldig gebruiker kan een bevel TBM krijgen.

Het aanbieden van compensatie ligt in deze gevallen niet in de rede tenzij dat gegeven de omstandigheden onevenredig nadelig zou zijn.

Indien de verplichting om tijdelijke beveiligingsmaatregelen te treffen als bedoeld in artikel 55b Wbb uitvoerbaar is, dan is het geven van een bevel TBM niet aan de orde.

Artikel 13Voor de toelichting bij het bevel bodembeschermingsmaatregelen wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6 en bij artikel 1.

Artikel 14Het bevel SO kent minder geadresseerden dan het bevel NO en het bevel TBM. Het bevel SO is alleen mogelijk jegens de eigenaar of de erfpachter. Het bevel SO is in vergaande mate gekoppeld aan het saneringsbevel, doch artikel 46 Wbb geldt alleen voor het saneringsbevel en niet voor het bevel SO.

Vanwege de nauwe samenhang tussen het saneringsonderzoek en de daadwerkelijke uitvoering van de sanering zal slechts dan worden overgegaan tot het opleggen van een bevel SO als het een sanering betreft die vanwege de risico’s spoedig zal moeten worden gestart.

Hoewel artikel 55b, tweede lid Wbb zich niet expliciet uitstrekt tot het bevel SO wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het SO in combinatie met het saneringsplan wordt opgesteld door de eigenaar of erfpachter op wie de wettelijke saneringsplicht rust.

Artikel 15, derde en vierde lidWanneer een saneringsbevel aan een schuldig eigenaar of schuldig erfpachter wordt opgelegd, past daar in principe geen compensatie in de saneringskosten bij. Toch zijn er situaties denkbaar waarin compensatie gerechtvaardigd is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een eigenaar of erfpachter schuldig is vanwege zijn duurzame rechtbetrekking met de veroorzaker. In deze situatie is sprake van een schuldig eigenaar of erfpachter. Doch de veroorzaking kan op een dusdanig tijdstip (voor 1 januari 1975) hebben plaatsgevonden dat de veroorzaker niet met een saneringsbevel geconfronteerd kan worden (zie de artikelen 2 tot en met 8). In deze situaties is het niet gerechtvaardigd de eigenaar of erfpachter wel een saneringsbevel op te leggen zonder hem daarbij (gedeeltelijk) te compenseren in de kosten van sanering. Wel geldt ook in deze gevallen dat op de compensatie de samenloopkosten en de waardevermeerdering van de grond in mindering moeten worden gebracht (zie ook de toelichting bij artikel 2,4,6 en 7). Wanneer een verontreiniging deels voor en deels na 1975 is ontstaan wordt de compensatie gerelateerd aan de verhouding tussen het deel van de verontreiniging dat voor en het deel van de verontreiniging dat na 1 januari 1975 is ontstaan. De compensatie kan maximaal het percentage zijn gelijk aan dat deel van de verontreiniging dat voor 1 januari 1975 is ontstaan ten opzichte van de gehele periode van veroorzaking.

Als sprake is van wetenschap van de verontreiniging op het moment van verkrijging van het recht op het grondgebied is in elk geval geen compensatie mogelijk.

Artikel 15, vijfde lidTen aanzien van het saneringsbevel is het ook van belang om te onderzoeken of de wettelijke saneringsplicht van artikel 55b Wbb uitvoerbaar is. In dat geval blijft een saneringsbevel achterwege.

Artikel 16Onder het begrip "rechtsbetrekking" wordt volgens de parlementaire geschiedenis verstaan zakenrechtelijke verhoudingen (zoals het recht van opstal, recht van erfpacht) en verbintenisrechtelijke verhoudingen (zoals huur, pacht, gebruiksrechten) die betrekking hebben op de beschikbaarheid van grond voor de veroorzaker van bodemverontreiniging. Daarnaast gaat het om rechtsbetrekkingen waarmee de besluitvorming bij de veroorzaker kan of kon worden beïnvloed. Hierbij is van belang de mate van zeggenschap in de onderneming (bestuurders/grootaandeelhouders) op het moment dat de verontreiniging werd veroorzaakt. Daarbij moet de rechtsverhouding relevant zijn (geweest) voor het ontstaan van de bodemverontreiniging. Bij het ter beschikking stellen van grond is dat een gegeven.

Daarnaast is het moment waarop de verontreiniging is ontstaan van belang. Indien de verontreiniging vóór 1 januari 1975 is ontstaan zal de mogelijkheid van beïnvloeding in het algemeen hebben ontbroken, vanwege de onbekendheid van het probleem. Indien de verontreiniging ná 1 januari 1975 is ontstaan moet worden bezien of de eigenaar of erfpachter, die een duurzame rechtsbetrekking heeft (gehad) met de veroorzaker, kan worden aangesproken. Dat hangt af van omstandigheden, zoals: - was de eigenaar op de hoogte van de activiteiten van zijn huurder, erfpachter of anderszins? - bood/boden de overeenkomst of de erfpachtvoorwaarden de mogelijkheid om gedurende de rechtsbetrekking in te grijpen in de bedrijfsuitoefening? - wanneer is de rechtsbetrekking geëindigd? Hoe later dat in de tijd is gebeurd, hoe alerter de eigenaar bij de beëindiging van de rechtsbetrekking had moeten zijn op de eventueel verontreinigende activiteiten van zijn huurder/erfpachter.

Artikel 17Betrokken zijn bij bodemverontreiniging is in veel gevallen gelijk te stellen aan het (mede)veroorzaken daarvan. Het onderscheid is met name van belang in gevallen waar een bepaalde rechtspersoon juridisch gezien als “veroorzaker” is aan te merken. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een werknemer van een bedrijf in de uitoefening van zijn functie de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt. Die werknemer is niet de veroorzaker, maar als hij heeft deelgenomen aan de vervuilende activiteiten is hij wel betrokken. Indien hij op enig moment de eigendom van het betreffende grondgebied verkrijgt, is hij als betrokkene aan te spreken. Wanneer een eigenaar of erfpachter alleen op grond van de hier bedoelde betrokkenheid kan worden aangesproken (dus niet tevens op grond van de aanwezigheid van een duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker of wetenschap op het moment van verkrijging) speelt ook de datum van 1 januari 1975 een rol. Is de verontreiniging in zijn geheel voor 1975 ontstaan dan krijgt de veroorzaker geen bevel en in de hier beschreven situatie is het niet gerechtvaardigd dat de eigenaar of erfpachter op grond van betrokkenheid vóór 1975 wel een bevel zou kunnen krijgen. Overigens zal in vrijwel alle van de hier bedoelde gevallen sprake zijn van wetenschap op het moment van verkrijging (artikel 46, eerste lid onder c Wbb, zie ook artikel 18).

Artikel 18Bepalend voor de wetenschap van de verontreiniging is het moment van overdracht die leidt tot de eigendomsverkrijging dan wel het moment van vestiging van het erfpachtrecht. De eigenaar, die op het moment van koop niet wist of kon weten dat het grondgebied was verontreinigd, maar bij overdracht wél is schuldig. Hetzelfde geldt voor de erfpachter ten tijde van de vestiging van het erfpachtrecht. Een uitzondering geldt voor het geval waarbij uit de omstandigheden van het geval blijkt dat na koop aan overdracht niet meer viel te ontkomen. Bijvoorbeeld omdat de verkoper in rechte met succes medewerking aan het transport heeft kunnen afdwingen. In die gevallen kan worden uitgegaan van de wetenschap op het moment van aankoop. Voorts geldt een uitzondering voor de verkrijger die op een bepaald moment een aanmerkelijk financieel belang heeft gekregen in de onderneming, die eigenaar of erfpachter is van het grondgebied. In dat geval is de wetenschap ten tijde van de verkrijging van dat belang bepalend.

De keuze van de jaartallen is op de volgende wijze tot stand gekomen. Het jaartal 1975 komt zoals reeds vermeld uit de jurisprudentie met betrekking tot de kostenverhaalbevoegdheid van de minister en de landelijke notitie inzake afstemming bevel/kostenverhaal. Degene die voor 1 januari 1975 bodemverontreiniging heeft veroorzaakt, heeft daarmee niet onrechtmatig gehandeld jegens de Staat. Het is daarom ook niet redelijk aan te nemen dat wie voor die datum een verontreinigd grondgebied heeft verkregen, erop bedacht had moeten zijn dat het grondgebied was verontreinigd. Vanaf 1975 werd overgegaan tot het uitvoeren van bodemonderzoeken. De eerste gegevens over de bodemgesteldheid werden toen bekend. In 1983 is de Interimwet bodemsanering (IBS) ingevoerd. In 1987 volgde de invoering van de Wbb met de zorgplichtbepaling (artikel 13 Wbb). Tevens is in 1987 voor de bouw van woningen in de sociale huursector als subsidievoorwaarde gesteld dat voorafgaand aan de bouw bodemonderzoek moest worden verricht. Per 1 maart 1993 is het Besluit opslaan in ondergrondse tanks (BOOT) in werking getreden. Reeds voor die tijd hadden gemeenten al een zogenaamde “actie tankslag” uitgevoerd, waardoor onder meer bekend werd welke risico’s kunnen kleven aan ondergrondse huisbrandolietanks (HBO-tanks). Voor asbest geldt vanaf 1 juli 1993 een totaalverbod op het be- en verwerken dat is vastgelegd in het Asbestverwijderingsbesluit. In 2000 is asbest als niet-genormeerde stof opgenomen in de Circulaire streef- en interventiewaarden bodemsanering. Gezien de actualiteit en publiciteit mogen de gevaren en risico’s van bodemverontreiniging met asbest vanaf deze momenten algemeen bekend worden geacht.

Met betrekking tot de momenten van verkrijging kan worden opgemerkt:

  • b.

     Wetenschap kan blijken uit: koper is zelf veroorzaker, verontreiniging staat vermeld in transportakte, veel publiciteit in media, getuigenverklaringen, er is een zeer lage prijs voor het grondgebied betaald.

    Onder eenvoudig onderzoek kan wordt verstaan: informeren bij de gemeente of buurtbewoners of raadpleging van berichtgeving in de pers. In het algemeen moet het daarbij gaan om verdachte terreinen, met name (voormalige) industrieterreinen.

  • c.

     Het onderscheid tussen verdachte en onverdachte terreinen is niet van belang.

  • d.

     Bij verkrijging van onroerend goed is er vanaf 1 januari 1987 derhalve een onderzoeksplicht. Een uitzondering geldt slechts voor de particuliere bewoner en de kleine zelfstandige die ter tijde van de koop niet was voorzien van deskundige bijstand.

  • e.

     De eigenaar/erfpachter-bewoner die vanaf aanvang 1993 een grondgebied heeft verkregen met een verontreiniging die is gerelateerd aan de woonfunctie, is schuldig met inachtneming van de onder e vermelde nuanceringen. Het gaat dan meestal om een verontreiniging die is veroorzaakt door een huisbrandolietank (HBO-tank) die op het grondgebied aanwezig is of was. Deze uitzonderingspositie geldt niet voor de bewoner die zelf bodemverontreiniging heeft veroorzaakt respectievelijk als veroorzaker is aan te merken. Daaronder is ook te verstaan de eigenaar/erfpachter-bewoner die een tank heeft geïnstalleerd of doen installeren, welke tank later een verontreiniging heeft veroorzaakt. Voor die categorie van bewoners gelden de regels van hoofdstuk 3, waaronder het saneringsbevel.

Vanaf 27 februari 2000 is de minder of niet-professionele eigenaar, die een met asbest verontreinigd grondgebied heeft verkregen, schuldig. Dit hangt samen met het opnemen van de normen voor asbest in de Circulaire streef- en interventiewaarden bodemsanering. Voor professionele verkrijgers wordt per geval getoetst vanaf welk tijdstip schuld kan worden aangenomen. Onder omstandigheden kan voor de professionele koper ook al voor 1 juli 1993 schuld worden aangenomen, namelijk indien hij wetenschap had dan wel had behoren te hebben van de risico’s van de aanwezigheid van asbest in de bodem voor mens, plant en dier.

Een uitgevoerd bodemonderzoek moet worden beoordeeld naar de normen van die tijd. Indien uit het destijds verrichte bodemonderzoek werd geconcludeerd dat geen sprake was van bodemverontreiniging, wordt ervan uitgegaan dat de koper "onschuldig" was, voor zover dat onderzoek een naar de normen van die tijd gangbaar onderzoek was.

Bij de bepaling van de vraag of sprake is van een professionele koper kunnen de volgende criteria/omstandigheden van belang zijn: gaat het om een koper die een beroep of bedrijf uitoefent;

  •  is de koper een particulier of consument;

  •  beschikt de koper over een bepaalde mate van deskundigheid, vakkennis of bekendheid met de gebruiken in de branche;

  •  houdt de koper zich overwegend bezig met één activiteit. De handelaar in onroerend goed zal bijvoorbeeld sneller als professionele (ver)koper zijn aan te merken dan een particulier of een bedrijf die/dat ten behoeve van bedrijfsuitbreiding incidenteel een stuk grond koopt;

  •  ontplooit de koper de activiteit met een bepaalde frequentie en heeft derhalve ervaring daarin;

  •  afficheert de koper zich als professionele koper naar buiten;

  •  is de koper voorzien van deskundige bijstand. De niet-professionele koper wordt als professioneel beschouwd als hij is voorzien van deskundige bijstand;

  •  is de koper een overheidsorgaan. Overheidsorganen zijn naar hun aard als professioneel te beschouwen.

Voorts is van belang het soort grondgebied dat is verkregen (weiland, industrieterrein, bouwrijpe grond etc.) en de kennis die de verkoper had van de bodemverontreiniging en de mededelingen die hij daarover heeft gedaan/had moeten doen aan de koper.

Artikel 20Hier gelden ook de randvoorwaarden zoals die worden genoemd in de toelichting op artikel 11 in verband met het bevel NO.

Artikel 21Artikel 21 ziet op de hantering van het bevel jegens eigenaren of erfpachters die het verontreinigde grondgebied slechts in gebruik hebben voor bewoning door henzelf. Bepalend bij de vraag wanneer sprake is van een eigenaar/erfpachter-bewoner die op grond van dit artikel kan worden aangesproken, zijn de volgende criteria/omstandigheden:

  •  Op het moment waarop de eigenaar/erfpachter-bewoner een (bebouwd) grondgebied verwerft, rust op dat grondgebied de bestemming wonen (hiermee wordt bedoeld zuiver wonen) of de bewoner mocht aannemen dat het grondgebied de bestemming wonen zou krijgen. De verwerving van een voormalig bedrijfspand kan dus onder de bewonersregeling vallen als ten tijde van de verwerving op het grondgebied de bestemming "wonen" rust of door de toekomstige bewoner kan worden aangetoond dat hij mocht aannemen dat het grondgebied de bestemming “wonen” zou krijgen.

  •  De woning wordt vanaf het moment van verwerving gebruikt voor bewoning door de bewoner zelf, zijn huisgenoten of zijn bloed- en aanverwanten in rechte lijn;

  •  De eigenaar/erfpachter-bewoner heeft de woning verkregen tegen een redelijke, marktconforme prijs;

  •  Hij heeft bovendien in overeenstemming gehandeld met zijn schadebeperkingsplicht door zo nodig maatregelen te nemen.

Onder een redelijke prijs wordt verstaan een prijs die tot stand komt bij de koop in het vrije commerciële verkeer tussen redelijk handelende partijen, waarbij de verontreiniging van de bodem buiten beschouwing blijft. Aan de schadebeperkingsplicht wordt voldaan wanneer maatregelen worden of zijn genomen om te voorkomen dat onderzoeks- en saneringskosten hoger uitvallen dan noodzakelijk. Er wordt bijvoorbeeld alleen geïnvesteerd in het normale onderhoud van onroerende zaken maar er wordt geen dure tuin aangelegd of geen aanbouw gerealiseerd op verontreinigde grond. Er mag bovendien geen sprake zijn van misbruik, dat wil zeggen dat met een beroep op de bewonersregeling bevelsmogelijkheden (dreigen) te worden onttrokken aan de overheid.

Met het geven van saneringsbevelen aan de eigenaar/erfpachter-bewoner moet, volgens de parlementaire geschiedenis, terughoudend worden omgegaan. Zowel in de Kamernotitie ongerechtvaardigde verrijking als in de parlementaire geschiedenis is de mogelijkheid om de eigenaar/erfpachter-bewoner aan te spreken voor bodemverontreiniging van een bronperceel echter uitdrukkelijk opengehouden. Hiermee rekening houdend is er voor gekozen om het bevel NO, het bevel SO, het bevel TBM en het bevel bodembeschermingsmaatregelen wel in te kunnen zetten jegens de eigenaar/erfpachter-bewoner. Er wordt echter in beginsel afgezien van een saneringsbevel jegens de eigenaar/erfpachter-bewoner, ook al is deze op het moment van verkrijging op de hoogte of had hij redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn van de verontreiniging op zijn grondgebied.

Indien de eigenaar/erfpachter-bewoner na 1 maart 1993 een grondgebied heeft verkregen dat is verontreinigd door een aan de woonfunctie gerelateerde verontreiniging, bijvoorbeeld door een huisbrandolietank die op het grondgebied aanwezig is of was, wordt hij als een schuldig eigenaar of erfpachter aangemerkt. Op hem zijn dan de artikelen van hoofdstuk 3, waaronder het saneringsbevel jegens een schuldig eigenaar of erfpachter van toepassing.

De eigenaar/erfpachter-bewoner kan in elk geval worden aangemerkt als veroorzaker indien hij een huisbrandolietank heeft op zijn grondgebied die een verontreiniging heeft veroorzaakt in de periode dat hij er gebruik van heeft gemaakt of als hij heeft nagelaten de tank na gebruik te verwijderen of anderszins op veilige wijze definitief onklaar te maken.

Artikel 22Voor verkrijging onder algemene titel geldt dat de verkrijger treedt in de positie van zijn rechtsvoorganger. De verkrijger neemt derhalve de hoedanigheid van veroorzaker en/of (on)schuldig eigenaar over van zijn rechtsvoorganger. Van verkrijging onder algemene titel is sprake bij juridische fusie (artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek), juridische splitsing (artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek), boedelmenging (artikel 93 e.v. van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) en erfopvolging (Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek).

Als jegens de rechtsvoorganger bestuursdwang is toegepast of een dwangsom is opgelegd, dan valt deze verplichting als een schuld van de rechtsopvolger aan te merken. In geval van verkrijging onder algemene titel door erfopvolging – zie hierna- is de omvang van de vordering echter niet groter dan de omvang van de nalatenschap, tenzij de erfgenaam zelf (mede)veroorzaker was dan wel anderszins betrokken was bij de veroorzaking.

Artikel 22, tweede lid Voor verkrijging door middel van erfopvolging wordt een uitzondering gemaakt in die zin dat de aansprakelijkheid niet groter is dan de omvang van de boedel, tenzij de erfgenaam eigen betrokkenheid heeft gehad bij de veroorzaking van de verontreiniging of anderszins als medeverantwoordelijke voor de verontreiniging kan worden aangemerkt. Ook schuldig eigenaarschap verkregen anders dan door erfopvolging kan een reden zijn om niet bij te dragen in genoemde kosten. De uitzondering heeft te maken met het feit dat verkrijging door erfopvolging geen vrijwillig en zelf gekozen moment betreft.

Artikel 22, derde lidDit artikel biedt uitkomst aan degene die de nalatenschap heeft aanvaard en noemt de randvoorwaarden om in aanmerking te komen voor compensatie in de genoemde kosten voor zover die de omvang van de nalatenschap overschrijden.

Artikel 22, vierde lidDe wettelijke regeling van artikel 55b Wbb voor bedrijfsterreinen gaat vóór het bepaalde in het bevelsbeleid en dat geldt ook in de situaties zoals die zijn beschreven in artikel 22. Ter wille van de duidelijkheid is dit in het vierde lid opgenomen. Voor het bevel NO blijven vooralsnog de gewone regels gelden en dat betekent dat de vraag of de erfgenaam en/of de in artikel 22 bedoelde verkrijger onder algemene titel een bevel NO kan krijgen wel wordt beantwoord aan de hand van artikel 22.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter de secretaris

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk drs. W.G.H.M. Rutten  

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingBeleidsregel bevel Wet bodembescherming Noord-Brabant
CiteertitelBeleidsregel bevel Wet bodembescherming Noord-Brabant
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerpbodem

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Algemene wet bestuursrecht, art. 4:81
  2. Wet bodembescherming, art. 43

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-11-201222-11-2013nieuwe regeling

23-10-2012

Provinciaal Blad, 2012, 265

S3103999