Wetstechnische informatie

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingRegeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende het verstrekken van subsidie ter behoud van cultureel erfgoed (Subsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant 2016)
CiteertitelSubsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant 2016
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpcultuur, subsidies, financieel kader

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

art. 2 Algemene subsidieverordening Noord-Brabant

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

23-06-2017artikel 1.6, 1.9, 1.10, 1.12, 1.13, 2.8, 2.9, 3.6, 3.8

13-06-2017

prb-2017-2738

C2209216/4194709
21-07-201623-06-2017nieuwe regeling

19-07-2016

Provinciaal blad 2016, 113

4006891

Inhoud regeling

Tekst van de regeling

Intitulé

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende het verstrekken van subsidie ter behoud van cultureel erfgoed (Subsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant 2016)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten het beleidskader 2016 -2020, De (verbeeldings)kracht van Erfgoed, hebben vastgesteld op 13 november 2015;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten hebben besloten tot het beschikbaar stellen van €3.121.854 voor een sobere en doelmatige restauratie van Rijksmonumenten, welke in de vorm van subsidie wordt verstrekt;

 

Overwegende dat het behoud van eco-archeologische waarden en het behoud van informatie van en uit eco-archeologische waarden die zich buiten het archeologische bodemarchief bevinden in de provincie Noord-Brabant een bijdrage leveren aan de kennis over het klimaat, de flora en fauna en het menselijk handelen in het verleden in Noordwest Europa in het algemeen en in Brabant in het bijzonder;

 

Overwegende dat deze bron van kennis en daarmee deze kennis zonder financiële bijdrage ongezien vernietigd zou worden door ruimtelijke ontwikkelingen;

 

Overwegende dat de instandhouding van monumentale molens in Noord-Brabant bijdraagt aan een hoogwaardige leefomgeving waar het aantrekkelijk wonen is en bedrijven zich graag willen vestigen;

 

Overwegende dat in het kader van deregulering de Subsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant vervangen dient te worden;

 

Overwegende dat daar waar sprake is van staatssteun, in het kader van rechtvaardiging van deze staatssteun, de volgende vrijstellingsverordening wordt toegepast: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§1 Restauratie van rijksmonumenten

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     erfgoed: onroerend erfgoed, waaronder in ieder geval historische gebouwen, cultuurhistorische landschappen, historische groenstructuren, archeologische monumenten en plaatsen van herinnering;

  • b.

     brochure van de stichting ERM: Brochure Uw monument energiezuinig, praktische tips voor verduurzaming uitgegeven in 2015 door de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg;

  • c.

     restauratie: handeling die nodig is om het onroerend erfgoed duurzaam, sober en doelmatig in stand te houden ten behoeve van een stabiele, maatschappelijk verantwoorde of duurzame functie;

  • d.

     rijksmonument: onroerend monument dat op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 als beschermd monument is aangewezen;

  • e.

     topmonument: monument Kasteel Heeswijk, Sint Jan in ’s Hertogenbosch, Markiezenhof in Bergen op Zoom en de Grote Kerk in Breda waarvan de vertegenwoordigers op 6 april 2012 hun samenwerking hebben vastgelegd in een convenant.

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

     rechtspersonen;

  • b.

     natuurlijke personen.

Artikel 1.3 Subsidievorm

  • 1

     Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidie.

  • 2

     Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de restauratie van:

  • a.

     religieus erfgoed;

  • b.

     militair erfgoed;

  • c.

     industrieel erfgoed;

  • d.

     kastelen en landgoederen.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

     voor het monument reeds subsidie is verstrekt op grond van deze subsidieregeling;

  • b.

     aan de subsidieaanvrager reeds subsidie is versterkt op grond van deze subsidieregeling;

  • c.

     voor het project reeds subsidie is verstrekt op grond van een andere provinciale subsidieregeling, tenzij subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling buurtfonds Noord-Brabant;

  • d.

     reeds begonnen is met de uitvoering van het project;

  • e.

     de subsidie minder bedraagt dan €200.000;

  • f.

     het project wordt gefinancierd via het ontwikkel- en investeringsprogramma de Erfgoedfabriek;

  • g.

     voor het project reeds subsidie is ontvangen op basis van de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim) van het Rijk;

  • h.

     de aanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in art. 2 onder nr. 18 Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

  • i.

     de aanvrager een onderneming is ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

Artikel 1.6 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op een rijksmonument;

    • b.

      het rijksmonument is gelegen in de provincie Noord-Brabant;

    • c.

      de aanvrager heeft het recht van eigendom van een rijksmonument;

    • d.

      het rijksmonument is toegankelijk voor derden;

    • e.

      het rijksmonument valt binnen een van de volgende categorieën:

      • 1°.

        religieus erfgoed;

      • 2°.

        militair erfgoed;

      • 3°.

        industrieel erfgoed;

      • 4°.

        kasteel;

      • 5°.

        landgoed;

    • f.

      het project omvat activiteiten die niet zijn vrijgesteld van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.5 a jo artikel 3a, eerste lid, van bijlage II Besluit omgevingsrecht;

    • g.

      het project is erop gericht het rijksmonument te herstellen en daarbij:

      • 1°.

        de omvang van de ingreep zo veel mogelijk te beperken;

      • 2°.

        de oorzaak van de ontstane schade weg te nemen;

      • 3°.

        eerdere uitgevoerde restauraties met respect te behandelen;

    • h.

      aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

        een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

        een sluitende begroting, waaruit tevens de bijdrage van derden blijkt;

      • 3°.

        een restauratieplan met daarin opgenomen een overzicht van de aan het monument te verrichten werkzaamheden, de huidige toestand inclusief de gebreken, een overzicht van de werkzaamheden en een bestek;

      • 4°.

        een inspectierapport van de monumentenwacht dat niet ouder is dan 2 jaar en 4 maanden betreffende de staat van het monument;

      • 5°.

        een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;.

      • 6°.

        een communicatieplan.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat het rijksmonument reeds een duurzame bestemming heeft.

  • 3.

    Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder b, c en d, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat er een plan is om het rijksmonument duurzaam te bestemmen.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie in aanmerking de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die als subsidiabel zijn aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten 2013, die als bijlage is opgenomen bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten van het Rijk.

Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.7 komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

     de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die als niet subsidiabel zijn aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten 2013, die als bijlage is opgenomen bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten van het Rijk;

  • b.

     kosten gemaakt voor het indienen van de aanvraag.

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend in de tenderperiode van 4 juli 2017 tot en met 31 oktober 2017.

Artikel 1.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen voor de periode, genoemd in artikel 1.9, het subsidieplafond vast op:

  • a.

    € 1.300.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4, onder a;

  • b.

    € 400.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4, onder b;

  • c.

    € 600.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4, onder c;

  • d.

    € 1.000.000 voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4, onder d;

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

  • 1

     De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, bedraagt 70% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van €400.000.

  • 2

     Indien toepassing van het 1e lid tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan €200.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 1.12 Verdeelcriteria

  • 1.

    Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 1.10, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de absolute mate in aantallen euro’s waarin een financiële bijdrage door derden geleverd wordt aan het project, te waarderen met maximaal 10 punten;

    • b.

      de mate gerekend in het aantal dagen per week waarin het monument aantoonbaar gebruikt wordt, te waarderen met maximaal 14 punten;

    • c.

      50 punten, indien het project een topmonument betreft;

    • d.

      10 punten, indien het monument is geabonneerd bij de Monumentenwacht;

    • e.

      de mate waarin het aanbrengen van energiebesparende maatregelen worden geïntegreerd in de subsidiabele restauratie werkzaamheden, te waarderen met maximaal 10 punten;

  • 2.

    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 1.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

     het project is afgerond op 1 juli 2020;

  • b.

     de subsidieontvanger moet bekijken of het project in aanmerking komt voor deelname aan het Restauratie opleiding programma;

  • c.

     de subsidieontvanger documenteert de verrichte werkzaamheden;

  • d.

     over de uitvoering van het project verschijnt ten minste een publicatie in een regionaal beschikbaar medium;

  • e.

     de subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • f.

     de subsidieontvanger houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 1.14 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een fotorapportage als bewijsstuk.

Artikel 1.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1

     Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2

     Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt in een keer betaald.

§ 2 Eco-archeologisch onderzoek

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     C14-dateringsonderzoek: radiometrische datering waarmee de ouderdom van organisch materiaal wordt bepaald met behulp van koolstof-14 isotopen;

  • b.

     conservering: combinatie van maatregelen en handelingen, die nodig is voor de consolidatie van een archeologisch object en het tegengaan van geconstateerd verval of het verhinderen van te verwachten verval van een archeologisch object;

  • c.

     eco-archeologische waarden: archeologische waarden van flora en fauna die goed bewaard zijn gebleven en kwetsbaar zijn;

  • d.

     OSL: Optically Stimulated Luminescence;

  • e.

     OSL-dateringsonderzoek: methode van onderzoek waarmee bepaald wordt hoe lang het geleden is dat een object verdwenen is onder de grond;

  • f.

     programma van eisen: document waarin onderzoekseisen worden opgelegd aan een initiatiefnemer van een ruimtelijk project die voldoen aan de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie zoals uitgegeven door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer te Gouda;

  • g.

     ruimtelijk project; natuurproject, waterproject of een ander ruimtelijk project;

  • h.

     specialistisch eco-archeologisch onderzoek: onderzoek van plantaardige en dierlijke overblijfselen en van textiel uit archeologische context, dendrochronologie, C14-dateringsonderzoek, isotopenonderzoek en OSL-dateringsonderzoek.

Artikel 2.2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

     waterschappen;

  • b.

     gemeenten;

  • c.

     terrein beherende instanties;

  • d.

     universiteiten;

  • e.

     erkende wetenschappelijke instituten;

  • f.

     organisaties die specialistisch eco-archeologisch onderzoek uitvoeren.

Artikel 2.3 Subsidievorm

  • 1

     Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2

     Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

     het uitvoeren van specialistische eco-archeologisch onderzoek;

  • b.

     het conserveren van eco-archeologische waarden.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

     het project menselijke skeletonderdelen betreft;

  • b.

     de uitvoering van het project of een onderdeel ervan, door het bevoegd gezag verplicht is gesteld aan de initiatiefnemer van een ruimtelijk project;

  • c.

     het bevoegd gezag het project redelijkerwijze had kunnen voorzien en dit had moeten opnemen in een programma van eisen;

  • d.

     de aanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in art. 2 onder nr. 18 Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

  • e.

     de aanvrager een onderneming is ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

Artikel 2.6 Subsidievereisten

  • 1

     Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project is gericht op:

      • 1°.

         eco-archeologische waarden gevonden in de provincie Noord-Brabant; en,

      • 2°.

         het behoud van eco-archeologische waarden; of

      • 3°.

         het behoud van informatie van of uit eco-archeologische waarden en draagt aantoonbaar bij aan de kennis over het klimaat, de flora en fauna, en het menselijk handelen in het verleden;

    • b.

       het project wordt uitgevoerd in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

    • c.

       het project komt voort uit een ruimtelijk project;

    • d.

       aan het project liggen ten grondslag:

      • 1°.

         een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze voldaan wordt aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

         een sluitende begroting, in kalenderjaren uitgesplitst.

  • 2

     Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       de opdrachtgever of initiatiefnemer van het project is:

      • 1°.

         een waterschap;

      • 2°.

         een gemeente; of

      • 3°.

         een terreinbeherende instantie;

    • b.

       het specialistische eco-archeologische onderzoek wordt uitgevoerd door een afgestudeerd academicus;

    • c.

       de academicus, bedoeld onder b, is verbonden aan:

      • 1°.

         een universiteit;

      • 2°.

         een erkend wetenschappelijk instituut; of

      • 3°.

         een organisatie die specialistisch eco-archeologisch onderzoek uitvoert;

    • d.

       aan het project ligt een onderzoeksplan ten grondslag.

  • 3

     Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het conserveren van eco-archeologische waarden wordt uitgevoerd door een persoon die verbonden is aan een organisatie gespecialiseerd in de conservering van organische materialen;

    • b.

       aan het project ligt een conserveringsplan ten grondslag.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten voor het project voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen kunnen van 21 juni 2017 tot en met 15 december 2017 worden ingediend.

Artikel 2.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4, voor de periode genoemd in artikel 2.9, vast op € 85.172.

Artikel 2.10 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, bedraagt ten hoogste € 24.500.

Artikel 2.11 Verdeelcriteria

  • 1

     Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2

     Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3

     Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van de percentuele hoogte van de eigen bijdrage en die van derden, waarbij een hoger percentage voorgaat op een lager percentage.

  • 4

     Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald op basis van de hoogste eigen bijdrage in absolute zin, waarbij een hogere bijdrage voorgaat op een lagere bijdrage.

  • 5

     Indien toepassing van het vierde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 2.12 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger heeft in ieder geval de verplichting dat het project uiterlijk twee jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening is gerealiseerd.

Artikel 2.13 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

  • a.

     een activiteitenverslag;

  • b.

     beeld- of geluidsmateriaal.

§ 3 Instandhouding molens

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     Brim 2013: Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2013;

  • b.

     Cultuurhistorische Waardenkaart 2010; kaart vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 21 december 2010 en de daarbij behorende vastgestelde kaartlagen inclusief herzieningen;

  • c.

     inspectierapport: rapport met overzichts- en detailfoto’s, waaruit de technische staat van de molen nauwkeurig blijkt en waarmee de noodzaak van de ingrepen voldoende wordt onderbouwd;

  • d.

     instandhouding: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde;

  • e.

     molen: al dan niet meer voor de oorspronkelijke functie in bedrijf zijnde wind- of watermolen of molenrestant.

Artikel 3.2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  • a.

     natuurlijke personen;

  • b.

     rechtspersonen.

Artikel 3.3 Subsidievorm

  • 1

     Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2

     Subsidies als bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 3.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op de instandhouding van molens aangewezen als:

  • a.

     rijksmonument;

  • b.

     gemeentelijk monument;

  • c.

     ‘overige bouwkunst’, zoals aangeduid op de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010.

Artikel 3.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

     aan de subsidieaanvrager door Gedeputeerde Staten reeds eerder subsidie is verstrekt voor de instandhouding van de molen voor een of meerdere kalenderjaren van het instandhoudingsplan;

  • b.

     de aanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in art. 2 onder nr. 18 Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

  • c.

     de aanvrager een onderneming is ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

Artikel 3.6 Subsidievereisten

  • 1

     Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       de molen is gelegen binnen het grondgebied van de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       de subsidieaanvrager heeft aantoonbaar het recht van eigendom of een ander zakelijk recht op de betreffende molen;

    • c.

       de molen waarbij het project wordt uitgevoerd is aangewezen als:

      • 1°.

         rijksmonument;

      • 2°.

         gemeentelijk monument; of

      • 3°.

         ‘overige bouwkunst’, zoals aangeduid op de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010.

    • d.

       aan het project ligt een door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geaccordeerd instandhoudingsplan ten grondslag, dat betrekking heeft op de periode 2016-2021 of 2017-2022 en waarin in ieder geval zijn opgenomen:

      • 1°.

         een specificatie van de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden;

      • 2°.

         een omschrijving van de hiermee beoogde resultaten;

      • 3°.

         een actueel inspectierapport dat uiterlijk is opgesteld twee jaar voorafgaand aan de periode van het instandhoudingsplan;

      • 4°.

         een sluitende meerjarenbegroting waarin wordt aangegeven in welk jaar de onderscheiden werkzaamheden worden verricht.

  • 2

     Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       de molen betreft een rijksmonument;

    • b.

       de subsidieaanvrager beschikt over de beschikking van het Rijk, strekkende tot subsidieverlening op grond van het Brim 2013 voor de betreffende molen, inclusief bijlagen inzake het vaststellen van de subsidiabele kosten.

Artikel 3.7 Subsidiabele kosten

  • 1

     Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4, onder a, de door het Rijk bij beschikking van het Rijk strekkende tot subsidieverlening op grond van het Brim 2013 voor de betreffende molen vastgestelde totale subsidiabele kosten voor subsidie in aanmerking.

  • 2

     Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4, onder b en c, alle kosten voor subsidie in aanmerking, voor zover die kosten zijn opgenomen in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten 2013, die als bijlage is opgenomen bij de vigerende Subsidieregeling instandhouding monumenten van de Rijksoverheid.

Artikel 3.8 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 21 juni 2017 tot en met 15 december 2017.

Artikel 3.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 3.4, voor de periode genoemd in artikel 3.8 vast op €93.000.

Artikel 3.10 Subsidiehoogte

  • 1

     De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.4, onder a, bedraagt 20% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 10.000.

  • 2

     De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.4, onder b en c, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 24.500.

Artikel 3.11 Verdeelcriteria

  • 1

     Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2

     Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3

     Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 3.12 Prestatieverantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door toezending van een activiteitenverslag.

§ 4 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 4.1 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2016 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk

Artikel 4.2 Intrekking

De Subsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant wordt ingetrokken.

Artikel 4.3 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 4.4 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant 2016.

’s-Hertogenbosch, 19 juli 2016

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris mw. ir. A.M. Burger

 

 

Toelichting behorende bij de Subsidieregeling cultureel erfgoed Noord-Brabant 2016.

Algemeen Erfgoed staat niet op zichzelf, maar is een waardevol onderdeel van onze leefomgeving. Monumenten, cultuurlandschappen en archeologisch erfgoed vertellen het verhaal van de Brabanders van toen, hoe ze ploeterden om hun brood te verdienen, hoe ze rouwden om hun doden, hoe ze streden voor hun vrijheid. De tastbare herinneringen aan deze verhalen maken dat de Brabanders van nu en de Brabanders van straks zich aan Brabant kunnen hechten. Zij vormen een wezenlijk onderdeel van de Brabantse identiteit. Erfgoed biedt kansen voor het verbeteren van de leefbaarheid van stad en platteland, voor de vestiging van nieuwe bedrijven en voor het trekken van toeristen. Het is aan de Brabanders om deze kansen te grijpen. Waar burgers en bedrijven het initiatief nemen om erfgoed te behouden en beleefbaar te maken, wil het provinciaal bestuur hen daarbij helpen. Onze hulp bestaat uit het bij elkaar brengen van partijen, uit het bieden van kennis, uit deelname in investeringen, uit borgstellingen voor investeringen en uit cofinanciering. Slechts deze laatste lijn wordt door middel van dit juridisch instrument geoperationaliseerd.

Met het beleidskader 2016 -2020, De (verbeeldings)kracht van Erfgoed, geeft het provinciaal bestuur van Brabant verder richting en vorm aan de koers die zij heeft uitgezet in de Agenda van Brabant, de Kaderstellende notitie Monumenten 2011 en De transitie van stad en platteland. Het doel van dit algehele proces is dat erfgoed toegankelijker wordt voor Brabanders en bezoekers aan Brabant, dat erfgoed behouden blijft, dat erfgoed nieuwe economische functies krijgt en dat kennis over erfgoed wordt opgebouwd. Onze inspanningen hebben als oogmerk dat meer Brabanders actief zijn met erfgoed in hun omgeving, er meer participatie, betrokkenheid en financiële inzet van burgers en ondernemers is, er meer zorg komt voor erfgoed vanuit samenwerkingsverbanden uit de hele maatschappij en vanuit overheden en er een (re)vitalisering van erfgoed plaatsvindt. Noord-Brabant zet in op een integrale aanpak – met name bij vraagstukken rond gebiedsontwikkeling – waarbij erfgoed wordt verbonden met leefbaarheid, vestigingsklimaat, ruimtelijke kwaliteit, ecologie, toerisme en economie. Hier is nog pionierswerk te doen waardoor de uitkomsten nog niet altijd concreet te maken zijn.

Juridisch kader De subsidieregeling in relatie tot andere wet- en regelgeving Het subsidierecht kent een gelaagde normstelling. Dat betekent dat een logische hiërarchie van begrippen wordt opgebouwd in lagen van verschillend abstractieniveau. Eerst worden de algemene normen beschreven, dan de meer bijzondere. Normen die op een hoger regelgevingsniveau al zijn geformuleerd worden daarom op een lager niveau niet meer herhaald. Dit betekent dat:

  • a.

     de subsidietitel in de Awb steeds in samenhang met de rest van de Awb moet worden gelezen;

  • b.

     in de Algemene subsidieverordening (Asv) geen normen worden herhaald die rechtstreeks op grond van de Awb gelden;

  • c.

     de Asv altijd in samenhang met de Awb moet worden gelezen;

  • d.

     in een subsidieregeling op basis van de Asv geen normen worden herhaald die rechtstreeks op grond van de Asv of Awb gelden;

  • e.

     een subsidieregeling altijd in samenhang met de Asv en de Awb moet worden gelezen.

Ook in de verhouding tussen Europees recht en nationaal recht geldt een gelaagde normstelling. Normen die rechtstreeks gelden op basis van het Europees recht moeten op nationaal en provinciaal niveau in acht worden genomen en worden niet meer herhaald in deze Asv of de betreffende subsidieregeling. Voor Europese subsidies, dit zijn subsidies die geheel of gedeeltelijk ten laste van de EU-begroting worden verstrekt, gelden specifieke Europese regels. Dit zijn meestal Europese verordeningen of besluiten, maar soms ook Europese documenten met een zachtere juridische status (soft law). Vaak spelen nationale bestuursorganen, zoals de provincie, een rol bij de verstrekking van Europese subsidies. Naast de op de betreffende Europese subsidie(programma’s) van toepassing zijnde Europese uitvoeringsregels moet dan ook gebruik gemaakt worden van het nationale recht. In die gevallen kunnen dus zowel de Europese subsidieregels, soft law, de subsidietitel van de Awb, de subsidiekaderwetten van de verschillende ministeries en de specifieke provinciale subsidieregelingen van toepassing zijn. Concreet betekent dit dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in de subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten en algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht. Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Asv noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.

Artikelsgewijs Paragraaf 2 Eco-archeologisch onderzoek Recente archeologische ontdekkingen hebben duidelijk gemaakt hoe rijk en gedifferentieerd het archeologisch bodemarchief is in de Brabantse beekdalen. In veel gevallen blijkt de conservering van het bodemarchief zeer goed te zijn, vanwege de ligging van dit archief beneden het grondwater. De beekdalen hebben echter ook een groot maatschappelijk belang vanwege de actualiteit van het water- en natuurbeheer. De sterke wijzigingen in het mondiale klimaat alsook de verscherpte doelstellingen in het Europese milieubeleid dwingen met name waterschappen tot tal van nieuwe initiatieven op het gebied van het kwalitatieve en kwantitatieve waterbeheer. Dit heeft tot gevolg dat grootschalige ingrepen in de regionale beeksystemen onvermijdelijk zijn. Deze ingrepen zullen gelet op het Verdrag van Malta gepaard gaan met archeologische onderzoeken. Te voorzien is echter dat belangrijke eco-archeologische waarden onderzocht dienen te worden, omdat zij niet ter plekke behouden kunnen worden. Bij deze archeologische onderzoeken in met name natte contexten, zoals beekdalen, worden veelal zeer vergankelijk erfgoed aangetroffen, waarvan het onderzoek zeer kostenintensief is. Deze paragraaf is bedoeld voor de hulp voor het behoud van deze eco-archeologische waarden en het behoud van informatie van deze eco-archeologische waarden, indien en voor zover de initiatiefnemer van het ruimtelijk project de (mate van) aanwezigheid van deze waarden redelijkerwijze niet had kunnen voorzien. Het behoud van dit erfgoed levert een belangrijke bijdrage aan de kennis over het klimaat, de flora en fauna en het menselijk handelen in het verleden in de provincie Noord-Brabant.

Paragraaf 3 Instandhouding molens Deze paragraaf wordt uitgevoerd door de Monumentwacht Noord-Brabant en biedt een mogelijkheid tot financiële ondersteuning van de instandhouding van monumentale molens en molenrompen in de provincie Noord-Brabant met als oogmerk dat het erfgoed behouden blijft voor Brabanders en bezoekers aan Brabant. Belangrijke voorwaarde hierbij is dat de eigenaar en/of beheerder een instandhoudingsplan opstelt en uitvoert. Per molen kan één keer per zes jaar subsidie worden verleend.

Artikel 1.1 Onderdeel b Een parochie wordt beschouwd als eigenaar.

Artikel 1.5 weigeringsgronden De weigeringsgronden in dit artikel komen in aanvulling op de weigeringsgronden uit artikel 4:25 en 4:35 Awb en de weigeringsgronden uit artikel 8 van de Asv.

Artikel 1.5, onder f De monumenten die in ieder geval hieronder vallen, zijn:

  • -

     Bergosscomplex in Oss

  • -

     CHV in Veghel

  • -

     Dongecentrale Geertruidenberg

  • -

     Klooster Mariënberg in ‘s- Hertogenbosch

  • -

     Klooster Sint-Catharinadal in Oosterhout

  • -

     Leerfabriek Koninklijke Verenigde Leder in Oisterwijk

  • -

     Klooster Mariadal in Roosendaal

  • -

     MOB-complex in Wanroij

  • -

     Moederhuis Franciscanessen in Dongen

  • -

     Weverij De Ploeg in Bergeijk

Artikel 1.6 Subsidievereisten Onderdeel b De Rijks subsidieregeling instandhouding monumenten is alleen van toepassing op eigenaren van de in aanmerking komende monumenten. Het vereiste in onderdeel a is hiermee in overeenstemming. Onderdeel f Het monument dient in gebruik te zijn voor een langere periode en niet leeg te staan. Onderdeel h, onder 5º De bedoeling van het communicatieplan is het geven van een omschrijving over hoe en wat gecommuniceerd wordt over de restauratie, met de omvang van maximaal een A4.

Artikel 1.8 Subsidiabele kosten In de Rijks subsidieregeling instandhouding monumenten is bepaald dat alleen de extra kosten voor instandhouding en herstel van het monument voor vergoeding in aanmerking komen. Het gaat om de kosten die uit technisch oogpunt noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het monument. Kosten in verband met verbetering van het comfort of voor uitbreiding van de gebouwen zijn niet subsidiabel. Door aan te sluiten bij de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten 2013, wordt voldaan aan de eisen uit de rijkssubsidieregeling instandhouding monumenten. In de Leidraad zijn de kosten voor comfort of uitbreiding reeds uitgesloten.

Artikel 1.12 Verdeelcriteria Onderdeel a Bij de mate waarin een financiële bijdrage door derden geleverd wordt aan het project, wordt gekeken naar de hoogte van het totaal aan financiële middelen bij elkaar gebracht door derden.

Onderdeel b Hoe meer maatregelen worden getroffen des te hoger dit gewaardeerd wordt, daarnaast wordt de te treffen maatregel hoger gewaardeerd naarmate in de brochure de maatregel hoger wordt gewaardeerd middels het aantal toegekende groene symbolen. De brochure is te vinden op: http://www.stichtingerm.nl/doc/WAAIER%20DUURZAAMHEID%20def.pdf De mate waarin maatregelen leiden tot energiebesparing wordt hoog gewaardeerd omdat het reduceren van energiekosten bij een monumentaal gebouw substantieel bijdraagt aan een sluitende exploitatiebegroting voor de herbestemming van het pand.

Onderdeel c Hoe toegankelijker en vaker opengesteld voor publiek hoe meer punten. Publieke toegankelijkheid kan op verschillende manieren worden gerealiseerd. Het monument is opengesteld voor publiek maar ook andere wijze van het tonen van het monument kan, zoals 3d rondleidingen en websites.Onderdeel d Bij dit criterium wordt er gekeken welke functie of functies het monument heeft. Een monument dat meerdere functies heeft, wordt hierbij hoger gewaardeerd. Het duurzame aspect wordt bepaald door de mate waarin gegarandeerd kan worden dat een monument een functie voor een langere tijd behoudt en de gebruiker het monument kan onderhouden, onderbouwd middels bijvoorbeeld een huurcontract.

Onderdeel f tot en met l Energiebesparende maatregelen bij een monument vraagt om zorgvuldigheid, niet alle maatregelen zijn geschikt of moeten op een bepaalde manier toegepast worden. Belangrijk is dat de energiebesparende maatregelen passend zijn bij de monumentale waarden van het monument en deze respecteert en niet aantast. Dit vraagt maatwerk. Bij de beoordeling worden deze aspecten meegenomen.

Artikel 1.15 Onderdeel c Monumentenwacht inspecteert het monument tijdens de werkzaamheden en nadat de werkzaamheden zijn afgerond. Zij brengen naar aanleiding van hun inspectie advies uit aan Gedeputeerde Staten over de werkzaamheden.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter de secretaris prof. dr. W.B.H.J. van de Donk mw. ir. A.M. Burger

Vragen over regelingen?

Contacten (2)

Open Links Sluit Links