Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

Gelet op artikel 105 en artikel 143 van de Provinciewet;

Gelet op artikel 2 en artikel 15 van de Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant;

Gelet op het door Provinciale Staten vastgestelde statenvoorstel 48/11A “Uitgangspunten beleid infrastructuur podiumkunsten en beeldend & multimedia”;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten het wenselijk achten om de bovenlokale culturele infrastructuur voor de podiumkunsten in de provincie Noord-Brabant te stimuleren en een volledige functieketen in de regio te behouden;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Hoofdstuk 1 Algemeen

§ 1.1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Adviescommissie Kunsten: adviescommissie, ingesteld op grond van artikel 82 van de Provinciewet;

  • b.

    basisinfrastructuur: culturele infrastructuur op het terrein van de professionele podiumkunsten in de provincie Noord-Brabant, zoals aangewezen door de Minister van OCW in de periode 2009-2012;

  • c.

    BIS-instelling: Basis Infrastructuur-instelling die in de periode 2009-2012 subsidie heeft ontvangen voor het invullen van een kernfunctie in Noord-Brabant onder de Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen van het Ministerie van OCW;

  • d.

    eigen inkomsten: baten minus ontvangen subsidies, welke terug te vinden zijn in de jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening;

  • e.

    feitelijk opvolger: BIS-instelling of instelling die geheel of vrijwel geheel op dezelfde wijze dezelfde activiteiten uitvoert als een BIS-instelling of instelling die eerder voor deze activiteiten subsidie ontving;

  • f.

    functieketen: geheel van de functies behoud, ontwikkeling, productie voor volwassenen of jeugd en presentatie;

  • g.

    fusie: samenvoeging van rechtspersonen als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • h.

    groot festival: festival waarvan de subsidiabele kosten minimaal € 140.000 bedragen.

  • i.

    instelling: instelling die valt onder de kleinschalige culturele infrastructuur in de provincie Noord-Brabant, niet zijnde een BIS-instelling;

  • j.

    kernactiviteit: activiteit van de BIS-instelling, of instelling, niet zijnde een BIS-instelling, of het samenwerkingsverband, blijkend uit statuten of feitelijke activiteiten;

  • k.

    kleinschalig festival: festival of concours waarvan de subsidiabele kosten minimaal € 70.000 bedragen;

  • l.

    kunstvakopleiding: opleiding op het vakgebied van de kunsten;

  • m.

    middelgroot festival: festival waarvan de subsidiabele kosten minimaal € 70.000 en maximaal €140.000 bedragen;

  • n.

    ontwikkeling: vaste structuur waar binnen professioneel talent wordt begeleid op het terrein van de podiumkunsten en zich verder kan ontwikkelen richting een zelfstandige beroepspraktijk;

  • o.

    presentatie: presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in regionale, nationale of internationale context op het terrein van theater, dans, muziek, opera, of mengvormen van deze terreinen;

  • p.

    productie: productie van aanbod met betrekking tot theater-, dans-, of muziek-, opera aanbod of een mengvorm hiervan;

  • q.

    productie algemeen: productie van theater, dans, muziek of opera, niet zijnde aanbod gericht op jeugd;

  • r.

    professionele aanpak: bedrijfsvoering op het gebied van organisatie en financieel beheer dat blijk geeft van een voldoende garantie voor de continuïteit van de instelling;

  • s.

    professionele podiumkunsten: activiteiten op het gebied van podiumkunsten als muziek, theater, dans, opera of mengvormen daarvan, die worden uitgevoerd door professionele kunstenaars;

  • t.

    sector: kunstdiscipline op het gebied van theater, dans, muziek, of opera;

  • u.

    standplaats: de gemeente waarin de penvoerende BIS-instelling of instelling haar huisvesting heeft en in de lokale culturele infrastructuur is ingebed.

Hoofdstuk 2 Grootschalige culturele infrastructuur

§ 2.1 Sectoren theater en dans

Artikel 2.1.1 Doelgroep
  • 1 Subsidie kan worden aangevraagd door:

    • a.

      een samenwerkingsverband van BIS-instellingen;

    • b.

      een samenwerkingsverband van een of meer BIS-instellingen met een of meer instellingen, niet zijnde BIS-instellingen, of een of meer andere privaatrechtelijke rechtspersonen.

  • 2 In het samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      treedt de BIS-instelling, die meerjarige ervaring in de functie heeft waarvoor de subsidieaanvraag wordt ingediend, op als penvoerder en draagt zorg voor:

      • de subsidieaanvraag;

      • de overige correspondentie;

      • de inhoudelijke en financiële coördinatie.

    • b.

      draagt de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 2.1.2 Subsidiabele activiteiten

Een meerjarige subsidie voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2016 kan worden verleend voor kernactiviteiten die gericht zijn op het invullen van de functie:

  • a.

    ontwikkeling, gericht op de sector theater;

  • b.

    ontwikkeling, gericht op de sector dans:

  • c.

    productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, gericht op de sector theater;

  • d.

    productie gericht op jeugd, gericht op de sector theater;

  • e.

    productie gericht op jeugd, gericht op de sector dans.

Artikel 2.1.3 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het samenwerkingsverband meer dan één keer voor de subsidieperiode 2013 tot en met 2016 een subsidieaanvrag heeft ingediend ten behoeve van het invullen van dezelfde functie in dezelfde sector onder paragraaf 2.1;

  • b.

    de totale eigen inkomsten van de BIS-instelling, die meerjarige ervaring in de functie heeft waarvoor de subsidieaanvraag wordt ingediend, gemiddeld over de jaren 2010 en 2011 minder dan 17,5 procent bedragen van het totaal aan meerjarige subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de invulling van de aangevraagde functie, met dien verstande dat Gedeputeerde Staten bij het vaststellen van het percentage eigen inkomsten bepaalde eigen inkomsten buiten beschouwing kunnen laten, indien deze door de BIS-instelling in de jaarrekening zijn verantwoord op een wijze die het karakter vertoont van oneigenlijk gebruik van deze regeling, of bepaalde bedragen beschouwen als onderdeel van de subsidies ten behoeve van de exploitatie van die BIS-instelling, indien die bedragen onderdeel uitmaakten van een beschikking tot subsidieverlening ten behoeve van die exploitatie en deze beschikking later is ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger is gewijzigd op grond van artikel 4:48 of artikel 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • c.

    het bedrag dat overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf zou kunnen worden verleend, lager is dan € 25.000;

  • d.

    met de activiteit is begonnen voordat Gedeputeerde Staten de subsidie hebben verleend;

  • e.

    de activiteit wordt uitgevoerd in het kader van een kunstvakopleiding.

Artikel 2.1.4 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • 1.

    De BIS-instelling die als penvoerder optreedt:

    • a.

      heeft vanuit de kernactiviteit meerjarige ervaring binnen de culturele infrastructuur van de provincie Noord-Brabant met betrekking tot het invullen van de functie waarvoor een subsidieaanvraag wordt ingediend;

    • b.

      is gericht op ondernemerschap;

    • c. heeft een artistieke visie, blijkend uit de samenhangende artistieke en inhoudelijke onderbouwing van de uitvoering van de functie waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • d.

      heeft een professionele aanpak ten aanzien van de uitvoering van de kernactiviteit van de functie waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

    • e.

      kan met jaarrekeningen aantonen dat de eigen inkomsten gemiddeld over de jaren 2010 en 2011 ten minste 17,5 procent bedragen van het totaal aan subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de invulling van de aangevraagde functie, met dien verstande dat:

      • indien een BIS-instelling die subsidie aanvraagt de rechtsopvolger of feitelijke opvolger is van een BIS-instelling die in de jaren 2010 en 2011 subsidie van bestuursorganen ontving ten behoeve van de exploitatie van die BIS-instelling, het percentage eigen inkomsten van de aanvrager wordt vastgesteld aan de hand van de gegevens van die verdwenen onderscheidenlijk aanvankelijk gesubsidieerde instelling;

      • indien bij een BIS-instelling die subsidie aanvraagt sprake is van fusie van twee of meer BIS-instellingen die in de jaren 2010 en 2011 subsidie voor de exploitatie van bestuursorganen ontvingen, het percentage eigen inkomsten van de aanvrager wordt vastgesteld aan de hand van het totaal van eigen inkomsten in verhouding tot het totaal van ontvangen subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de exploitatie van die gefuseerde BIS-instellingen in 2010 en 2011;

      • Gedeputeerde Staten bij het vaststellen van het percentage eigen inkomsten bepaalde eigen inkomsten buiten beschouwing kunnen laten, indien deze door de BIS-instelling in de jaarrekening zijn verantwoord op een wijze die het karakter vertoont van oneigenlijk gebruik van deze regeling, of bepaalde bedragen beschouwen als onderdeel van de subsidies ten behoeve van de exploitatie van die BIS-instelling, indien die bedragen onderdeel uitmaakten van een beschikking tot subsidieverlening ten behoeve van die exploitatie en deze beschikking later is ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger is gewijzigd op grond van artikel 4:48 of artikel 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    Het samenwerkingsverband:

    • a.

      kan gedurende de subsidieperiode 2013 tot en met 2016 ten minste 21,5 procent eigen inkomsten van het totaal aan subsidies van bestuursorganen behalen ten behoeve van de invulling van de aangevraagde functie, met dien verstande dat het eerste lid, onderdeel e, onder 3, van overeenkomstige toepassing is;

    • b.

      beschikt over een door alle deelnemers van het samenwerkingsverband ondertekende verklaring, waaruit de instemming van alle deelnemers met betrekking tot de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de penvoering en de inhoudelijke en financiële coördinatie blijkt.

  • 3.

    De kernactiviteit:

    • a.

      heeft een brede inbedding in een maatschappelijke context, blijkend uit:

      • een breed publieksbereik;

      • een bovenlokale betekenis, blijkend uit activiteiten in de Provincie Noord-Brabant, die tevens buiten de standplaats van een BIS-instelling worden georganiseerd;

      • aantoonbare afspraken over de afname van producties met afnemende partijen.

    • b.

      komt ten goede aan de inwoners van de provincie Noord-Brabant;

    • c.

      is gericht op de sector theater of dans in de provincie Noord-Brabant;

    • d.

      is gericht op de functie:

      • ontwikkeling, of;

      • productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, of;

      • productie gericht op jeugd.

    • e.

      heeft artistieke kwaliteit, blijkend uit:

      • vakmanschap;

      • oorspronkelijkheid;

      • zeggingskracht.

    • f.

      is artistiek onderscheidend;

    • g.

      is publieksgericht;

    • h.

      kan worden uitgevoerd gedurende de kalenderjaren 2013-2016.

  • 4.

    Onverminderd het derde lid is de functie ontwikkeling gericht op:

    • a.

      het per kalenderjaar begeleiden van ten minste vier professionele talenten op maatschappelijk, zakelijk en artistiek vlak;

    • b.

      samenwerking met een kunstvakopleiding in de provincie Noord-Brabant.

  • 5.

    Onverminderd het derde lid:

    • a.

      zijn productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, en productie gericht op jeugd, gericht op het realiseren van ten minste twee nieuwe producties per kalenderjaar;

    • b.

      is productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, gericht op samenwerking met meerdere presenterende instellingen in de provincie Noord-Brabant;

    • c.

      is productie jeugd gericht op samenwerking met:

      • meerdere presenterende instellingen in de provincie Noord-Brabant;

      • primair- en voortgezet onderwijsinstellingen in de provincie Noord-Brabant.

  • 6.

    Aan de activiteiten liggen ten grondslag:

    • a.

      een activiteitenplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan:

      • het eerste tot en met het vierde lid, indien de subsidieaanvraag gericht is op de functie ontwikkeling, of;

      • het eerste tot en met het derde lid, en het vijfde lid, onderdelen a en b, indien de subsidieaanvraag gericht is op de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, of;

      • het eerste tot en met het derde lid, en het vijfde lid, onderdeel c, indien de subsidieaanvraag gericht is op de functie productie gericht op jeugd, of;

      • het eerste en het derde lid, het vijfde lid, onderdeel c, en het zevende lid, indien de subsidieaanvraag gericht is op de functie productie gericht op jeugd, in de sector theater.

    • b.

      statuten waaruit blijkt in welke sector de penvoerder de desbetreffende functie invult of een schriftelijke verklaring van het bestuur van de penvoerder met een beschrijving van de feitelijke kernactiviteiten van de jaren 2009-2012 binnen de culturele infrastructuur in de provincie Noord-Brabant ten behoeve van het invullen van de functie waarvoor subsidie is aangevraagd;

    • c.

      een ondernemingsplan waarin in ieder geval is opgenomen:

      • de toepassing van de code cultural governance;

      • een toelichting op het ondernemerschap en onderbouwing van de eigen inkomsten;

      • wat het product of de prestatie is van het samenwerkingsverband;

      • hoe het product of de prestatie zich verhoudt tot andere artistieke producten en organisaties en in hoeverre daarbij sprake is van landelijke of regionale spreiding;

      • wat het profiel is van het bestuur van de penvoerder en, voor zover van toepassing, de Raad van Toezicht;

      • bij welke andere instanties of bestuursorganen tevens financiële middelen zijn aangevraagd, voor zover dit van toepassing is.

    • d.

      een omgevingsanalyse waarin in ieder geval is opgenomen:

      • hoe het krachtenveld eruit ziet waarin het samenwerkingsverband opereert;

      • wie de stakeholders zijn.

    • e.

      een sluitende begroting voor het invullen van de aangevraagde functie voor de subsidieperiode 2013-2016;

    • f.

      een marketingplan, waarin in ieder geval een nadere uitwerking is opgenomen van de wijze waarop aan het derde lid, onderdelen a, b en g wordt voldaan.

  • 7.

    In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kan een samenwerkingsverband dat een subsidieaanvraag indient voor het invullen van de functie productie gericht op jeugd, gericht op de sector theater, ten minste 17,5 procent eigen inkomsten van het totaal aan subsidies van bestuursorganen behalen ten behoeve van de invulling van de aangevraagde functie, met dien verstande dat het eerste lid, onderdeel e, onder 3, van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 2.1.5 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende daadwerkelijk gemaakte kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten van ontwikkeling, bestaande uit de begeleiding van talenten in de sector theater;

  • b.

    kosten van ontwikkeling, bestaande uit de begeleiding van talenten in de sector dans;

  • c.

    kosten van het maken van productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, gericht op de sector theater;

  • d.

    kosten van het maken van producties gericht op jeugd, gericht op de sector theater;

  • e.

    kosten van het maken van producties gericht op jeugd, gericht op de sector dans;

  • f.

    loonkosten van de artistieke- en zakelijke directie en leiding tot een maximum van 10 procent van de totale subsidiabele kosten voor het invullen van de functie.

Artikel 2.1.6 Niet subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    huurkosten in het kader van huisvesting;

  • b.

    inrichtingskosten;

  • c.

    kosten voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen;

  • d.

    verblijfkosten;

  • e.

    kosten van een exploitatietekort;

  • f.

    alle gemaakte kosten van een privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een BIS-instelling of een instelling, die deelneemt in het samenwerkingsverband;

  • g.

    alle gemaakte kosten met betrekking tot programmering van een schouwburg of vlakke vloertheater of andere vergelijkbare instellingen op het gebied van podia;

  • h.

    kosten of vergoedingen voor producties in het kader van een kunstvakopleiding, onderwijsinstelling of afstudeeropdrachten;

  • i.

    kosten van activiteiten en producties in het kader van amateur podiumkunsten;

  • j.

    kosten van externe adviseurs met betrekking tot advies en hulp bij het indienen van de subsidieaanvraag;

  • k.

    kosten die betrekking hebben op activiteiten die niet gericht zijn op het invullen van de functie waarvoor de subsidieaanvraag is ingediend.

Artikel 2.1.7 Vereisten subsidieaanvraag
  • 1 Een subsidieaanvraag voor een meerjarige subsidie met betrekking tot de kalenderjaren 2013 tot en met 2016 kan een keer per vier kalenderjaren worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.

  • 2 Een subsidieaanvraag wordt ingediend binnen de tendertermijn van 15 december 2011 tot en met 1 februari 2012.

  • 3 Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier.

  • 4 Een subsidieaanvraag bevat ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen.

Artikel 2.1.8 Subsidieplafond 2013-2016
  • 1 Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de tenderperiode van 15 december 2011 tot en met 1 februari 2012 vast op:

    • a.

      € 800.000 voor het invullen van de functie ontwikkeling, gericht op de sector theater;

    • b.

      € 800.000 voor het invullen van de functie ontwikkeling, gericht op de sector dans:

    • c.

      € 800.000 voor het invullen van de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, gericht op de sector theater;

    • d.

      € 1.200.000 voor het invullen van de functie productie gericht op jeugd, gericht op de sector theater;

    • e.

      € 800.000 voor het invullen van de functie productie gericht op jeugd, gericht op de sector dans.

  • 2 . Indien na beoordeling van alle aanvragen bepaalde beschikbare bedragen, als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c tot en met e, niet geheel worden verleend, kunnen Gedeputeerde Staten de resterende bedragen toevoegen aan de subsidieplafonds in hoofdstuk 3 van deze regeling.

Artikel 2.1.9 Maximale subsidiehoogte per subsidieaanvraag

De hoogte van de subsidie per kalenderjaar voor de invulling van de functie bedraagt 50 procent van de totale subsidiabele kosten, tot een maximum van:

  • a.

    € 200.000 voor het invullen van de functie ontwikkeling, gericht op de sector theater;

  • b.

    € 200.000 voor het invullen van de functie ontwikkeling, gericht op de sector dans:

  • c.

    € 200.000 voor het invullen van de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, gericht op de sector theater algemeen;

  • d.

    € 300.000 voor het invullen van de functie productie gericht op jeugd, gericht op de sector theater;

  • e.

    € 200.000 voor het invullen van de functie productie gericht op jeugd, gericht op de sector dans.

Artikel 2.1.10 Beoordeling en afwegingscriteria aanvragen
  • 1 Indien de binnen de tendertermijn ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond per functie te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking van verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende aanvragen per functie binnen dezelfde sector op basis van de volgende afwegingscriteria:

    • a.

      de mate waarin de kernactiviteit gericht is op een breed publieksbereik, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • b.

      de mate waarin de kernactiviteit een bovenlokale betekenis heeft, blijkend uit activiteiten die in de provincie Noord-Brabant tevens buiten de standplaats van de penvoerder worden georganiseerd, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • c.

      de mate waarin de kernactiviteit artistieke kwaliteit heeft, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • d.

      de mate waarin de kernactiviteit artistiek onderscheidend is, te waarderen met maximaal 10 punten.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt een nadere rangschikking van die aanvragen bepaald door voorrang te geven aan sectoren die nog niet voor subsidie in aanmerking zijn gekomen.

  • 3 Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat aanvragen alsnog gelijk eindigen, wordt daarna de rangschikking bepaald door voorrang te geven aan aanvragers die vanaf 2013 meerjarige subsidie ontvangen van de Minister van OCW of in het kader van de subsidieregeling Fonds Podiumkunsten.

  • 4 Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat aanvragen alsnog gelijk eindigen, wordt een nadere rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 2.1.11 Subsidieverlening
  • 1 Gedeputeerde Staten leggen subsidieaanvragen voor advies voor aan de Adviescommissie Kunsten.

  • 2 Gedeputeerde Staten beslissen uiterlijk 15 oktober 2012 op een subsidieaanvraag voor een meerjarige subsidie.

Artikel 2.1.12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Aan de subsidieontvanger wordt de verplichting opgelegd:

  • a.

    om gedurende de subsidieperiode 2013 tot en met 2016 ten minste 21,5 procent eigen inkomsten van het totaal aan subsidies van bestuursorganen te behalen ten behoeve van de invulling van de aangevraagde functie, met dien verstande dat artikel 2.1.4, eerste lid, onderdeel e, onder 3, van overeenkomstige toepassing of ten minste 17,5 procent eigen inkomsten van het totaal aan subsidies van bestuursorganen, indien de subsidieaanvraag is ingediend ten behoeve van het invullen van de functie productie gericht op jeugd, gericht op de sector theater;

  • b.

    om met betrekking tot de functie ontwikkeling per kalenderjaar:

    • ten minste vier professionele talenten op maatschappelijk, zakelijk en artistiek vlak te begeleiden, en;

    • samen te werken met een kunstvakopleiding in de provincie Noord-Brabant.

  • c.

    om met betrekking tot de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, en productie gericht op jeugd, ten minste twee nieuwe producties per kalenderjaar te realiseren;

  • d.

    om met betrekking tot de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, samen te werken met meerdere presenterende instellingen in de provincie Noord-Brabant;

  • e.

    om met betrekking tot de functie productie gericht op jeugd, samen te werken met:

    • meerdere presenterende instellingen in de provincie Noord-Brabant;

    • primair- en voortgezet onderwijsinstellingen in de provincie Noord-Brabant.

  • f.

    om jaarlijks voor 1 juni na afloop van het eerste, tweede en derde kalenderjaar aan Gedeputeerde Staten een tussenrapportage met daarbij een activiteitenverslag, een jaarrekening met een bestuursverklaring bij verantwoordingen door middel van een jaarrekening en, indien van toepassing, een aangepaste begroting te zenden;

  • g.

    om de activiteiten overeenkomstig artikel 2.1.4 te realiseren;

  • h.

    dat onverwijld schriftelijk mededeling wordt gedaan aan Gedeputeerde Staten, indien het voor de subsidieontvanger aannemelijk is of had moeten zijn dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zijn verricht of zullen worden verricht, of niet of niet geheel aan de subsidievereisten of subsidieverplichtingen wordt voldaan of zal worden voldaan.

Artikel 2.1.13 Bevoorschotting en betaling
  • 1 Bevoorschotting vindt plaats op aanvraag.

  • 2 Gedeputeerde Staten betalen als voorschot per kwartaal een gelijk deel van het jaarlijks maximaal verleende subsidiebedrag, als bedoeld in artikel 2.1.9, aan de penvoerder.

  • 3 Een kwartaal als bedoeld in het tweede lid is gelijk aan de periode van de eerste drie maanden, de tweede drie maanden, de derde drie maanden of de vierde drie maanden van een kalenderjaar.

  • 4 Indien de liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger om een ander betaalritme vraagt, kunnen Gedeputeerde Staten in afwijking van het tweede lid een groter of kleiner deel van de subsidie als voorschot betalen in door hen te bepalen termijnen.

  • 5 De liquiditeitsbehoefte, bedoeld in het vierde lid, volgt uit documenten van de aanvrager, dan wel wordt ambtshalve vastgesteld door Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.1.14 Subsidievaststelling
  • 1 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de activiteiten wordt ingediend voor 1 juni na het einde van het vierde kalenderjaar.

  • 2  De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van de stukken, genoemd in artikel 10, tweede lid, van de Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant.

  • 3 Gedeputeerde Staten beslissen binnen 12 weken op een aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

§ 2.2 Sectoren muziek en Opera

Artikel 2.2.1 Doelgroep
  • 1 Subsidie kan worden aangevraagd door:

    • a.

      een samenwerkingsverband van BIS-instellingen;

    • b.

      een samenwerkingsverband van een of meer BIS-instellingen met een of meer instellingen, niet zijnde BIS-instellingen, of een of meer andere privaatrechtelijke rechtspersonen.

  • 2 In het samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      treedt de BIS-instelling, die meerjarige ervaring in de functie heeft waarvoor de subsidieaanvraag wordt ingediend, op als penvoerder en draagt zorg voor:

      • de subsidieaanvraag;

      • de overige correspondentie;

      • de inhoudelijke en financiële coördinatie.

    • b.

      draagt de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 2.2.2 Subsidiabele activiteiten

Een meerjarige subsidie voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2016 kan worden verleend voor kernactiviteiten die gericht zijn op het invullen van de functie:

  • a.

    ontwikkeling, gericht op de sector muziek;

  • b.

    ontwikkeling algemeen, gericht op de sector opera:

  • c.

    productie gericht op jeugd, gericht op de sector muziek;

  • d.

    productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, gericht op de sector opera;

  • e.

    productie gericht op jeugd, gericht op de sector opera.

Artikel 2.2.3 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het samenwerkingsverband meer dan één keer voor de subsidieperiode 2013 tot en met 2016 een subsidieaanvraag heeft ingediend ten behoeve van het invullen van dezelfde functie in dezelfde sector onder paragraaf 2.2;

  • b.

    de totale eigen inkomsten van de BIS-instelling, die meerjarige ervaring in de functie heeft waarvoor de subsidieaanvraag wordt ingediend, gemiddeld over de jaren 2010 en 2011 minder dan 17,5 procent bedragen van het totaal aan meerjarige subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de invulling van de aangevraagde functie, met dien verstande dat Gedeputeerde Staten bij het vaststellen van het percentage eigen inkomsten bepaalde eigen inkomsten buiten beschouwing kunnen laten, indien deze door de BIS-instelling in de jaarrekening zijn verantwoord op een wijze die het karakter vertoont van oneigenlijk gebruik van deze regeling, of bepaalde bedragen beschouwen als onderdeel van de subsidies ten behoeve van de exploitatie van die BIS-instelling, indien die bedragen onderdeel uitmaakten van een beschikking tot subsidieverlening ten behoeve van die exploitatie en deze beschikking later is ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger is gewijzigd op grond van artikel 4:48 of artikel 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • c.

    het bedrag dat overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf zou kunnen worden verleend, lager is dan € 25.000;

  • d.

    met de activiteit is begonnen voordat Gedeputeerde Staten de subsidie hebben verleend;

  • e.

    de activiteit wordt uitgevoerd in het kader van een kunstvakopleiding.

Artikel 2.2.4 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • 1.

    De BIS-instelling die als penvoerder optreedt:

    • a.

      heeft vanuit de kernactiviteit meerjarige ervaring binnen de culturele infrastructuur van de provincie Noord-Brabant met betrekking tot het invullen van de functie waarvoor een subsidieaanvraag wordt ingediend;

    • b.

      is gericht op ondernemerschap;

    • c.

      heeft een artistieke visie, blijkend uit de samenhangende artistieke en inhoudelijke onderbouwing van de uitvoering van de functie waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • d.

      heeft een professionele aanpak ten aanzien van de uitvoering van de kernactiviteit van de functie waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • e.

      kan met jaarrekeningen aantonen dat de eigen inkomsten gemiddeld over de jaren 2010 en 2011 ten minste 17,5 procent bedragen van het totaal aan subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de invulling van de aangevraagde functie, met dien verstande dat:

      • indien een BIS-instelling die subsidie aanvraagt de rechtsopvolger of feitelijke opvolger is van een BIS-instelling die in de jaren 2010 en 2011 subsidie van bestuursorganen ontving ten behoeve van de exploitatie van die BIS-instelling, het percentage eigen inkomsten van de aanvrager wordt vastgesteld aan de hand van de gegevens van die verdwenen onderscheidenlijk aanvankelijk gesubsidieerde instelling;

      • indien bij een BIS-instelling die subsidie aanvraagt sprake is van fusie van twee of meer BIS-instellingen die in de jaren 2010 en 2011 subsidie voor de exploitatie van bestuursorganen ontvingen, het percentage eigen inkomsten van de aanvrager wordt vastgesteld aan de hand van het totaal van eigen inkomsten in verhouding tot het totaal van ontvangen subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de exploitatie van die gefuseerde BIS-instellingen in 2010 en 2011;

      • Gedeputeerde Staten bij het vaststellen van het percentage eigen inkomsten bepaalde eigen inkomsten buiten beschouwing kunnen laten, indien deze door de BIS-instelling in de jaarrekening zijn verantwoord op een wijze die het karakter vertoont van oneigenlijk gebruik van deze regeling, of bepaalde bedragen beschouwen als onderdeel van de subsidies ten behoeve van de exploitatie van die BIS-instelling, indien die bedragen onderdeel uitmaakten van een beschikking tot subsidieverlening ten behoeve van die exploitatie en deze beschikking later is ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger is gewijzigd op grond van artikel 4:48 of artikel 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    Het samenwerkingsverband:

    • a.

      kan gedurende de subsidieperiode 2013 tot en met 2016 ten minste 21,5 procent eigen inkomsten van het totaal aan subsidies van bestuursorganen behalen ten behoeve van de invulling van de aangevraagde functie, met dien verstande dat het eerste lid, onderdeel e, onder 3, van overeenkomstige toepassing is;

    • b.

      beschikt over een door alle deelnemers van het samenwerkingsverband ondertekende verklaring, waaruit de instemming van alle deelnemers met betrekking tot de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de penvoering en de inhoudelijke en financiële coördinatie blijkt.

  • 3.

    De kernactiviteit:

    • a.

      heeft een brede inbedding in een maatschappelijke context, blijkend uit:

      • een breed publieksbereik;

      • een bovenlokale betekenis, blijkend uit activiteiten in de Provincie Noord-Brabant, die tevens buiten de standplaats van een BIS-instelling worden georganiseerd;

      • aantoonbare afspraken over de afname van producties met afnemende partijen.

    • b.

      komt ten goede aan de inwoners van de provincie Noord-Brabant;

    • c.

      is gericht op de sector muziek of opera in de provincie Noord-Brabant;

    • d.

      is gericht op de functie:

      • ontwikkeling of;

      • productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, of;

      • productie gericht op jeugd.

    • e.

      heeft artistieke kwaliteit, blijkend uit:

      • vakmanschap;

      • oorspronkelijkheid;

      • zeggingskracht.

    • f.

      is artistiek onderscheidend;

    • g.

      is publieksgericht;

    • h.

      kan worden uitgevoerd gedurende de kalenderjaren 2013-2016.

  • 4.

    Onverminderd het derde lid is de functie ontwikkeling gericht op:

    • a.

      het per kalenderjaar begeleiden van ten minste twee professionele talenten op maatschappelijk, zakelijk en artistiek vlak;

    • b.

      samenwerking met een kunstvakopleiding in de provincie Noord-Brabant.

  • 5.

    Onverminderd het derde lid:

    • a.

      kan bij de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, of productie gericht op jeugd, per kalenderjaar ten minste een nieuwe productie worden gerealiseerd;

    • b.

      is productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, gericht op samenwerking met meerdere presenterende instellingen in de provincie Noord-Brabant;

    • c.

      is productie gericht op jeugd, gericht op samenwerking met:

      • meerdere presenterende instellingen in de provincie Noord-Brabant;

      • primair- en voortgezet onderwijsinstellingen in de provincie Noord-Brabant.

  • 6.

    Aan de activiteiten liggen ten grondslag:

    • a.

      een activiteitenplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan;

      • het eerste tot en met het vierde lid, indien de subsidieaanvraag gericht is op de functie ontwikkeling, of;

      • het eerste tot en met het derde lid, en het vijfde lid, onderdelen a en b, indien de subsidieaanvraag gericht is op de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, of;

      • het eerste tot en met het derde lid, en het vijfde lid, onderdeel c, indien de subsidieaanvraag gericht is op de functie productie, gericht op jeugd.

    • b.

      statuten waaruit blijkt in welke sector de penvoerder de aangevraagde functie invult of een schriftelijke verklaring van het bestuur van de penvoerder met een beschrijving van de feitelijke kernactiviteiten van de jaren 2009-2012 binnen de culturele infrastructuur in de provincie Noord-Brabant ten behoeve van het invullen van de functie waarvoor subsidie is aangevraagd;

    • c.

      een ondernemingsplan waarin in ieder geval is opgenomen:

      • de toepassing van de code cultural governance;

      • een toelichting op het ondernemerschap en onderbouwing van de eigen inkomsten;

      • wat het product of de prestatie is van het samenwerkingsverband;

      • hoe het product of de prestatie zich verhoudt tot andere artistieke producten en organisaties en in hoeverre daarbij sprake is van landelijke of regionale spreiding;

      • wat het profiel is van het bestuur van de penvoerder en, voor zover van toepassing, de Raad van Toezicht;

      • bij welke andere instanties of bestuursorganen tevens financiële middelen zijn aangevraagd, voor zover dit van toepassing is.

    • d.

      een omgevingsanalyse waarin in ieder geval is opgenomen:

      • hoe het krachtenveld eruit ziet waarin het samenwerkingsverband opereert;

      • wie de stakeholders zijn.

    • e.

      een sluitende begroting voor het invullen van de aangevraagde functie voor de subsidieperiode 2013-2016;

    • f.

      een marketingplan, waarin in ieder geval een nadere uitwerking is opgenomen van de wijze waarop aan het derde lid, onderdelen a, b en g wordt voldaan.

Artikel 2.2.5 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende daadwerkelijk gemaakte kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten van het invullen van de functie ontwikkeling, gericht op de sector muziek;

  • b.

    kosten van het invullen van de functie ontwikkeling algemeen, gericht op de sector opera;

  • c.

    kosten van het invullen van de functie productie gericht op jeugd, gericht op de sector muziek;

  • d.

    kosten van het invullen van de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, gericht op de sector opera;

  • e.

    kosten van het invullen van de functie productie gericht op jeugd, gericht op de sector opera;

  • f.

    loonkosten van de artistieke- en zakelijke directie en leiding tot een maximum van 10 procent van de totale subsidiabele kosten voor het invullen van de functie.

Artikel 2.2.6 Niet subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    huurkosten in het kader van huisvesting;

  • b.

    inrichtingskosten;

  • c.

    kosten voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen;

  • d.

    verblijfkosten;

  • e.

    kosten van een exploitatietekort;

  • f.

    alle gemaakte kosten van een privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een BIS-instelling of een instelling, die deelneemt in het samenwerkingsverband;

  • g.

    alle gemaakte kosten met betrekking tot programmering van een schouwburg of vlakke vloertheater of andere vergelijkbare instellingen op het gebied van podia;

  • h.

    kosten of vergoedingen voor producties in het kader van een kunstvakopleiding, onderwijsinstelling of afstudeeropdrachten;

  • i.

    kosten van activiteiten en producties in het kader van amateur podiumkunsten;

  • j.

    kosten van externe adviseurs met betrekking tot advies en hulp bij het indienen van de subsidieaanvraag;

  • k.

    kosten die betrekking hebben op activiteiten die niet gericht zijn op het invullen van de functie waarvoor de subsidieaanvraag is ingediend.

Artikel 2.2.7 Vereisten subsidieaanvraag
  • 1 Een subsidieaanvraag voor een meerjarige subsidie met betrekking tot de kalenderjaren 2013 tot en met 2016 kan een keer per vier kalenderjaren worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan een keer per vier kalenderjaren, voor het invullen van de functie ontwikkeling en productie voor de sector opera, een gecombineerde subsidieaanvraag worden ingediend.

  • 3 Een subsidieaanvraag wordt ingediend binnen de tendertermijn van 15 december 2011 tot en met 1 februari 2012.

  • 4 Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier.

  • 5 Een subsidieaanvraag bevat ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen.

Artikel 2.2.8 Subsidieplafond 2013-2016
  • 1 Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de tenderperiode van 15 december 2011 tot en met 1 februari 2012 vast op:

    • a.

      € 600.000 voor het invullen van de functie ontwikkeling, gericht op de sector muziek;

    • b.

      € 400.000 voor het invullen van de functie ontwikkeling algemeen, gericht op de sector opera:

    • c.

      € 0 voor het invullen van de functie productie gericht op jeugd, gericht op de sector muziek;

    • d.

      € 400.000 voor het invullen van de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, gericht op de sector opera;

    • e.

      € 400.000 voor het invullen van de functie productie gericht op jeugd, gericht op de sector opera.

  • 2 Indien na beoordeling van alle aanvragen bepaalde beschikbare bedragen, als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c tot en met e, niet geheel worden verleend, kunnen Gedeputeerde Staten de resterende bedragen toevoegen aan de subsidieplafonds in hoofdstuk 3 van deze regeling.

Artikel 2.2.9 Maximale subsidiehoogte per subsidieaanvraag

De hoogte van de subsidie per kalenderjaar voor de invulling van de functie bedraagt 50 procent van de totale subsidiabele kosten, tot een maximum van:

  • a.

    € 150.000 voor het invullen van de functie ontwikkeling, gericht op de sector muziek;

  • b.

    € 100.000 voor het invullen van de functie ontwikkeling algemeen, gericht op de sector opera:

  • c.

    € 300.000 voor het invullen van de functie productie gericht op jeugd, gericht op de sector muziek;

  • d.

    € 100.000 voor het invullen van de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, gericht op de sector opera;

  • e.

    € 100.000 voor het invullen van de functie productie gericht op jeugd, gericht op de sector opera.

Artikel 2.2.10 Beoordeling en afwegingscriteria aanvragen
  • 1 Indien de binnen de tendertermijn ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond per functie te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking van verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende aanvragen per functie binnen dezelfde sector op basis van de volgende afwegingscriteria:

    • a.

      de mate waarin de kernactiviteit gericht is op een breed publieksbereik, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • b.

      de mate waarin de kernactiviteit gericht is op een bovenlokale betekenis, blijkend uit activiteiten die in de provincie Noord-Brabant tevens buiten de standplaats van de penvoerder worden georganiseerd, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • c.

      de mate waarin de kernactiviteit artistieke kwaliteit heeft, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • d.

      de mate waarin de kernactiviteit artistiek onderscheidend is, te waarderen met maximaal 10 punten.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt een nadere rangschikking van die aanvragen bepaald door voorrang te geven aan sectoren die nog niet voor subsidie in aanmerking zijn gekomen.

  • 3 Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat aanvragen alsnog gelijk eindigen, wordt daarna de rangschikking bepaald door voorrang te geven aan aanvragers die vanaf 2013 meerjarige subsidie ontvangen van de Minister van OCW of in het kader van de subsidieregeling Fonds Podiumkunsten.

  • 4 Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat aanvragen alsnog gelijk eindigen, wordt een nadere rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 2.2.11 Subsidieverlening
  • 1 Gedeputeerde Staten leggen subsidieaanvragen voor advies voor aan de Adviescommissie Kunsten.

  • 2 Gedeputeerde Staten beslissen uiterlijk 15 oktober 2012 op een aanvraag voor een meerjarige subsidie.

Artikel 2.2.12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Aan de subsidieontvanger wordt de verplichting opgelegd:

  • a.

    om gedurende de subsidieperiode 2013 tot en met 2016 ten minste 21,5 procent eigen inkomsten van het totaal aan subsidies van bestuursorganen te behalen ten behoeve van de invulling van de aangevraagde functie, met dien verstande dat artikel 2.2.4, eerste lid, onderdeel e, onder 3, van overeenkomstige toepassing is;

  • b.

    om met betrekking tot de functie ontwikkeling per kalenderjaar:

    • ten minste twee professionele talenten op maatschappelijk, zakelijk en artistiek vlak te begeleiden, en;

    • samen te werken met een kunstvakopleiding in de provincie Noord-Brabant.

  • c.

    om met betrekking tot de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, of productie gericht op jeugd, per kalenderjaar ten minste een nieuwe productie te realiseren;

  • d.

    om met betrekking tot productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, samen te werken met meerdere presenterende instellingen in de provincie Noord-Brabant;

  • e.

    om met betrekking tot productie gericht op jeugd, samen te werken met:

    • meerdere presenterende instellingen in de provincie Noord-Brabant, en;

    • primair- en voortgezet onderwijsinstellingen in de provincie Noord-Brabant.

  • f.

    om jaarlijks voor 1 juni na afloop van het eerste, tweede en derde kalenderjaar aan Gedeputeerde Staten een tussenrapportage met daarbij een activiteitenverslag, een jaarrekening met een bestuursverklaring bij verantwoordingen door middel van een jaarrekening en, indien van toepassing, een aangepaste begroting te zenden;

  • g.

    om de activiteiten overeenkomstig artikel 2.2.4 te realiseren;

  • h.

    dat onverwijld schriftelijk mededeling wordt gedaan aan Gedeputeerde Staten, indien het voor de subsidieontvanger aannemelijk is of had moeten zijn dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zijn verricht of zullen worden verricht, of niet of niet geheel aan de subsidievereisten of subsidieverplichtingen wordt voldaan of zal worden voldaan.

Artikel 2.2.13 Bevoorschotting en betaling
  • 1 Bevoorschotting vindt plaats op aanvraag.

  • 2 Gedeputeerde Staten betalen als voorschot per kwartaal een gelijk deel van het jaarlijks maximaal verleende subsidiebedrag, als bedoeld in artikel 2.2.9, aan de penvoerder.

  • 3 Een kwartaal als bedoeld in het tweede lid is gelijk aan de periode van de eerste drie maanden, de tweede drie maanden, de derde drie maanden of de vierde drie maanden van een kalenderjaar.

  • 4 Indien de liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger om een ander betaalritme vraagt, kunnen Gedeputeerde Staten in afwijking van het tweede lid een groter of kleiner deel van de subsidie als voorschot betalen in door hen te bepalen termijnen.

  • 5 De liquiditeitsbehoefte, bedoeld in het vierde lid, volgt uit documenten van de aanvrager, dan wel wordt ambtshalve vastgesteld door Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.2.14 Subsidievaststelling
  • 1 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de activiteiten wordt ingediend voor 1 juni na het einde van het vierde kalenderjaar.

  • 2 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van de stukken, genoemd in artikel 10, tweede lid, van de Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant.

  • 3 Gedeputeerde Staten beslissen binnen 12 weken op een aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

Hoofdstuk 3 kleinschalige culturele infrastructuur

Artikel 3.1 Doelgroep

  • 1 Subsidie kan worden aangevraagd door:

    • a.

      een samenwerkingsverband van instellingen;

    • b.

      een samenwerkingsverband van een of meer instellingen met een of meer BIS- instellingen, of een of meer andere privaatrechtelijke rechtspersonen;

    • c.

      een instelling.

  • 2 Indien sprake is van een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      treedt de instelling, die meerjarige ervaring in de functie heeft waarvoor de subsidieaanvraag wordt ingediend, op als penvoerder en draagt zorg voor:

      • de subsidieaanvraag;

      • de overige correspondentie;

      • de inhoudelijke en financiële coördinatie.

    • b.

      draagt de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 3.2 Subsidiabele activiteiten

Een meerjarige subsidie voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2016 kan worden verleend voor kernactiviteiten die gericht zijn op het invullen van de functie:

  • a.

    productie;

  • b.

    presentatie door concoursen en kleinschalige festivals;

  • c.

    presentatie door middelgrote festivals;

  • d.

    presentatie door grote festivals.

Artikel 3.3 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    de penvoerder, of de instelling, die meerjarige ervaring in de functie heeft waarvoor de subsidieaanvraag wordt ingediend, of het samenwerkingsverband, meer dan één keer voor de subsidieperiode 2013 tot en met 2016 een subsidieaanvraag heeft ingediend ten behoeve van het invullen van dezelfde functie onder hoofdstuk 3;

  • b.

    de totale eigen inkomsten van de instelling, die meerjarige ervaring in de functie heeft waarvoor de subsidieaanvraag wordt ingediend, gemiddeld over de jaren 2010 en 2011 minder dan 17,5 procent bedragen van de totale begroting van de bestuursorganen ten behoeve van de exploitatie van de desbetreffende functie, met dien verstande dat Gedeputeerde Staten bij het vaststellen van het percentage eigen inkomsten bepaalde eigen inkomsten buiten beschouwing kunnen laten, indien deze door de instelling in de jaarrekening zijn verantwoord op een wijze die het karakter vertoont van oneigenlijk gebruik van deze regeling, of bepaalde bedragen beschouwen als onderdeel van de subsidies ten behoeve van de exploitatie van die instelling, indien die bedragen onderdeel uitmaakten van een beschikking tot subsidieverlening ten behoeve van die exploitatie en deze beschikking later is ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger is gewijzigd op grond van artikel 4:48 of artikel 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • c.

    het bedrag dat overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk zou kunnen worden verleend, lager is dan € 25.000;

  • d.

    met de activiteit is begonnen voordat Gedeputeerde Staten de subsidie hebben verleend;

  • e.

    de activiteit wordt uitgevoerd in het kader van een kunstvakopleiding.

Artikel 3.4 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • 1.

    De instelling, bedoeld in artikel 3.1, onderdeel c, of de instelling die als penvoerder optreedt voor een samenwerkingsverband:

    • a.

      heeft vanuit de kernactiviteit meerjarige ervaring binnen de culturele infrastructuur van de provincie Noord-Brabant met betrekking tot het invullen van de functie waarvoor een subsidieaanvraag wordt ingediend;

    • b.

      is gericht op ondernemerschap;

    • c.

      heeft een artistieke visie, blijkend uit de samenhangende artistieke en inhoudelijke onderbouwing van de uitvoering van de functie waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • d.

      heeft een professionele aanpak ten aanzien van de uitvoering van de kernactiviteit van de functie waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

    • e.

      kan met jaarrekeningen aantonen dat de eigen inkomsten gemiddeld over de jaren 2010 en 2011 ten minste 17,5 procent bedragen van het totaal aan subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de invulling van de aangevraagde functie, met dien verstande dat:

      • indien een instelling die subsidie aanvraagt de rechtsopvolger of feitelijke opvolger is van een instelling die in de jaren 2010 en 2011 subsidie van bestuursorganen ontving ten behoeve van de exploitatie van die instelling, het percentage eigen inkomsten van de aanvrager wordt vastgesteld aan de hand van de gegevens van die verdwenen onderscheidenlijk aanvankelijk gesubsidieerde instelling;

      • indien bij een instelling die subsidie aanvraagt sprake is van fusie van twee of meer instellingen die in de jaren 2010 en 2011 subsidie voor de exploitatie van bestuursorganen ontvingen, het percentage eigen inkomsten van de aanvrager wordt vastgesteld aan de hand van het totaal van eigen inkomsten in verhouding tot het totaal van ontvangen subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de exploitatie van die gefuseerde instellingen in 2010 en 2011;

      • Gedeputeerde Staten bij het vaststellen van het percentage eigen inkomsten bepaalde eigen inkomsten buiten beschouwing kunnen laten, indien deze door de instelling in de jaarrekening zijn verantwoord op een wijze die het karakter vertoont van oneigenlijk gebruik van deze regeling, of bepaalde bedragen beschouwen als onderdeel van de subsidies ten behoeve van de exploitatie van die instelling, indien die bedragen onderdeel uitmaakten van een beschikking tot subsidieverlening ten behoeve van die exploitatie en deze beschikking later is ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger is gewijzigd op grond van artikel 4:48 of artikel 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    Indien sprake is van een samenwerkingsverband:

    • a.

      kan het samenwerkingsverband gedurende de subsidieperiode 2013 tot en met 2016 ten minste 21,5 procent eigen inkomsten van het totaal aan subsidies van bestuursorganen behalen ten behoeve van de invulling van de aangevraagde functie, met dien verstande dat het eerste lid, onderdeel e, onder 3, van overeenkomstige toepassing is;

    • b.

      beschikt het samenwerkingsverband over een door alle deelnemers van het samenwerkingsverband ondertekende verklaring, waaruit de instemming van alle deelnemers met betrekking tot de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de penvoering en de inhoudelijke en financiële coördinatie blijkt.

  • 3.

    De kernactiviteit:

    • a.

      heeft een brede inbedding in een maatschappelijke context, blijkend uit:

      • een breed publieksbereik;

      • een bovenlokale betekenis, blijkend uit activiteiten in de Provincie Noord-Brabant, die tevens buiten de standplaats van een instelling worden georganiseerd.

    • b.

      komt ten goede aan de inwoners van de provincie Noord-Brabant;

    • c.

      is gericht op de sector theater, dans, muziek, of opera, of een mengvorm hiervan, in de provincie Noord-Brabant;

    • d.

      is gericht op de functie:

      • productie algemeen, niet zijnde gericht op jeugd, of;

      • productie gericht op jeugd, of:

      • presentatie.

    • e.

      heeft artistieke kwaliteit, blijkend uit:

      • vakmanschap;

      • oorspronkelijkheid;

      • zeggingskracht.

    • f.

      is artistiek onderscheidend;

    • g.

      is publieksgericht;

    • h.

      kan worden uitgevoerd gedurende de kalenderjaren 2013-2016.

  • 4.

    Onverminderd het derde lid:

    • a.

      worden voor de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, en productie jeugd, aantoonbare afspraken gemaakt over de afname van producties met afnemende partijen;

    • b.

      zijn de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, en productie jeugd gericht op het realiseren van ten minste twee nieuwe producties per kalenderjaar;

    • c.

      is de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, gericht op samenwerking met meerdere presenterende instellingen in de provincie Noord-Brabant;

    • d.

      is de functie productie gericht op jeugd, gericht op samenwerking met:

      • meerdere presenterende instellingen in de provincie Noord-Brabant, en;

      • samenwerking met primair- of voortgezet onderwijsinstellingen in de provincie Noord-Brabant.

  • 5.

    Onverminderd het derde lid is de functie presentatie:

    • a.

      sterk verbonden met een of meer andere functies uit de functieketen in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      gericht op het minimaal een keer per twee jaren realiseren van de kernactiviteit.

  • 6.

    Aan de activiteiten liggen ten grondslag:

    • a.

      een activiteitenplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan:

      • het eerste tot en met het derde lid, en het vierde lid, onderdelen a tot en met c, indien de subsidieaanvraag gericht is op de functie productie algemeen, niet zijnde gericht op productie jeugd, of;

      • het eerste tot en met het derde lid, en het vierde lid, onderdelen a en d, indien de subsidieaanvraag gericht is op de functie productie gericht op jeugd, of;

      • het eerste tot en met het derde lid, en het vijfde lid, indien de subsidieaanvraag gericht is op de functie presentatie.

    • b.

      statuten waaruit blijkt in welke sector de penvoerder de aangevraagde functie invult of een schriftelijke verklaring van het bestuur van de penvoerder met een beschrijving van de feitelijke kernactiviteiten van de jaren 2009-2012 binnen de culturele infrastructuur in de provincie Noord-Brabant ten behoeve van het invullen van de functie waarvoor subsidie is aangevraagd;

    • c.

      een ondernemingsplan waarin in ieder geval is opgenomen:

      • de toepassing van de code cultural governance;

      • een toelichting op het ondernemerschap en onderbouwing van de eigen inkomsten;

      • wat het product of de prestatie is van de instelling;

      • hoe het product of de prestatie zich verhoudt tot andere artistieke producten en organisaties en in hoeverre daarbij sprake is van landelijke of regionale spreiding;

      • wat het profiel is van het bestuur en, voor zover van toepassing, de Raad van Toezicht;

      • bij welke andere instanties of bestuursorganen tevens financiële middelen zijn aangevraagd, voor zover dit van toepassing is.

    • d.

      een omgevingsanalyse waarin in ieder geval is opgenomen:

      • hoe het krachtenveld eruit ziet waarin de instelling opereert;

      • wie de stakeholders zijn.

    • e.

      een sluitende begroting voor het invullen van de aangevraagde functie voor de subsidieperiode 2013-2016;

    • f.

      een marketingplan, waarin in ieder geval een nadere uitwerking is opgenomen van de wijze waarop aan het derde lid, onderdelen a, b en g wordt voldaan.

  • 7.

    In afwijking van het derde lid, onderdeel a, onder 2, heeft de functie presentatie een bovenlokale betekenis, blijkend uit het publieksbereik in de provincie Noord-Brabant, buiten de plaats waarin de activiteit wordt georganiseerd.

Artikel 3.5 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende daadwerkelijk gemaakte kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten van het maken van producties;

  • b.

    kosten van presentatie door concoursen en kleinschalige festivals;

  • c.

    kosten van presentatie door middelgrote festivals;

  • d.

    kosten van presentatie door grote festivals;

  • e.

    loonkosten van de artistieke- en zakelijke directie en leiding tot een maximum van 10 procent van de totale subsidiabele kosten voor het invullen van de functie.

Artikel 3.6 Niet subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    huurkosten in het kader van huisvesting;

  • b.

    inrichtingskosten;

  • c.

    kosten voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen;

  • d.

    verblijfkosten;

  • e.

    kosten van een exploitatietekort;

  • f.

    alle gemaakte kosten van een privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een BIS-instelling of een instelling, die deelneemt in het samenwerkingsverband;

  • g.

    alle gemaakte kosten met betrekking tot programmering van een schouwburg of vlakke vloertheater of andere vergelijkbare instellingen op het gebied van podia;

  • h.

    kosten of vergoedingen voor producties in het kader van een kunstvakopleiding, onderwijsinstelling of afstudeeropdrachten;

  • i.

    kosten van activiteiten en producties in het kader van amateur podiumkunsten;

  • j.

    kosten van externe adviseurs met betrekking tot advies en hulp bij het indienen van de subsidieaanvraag;

  • k.

    kosten die betrekking hebben op activiteiten die niet gericht zijn op het invullen van de functie waarvoor de subsidieaanvraag is ingediend.

Artikel 3.7 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1 Een subsidieaanvraag voor een meerjarige subsidie met betrekking tot de kalenderjaren 2013 tot en met 2016 kan een keer per vier kalenderjaren worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.

  • 2 Een subsidieaanvraag wordt ingediend binnen de tendertermijn van 15 december 2011 tot en met 1 februari 2012.

  • 3 Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier.

  • 4 Een subsidieaanvraag bevat ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen.

Artikel 3.8 Subsidieplafond 2013-2016

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de tenderperiode van 15 december 2011 tot en met 1 februari 2012 vast op:

  • a.

    € 2.000.000 voor het invullen van de functie productie;

  • b.

    € 280.000 voor het invullen van de functie presentatie door concoursen en kleinschalige festivals;

  • c.

    € 560.000 voor het invullen van de functie presentatie door middelgrote festivals;

  • d.

    € 2.400.000 voor het invullen van de functie presentatie door grote festivals.

Artikel 3.9 Maximale subsidiehoogte per subsidieaanvraag

De hoogte van de subsidie per kalenderjaar voor de invulling van de functie bedraagt 50 procent van de totale subsidiabele kosten, tot een maximum van:

  • a.

    € 100.000 voor het invullen van de functie productie;

  • b.

    € 35.000 voor het invullen van de functie presentatie door concoursen en kleinschalige festivals;

  • c.

    € 70.000 voor het invullen van de functie presentatie door middelgrote festivals;

  • d.

    € 150.000 voor het invullen van de functie presentatie door grote festivals.

Artikel 3.10 Beoordeling en afwegingscriteria subsidieaanvragen

  • 1 Indien de binnen de tendertermijn ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond per functie te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking van verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende subsidieaanvragen per functie binnen dezelfde sector op basis van de volgende afwegingscriteria:

    • a.

      een subsidieaanvraag van een samenwerkingsverband wordt gewaardeerd met 5 punten;

    • b.

      de mate waarin de kernactiviteit gericht is op een breed publieksbereik, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • c.

      de mate waarin de kernactiviteit gericht is op een bovenlokale betekenis, blijkend uit activiteiten die in de provincie Noord-Brabant tevens buiten de standplaats van de penvoerder worden georganiseerd, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • d.

      de mate waarin de kernactiviteit artistieke kwaliteit heeft, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • e.

      de mate waarin de kernactiviteit artistiek onderscheidend is, te waarderen met maximaal 10 punten.

  • 2 Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt een nadere rangschikking van die aanvragen bepaald door eerst voorrang te geven aan sectoren die nog niet voor subsidie in aanmerking zijn gekomen.

  • 3 Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat aanvragen alsnog gelijk eindigen, wordt daarna de rangschikking bepaald door voorrang te geven aan aanvragers die vanaf 2013 meerjarige subsidie ontvangen in het kader van de subsidieregeling Fonds Podiumkunsten.

  • 4 Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat aanvragen alsnog gelijk eindigen, wordt een nadere rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 3.11 Subsidieverlening

  • 1 Gedeputeerde Staten leggen subsidieaanvragen voor advies voor aan de Adviescommissie Kunsten.

  • 2 Gedeputeerde Staten beslissen voor 15 oktober 2012 op een aanvraag voor subsidie.

Artikel 3.12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Aan de subsidieontvanger wordt de verplichting opgelegd:

  • a.

    om gedurende de subsidieperiode 2013 tot en met 2016 ten minste 21,5 procent eigen inkomsten van het totaal aan subsidies van bestuursorganen te behalen ten behoeve van de invulling van de aangevraagde functie, met dien verstande dat artikel 3.4, eerste lid, onderdeel e, onder 3, van overeenkomstige toepassing is;

  • b.

    om met betrekking tot de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, en productie gericht op jeugd, aantoonbare afspraken te hebben gemaakt over de afname van producties met afnemende partijen;

  • c.

    om met betrekking tot de functie productie algemeen, niet zijnde productie gericht op jeugd, en productie jeugd, ten minste twee nieuwe producties per kalenderjaar gerealiseerd te hebben;

  • d.

    om met betrekking tot de functie productie algemeen, niet zijnde gericht op jeugd, samen te werken met meerdere presenterende instellingen in de provincie Noord-Brabant;

  • e.

    om met betrekking tot de functie productie gericht op jeugd, samen te werken met:

    • meerdere presenterende instellingen in de provincie Noord-Brabant, en;

    • primair- of voortgezet onderwijsinstellingen in de provincie Noord-Brabant.

  • f.

    om met betrekking tot de functie presentatie:

    • sterk verbonden te zijn met een of meer andere functies uit de functieketen in de provincie Noord-Brabant, en;

    • minimaal een keer per twee jaren de kernactiviteit te realiseren.

  • g.

    om jaarlijks voor 1 juni na afloop van het eerste, tweede en derde kalenderjaar aan Gedeputeerde Staten een tussenrapportage met daarbij een activiteitenverslag, een jaarrekening met een bestuursverklaring bij verantwoordingen door middel van een jaarrekening en, indien van toepassing, een aangepaste begroting te zenden;

  • h.

    om de activiteiten overeenkomstig artikel 3.4 te realiseren;

  • i.

    dat onverwijld schriftelijk mededeling wordt gedaan aan Gedeputeerde Staten, indien het voor de subsidieontvanger aannemelijk is of had moeten zijn dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zijn verricht of zullen worden verricht, of niet of niet geheel aan de subsidievereisten of subsidieverplichtingen wordt voldaan of zal worden voldaan.

Artikel 3.13 Bevoorschotting en betaling

  • 1 Bevoorschotting vindt plaats op aanvraag.

  • 2 Gedeputeerde Staten betalen als voorschot per kwartaal een gelijk deel van het jaarlijks maximaal verleende subsidiebedrag, als bedoeld in artikel 3.9, aan de penvoerder.

  • 3 Een kwartaal als bedoeld in het tweede lid is gelijk aan de periode van de eerste drie maanden, de tweede drie maanden, de derde drie maanden of de vierde drie maanden van een kalenderjaar.

  • 4 Indien de liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger om een ander betaalritme vraagt, kunnen Gedeputeerde Staten in afwijking van het tweede lid een groter of kleiner deel van de subsidie als voorschot betalen in door hen te bepalen termijnen.

  • 5 De liquiditeitsbehoefte, bedoeld in het vierde lid, volgt uit documenten van de aanvrager, dan wel wordt ambtshalve vastgesteld door Gedeputeerde Staten.

Artikel 3.14 Subsidievaststelling

  • 1 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de activiteiten wordt ingediend voor 1 juni na het einde van het vierde kalenderjaar.

  • 2 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van de stukken, genoemd in artikel 10, tweede lid, van de Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant.

  • 3 Gedeputeerde Staten beslissen binnen 12 weken op een aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1 hardheidsclausule

  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen in deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van het invullen van de functies ontwikkeling, productie of presentatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 2 Indien een BIS-instelling of een instelling, die meerjarige ervaring in de functie heeft waarvoor de subsidieaanvraag wordt ingediend, in het jaar 2010 of 2011 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid grotendeels niet in staat is geweest kernactiviteiten te ontplooien, kunnen Gedeputeerde Staten in ieder geval de eigen inkomenseisen buiten toepassing laten.

Artikel 4.2 Intrekking

De Beleidsregel subsidies professionele podiumkunsten en film 2009-2012 wordt ingetrokken.

Artikel 4.2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 4.3 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling infrastructuur professionele kunsten Noord-Brabant 2013-2016.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 6 december 2011

Gedeputeerde Staten voornoemd, 

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris  drs. W.G.H.M. Rutten

 

Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieProvincie Noord-Brabant
Officiële naam regelingSubsidieregeling infrastructuur professionele kunsten Noord-Brabant 2013-2016
CiteertitelSubsidieregeling infrastructuur professionele kunsten Noord-Brabant 2013-2016
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpcultuur, kunst, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Provinciewet, art. 105 en 143
  2. Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant, art. 2 en 15

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

21-02-201309-12-201101-04-2013Art. 2.1.12, 2.1.14, 2.2.12, 2.2.14, 3.12, 3.14

19-02-2013

Provinciaal Blad, 2013, 17

s3358907
20-09-201221-02-2013Art. 2.2.8, 3.8

18-09-2012

Provinciaal Blad, 2012, 236

2779242
12-01-201209-12-201120-09-2012Art. 4.2, 4.3, 4.4

10-01-2012

Provinciaal Blad, 2012, 5

S0234148
09-12-201109-12-2011nieuwe regeling

06-12-2011

Provinciaal Blad, 2011, 310

2844614